Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Nadab en Abihu
1Nadab en Abihu, de zonen van Aäron, namen ieder zijn vuurpan, deden er vuur in en legden er wierook op. Zo brachten zij vreemd vuur voor het aangezicht van Yahweh, iets wat Hij hun niet geboden had.
וַיִּקְח֣וּ
(vayiqchu)
en namen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
אַ֠הֲרֹן
(aharon)
Aäron
נָדָ֨ב
(nadav)
Nadab
וַאֲבִיה֜וּא
(vaavihu)
en Abihu
אִ֣ישׁ
(ish)
man
מַחְתָּת֗וֹ
(machtato)
zijn vuurpan
וַיִּתְּנ֤וּ
(vayitenu)
en deden
בָהֵן֙
(bahen)
erin
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
וַיָּשִׂ֥ימוּ
(vayasimu)
en legden
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
daarop
קְטֹ֑רֶת
(qetoret)
wierook
וַיַּקְרִ֜בוּ
(vayaqrivu)
en brachten
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֵ֣שׁ
(esh)
vuur
זָרָ֔ה
(zara)
vreemd
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
לֹ֦א
(lo)
niet
צִוָּ֖ה
(tsiva)
had geboden
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Nadab en Abihu zijn de oudste zonen van Aäron (Exod. 6:23).
Zij gingen met Mozes de berg op (Exod. 24:1; 24:9).
מַחְתָּה (machtah), ‘vuurpan’: een pan om gloeiende kolen in te dragen (vergelijk Lev. 16:12).
אֵשׁ זָרָה (esh zarah), ‘vreemd vuur’: vuur dat Yahweh niet geboden had. De tekst zegt niet precies wat er fout was. Vergelijk Exod. 30:9, waar vreemde wierook verboden wordt, en Num. 3:4.
3Mozes zei tegen Aäron: „Dit is wat Yahweh gesproken heeft: ‘Bij hen die Mij nabij zijn, zal Ik geheiligd worden. En voor het aangezicht van heel het volk zal Ik verheerlijkt worden.’” Aäron zweeg.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
הוּא֩
(hu)
dit is het
אֲשֶׁר
(asher)
wat
דִּבֶּ֨ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹר֙
(lemor)
zeggende
בִּקְרֹבַ֣י
(biqrovay)
bij hen die Mij nabij zijn
אֶקָּדֵ֔שׁ
(eqadesh)
zal Ik geheiligd worden
וְעַל
(veal)
en voor
פְּנֵ֥י
(penei)
het aangezicht van
כָל
(kal)
heel
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אֶכָּבֵ֑ד
(ekaved)
zal Ik verheerlijkt worden
וַיִּדֹּ֖ם
(vayidom)
en zweeg
אַהֲרֹֽן
(aharon)
Aäron
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בִּקְרֹבַי (biqrovay), ‘bij hen die Mij nabij zijn’: de priesters, die het dichtst bij Yahweh staan (vergelijk Exod. 19:22).
Het woord kan ook ‘in hen die Mij naderen’ betekenen.
וַיִּדֹּם (wayyiddom), ‘en hij zweeg’: Aäron zegt niets terug.
4Mozes riep Misjaël en Elsafan, de zonen van Uzziël, de oom van Aäron. Hij zei tegen hen: „Kom hier en draag jullie broers weg van voor het heiligdom, naar buiten het kamp.”
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
מִֽישָׁאֵל֙
(mishael)
Misjaël
וְאֶ֣ל
(veel)
en tot
אֶלְצָפָ֔ן
(eltsafan)
Elsafan
בְּנֵ֥י
(benei)
zonen van
עֻזִּיאֵ֖ל
(uziel)
Uzziël
דֹּ֣ד
(dod)
oom van
אַהֲרֹ֑ן
(aharon)
Aäron
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
קִ֠רְב֞וּ
(qirvu)
kom dichtbij
שְׂא֤וּ
(seu)
draag weg
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחֵיכֶם֙
(acheikhem)
jullie broers
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
פְּנֵי
(penei)
voor het aangezicht van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
אֶל
(el)
naar
מִח֖וּץ
(michuts)
buiten
לַֽמַּחֲנֶֽה
(lamachane)
het kamp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
דֹּד (dod), ‘oom’: Uzziël was een broer van Amram, de vader van Aäron (Exod. 6:18; 6:22).
אֲחֵיכֶם (achichem), ‘jullie broers’: hier bedoeld als verwanten. Misjaël en Elsafan zijn neven van Nadab en Abihu.
6Mozes zei tegen Aäron en tegen zijn zonen Eleazar en Itamar: „Laat het haar op jullie hoofd niet loshangen en scheur jullie kleren niet. Anders sterven jullie en wordt Hij boos op de hele gemeenschap. Maar jullie broers, heel het huis van Israël, mogen wenen om de brand die Yahweh heeft laten branden.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֡ן
(aharon)
Aäron
וּלְאֶלְעָזָר֩
(uleelazar)
en tot Eleazar
וּלְאִֽיתָמָ֨ר
(uleitamar)
en tot Itamar
בָּנָ֜יו
(banav)
zijn zonen
רָֽאשֵׁיכֶ֥ם
(rasheikhem)
jullie hoofden
אַל
(al)
niet
תִּפְרָ֣עוּ
(tifrau)
laat loshangen
וּבִגְדֵיכֶ֤ם
(uvigdeikhem)
en jullie kleren
לֹֽא
(lo)
niet
תִפְרֹ֨מוּ֙
(tifromu)
scheur
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָמֻ֔תוּ
(tamutu)
sterf
וְעַ֥ל
(veal)
en over
כָּל
(kal)
heel
הָעֵדָ֖ה
(haeda)
de gemeenschap
יִקְצֹ֑ף
(yiqtsof)
zal Hij toornig zijn
וַאֲחֵיכֶם֙
(vaacheikhem)
en jullie broers
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
יִבְכּוּ֙
(yivku)
zullen wenen
אֶת
(et)
(obj.)
הַשְּׂרֵפָ֔ה
(haserefa)
de brand
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
שָׂרַ֥ף
(saraf)
heeft gebrand
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּרַע (para) betekent ‘loslaten’.
Letterlijk staat er: ‘jullie hoofden mogen jullie niet loslaten’.
Wij vertalen: ‘laat het haar op jullie hoofd niet loshangen’.
Los haar en gescheurde kleren zijn tekenen van rouw.
Voor de hogepriester geldt dit verbod altijd (Lev. 21:10).
שְׂרֵפָה (serefah), ‘brand’: de brand die Yahweh heeft laten branden, dus het vuur van vers 2.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier spreekt Yahweh alleen tot Aäron.
9„Wijn en sterke drank mag je niet drinken, jij en je zonen met je, wanneer jullie de tent van samenkomst binnengaan, zodat jullie niet sterven. Dit is een eeuwig voorschrift voor jullie generaties.
יַ֣יִן
(yayin)
wijn
וְשֵׁכָ֞ר
(veshekhar)
en sterke drank
אַל
(al)
niet
תֵּ֣שְׁתְּ
(tesht)
drink
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
וּבָנֶ֣יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
אִתָּ֗ךְ
(itakh)
met je
בְּבֹאֲכֶ֛ם
(bevoakhem)
wanneer jullie binnengaan
אֶל
(el)
in
אֹ֥הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵ֖ד
(moed)
samenkomst
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תָמֻ֑תוּ
(tamutu)
sterven jullie
חֻקַּ֥ת
(chuqat)
voorschrift van
עוֹלָ֖ם
(olam)
eeuwigheid
לְדֹרֹתֵיכֶֽם
(ledoroteikhem)
voor jullie generaties
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שֵׁכָר (shekhar), ‘sterke drank’: een bedwelmende drank.
De tekst zegt niet dat Nadab en Abihu gedronken hadden.
12Mozes sprak tot Aäron en tot Eleazar en Itamar, zijn zonen die waren overgebleven: „Neem het graanoffer dat overblijft van de vuuroffers van Yahweh. En eet het ongezuurd naast het altaar. Want het is hoogheilig.
וַיְדַבֵּ֨ר
(vaydaber)
en sprak
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶֽל
(el)
tot
אַהֲרֹ֗ן
(aharon)
Aäron
וְאֶ֣ל
(veel)
en tot
אֶ֠לְעָזָר
(elazar)
Eleazar
וְאֶל
(veel)
en tot
אִ֨יתָמָ֥ר
(itamar)
Itamar
בָּנָיו֮
(banav)
zijn zonen
הַנּֽוֹתָרִים֒
(hanotarim)
de overgeblevenen
קְח֣וּ
(qechu)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֗ה
(hamincha)
het graanoffer
הַנּוֹתֶ֨רֶת֙
(hanoteret)
dat overblijft
מֵאִשֵּׁ֣י
(meishei)
van de vuuroffers van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְאִכְל֥וּהָ
(veikhluha)
en eet het
מַצּ֖וֹת
(matsot)
ongezuurd
אֵ֣צֶל
(etsel)
naast
הַמִּזְבֵּ֑חַ
(hamizbeach)
het altaar
כִּ֛י
(ki)
want
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heilige van
קָֽדָשִׁ֖ים
(qadashim)
heiligen
הִֽוא
(hi)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De regels voor het graanoffer staan in Lev. 6:7–11; het deel dat overblijft is voor de priesters en wordt ongezuurd gegeten op een heilige plaats (Lev. 6:9).
14De borst van het beweegoffer en de dij van de heffing moeten jullie eten op een reine plaats: jij, je zonen en je dochters met je. Want als jouw deel en het deel van je zonen zijn ze gegeven uit de vredeoffers van de zonen van Israël.
וְאֵת֩
(veet)
en (obj.)
חֲזֵ֨ה
(chaze)
borst van
הַתְּנוּפָ֜ה
(hatenufa)
het beweegoffer
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שׁ֣וֹק
(shoq)
dij van
הַתְּרוּמָ֗ה
(hateruma)
de heffing
תֹּֽאכְלוּ֙
(tokhlu)
jullie zullen eten
בְּמָק֣וֹם
(bemaqom)
op een plaats
טָה֔וֹר
(tahor)
rein
אַתָּ֕ה
(ata)
jij
וּבָנֶ֥יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
וּבְנֹתֶ֖יךָ
(uvenoteikha)
en je dochters
אִתָּ֑ךְ
(itakh)
met je
כִּֽי
(ki)
want
חָקְךָ֤
(chaqekha)
jouw deel
וְחָק
(vechaq)
en deel van
בָּנֶ֨יךָ֙
(baneikha)
je zonen
נִתְּנ֔וּ
(nitenu)
zijn gegeven
מִזִּבְחֵ֥י
(mizivchei)
slachtoffers van
שַׁלְמֵ֖י
(shalmei)
vredeoffers van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Voor de borst en de dij van het vredeoffer, zie Lev. 7:30–34.
15De dij van de heffing en de borst van het beweegoffer moeten zij samen met de vuuroffers van het vet brengen. Om ze als beweegoffer voor het aangezicht van Yahweh te zwaaien. Dan zijn ze voor jou en voor je zonen met je, als eeuwig deel, zoals Yahweh geboden heeft.”
שׁ֣וֹק
(shoq)
dij van
הַתְּרוּמָ֞ה
(hateruma)
de heffing
וַחֲזֵ֣ה
(vachaze)
en borst van
הַתְּנוּפָ֗ה
(hatenufa)
het beweegoffer
עַ֣ל
(al)
bij
אִשֵּׁ֤י
(ishei)
vuuroffers van
הַחֲלָבִים֙
(hachalavim)
het vet
יָבִ֔יאוּ
(yaviu)
zij zullen brengen
לְהָנִ֥יף
(lehanif)
om te zwaaien
תְּנוּפָ֖ה
(tenufa)
als beweegoffer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en het zal zijn
לְךָ֜
(lekha)
voor jou
וּלְבָנֶ֤יךָ
(ulevaneikha)
en voor je zonen
אִתְּךָ֙
(itekha)
met je
לְחָק
(lechaq)
tot een deel van
עוֹלָ֔ם
(olam)
eeuwigheid
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
heeft geboden
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Mozes zocht ijverig naar de geitenbok van het zondoffer, en zie: hij was verbrand! Hij werd boos op Eleazar en Itamar, de zonen van Aäron die waren overgebleven, en zei:
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
שְׂעִ֣יר
(seir)
bok van
הַֽחַטָּ֗את
(hachatat)
het zondoffer
דָּרֹ֥שׁ
(darosh)
zocht
דָּרַ֛שׁ
(darash)
zocht
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
שֹׂרָ֑ף
(soraf)
verbrand
וַ֠יִּקְצֹף
(vayiqtsof)
en werd toornig
עַל
(al)
op
אֶלְעָזָ֤ר
(elazar)
Eleazar
וְעַל
(veal)
en op
אִֽיתָמָר֙
(itamar)
Itamar
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
הַנּוֹתָרִ֖ם
(hanotarim)
de overgeblevenen
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שְׂעִיר הַחַטָּאת (se’ir hachatat), ‘geitenbok van het zondoffer’: het zondoffer van het volk (Lev. 9:15).
17„Waarom hebben jullie het zondoffer niet gegeten op de heilige plaats? Want het is hoogheilig. Hij heeft het jullie gegeven om de schuld van de gemeenschap te dragen en om voor hen verzoening te doen voor het aangezicht van Yahweh.
מַדּ֗וּעַ
(madua)
waarom
לֹֽא
(lo)
niet
אֲכַלְתֶּ֤ם
(akhaltem)
hebben jullie gegeten
אֶת
(et)
(obj.)
הַֽחַטָּאת֙
(hachatat)
het zondoffer
בִּמְק֣וֹם
(bimqom)
op de plaats van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
כִּ֛י
(ki)
want
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heilige van
קָֽדָשִׁ֖ים
(qadashim)
heiligen
הִ֑וא
(hi)
het is
וְאֹתָ֣הּ
(veotah)
en het
נָתַ֣ן
(natan)
heeft gegeven
לָכֶ֗ם
(lakhem)
aan jullie
לָשֵׂאת֙
(laset)
om te dragen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲוֺ֣ן
(avon)
schuld van
הָעֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
לְכַפֵּ֥ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
voor hen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De priesters dragen de schuld van de gemeenschap door het vlees van het zondoffer te eten (vergelijk Lev. 6:19).
19Aäron sprak tot Mozes: „Zie, vandaag hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor het aangezicht van Yahweh gebracht, en toch is mij zoiets overkomen. Als ik vandaag een zondoffer had gegeten, zou het dan goed zijn in de ogen van Yahweh?”
וַיְדַבֵּ֨ר
(vaydaber)
en sprak
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
הֵ֣ן
(hen)
zie
הַ֠יּוֹם
(hayom)
vandaag
הִקְרִ֨יבוּ
(hiqrivu)
hebben gebracht
אֶת
(et)
(obj.)
חַטָּאתָ֤ם
(chatatam)
hun zondoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֹֽלָתָם֙
(olatam)
hun brandoffer
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַתִּקְרֶ֥אנָה
(vatiqrena)
en zijn overkomen
אֹתִ֖י
(oti)
mij
כָּאֵ֑לֶּה
(kaele)
zoals deze
וְאָכַ֤לְתִּי
(veakhalti)
en had ik gegeten
חַטָּאת֙
(chatat)
zondoffer
הַיּ֔וֹם
(hayom)
vandaag
הַיִּיטַ֖ב
(hayitav)
zou het goed zijn
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
‘Zij’ (הִקְרִיבוּ, hiqrivu) is niet nader aangeduid: waarschijnlijk Aärons overgebleven zonen.
Met ‘zoiets’ bedoelt Aäron de dood van zijn zonen (vers 1–2).