Elohim Bijbel

Leviticus 8

123456789101112131415161718192021222324252627

De inwijding van Aäron en zijn zonen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het bevel van Yahweh

1Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit hoofdstuk voert uit wat Yahweh in Exod. 29:1–37 en Exod. 40:12–15 geboden had.

Mozes doet de inwijding zelf; Aäron en zijn zonen ontvangen alleen.

Aanvullend

Jasher 83:1–3 bevestigt de inwijding en de zeven dagen bij de ingang van de tent van samenkomst.

2„Neem Aäron en zijn zonen met hem, de kleren, de zalfolie, de stier van het zondoffer, de twee rammen en de mand met de ongezuurde broden,
קַ֤ח
(qach)
neem
אֶֽת
(et)
(obj.)
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֣יו
(banav)
zijn zonen
אִתּ֔וֹ
(ito)
met hem
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
הַבְּגָדִ֔ים
(habegadim)
de kleren
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie van
הַמִּשְׁחָ֑ה
(hamishcha)
de zalving
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
פַּ֣ר
(par)
stier van
הַֽחַטָּ֗את
(hachatat)
het zondoffer
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
הָֽאֵילִ֔ים
(haeilim)
de rammen
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
סַ֥ל
(sal)
mand van
הַמַּצּֽוֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3en roep heel de gemeenschap bijeen bij de ingang van de tent van samenkomst.”
וְאֵ֥ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָעֵדָ֖ה
(haeda)
de gemeenschap
הַקְהֵ֑ל
(haqhel)
roep bijeen
אֶל
(el)
bij
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַקְהֵל (haqhel), ‘roep bijeen’, komt van hetzelfde grondwoord als קָהָל (qahal), ‘vergadering’.

Heel de gemeenschap (עֵדָה, edah) is getuige van de inwijding.

4Mozes deed zoals Yahweh hem geboden had, en de gemeenschap kwam bijeen bij de ingang van de tent van samenkomst.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en deed
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כַּֽאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
וַתִּקָּהֵל֙
(vatiqahel)
en kwam bijeen
הָֽעֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
אֶל
(el)
bij
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Mozes zei tegen de gemeenschap: „Dit is wat Yahweh geboden heeft te doen.”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
הָעֵדָ֑ה
(haeda)
de gemeenschap
זֶ֣ה
(ze)
dit
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
צִוָּ֥ה
(tsiva)
heeft geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשֽׂוֹת
(laasot)
te doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Aäron wordt gewassen en gekleed

6Mozes liet Aäron en zijn zonen naderen en waste hen met water.
וַיַּקְרֵ֣ב
(vayaqrev)
en liet naderen
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֶֽת
(et)
(obj.)
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
וַיִּרְחַ֥ץ
(vayirchats)
en waste
אֹתָ֖ם
(otam)
hen
בַּמָּֽיִם
(bamayim)
met water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aäron en zijn zonen worden eerst gewassen, zoals Yahweh in Exod. 29:4 en Exod. 40:12 gebood.

7Hij trok Aäron het onderkleed aan en omgordde hem met de gordel. Hij kleedde hem met de mantel en deed hem de efod om. Hij omgordde hem met de kunstig geweven band van de efod en bond de efod daarmee om hem vast.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en deed
עָלָ֜יו
(alav)
op hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֻּתֹּ֗נֶת
(hakutonet)
het onderkleed
וַיַּחְגֹּ֤ר
(vayachgor)
en omgordde
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
בָּֽאַבְנֵ֔ט
(baavnet)
met de gordel
וַיַּלְבֵּ֤שׁ
(vayalbesh)
en kleedde
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַמְּעִ֔יל
(hameil)
de mantel
וַיִּתֵּ֥ן
(vayiten)
en deed
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֵפֹ֑ד
(haefod)
de efod
וַיַּחְגֹּ֣ר
(vayachgor)
en omgordde
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
בְּחֵ֨שֶׁב֙
(becheshev)
met de band van
הָֽאֵפֹ֔ד
(haefod)
de efod
וַיֶּאְפֹּ֥ד
(vayepod)
en bond vast
ל֖וֹ
(lo)
hem
בּֽוֹ
(bo)
daarmee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De kleren heten in het Hebreeuws: כֻּתֹּנֶת (kuttonet), ‘onderkleed’; אַבְנֵט (avnet), ‘gordel’; מְעִיל (me’il), ‘mantel’; אֵפוֹד (efod); חֵשֶׁב (cheshev), ‘kunstig geweven band’.

Zij worden beschreven in Exod. 28:4–8 en 28:31–35.

8Hij legde hem de borstplaat om en legde de Urim en de Tummim in de borstplaat.
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en legde
עָלָ֖יו
(alav)
op hem
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֹ֑שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
וַיִּתֵּן֙
(vayiten)
en legde
אֶל
(el)
in
הַחֹ֔שֶׁן
(hachoshen)
de borstplaat
אֶת
(et)
(obj.)
הָאוּרִ֖ים
(haurim)
de Urim
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַתֻּמִּֽים
(hatumim)
de Tummim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָאוּרִים וְהַתֻּמִּים (ha’urim wehatummim), ‘de Urim en de Tummim’: voorwerpen waarmee de wil van Yahweh werd gevraagd.

Zij liggen in de borstplaat (Exod. 28:30).

9Hij zette de tulband op zijn hoofd en zette aan de voorkant van de tulband de gouden plaat, de heilige kroon, zoals Yahweh Mozes geboden had.
וַיָּ֥שֶׂם
(vayasem)
en zette
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּצְנֶ֖פֶת
(hamitsnefet)
de tulband
עַל
(al)
op
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en zette
עַֽל
(al)
op
הַמִּצְנֶ֜פֶת
(hamitsnefet)
de tulband
אֶל
(el)
naar
מ֣וּל
(mul)
de voorkant van
פָּנָ֗יו
(panav)
zijn aangezicht
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
צִ֤יץ
(tsits)
plaat van
הַזָּהָב֙
(hazahav)
het goud
נֵ֣זֶר
(nezer)
kroon van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צִיץ הַזָּהָב (tsits hazahav), ‘gouden plaat’, wordt hier ook נֵזֶר הַקֹּדֶשׁ (nezer haqodesh), ‘heilige kroon’, genoemd.

Zie Exod. 28:36–38 en Exod. 29:6.

De zalving

10Mozes nam de zalfolie en zalfde de tabernakel en alles wat erin was. Zo heiligde hij ze.
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie van
הַמִּשְׁחָ֔ה
(hamishcha)
de zalving
וַיִּמְשַׁ֥ח
(vayimshach)
en zalfde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בּ֑וֹ
(bo)
erin
וַיְקַדֵּ֖שׁ
(vayqadesh)
en heiligde
אֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hij sprenkelde er zeven keer van op het altaar. Hij zalfde het altaar met al zijn voorwerpen, en het wasbekken met zijn voetstuk, om ze te heiligen.
וַיַּ֥ז
(vayaz)
en sprenkelde
מִמֶּ֛נּוּ
(mimenu)
ervan
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֑ים
(peamim)
keer
וַיִּמְשַׁ֨ח
(vayimshach)
en zalfde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֜חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
כֵּלָ֗יו
(kelav)
zijn voorwerpen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכִּיֹּ֛ר
(hakiyor)
het wasbekken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כַּנּ֖וֹ
(kano)
zijn voetstuk
לְקַדְּשָֽׁם
(leqadesham)
om ze te heiligen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Hij goot van de zalfolie op het hoofd van Aäron en zalfde hem om hem te heiligen.
וַיִּצֹק֙
(vayitsoq)
en goot
מִשֶּׁ֣מֶן
(mishemen)
van olie van
הַמִּשְׁחָ֔ה
(hamishcha)
de zalving
עַ֖ל
(al)
op
רֹ֣אשׁ
(rosh)
hoofd van
אַהֲרֹ֑ן
(aharon)
Aäron
וַיִּמְשַׁ֥ח
(vayimshach)
en zalfde
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
לְקַדְּשֽׁוֹ
(leqadesho)
om hem te heiligen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Mozes liet de zonen van Aäron naderen en kleedde hen met onderkleden. Hij omgordde hen met een gordel en bond hun hoofdbanden om, zoals Yahweh Mozes geboden had.
וַיַּקְרֵ֨ב
(vayaqrev)
en liet naderen
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
וַיַּלְבִּשֵׁ֤ם
(vayalbishem)
en kleedde hen
כֻּתֳּנֹת֙
(kutonot)
onderkleden
וַיַּחְגֹּ֤ר
(vayachgor)
en omgordde
אֹתָם֙
(otam)
hen
אַבְנֵ֔ט
(avnet)
gordel
וַיַּחֲבֹ֥שׁ
(vayachavosh)
en bond om
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
מִגְבָּע֑וֹת
(migbaot)
hoofdbanden
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִגְבָּעוֹת (migba’ot), ‘hoofdbanden’: het hoofddeksel van de gewone priesters (Exod. 28:40; 29:9).

Het zondoffer

14Hij bracht de stier van het zondoffer naar voren, en Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de stier van het zondoffer.
וַיַּגֵּ֕שׁ
(vayagesh)
en bracht naar voren
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
פַּ֣ר
(par)
stier van
הַֽחַטָּ֑את
(hachatat)
het zondoffer
וַיִּסְמֹ֨ךְ
(vayismokh)
en legde
אַהֲרֹ֤ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָיו֙
(uvanav)
en zijn zonen
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵיהֶ֔ם
(yedeihem)
hun handen
עַל
(al)
op
רֹ֖אשׁ
(rosh)
kop van
פַּ֥ר
(par)
stier van
הַֽחַטָּֽאת
(hachatat)
het zondoffer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Mozes slachtte hem, nam het bloed en deed het met zijn vinger rondom op de hoorns van het altaar. Zo ontzondigde hij het altaar. Het bloed goot hij uit aan de voet van het altaar. Zo heiligde hij het door er verzoening voor te doen.
וַיִּשְׁחָ֗ט
(vayishchat)
en slachtte
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּם֙
(hadam)
het bloed
וַ֠יִּתֵּן
(vayiten)
en deed
עַל
(al)
op
קַרְנ֨וֹת
(qarnot)
hoorns van
הַמִּזְבֵּ֤חַ
(hamizbeach)
het altaar
סָבִיב֙
(saviv)
rondom
בְּאֶצְבָּע֔וֹ
(beetsbao)
met zijn vinger
וַיְחַטֵּ֖א
(vaychate)
en ontzondigde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַדָּ֗ם
(hadam)
het bloed
יָצַק֙
(yatsaq)
goot uit
אֶל
(el)
aan
יְס֣וֹד
(yesod)
voet van
הַמִּזְבֵּ֔חַ
(hamizbeach)
het altaar
וַֽיְקַדְּשֵׁ֖הוּ
(vayqadeshehu)
en heiligde het
לְכַפֵּ֥ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עָלָֽיו
(alav)
voor het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְחַטֵּא (wayechatte), ‘en hij ontzondigde’: van חֵטְא (chet), ‘zonde’.

Het altaar wordt van zonde gereinigd, zoals in Exod. 29:36.

Vergelijk Lev. 16:18–19.

16Hij nam al het vet dat op de ingewanden zit, het aanhangsel van de lever, de twee nieren en hun vet. Mozes liet het op het altaar in rook opgaan.
וַיִּקַּ֗ח
(vayiqach)
en nam
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַחֵלֶב֮
(hachelev)
het vet
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הַקֶּרֶב֒
(haqerev)
de ingewanden
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
יֹתֶ֣רֶת
(yoteret)
aanhangsel van
הַכָּבֵ֔ד
(hakaved)
de lever
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
הַכְּלָיֹ֖ת
(hakelayot)
de nieren
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
חֶלְבְּהֶ֑ן
(chelbehen)
hun vet
וַיַּקְטֵ֥ר
(vayaqter)
en liet in rook opgaan
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
הַמִּזְבֵּֽחָה
(hamizbecha)
op het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17De stier met zijn huid, zijn vlees en zijn mest verbrandde hij met vuur buiten het kamp, zoals Yahweh Mozes geboden had.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפָּ֤ר
(hapar)
de stier
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֹרוֹ֙
(oro)
zijn huid
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּשָׂר֣וֹ
(besaro)
zijn vlees
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פִּרְשׁ֔וֹ
(pirsho)
zijn mest
שָׂרַ֣ף
(saraf)
verbrandde
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶ֑ה
(lamachane)
het kamp
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het brandoffer

18Hij bracht de ram van het brandoffer naar voren, en Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram.
וַיַּקְרֵ֕ב
(vayaqrev)
en bracht naar voren
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
אֵ֣יל
(eil)
ram van
הָעֹלָ֑ה
(haola)
het brandoffer
וַֽיִּסְמְכ֞וּ
(vayismekhu)
en legden
אַהֲרֹ֧ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
kop van
הָאָֽיִל
(haayil)
de ram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Mozes slachtte hem en sprenkelde het bloed rondom op het altaar.
וַיִּשְׁחָ֑ט
(vayishchat)
en slachtte
וַיִּזְרֹ֨ק
(vayizroq)
en sprenkelde
מֹשֶׁ֧ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּ֛ם
(hadam)
het bloed
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De ram sneed hij in stukken. Mozes liet de kop, de stukken en het vetweefsel in rook opgaan.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָאַ֔יִל
(haayil)
de ram
נִתַּ֖ח
(nitach)
sneed in stukken
לִנְתָחָ֑יו
(lintachav)
in zijn stukken
וַיַּקְטֵ֤ר
(vayaqter)
en liet in rook opgaan
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֹ֔אשׁ
(harosh)
de kop
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנְּתָחִ֖ים
(hanetachim)
de stukken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַפָּֽדֶר
(hapader)
het vetweefsel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLev 1:8
21De ingewanden en de poten waste hij met water. Mozes liet de hele ram op het altaar in rook opgaan. Het was een brandoffer, tot een aangename geur; het was een vuuroffer voor Yahweh, zoals Yahweh Mozes geboden had.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַקֶּ֥רֶב
(haqerev)
de ingewanden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַכְּרָעַ֖יִם
(hakeraayim)
de poten
רָחַ֣ץ
(rachats)
waste hij
בַּמָּ֑יִם
(bamayim)
met water
וַיַּקְטֵר֩
(vayaqter)
en liet in rook opgaan
מֹשֶׁ֨ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאַ֜יִל
(haayil)
de ram
הַמִּזְבֵּ֗חָה
(hamizbecha)
op het altaar
עֹלָ֨ה
(ola)
brandoffer
ה֤וּא
(hu)
het is
לְרֵֽיחַ
(lereiach)
tot een geur van
נִיחֹ֨חַ֙
(nichoach)
aangenaamheid
אִשֶּׁ֥ה
(ishe)
vuuroffer
הוּא֙
(hu)
het is
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De ram van de inwijding

22Hij bracht de tweede ram naar voren, de ram van de inwijding, en Aäron en zijn zonen legden hun handen op de kop van de ram.
וַיַּקְרֵב֙
(vayaqrev)
en bracht naar voren
אֶת
(et)
(obj.)
הָאַ֣יִל
(haayil)
de ram
הַשֵּׁנִ֔י
(hasheni)
de tweede
אֵ֖יל
(eil)
ram van
הַמִּלֻּאִ֑ים
(hamiluim)
de inwijding
וַֽיִּסְמְכ֞וּ
(vayismekhu)
en legden
אַהֲרֹ֧ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָ֛יו
(uvanav)
en zijn zonen
אֶת
(et)
(obj.)
יְדֵיהֶ֖ם
(yedeihem)
hun handen
עַל
(al)
op
רֹ֥אשׁ
(rosh)
kop van
הָאָֽיִל
(haayil)
de ram
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֵיל הַמִּלֻּאִים (ayil hammillu’im), ‘ram van de inwijding’: letterlijk ‘ram van de vullingen’.

מִלֵּא יָד (mille yad), ‘de hand vullen’, betekent ‘inwijden’ (Exod. 29:9, 29:22).

23Mozes slachtte hem en nam van zijn bloed. Hij deed het op de rechteroorlel van Aäron, op de rechterduim van zijn hand en op de rechter grote teen van zijn voet.
וַיִּשְׁחָ֓ט
(vayishchat)
en slachtte
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
מִדָּמ֔וֹ
(midamo)
van zijn bloed
וַיִּתֵּ֛ן
(vayiten)
en deed
עַל
(al)
op
תְּנ֥וּךְ
(tenukh)
lel van
אֹֽזֶן
(ozen)
oor van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
הַיְמָנִ֑ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֤הֶן
(bohen)
duim van
יָדוֹ֙
(yado)
zijn hand
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֥הֶן
(bohen)
grote teen van
רַגְל֖וֹ
(raglo)
zijn voet
הַיְמָנִֽית
(haymanit)
de rechter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het bloed op oor, duim en grote teen wijdt de hele persoon: wat hij hoort, doet en loopt (zie Exod. 29:20).

Vergelijk Lev. 14:14.

24Hij liet de zonen van Aäron naderen. Hij deed van het bloed op hun rechteroorlel, op de rechterduim van hun hand en op de rechter grote teen van hun voet. Het bloed sprenkelde Mozes rondom op het altaar.
וַיַּקְרֵ֞ב
(vayaqrev)
en liet naderen
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en deed
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
מִן
(min)
van
הַדָּם֙
(hadam)
het bloed
עַל
(al)
op
תְּנ֤וּךְ
(tenukh)
lel van
אָזְנָם֙
(azenam)
hun oor
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֤הֶן
(bohen)
duim van
יָדָם֙
(yadam)
hun hand
הַיְמָנִ֔ית
(haymanit)
de rechter
וְעַל
(veal)
en op
בֹּ֥הֶן
(bohen)
grote teen van
רַגְלָ֖ם
(raglam)
hun voet
הַיְמָנִ֑ית
(haymanit)
de rechter
וַיִּזְרֹ֨ק
(vayizroq)
en sprenkelde
מֹשֶׁ֧ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּ֛ם
(hadam)
het bloed
עַל
(al)
op
הַֽמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Hij nam het vet, de vette staart, al het vet dat op de ingewanden zit, het aanhangsel van de lever, de twee nieren met hun vet en de rechterdij.
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֵ֣לֶב
(hachelev)
het vet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָֽאַלְיָ֗ה
(haalya)
de vette staart
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
הַחֵלֶב֮
(hachelev)
het vet
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הַקֶּרֶב֒
(haqerev)
de ingewanden
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
יֹתֶ֣רֶת
(yoteret)
aanhangsel van
הַכָּבֵ֔ד
(hakaved)
de lever
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁתֵּ֥י
(shetei)
twee
הַכְּלָיֹ֖ת
(hakelayot)
de nieren
וְאֶֽת
(veet)
en (obj.)
חֶלְבְּהֶ֑ן
(chelbehen)
hun vet
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
שׁ֥וֹק
(shoq)
dij van
הַיָּמִֽין
(hayamin)
de rechterkant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Uit de mand met de ongezuurde broden, die voor het aangezicht van Yahweh stond, nam hij één ongezuurde koek, één broodkoek met olie en één wafel. Hij legde ze op het vet en op de rechterdij.
וּמִסַּ֨ל
(umisal)
en uit mand van
הַמַּצּ֜וֹת
(hamatsot)
de ongezuurde broden
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לָ֠קַח
(laqach)
nam hij
חַלַּ֨ת
(chalat)
koek van
מַצָּ֤ה
(matsa)
ongezuurd
אַחַת֙
(achat)
één
וְֽחַלַּ֨ת
(vechalat)
en koek van
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood
שֶׁ֛מֶן
(shemen)
olie
אַחַ֖ת
(achat)
één
וְרָקִ֣יק
(veraqiq)
en wafel
אֶחָ֑ד
(echad)
één
וַיָּ֨שֶׂם֙
(vayasem)
en legde
עַל
(al)
op
הַ֣חֲלָבִ֔ים
(hachalavim)
het vet
וְעַ֖ל
(veal)
en op
שׁ֥וֹק
(shoq)
dij van
הַיָּמִֽין
(hayamin)
de rechterkant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Alles legde hij op de handen van Aäron en op de handen van zijn zonen, en hij zwaaide het als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh.
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en legde
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּ֔ל
(hakol)
alles
עַ֚ל
(al)
op
כַּפֵּ֣י
(kapei)
handen van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
וְעַ֖ל
(veal)
en op
כַּפֵּ֣י
(kapei)
handen van
בָנָ֑יו
(banav)
zijn zonen
וַיָּ֧נֶף
(vayanef)
en zwaaide
אֹתָ֛ם
(otam)
ze
תְּנוּפָ֖ה
(tenufa)
als beweegoffer
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Mozes nam het van hun handen en liet het op het altaar in rook opgaan, boven op het brandoffer. Het was een inwijding, tot een aangename geur; het was een vuuroffer voor Yahweh.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁ֤ה
(moshe)
Mozes
אֹתָם֙
(otam)
ze
מֵעַ֣ל
(meal)
van op
כַּפֵּיהֶ֔ם
(kapeihem)
hun handen
וַיַּקְטֵ֥ר
(vayaqter)
en liet in rook opgaan
הַמִּזְבֵּ֖חָה
(hamizbecha)
op het altaar
עַל
(al)
op
הָעֹלָ֑ה
(haola)
het brandoffer
מִלֻּאִ֥ים
(miluim)
inwijding
הֵם֙
(hem)
zij zijn
לְרֵ֣יחַ
(lereiach)
tot een geur van
נִיחֹ֔חַ
(nichoach)
aangenaamheid
אִשֶּׁ֥ה
(ishe)
vuuroffer
ה֖וּא
(hu)
het is
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִלֻּאִים (millu’im), ‘inwijding’: het hele offer van de tweede ram heet zo (vers 22).

29Mozes nam de borst en zwaaide die als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh. Van de ram van de inwijding was dat het deel voor Mozes, zoals Yahweh Mozes geboden had.
וַיִּקַּ֤ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הֶ֣חָזֶ֔ה
(hechaze)
de borst
וַיְנִיפֵ֥הוּ
(vaynifehu)
en zwaaide hem
תְנוּפָ֖ה
(tenufa)
als beweegoffer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
מֵאֵ֣יל
(meeil)
van ram van
הַמִּלֻּאִ֗ים
(hamiluim)
de inwijding
לְמֹשֶׁ֤ה
(lemoshe)
voor Mozes
הָיָה֙
(haya)
het was
לְמָנָ֔ה
(lemana)
tot deel
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
had geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מָנָה (manah), ‘deel’: de borst van de ram is voor Mozes, omdat hij bij deze inwijding als priester optreedt.

Zie Exod. 29:26.

30Mozes nam van de zalfolie en van het bloed dat op het altaar was. Hij sprenkelde het op Aäron en zijn kleren, en op zijn zonen en de kleren van zijn zonen met hem. Zo heiligde hij Aäron en zijn kleren, en zijn zonen en de kleren van zijn zonen met hem.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
מִשֶּׁ֣מֶן
(mishemen)
van olie van
הַמִּשְׁחָ֗ה
(hamishcha)
de zalving
וּמִן
(umin)
en van
הַדָּם֮
(hadam)
het bloed
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הַמִּזְבֵּחַ֒
(hamizbeach)
het altaar
וַיַּ֤ז
(vayaz)
en sprenkelde
עַֽל
(al)
op
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
עַל
(al)
op
בְּגָדָ֔יו
(begadav)
zijn kleren
וְעַל
(veal)
en op
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
וְעַל
(veal)
en op
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
בָנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
אִתּ֑וֹ
(ito)
met hem
וַיְקַדֵּ֤שׁ
(vayqadesh)
en heiligde
אֶֽת
(et)
(obj.)
אַהֲרֹן֙
(aharon)
Aäron
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֔יו
(begadav)
zijn kleren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
בָנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
אִתּֽוֹ
(ito)
met hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Zeven dagen bij de tent van samenkomst

31Mozes zei tegen Aäron en tegen zijn zonen: „Kook het vlees bij de ingang van de tent van samenkomst en eet het daar. Eet ook het brood dat in de mand van de inwijding is, zoals ik geboden heb: ‘Aäron en zijn zonen moeten het eten.’
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
וְאֶל
(veel)
en tot
בָּנָ֗יו
(banav)
zijn zonen
בַּשְּׁל֣וּ
(bashelu)
kook
אֶת
(et)
(obj.)
הַבָּשָׂר֮
(habasar)
het vlees
פֶּ֣תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֣הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵד֒
(moed)
samenkomst
וְשָׁם֙
(vesham)
en daar
תֹּאכְל֣וּ
(tokhlu)
zullen jullie eten
אֹת֔וֹ
(oto)
het
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
הַלֶּ֔חֶם
(halechem)
het brood
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
בְּסַ֣ל
(besal)
in de mand van
הַמִּלֻּאִ֑ים
(hamiluim)
de inwijding
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
zoals
צִוֵּ֨יתִי֙
(tsiveiti)
ik heb geboden
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
אַהֲרֹ֥ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָ֖יו
(uvanav)
en zijn zonen
יֹאכְלֻֽהוּ
(yokhluhu)
zullen het eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

צִוֵּיתִי (tsiwwiti) staat hier met de klinkers van ‘ik heb geboden’; in vers 35 en Lev. 10:13 staat צֻוֵּיתִי (tsuwweti), ‘mij is geboden’.

Wij volgen de klinkers van de tekst: Mozes geeft het gebod van Yahweh door in zijn eigen naam.

De medeklinkers laten ook ‘mij is geboden’ toe.

32Wat van het vlees en van het brood overblijft, moeten jullie met vuur verbranden.
וְהַנּוֹתָ֥ר
(vehanotar)
en wat overblijft
בַּבָּשָׂ֖ר
(babasar)
van het vlees
וּבַלָּ֑חֶם
(uvalachem)
en van het brood
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
met vuur
תִּשְׂרֹֽפוּ
(tisrofu)
zullen jullie verbranden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Zeven dagen lang mogen jullie niet weggaan van de ingang van de tent van samenkomst, tot de dag dat de dagen van jullie inwijding voorbij zijn. Want zeven dagen lang worden jullie ingewijd.
וּמִפֶּתַח֩
(umipetach)
en van de ingang van
אֹ֨הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֜ד
(moed)
samenkomst
לֹ֤א
(lo)
niet
תֵֽצְאוּ֙
(tetseu)
zullen jullie weggaan
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
עַ֚ד
(ad)
tot
י֣וֹם
(yom)
dag van
מְלֹ֔את
(melot)
het voltooien van
יְמֵ֖י
(yemei)
dagen van
מִלֻּאֵיכֶ֑ם
(milueikhem)
jullie inwijding
כִּ֚י
(ki)
want
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
יְמַלֵּ֖א
(yemale)
hij zal vullen
אֶת
(et)
(obj.)
יֶדְכֶֽם
(yedkhem)
jullie hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יְמַלֵּא אֶת־יֶדְכֶם (yemalle et-yedkhem), letterlijk ‘hij vult jullie hand’: ‘hij wijdt jullie in’ (vers 22).

Lezing

Er staat niet wie de hand vult.

Wij vertalen onpersoonlijk: ‘worden jullie ingewijd’.

34Zoals vandaag gedaan is, zo heeft Yahweh geboden te doen, om verzoening voor jullie te doen.
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
עָשָׂ֖ה
(asa)
is gedaan
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
צִוָּ֧ה
(tsiva)
heeft geboden
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשֹׂ֖ת
(laasot)
om te doen
לְכַפֵּ֥ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
voor jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Bij de ingang van de tent van samenkomst moeten jullie zeven dagen lang dag en nacht blijven en de wacht van Yahweh houden, zodat jullie niet sterven. Want zo is mij geboden.”
וּפֶתַח֩
(ufetach)
en de ingang van
אֹ֨הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֜ד
(moed)
samenkomst
תֵּשְׁב֨וּ
(teshevu)
zullen jullie blijven
יוֹמָ֤ם
(yomam)
overdag
וָלַ֨יְלָה֙
(valayla)
en 's nachts
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
וּשְׁמַרְתֶּ֛ם
(ushemartem)
en jullie zullen houden
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמֶ֥רֶת
(mishmeret)
de wacht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָמ֑וּתוּ
(tamutu)
zullen jullie sterven
כִּי
(ki)
want
כֵ֖ן
(ken)
zo
צֻוֵּֽיתִי
(tsuveiti)
mij is geboden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמֶרֶת יְהוָה (mishmeret Yahweh), ‘de wacht van Yahweh’: wat Yahweh te bewaken heeft opgedragen.

Zie ook Num. 3:7.

36Aäron en zijn zonen deden alles wat Yahweh door Mozes geboden had.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
וּבָנָ֑יו
(uvanav)
en zijn zonen
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de dingen
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוָּ֥ה
(tsiva)
heeft geboden
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)