Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Melaatsheid op de huid
1Yahweh sprak tot Mozes en Aäron:
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en Hij sprak
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
וְאֶֽל
(veel)
en tot
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
2„Wanneer iemand op de huid van zijn lichaam een zwelling, uitslag of glanzende vlek krijgt. En het wordt op de huid van zijn lichaam een plek van melaatsheid. Dan moet hij naar de priester Aäron worden gebracht, of naar een van zijn zonen, de priesters.
אָדָ֗ם
(adam)
een mens
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִהְיֶ֤ה
(yihye)
er is
בְעוֹר
(beor)
op de huid van
בְּשָׂרוֹ֙
(besaro)
zijn lichaam
שְׂאֵ֤ת
(seet)
een zwelling
אֽוֹ
(o)
of
סַפַּ֨חַת֙
(sapachat)
uitslag
א֣וֹ
(o)
of
בַהֶ֔רֶת
(baheret)
een glanzende vlek
וְהָיָ֥ה
(vehaya)
en het wordt
בְעוֹר
(beor)
op de huid van
בְּשָׂר֖וֹ
(besaro)
zijn lichaam
לְנֶ֣גַע
(lenega)
tot een plek van
צָרָ֑עַת
(tsaraat)
melaatsheid
וְהוּבָא֙
(vehuva)
en hij wordt gebracht
אֶל
(el)
tot
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
א֛וֹ
(o)
of
אֶל
(el)
tot
אַחַ֥ד
(achad)
een van
מִבָּנָ֖יו
(mibanav)
zijn zonen
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צָרַעַת (tsara‘at), ‘melaatsheid’: een verzamelnaam voor huidaandoeningen.
Het woord staat ook voor een aantasting van kleding (vers 47) en van huizen (Lev. 14:34).
Het is niet dezelfde ziekte als lepra in onze tijd.
Wij vertalen het steeds met ‘melaatsheid’, ook bij kleding en huizen, zoals in Exod. 4:6.
נֶגַע (nega‘), ‘plek’: letterlijk ‘slag’ of ‘aanraking’; een plek die op de huid of op een voorwerp komt.
שְׂאֵת (se’et), ‘zwelling’, סַפַּחַת (sappachat), ‘uitslag’, en בַּהֶרֶת (baheret), ‘glanzende vlek’: een heldere, lichte plek op de huid.
De priester stelt vast of iets onrein is. Hij geneest niet.
3De priester moet de plek op de huid van het lichaam bekijken. Is het haar in de plek wit geworden en ziet de plek er dieper uit dan de huid van zijn lichaam, dan is het een plek van melaatsheid. De priester moet hem bekijken en onrein verklaren.
וְרָאָ֣ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֣גַע
(hanega)
de plek
בְּעֽוֹר
(beor)
op de huid van
הַ֠בָּשָׂר
(habasar)
het lichaam
וְשֵׂעָ֨ר
(vesear)
en het haar
בַּנֶּ֜גַע
(banega)
in de plek
הָפַ֣ךְ
(hafakh)
is geworden
לָבָ֗ן
(lavan)
wit
וּמַרְאֵ֤ה
(umare)
en het aanzien van
הַנֶּ֨גַע֙
(hanega)
de plek
עָמֹק֙
(amoq)
dieper
מֵע֣וֹר
(meor)
dan de huid van
בְּשָׂר֔וֹ
(besaro)
zijn lichaam
נֶ֥גַע
(nega)
een plek van
צָרַ֖עַת
(tsaraat)
melaatsheid
ה֑וּא
(hu)
het is
וְרָאָ֥הוּ
(veraahu)
en hij bekijkt hem
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
וְטִמֵּ֥א
(vetime)
en hij verklaart onrein
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טִמֵּא (timme), ‘onrein verklaren’, en טִהֵר (tihér), ‘rein verklaren’: de priester maakt niemand onrein of rein, hij verklaart wat hij ziet.
עָמֹק (amoq), ‘diep’: een plek die dieper lijkt te liggen dan de huid eromheen.
4Is de glanzende vlek wit op de huid van zijn lichaam, maar ziet zij er niet dieper uit dan de huid. En is het haar niet wit geworden. Dan moet de priester de plek zeven dagen afzonderen.
וְאִם
(veim)
en als
בַּהֶרֶת֩
(baheret)
een glanzende vlek
לְבָנָ֨ה
(levana)
wit
הִ֜וא
(hi)
zij is
בְּע֣וֹר
(beor)
op de huid van
בְּשָׂר֗וֹ
(besaro)
zijn lichaam
וְעָמֹק֙
(veamoq)
en dieper
אֵין
(ein)
niet
מַרְאֶ֣הָ
(mareha)
haar aanzien
מִן
(min)
dan
הָע֔וֹר
(haor)
de huid
וּשְׂעָרָ֖ה
(useara)
en haar haar
לֹא
(lo)
niet
הָפַ֣ךְ
(hafakh)
is geworden
לָבָ֑ן
(lavan)
wit
וְהִסְגִּ֧יר
(vehisgir)
en hij zondert af
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֖גַע
(hanega)
de plek
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הִסְגִּיר (hisgir), ‘afzonderen’: letterlijk ‘sluiten’ of ‘afsluiten’.
De persoon (later ook een voorwerp of huis, Lev. 14:38) wordt apart gehouden, zodat de priester kan zien of de plek verandert.
5Op de zevende dag moet de priester hem bekijken. Ziet hij dan dat de plek in zijn ogen gelijk is gebleven en zich niet over de huid heeft verspreid. Dan moet de priester hem nog eens zeven dagen afzonderen.
וְרָאָ֣הוּ
(veraahu)
en hij bekijkt hem
הַכֹּהֵן֮
(hakohen)
de priester
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִי֒
(hashevii)
de zevende
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
הַנֶּ֨גַע֙
(hanega)
de plek
עָמַ֣ד
(amad)
is blijven staan
בְּעֵינָ֔יו
(beeinav)
in zijn ogen
לֹֽא
(lo)
niet
פָשָׂ֥ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֖גַע
(hanega)
de plek
בָּע֑וֹר
(baor)
op de huid
וְהִסְגִּיר֧וֹ
(vehisgiro)
en hij zondert hem af
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
שֵׁנִֽית
(shenit)
voor de tweede keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּעֵינָיו (be‘einav), ‘in zijn ogen’: zoals de priester het ziet.
עָמַד (amad), ‘blijven staan’: de plek is gelijk gebleven.
פָשָׂה (pasah), ‘zich verspreiden’: de plek wordt groter.
6Op de zevende dag moet de priester hem nog eens bekijken. Ziet hij dan dat de plek dof is geworden en zich niet over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem rein verklaren. Het is uitslag. Hij moet zijn kleren wassen, en dan is hij rein.
וְרָאָה֩
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֨ן
(hakohen)
de priester
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִי֮
(hashevii)
de zevende
שֵׁנִית֒
(shenit)
voor de tweede keer
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
כֵּהָ֣ה
(keha)
is dof geworden
הַנֶּ֔גַע
(hanega)
de plek
וְלֹא
(velo)
en niet
פָשָׂ֥ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֖גַע
(hanega)
de plek
בָּע֑וֹר
(baor)
op de huid
וְטִהֲר֤וֹ
(vetiharo)
en hij verklaart hem rein
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
מִסְפַּ֣חַת
(mispachat)
uitslag
הִ֔יא
(hi)
het is
וְכִבֶּ֥ס
(vekhibes)
en hij wast
בְּגָדָ֖יו
(begadav)
zijn kleren
וְטָהֵֽר
(vetaher)
en hij is rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֵּהָה (kehah), ‘dof’: de plek is minder helder geworden.
7Maar als de uitslag zich over de huid verspreidt nadat hij aan de priester is getoond om rein verklaard te worden. Hij moet nog eens aan de priester worden getoond.
וְאִם
(veim)
en als
פָּשֹׂ֨ה
(paso)
zich verspreiden
תִפְשֶׂ֤ה
(tifse)
zal verspreiden
הַמִּסְפַּ֨חַת֙
(hamispachat)
de uitslag
בָּע֔וֹר
(baor)
op de huid
אַחֲרֵ֧י
(acharei)
nadat
הֵרָאֹת֛וֹ
(heraoto)
hij getoond is
אֶל
(el)
aan
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
לְטָהֳרָת֑וֹ
(letahorato)
om hem rein te verklaren
וְנִרְאָ֥ה
(venira)
en hij wordt getoond
שֵׁנִ֖ית
(shenit)
voor de tweede keer
אֶל
(el)
aan
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8De priester moet hem bekijken. Ziet hij dat de uitslag zich over de huid heeft verspreid, dan moet de priester hem onrein verklaren. Het is melaatsheid.
וְרָאָה֙
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
פָּשְׂתָ֥ה
(paseta)
heeft zich verspreid
הַמִּסְפַּ֖חַת
(hamispachat)
de uitslag
בָּע֑וֹר
(baor)
op de huid
וְטִמְּא֥וֹ
(vetimeo)
en hij verklaart hem onrein
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
צָרַ֥עַת
(tsaraat)
melaatsheid
הִֽוא
(hi)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Wanneer iemand een plek van melaatsheid krijgt, moet hij naar de priester worden gebracht.
נֶ֣גַע
(nega)
een plek van
צָרַ֔עַת
(tsaraat)
melaatsheid
כִּ֥י
(ki)
wanneer
תִהְיֶ֖ה
(tihye)
zij is
בְּאָדָ֑ם
(beadam)
in een mens
וְהוּבָ֖א
(vehuva)
en hij wordt gebracht
אֶל
(el)
tot
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10De priester moet hem bekijken. Ziet hij een witte zwelling op de huid, ziet hij dat het haar wit is geworden en dat er in de zwelling een plek levend vlees zit,
וְרָאָ֣ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
שְׂאֵת
(seet)
een zwelling
לְבָנָה֙
(levana)
wit
בָּע֔וֹר
(baor)
op de huid
וְהִ֕יא
(vehi)
en zij
הָפְכָ֖ה
(hafekha)
heeft veranderd
שֵׂעָ֣ר
(sear)
haar
לָבָ֑ן
(lavan)
wit
וּמִֽחְיַ֛ת
(umichyat)
en een plek van
בָּשָׂ֥ר
(basar)
vlees
חַ֖י
(chay)
levend
בַּשְׂאֵֽת
(baset)
in de zwelling
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִחְיַת בָּשָׂר חַי (michyat basar chai), ‘een plek levend vlees’: waarschijnlijk rauw, rood vlees dat in de zwelling zichtbaar is.
11dan is het oude melaatsheid op de huid van zijn lichaam. De priester moet hem onrein verklaren. Hij hoeft hem niet af te zonderen, want hij is onrein.
צָרַ֨עַת
(tsaraat)
melaatsheid
נוֹשֶׁ֤נֶת
(noshenet)
oud
הִוא֙
(hi)
het is
בְּע֣וֹר
(beor)
op de huid van
בְּשָׂר֔וֹ
(besaro)
zijn lichaam
וְטִמְּא֖וֹ
(vetimeo)
en hij verklaart hem onrein
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
לֹ֣א
(lo)
niet
יַסְגִּרֶ֔נּוּ
(yasgirenu)
hij zal hem afzonderen
כִּ֥י
(ki)
want
טָמֵ֖א
(tame)
onrein
הֽוּא
(hu)
hij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נוֹשֶׁנֶת (noshenet), ‘oud’: al lang bestaand, diep ingeworteld.
12Wanneer de melaatsheid op de huid uitbreekt en de hele huid met de plek bedekt, van zijn hoofd tot zijn voeten, zover de ogen van de priester kunnen zien,
וְאִם
(veim)
en als
פָּר֨וֹחַ
(paroach)
uitbreken
תִּפְרַ֤ח
(tifrach)
zal uitbreken
הַצָּרַ֨עַת֙
(hatsaraat)
de melaatsheid
בָּע֔וֹר
(baor)
op de huid
וְכִסְּתָ֣ה
(vekhiseta)
en zij bedekt
הַצָּרַ֗עַת
(hatsaraat)
de melaatsheid
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
ע֣וֹר
(or)
de huid van
הַנֶּ֔גַע
(hanega)
de plek
מֵרֹאשׁ֖וֹ
(merosho)
van zijn hoofd
וְעַד
(vead)
en tot
רַגְלָ֑יו
(raglav)
zijn voeten
לְכָל
(lekhal)
naar heel
מַרְאֵ֖ה
(mare)
het zien van
עֵינֵ֥י
(einei)
de ogen van
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּרוֹחַ תִּפְרַח (parovach tifrach), ‘uitbreken’: letterlijk ‘bloeien’, zich als een bloem openen.
Wij vertalen steeds ‘uitbreken’ (ook in vers 20, 25 en 57).
13dan moet de priester kijken. Ziet hij dat de melaatsheid zijn hele lichaam heeft bedekt, dan moet hij de aangetaste rein verklaren. Alles is wit geworden: hij is rein.
וְרָאָ֣ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
כִסְּתָ֤ה
(kiseta)
heeft bedekt
הַצָּרַ֨עַת֙
(hatsaraat)
de melaatsheid
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
בְּשָׂר֔וֹ
(besaro)
zijn lichaam
וְטִהַ֖ר
(vetihar)
en hij verklaart rein
אֶת
(et)
(obj.)
הַנָּ֑גַע
(hanaga)
de aangetaste
כֻּלּ֛וֹ
(kulo)
geheel
הָפַ֥ךְ
(hafakh)
is veranderd
לָבָ֖ן
(lavan)
wit
טָה֥וֹר
(tahor)
rein
הֽוּא
(hu)
hij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
In de klinkertekens staat הַנָּגַע (hannaga), ‘de aangetaste’, en niet הַנֶּגַע (hannega), ‘de plek’.
Wij volgen dat: wie helemaal wit is geworden, wordt rein verklaard.
20De priester moet kijken. Ziet hij dat de plek lager ligt dan de huid en dat het haar wit is geworden, dan moet de priester hem onrein verklaren. Het is een plek van melaatsheid, uitgebroken in de zweer.
וְרָאָ֣ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
מַרְאֶ֨הָ֙
(mareha)
haar aanzien
שָׁפָ֣ל
(shafal)
lager
מִן
(min)
dan
הָע֔וֹר
(haor)
de huid
וּשְׂעָרָ֖הּ
(usearah)
en haar haar
הָפַ֣ךְ
(hafakh)
is veranderd
לָבָ֑ן
(lavan)
wit
וְטִמְּא֧וֹ
(vetimeo)
en hij verklaart hem onrein
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
נֶֽגַע
(nega)
een plek van
צָרַ֥עַת
(tsaraat)
melaatsheid
הִ֖וא
(hi)
zij is
בַּשְּׁחִ֥ין
(bashechin)
in de zweer
פָּרָֽחָה
(paracha)
zij is uitgebroken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Bekijkt de priester haar, dan ziet hij dat er geen wit haar in zit, dat zij niet lager ligt dan de huid en dat zij dof is. Dan moet de priester hem zeven dagen afzonderen.
וְאִ֣ם
(veim)
en als
יִרְאֶ֣נָּה
(yirena)
hij haar ziet
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
אֵֽין
(ein)
niet is
בָּהּ֙
(bah)
in haar
שֵׂעָ֣ר
(sear)
haar
לָבָ֔ן
(lavan)
wit
וּשְׁפָלָ֥ה
(ushefala)
en lager
אֵינֶ֛נָּה
(einena)
zij is niet
מִן
(min)
dan
הָע֖וֹר
(haor)
de huid
וְהִ֣יא
(vehi)
en zij
כֵהָ֑ה
(keha)
dof is
וְהִסְגִּיר֥וֹ
(vehisgiro)
en hij zondert hem af
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Of wanneer iemand op zijn huid een brandwond door vuur krijgt en het levende vlees van de brandwond een roodachtig witte of een witte glanzende vlek wordt,
א֣וֹ
(o)
of
בָשָׂ֔ר
(basar)
vlees
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
er is
בְעֹר֖וֹ
(beoro)
in zijn huid
מִכְוַת
(mikhvat)
een brandwond van
אֵ֑שׁ
(esh)
vuur
וְֽהָיְתָ֞ה
(vehayeta)
en het wordt
מִֽחְיַ֣ת
(michyat)
het levende vlees van
הַמִּכְוָ֗ה
(hamikhva)
de brandwond
בַּהֶ֛רֶת
(baheret)
een glanzende vlek
לְבָנָ֥ה
(levana)
wit
אֲדַמְדֶּ֖מֶת
(adamdemet)
roodachtig
א֥וֹ
(o)
of
לְבָנָֽה
(levana)
wit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25dan moet de priester haar bekijken. Ziet hij dat het haar in de glanzende vlek wit is geworden en dat zij dieper uitziet dan de huid, dan is het melaatsheid, uitgebroken in de brandwond. De priester moet hem onrein verklaren. Het is een plek van melaatsheid.
וְרָאָ֣ה
(veraa)
en hij ziet
אֹתָ֣הּ
(otah)
haar
הַכֹּהֵ֡ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
נֶהְפַּךְ֩
(nehpakh)
is veranderd
שֵׂעָ֨ר
(sear)
haar
לָבָ֜ן
(lavan)
wit
בַּבַּהֶ֗רֶת
(babaheret)
in de glanzende vlek
וּמַרְאֶ֨הָ֙
(umareha)
en haar aanzien
עָמֹ֣ק
(amoq)
dieper
מִן
(min)
dan
הָע֔וֹר
(haor)
de huid
צָרַ֣עַת
(tsaraat)
melaatsheid
הִ֔וא
(hi)
zij is
בַּמִּכְוָ֖ה
(bamikhva)
in de brandwond
פָּרָ֑חָה
(paracha)
zij is uitgebroken
וְטִמֵּ֤א
(vetime)
en hij verklaart onrein
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
נֶ֥גַע
(nega)
een plek van
צָרַ֖עַת
(tsaraat)
melaatsheid
הִֽוא
(hi)
zij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Bekijkt de priester haar. Dan ziet hij dat er geen wit haar in de glanzende vlek zit, dat zij niet lager ligt dan de huid en dat zij dof is. Dan moet de priester hem zeven dagen afzonderen.
וְאִ֣ם
(veim)
en als
יִרְאֶ֣נָּה
(yirena)
hij haar ziet
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
אֵֽין
(ein)
niet is
בַּבֶּהֶ֨רֶת֙
(babeheret)
in de glanzende vlek
שֵׂעָ֣ר
(sear)
haar
לָבָ֔ן
(lavan)
wit
וּשְׁפָלָ֥ה
(ushefala)
en lager
אֵינֶ֛נָּה
(einena)
zij is niet
מִן
(min)
dan
הָע֖וֹר
(haor)
de huid
וְהִ֣וא
(vehi)
en zij
כֵהָ֑ה
(keha)
dof is
וְהִסְגִּיר֥וֹ
(vehisgiro)
en hij zondert hem af
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Op de zevende dag moet de priester hem bekijken. Als zij zich over de huid heeft verspreid, moet de priester hem onrein verklaren. Het is een plek van melaatsheid.
וְרָאָ֥הוּ
(veraahu)
en hij bekijkt hem
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֑י
(hashevii)
de zevende
אִם
(im)
als
פָּשֹׂ֤ה
(paso)
zich verspreiden
תִפְשֶׂה֙
(tifse)
zal verspreiden
בָּע֔וֹר
(baor)
op de huid
וְטִמֵּ֤א
(vetime)
en hij verklaart onrein
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
נֶ֥גַע
(nega)
een plek van
צָרַ֖עַת
(tsaraat)
melaatsheid
הִֽוא
(hi)
zij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Maar blijft de glanzende vlek op haar plaats, verspreidt zij zich niet over de huid en is zij dof, dan is het de zwelling van de brandwond. De priester moet hem rein verklaren, want het is het litteken van de brandwond.
וְאִם
(veim)
en als
תַּחְתֶּיהָ֩
(tachteiha)
op haar plaats
תַעֲמֹ֨ד
(taamod)
blijft staan
הַבַּהֶ֜רֶת
(habaheret)
de glanzende vlek
לֹא
(lo)
niet
פָשְׂתָ֤ה
(paseta)
heeft zich verspreid
בָעוֹר֙
(baor)
op de huid
וְהִ֣וא
(vehi)
en zij
כֵהָ֔ה
(keha)
dof is
שְׂאֵ֥ת
(seet)
de zwelling van
הַמִּכְוָ֖ה
(hamikhva)
de brandwond
הִ֑וא
(hi)
zij is
וְטִֽהֲרוֹ֙
(vetiharo)
en hij verklaart hem rein
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
כִּֽי
(ki)
want
צָרֶ֥בֶת
(tsarevet)
het litteken van
הַמִּכְוָ֖ה
(hamikhva)
de brandwond
הִֽוא
(hi)
zij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Schurft op het hoofd of in de baard
29Wanneer een man of een vrouw een plek heeft op het hoofd of in de baard,
וְאִישׁ֙
(veish)
en een man
א֣וֹ
(o)
of
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
er is
ב֖וֹ
(bo)
in hem
נָ֑גַע
(naga)
een plek
בְּרֹ֖אשׁ
(berosh)
op het hoofd
א֥וֹ
(o)
of
בְזָקָֽן
(bezaqan)
in de baard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30dan moet de priester de plek bekijken. Ziet hij dat zij dieper uitziet dan de huid en dat er dun, geel haar in zit, dan moet de priester hem onrein verklaren. Het is schurft, melaatsheid van het hoofd of van de baard.
וְרָאָ֨ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֗גַע
(hanega)
de plek
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
מַרְאֵ֨הוּ֙
(marehu)
haar aanzien
עָמֹ֣ק
(amoq)
dieper
מִן
(min)
dan
הָע֔וֹר
(haor)
de huid
וּב֛וֹ
(uvo)
en in haar
שֵׂעָ֥ר
(sear)
haar
צָהֹ֖ב
(tsahov)
geel
דָּ֑ק
(daq)
dun
וְטִמֵּ֨א
(vetime)
en hij verklaart onrein
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
נֶ֣תֶק
(neteq)
schurft
ה֔וּא
(hu)
het is
צָרַ֧עַת
(tsaraat)
melaatsheid van
הָרֹ֛אשׁ
(harosh)
het hoofd
א֥וֹ
(o)
of
הַזָּקָ֖ן
(hazaqan)
de baard
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶתֶק (netek), ‘schurft’: een aandoening van hoofd of baard, waarbij het haar dun en geel wordt.
Het woord komt alleen in dit hoofdstuk en in Lev. 14:54 voor.
31Bekijkt de priester de plek van de schurft, dan ziet hij dat zij er niet dieper uitziet dan de huid en dat er geen zwart haar in zit. Dan moet de priester de plek van de schurft zeven dagen afzonderen.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יִרְאֶ֨ה
(yire)
hij ziet
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
נֶ֣גַע
(nega)
de plek van
הַנֶּ֗תֶק
(haneteq)
de schurft
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
אֵין
(ein)
niet is
מַרְאֵ֨הוּ֙
(marehu)
haar aanzien
עָמֹ֣ק
(amoq)
dieper
מִן
(min)
dan
הָע֔וֹר
(haor)
de huid
וְשֵׂעָ֥ר
(vesear)
en haar
שָׁחֹ֖ר
(shachor)
zwart
אֵ֣ין
(ein)
niet is
בּ֑וֹ
(bo)
in haar
וְהִסְגִּ֧יר
(vehisgir)
en hij zondert af
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
נֶ֥גַע
(nega)
de plek van
הַנֶּ֖תֶק
(haneteq)
de schurft
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Op de zevende dag moet de priester de plek bekijken. Ziet hij dat de schurft zich niet heeft verspreid, dat er geen geel haar in zit en dat de schurft er niet dieper uitziet dan de huid,
וְרָאָ֨ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּגַע֮
(hanega)
de plek
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִי֒
(hashevii)
de zevende
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
לֹא
(lo)
niet
פָשָׂ֣ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֔תֶק
(haneteq)
de schurft
וְלֹא
(velo)
en niet
הָ֥יָה
(haya)
is geweest
ב֖וֹ
(bo)
in haar
שֵׂעָ֣ר
(sear)
haar
צָהֹ֑ב
(tsahov)
geel
וּמַרְאֵ֣ה
(umare)
en het aanzien van
הַנֶּ֔תֶק
(haneteq)
de schurft
אֵ֥ין
(ein)
niet is
עָמֹ֖ק
(amoq)
dieper
מִן
(min)
dan
הָעֽוֹר
(haor)
de huid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33dan moet hij zich scheren, maar de schurft zelf mag hij niet scheren. De priester moet de schurft nog eens zeven dagen afzonderen.
וְהִ֨תְגַּלָּ֔ח
(vehitgalach)
en hij scheert zich
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַנֶּ֖תֶק
(haneteq)
de schurft
לֹ֣א
(lo)
niet
יְגַלֵּ֑חַ
(yegaleach)
hij zal scheren
וְהִסְגִּ֨יר
(vehisgir)
en hij zondert af
הַכֹּהֵ֧ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֛תֶק
(haneteq)
de schurft
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
שֵׁנִֽית
(shenit)
voor de tweede keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Op de zevende dag moet de priester de schurft bekijken. Ziet hij dat de schurft zich niet over de huid heeft verspreid en er niet dieper uitziet dan de huid, dan moet de priester hem rein verklaren. Hij moet zijn kleren wassen, en dan is hij rein.
וְרָאָה֩
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֨ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֜תֶק
(haneteq)
de schurft
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
וְ֠הִנֵּה
(vehine)
en zie
לֹא
(lo)
niet
פָשָׂ֤ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֨תֶק֙
(haneteq)
de schurft
בָּע֔וֹר
(baor)
op de huid
וּמַרְאֵ֕הוּ
(umarehu)
en haar aanzien
אֵינֶ֥נּוּ
(einenu)
niet is
עָמֹ֖ק
(amoq)
dieper
מִן
(min)
dan
הָע֑וֹר
(haor)
de huid
וְטִהַ֤ר
(vetihar)
en hij verklaart rein
אֹתוֹ֙
(oto)
hem
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְכִבֶּ֥ס
(vekhibes)
en hij wast
בְּגָדָ֖יו
(begadav)
zijn kleren
וְטָהֵֽר
(vetaher)
en hij is rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36dan moet de priester hem bekijken. Ziet hij dat de schurft zich over de huid heeft verspreid, dan hoeft de priester niet naar het gele haar te zoeken: hij is onrein.
וְרָאָ֨הוּ֙
(veraahu)
en hij ziet hem
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
פָּשָׂ֥ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֖תֶק
(haneteq)
de schurft
בָּע֑וֹר
(baor)
op de huid
לֹֽא
(lo)
niet
יְבַקֵּ֧ר
(yevaqer)
hij zal zoeken
הַכֹּהֵ֛ן
(hakohen)
de priester
לַשֵּׂעָ֥ר
(lasear)
naar het haar
הַצָּהֹ֖ב
(hatsahov)
het gele
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
הֽוּא
(hu)
hij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
37Maar is de schurft in zijn ogen gelijk gebleven en is er zwart haar in gegroeid, dan is de schurft genezen: hij is rein. De priester moet hem rein verklaren.
וְאִם
(veim)
en als
בְּעֵינָיו֩
(beeinav)
in zijn ogen
עָמַ֨ד
(amad)
is blijven staan
הַנֶּ֜תֶק
(haneteq)
de schurft
וְשֵׂעָ֨ר
(vesear)
en haar
שָׁחֹ֧ר
(shachor)
zwart
צָֽמַח
(tsamach)
is gegroeid
בּ֛וֹ
(bo)
in haar
נִרְפָּ֥א
(nirpa)
is genezen
הַנֶּ֖תֶק
(haneteq)
de schurft
טָה֣וֹר
(tahor)
rein
ה֑וּא
(hu)
hij is
וְטִהֲר֖וֹ
(vetiharo)
en hij verklaart hem rein
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Glanzende vlekken en kaalheid
38Wanneer een man of een vrouw op de huid van hun lichaam glanzende vlekken heeft, witte glanzende vlekken,
וְאִישׁ֙
(veish)
en een man
אֽוֹ
(o)
of
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
כִּֽי
(ki)
wanneer
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
er zijn
בְעוֹר
(beor)
op de huid van
בְּשָׂרָ֖ם
(besaram)
hun lichaam
בֶּהָרֹ֑ת
(beharot)
glanzende vlekken
בֶּהָרֹ֖ת
(beharot)
glanzende vlekken
לְבָנֹֽת
(levanot)
witte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
39dan moet de priester kijken. Ziet hij dat de glanzende vlekken op de huid van hun lichaam dof wit zijn, dan is het bohak, uitgebroken op de huid. Hij is rein.
וְרָאָ֣ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֧ה
(vehine)
en zie
בְעוֹר
(beor)
op de huid van
בְּשָׂרָ֛ם
(besaram)
hun lichaam
בֶּהָרֹ֖ת
(beharot)
glanzende vlekken
כֵּה֣וֹת
(kehot)
dof
לְבָנֹ֑ת
(levanot)
wit
בֹּ֥הַק
(bohaq)
bohak
ה֛וּא
(hu)
het is
פָּרַ֥ח
(parach)
het is uitgebroken
בָּע֖וֹר
(baor)
op de huid
טָה֥וֹר
(tahor)
rein
הֽוּא
(hu)
hij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בֹּהַק (bohak): een onschuldige huiduitslag met dof witte vlekken.
Het woord staat alleen hier en wij laten het onvertaald, omdat het geen gewoon Nederlands woord heeft.
41Verliest hij het haar vanaf de voorkant van zijn gezicht, dan is hij kaal aan de voorkant. Hij is rein.
וְאִם֙
(veim)
en als
מִפְּאַ֣ת
(mipeat)
vanaf de voorkant van
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
יִמָּרֵ֖ט
(yimaret)
wordt kaal
רֹאשׁ֑וֹ
(rosho)
zijn hoofd
גִּבֵּ֥חַ
(gibeach)
kaal aan de voorkant
ה֖וּא
(hu)
hij is
טָה֥וֹר
(tahor)
rein
הֽוּא
(hu)
hij is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִפְּאַת פָּנָיו (mippe’at panav), ‘vanaf de voorkant van zijn gezicht’: de rand van het voorhoofd.
42Maar wanneer er op de kale plek achter of voor een roodachtig witte plek komt, is het melaatsheid die uitbreekt op zijn kale plek achter of voor.
וְכִֽי
(vekhi)
en wanneer
יִהְיֶ֤ה
(yihye)
er is
בַקָּרַ֨חַת֙
(baqarachat)
op de kale plek achter
א֣וֹ
(o)
of
בַגַּבַּ֔חַת
(bagabachat)
op de kale plek voor
נֶ֖גַע
(nega)
een plek
לָבָ֣ן
(lavan)
wit
אֲדַמְדָּ֑ם
(adamdam)
roodachtig
צָרַ֤עַת
(tsaraat)
melaatsheid
פֹּרַ֨חַת֙
(porachat)
uitbrekend
הִ֔וא
(hi)
zij is
בְּקָרַחְתּ֖וֹ
(beqarachto)
op zijn kale plek achter
א֥וֹ
(o)
of
בְגַבַּחְתּֽוֹ
(begabachto)
op zijn kale plek voor
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָרַחַת (qarachat), ‘kale plek achter’, en גַּבַּחַת (gabbachat), ‘kale plek voor’: de plek op het hoofd waar het haar is weggevallen.
43De priester moet hem bekijken. Ziet hij dat de zwelling van de plek roodachtig wit is op zijn kale plek achter of voor, zoals melaatsheid van de huid van het lichaam eruitziet,
וְרָאָ֨ה
(veraa)
en hij ziet
אֹת֜וֹ
(oto)
hem
הַכֹּהֵ֗ן
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
שְׂאֵת
(seet)
de zwelling van
הַנֶּ֨גַע֙
(hanega)
de plek
לְבָנָ֣ה
(levana)
wit
אֲדַמְדֶּ֔מֶת
(adamdemet)
roodachtig
בְּקָרַחְתּ֖וֹ
(beqarachto)
op zijn kale plek achter
א֣וֹ
(o)
of
בְגַבַּחְתּ֑וֹ
(begabachto)
op zijn kale plek voor
כְּמַרְאֵ֥ה
(kemare)
zoals het aanzien van
צָרַ֖עַת
(tsaraat)
melaatsheid van
ע֥וֹר
(or)
de huid van
בָּשָֽׂר
(basar)
het lichaam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De melaatse man
44dan is hij een melaatse man: hij is onrein. De priester moet hem zeker onrein verklaren. De plek zit op zijn hoofd.
אִישׁ
(ish)
een man
צָר֥וּעַ
(tsarua)
melaatse
ה֖וּא
(hu)
hij is
טָמֵ֣א
(tame)
onrein
ה֑וּא
(hu)
hij is
טַמֵּ֧א
(tame)
zeker onrein verklaren
יְטַמְּאֶ֛נּוּ
(yetameenu)
hij zal hem onrein verklaren
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
בְּרֹאשׁ֥וֹ
(berosho)
op zijn hoofd
נִגְעֽוֹ
(nigo)
zijn plek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
טַמֵּא יְטַמְּאֶנּוּ (tamme yetammeennu), ‘hem zeker onrein verklaren’: de herhaling in het Hebreeuws maakt het sterker.
45De melaatse bij wie de plek zit: zijn kleren moeten gescheurd zijn en zijn haar moet loshangen. Hij moet zijn bovenlip bedekken en roepen: ‘Onrein, onrein!’
וְהַצָּר֜וּעַ
(vehatsarua)
en de melaatse
אֲשֶׁר
(asher)
bij wie
בּ֣וֹ
(bo)
in hem
הַנֶּ֗גַע
(hanega)
de plek
בְּגָדָ֞יו
(begadav)
zijn kleren
יִהְי֤וּ
(yihyu)
zij zullen zijn
פְרֻמִים֙
(perumim)
gescheurd
וְרֹאשׁוֹ֙
(verosho)
en zijn hoofd
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
het zal zijn
פָר֔וּעַ
(parua)
loshangend
וְעַל
(veal)
en over
שָׂפָ֖ם
(safam)
de bovenlip
יַעְטֶ֑ה
(yate)
hij zal bedekken
וְטָמֵ֥א
(vetame)
en onrein
טָמֵ֖א
(tame)
onrein
יִקְרָֽא
(yiqra)
hij zal roepen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Gescheurde kleren, loshangend haar en een bedekte bovenlip zijn ook tekens van rouw (Lev. 10:6; Lev. 21:10).
49En de plek is groenig of roodachtig in het kledingstuk, in het leer, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in enig leren voorwerp. Dan is het een plek van melaatsheid. Het moet aan de priester getoond worden.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het is
הַנֶּ֜גַע
(hanega)
de plek
יְרַקְרַ֣ק
(yeraqraq)
groenig
א֣וֹ
(o)
of
אֲדַמְדָּ֗ם
(adamdam)
roodachtig
בַּבֶּגֶד֩
(babeged)
in het kledingstuk
א֨וֹ
(o)
of
בָע֜וֹר
(baor)
in het leer
אֽוֹ
(o)
of
בַשְּׁתִ֤י
(basheti)
in de kettingdraad
אוֹ
(o)
of
בָעֵ֨רֶב֙
(baerev)
in de inslagdraad
א֣וֹ
(o)
of
בְכָל
(bekhal)
in enig
כְּלִי
(keli)
voorwerp van
ע֔וֹר
(or)
leer
נֶ֥גַע
(nega)
een plek van
צָרַ֖עַת
(tsaraat)
melaatsheid
ה֑וּא
(hu)
het is
וְהָרְאָ֖ה
(veharea)
en het wordt getoond
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּהֵֽן
(hakohen)
de priester
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יְרַקְרַק (yeraqraq), ‘groenig’, en אֲדַמְדָּם (adamdam), ‘roodachtig’: de kleur van de plek.
50De priester moet de plek bekijken en haar zeven dagen afzonderen.
וְרָאָ֥ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֖ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
הַנָּ֑גַע
(hanaga)
de plek
וְהִסְגִּ֥יר
(vehisgir)
en hij zondert af
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֖גַע
(hanega)
de plek
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
יָמִֽים
(yamim)
dagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
51Op de zevende dag moet hij de plek bekijken. Heeft de plek zich verspreid in het kledingstuk, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in het leer, waarvoor het leer ook gebruikt wordt. Dan is het kwaadaardige melaatsheid. De plek is onrein.
וְרָאָ֨ה
(veraa)
en hij ziet
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֜גַע
(hanega)
de plek
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
כִּֽי
(ki)
dat
פָשָׂ֤ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֨גַע֙
(hanega)
de plek
בַּ֠בֶּגֶד
(babeged)
in het kledingstuk
אֽוֹ
(o)
of
בַשְּׁתִ֤י
(basheti)
in de kettingdraad
אֽוֹ
(o)
of
בָעֵ֨רֶב֙
(baerev)
in de inslagdraad
א֣וֹ
(o)
of
בָע֔וֹר
(baor)
in het leer
לְכֹ֛ל
(lekhol)
voor alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֵעָשֶׂ֥ה
(yease)
gemaakt wordt
הָע֖וֹר
(haor)
het leer
לִמְלָאכָ֑ה
(limlakha)
tot werk
צָרַ֧עַת
(tsaraat)
melaatsheid
מַמְאֶ֛רֶת
(mameret)
kwaadaardige
הַנֶּ֖גַע
(hanega)
de plek
טָמֵ֥א
(tame)
onrein
הֽוּא
(hu)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
צָרַעַת מַמְאֶרֶת (tsara‘at mam’eret), ‘kwaadaardige melaatsheid’: het woord מַמְאֶרֶת staat alleen hier, in vers 52 en in Lev. 14:44.
De betekenis (‘pijnlijk’, ‘prikkend’, ‘om zich heen grijpend’) is niet helemaal zeker.
52Hij moet het kledingstuk verbranden, of de kettingdraad of de inslagdraad, van wol of van linnen, of elk leren voorwerp waarin de plek zit. Want het is kwaadaardige melaatsheid. In het vuur moet het verbrand worden.
וְשָׂרַ֨ף
(vesaraf)
en hij verbrandt
אֶת
(et)
(obj.)
הַבֶּ֜גֶד
(habeged)
het kledingstuk
א֥וֹ
(o)
of
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַשְּׁתִ֣י
(hasheti)
de kettingdraad
א֣וֹ
(o)
of
אֶת
(et)
(obj.)
הָעֵ֗רֶב
(haerev)
de inslagdraad
בַּצֶּ֨מֶר֙
(batsemer)
van wol
א֣וֹ
(o)
of
בַפִּשְׁתִּ֔ים
(bapishtim)
van linnen
א֚וֹ
(o)
of
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
elk
כְּלִ֣י
(keli)
voorwerp van
הָע֔וֹר
(haor)
het leer
אֲשֶׁר
(asher)
waarin
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
er is
ב֖וֹ
(bo)
in het
הַנָּ֑גַע
(hanaga)
de plek
כִּֽי
(ki)
want
צָרַ֤עַת
(tsaraat)
melaatsheid
מַמְאֶ֨רֶת֙
(mameret)
kwaadaardige
הִ֔וא
(hi)
het is
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
in het vuur
תִּשָּׂרֵֽף
(tisaref)
het wordt verbrand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
53Maar als de priester ziet dat de plek zich niet heeft verspreid in het kledingstuk, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in enig leren voorwerp,
וְאִם֮
(veim)
en als
יִרְאֶ֣ה
(yire)
hij ziet
הַכֹּהֵן֒
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
לֹא
(lo)
niet
פָשָׂ֣ה
(pasa)
heeft zich verspreid
הַנֶּ֔גַע
(hanega)
de plek
בַּבֶּ֕גֶד
(babeged)
in het kledingstuk
א֥וֹ
(o)
of
בַשְּׁתִ֖י
(basheti)
in de kettingdraad
א֣וֹ
(o)
of
בָעֵ֑רֶב
(baerev)
in de inslagdraad
א֖וֹ
(o)
of
בְּכָל
(bekhal)
in enig
כְּלִי
(keli)
voorwerp van
עֽוֹר
(or)
leer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
54dan moet de priester bevelen dat zij wassen waarin de plek zit. Hij moet het nog eens zeven dagen afzonderen.
וְצִוָּה֙
(vetsiva)
en hij beveelt
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְכִ֨בְּס֔וּ
(vekhibesu)
en zij wassen
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בּ֖וֹ
(bo)
in het
הַנָּ֑גַע
(hanaga)
de plek
וְהִסְגִּיר֥וֹ
(vehisgiro)
en hij zondert het af
שִׁבְעַת
(shivat)
zeven van
יָמִ֖ים
(yamim)
dagen
שֵׁנִֽית
(shenit)
voor de tweede keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
55Nadat het gewassen is, moet de priester de plek bekijken. Ziet hij dat de plek haar uiterlijk niet heeft veranderd en zich niet heeft verspreid, dan is het onrein. Je moet het in het vuur verbranden. Het is een kale plek, aan de achterkant of aan de voorkant.
וְרָאָ֨ה
(veraa)
en hij ziet
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
nadat
הֻכַּבֵּ֣ס
(hukabes)
het gewassen is
אֶת
(et)
(obj.)
הַנֶּ֗גַע
(hanega)
de plek
וְ֠הִנֵּה
(vehine)
en zie
לֹֽא
(lo)
niet
הָפַ֨ךְ
(hafakh)
heeft veranderd
הַנֶּ֤גַע
(hanega)
de plek
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינוֹ֙
(eino)
haar uiterlijk
וְהַנֶּ֣גַע
(vehanega)
en de plek
לֹֽא
(lo)
niet
פָשָׂ֔ה
(pasa)
heeft zich verspreid
טָמֵ֣א
(tame)
onrein
ה֔וּא
(hu)
het is
בָּאֵ֖שׁ
(baesh)
in het vuur
תִּשְׂרְפֶ֑נּוּ
(tisrefenu)
je zult het verbranden
פְּחֶ֣תֶת
(pechetet)
een kale plek
הִ֔וא
(hi)
het is
בְּקָרַחְתּ֖וֹ
(beqarachto)
op zijn achterkant
א֥וֹ
(o)
of
בְגַבַּחְתּֽוֹ
(begabachto)
op zijn voorkant
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
56Maar als de priester ziet dat de plek dof is geworden nadat het gewassen is. Dan moet hij haar scheuren uit het kledingstuk, uit het leer, uit de kettingdraad of uit de inslagdraad.
וְאִם֮
(veim)
en als
רָאָ֣ה
(raa)
hij ziet
הַכֹּהֵן֒
(hakohen)
de priester
וְהִנֵּה֙
(vehine)
en zie
כֵּהָ֣ה
(keha)
is dof geworden
הַנֶּ֔גַע
(hanega)
de plek
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
nadat
הֻכַּבֵּ֣ס
(hukabes)
het gewassen is
אֹת֑וֹ
(oto)
het
וְקָרַ֣ע
(veqara)
en hij scheurt
אֹת֗וֹ
(oto)
het
מִן
(min)
uit
הַבֶּ֨גֶד֙
(habeged)
het kledingstuk
א֣וֹ
(o)
of
מִן
(min)
uit
הָע֔וֹר
(haor)
het leer
א֥וֹ
(o)
of
מִן
(min)
uit
הַשְּׁתִ֖י
(hasheti)
de kettingdraad
א֥וֹ
(o)
of
מִן
(min)
uit
הָעֵֽרֶב
(haerev)
de inslagdraad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
57Maar verschijnt zij nog eens in het kledingstuk, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in enig leren voorwerp, dan is zij uitgebroken. Je moet in het vuur verbranden waarin de plek zit.
וְאִם
(veim)
en als
תֵּרָאֶ֨ה
(terae)
zij verschijnt
ע֜וֹד
(od)
nog
בַּ֠בֶּגֶד
(babeged)
in het kledingstuk
אֽוֹ
(o)
of
בַשְּׁתִ֤י
(basheti)
in de kettingdraad
אֽוֹ
(o)
of
בָעֵ֨רֶב֙
(baerev)
in de inslagdraad
א֣וֹ
(o)
of
בְכָל
(bekhal)
in enig
כְּלִי
(keli)
voorwerp van
ע֔וֹר
(or)
leer
פֹּרַ֖חַת
(porachat)
uitbrekend
הִ֑וא
(hi)
zij is
בָּאֵ֣שׁ
(baesh)
in het vuur
תִּשְׂרְפֶ֔נּוּ
(tisrefenu)
je zult het verbranden
אֵ֥ת
(et)
(obj.)
אֲשֶׁר
(asher)
wat
בּ֖וֹ
(bo)
in het
הַנָּֽגַע
(hanaga)
de plek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
58Maar het kledingstuk, de kettingdraad, de inslagdraad of elk leren voorwerp dat je hebt gewassen en waaruit de plek is verdwenen, moet nog eens gewassen worden. Dan is het rein.
וְהַבֶּ֡גֶד
(vehabeged)
en het kledingstuk
אֽוֹ
(o)
of
הַשְּׁתִ֨י
(hasheti)
de kettingdraad
אוֹ
(o)
of
הָעֵ֜רֶב
(haerev)
de inslagdraad
אֽוֹ
(o)
of
כָל
(kal)
elk
כְּלִ֤י
(keli)
voorwerp van
הָעוֹר֙
(haor)
het leer
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
תְּכַבֵּ֔ס
(tekhabes)
je wast
וְסָ֥ר
(vesar)
en is verdwenen
מֵהֶ֖ם
(mehem)
van hen
הַנָּ֑גַע
(hanaga)
de plek
וְכֻבַּ֥ס
(vekhubas)
en het wordt gewassen
שֵׁנִ֖ית
(shenit)
voor de tweede keer
וְטָהֵֽר
(vetaher)
en het is rein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
59Dit is de wet voor de plek van melaatsheid. In een wollen of linnen kledingstuk, in de kettingdraad, in de inslagdraad of in enig leren voorwerp, om het rein of onrein te verklaren.”
זֹ֠את
(zot)
dit
תּוֹרַ֨ת
(torat)
de wet van
נֶֽגַע
(nega)
de plek van
צָרַ֜עַת
(tsaraat)
melaatsheid
בֶּ֥גֶד
(beged)
het kledingstuk van
הַצֶּ֣מֶר
(hatsemer)
de wol
א֣וֹ
(o)
of
הַפִּשְׁתִּ֗ים
(hapishtim)
het linnen
א֤וֹ
(o)
of
הַשְּׁתִי֙
(hasheti)
de kettingdraad
א֣וֹ
(o)
of
הָעֵ֔רֶב
(haerev)
de inslagdraad
א֖וֹ
(o)
of
כָּל
(kal)
elk
כְּלִי
(keli)
voorwerp van
ע֑וֹר
(or)
leer
לְטַהֲר֖וֹ
(letaharo)
om het rein te verklaren
א֥וֹ
(o)
of
לְטַמְּאֽוֹ
(letameo)
om het onrein te verklaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)