Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het graanoffer van fijn meel
1Wanneer iemand een graanoffer als offergave voor Yahweh brengt, moet zijn offergave van fijn meel zijn. Hij moet er olie op gieten en er wierook op leggen.
וְנֶ֗פֶשׁ
(venefesh)
en een mens
כִּֽי
(ki)
wanneer
תַקְרִ֞יב
(taqriv)
hij brengt
קָרְבַּ֤ן
(qarban)
een offergave van
מִנְחָה֙
(mincha)
graanoffer
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
סֹ֖לֶת
(solet)
fijn meel
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
קָרְבָּנ֑וֹ
(qarbano)
zijn offergave
וְיָצַ֤ק
(veyatsaq)
en hij zal gieten
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
daarop
שֶׁ֔מֶן
(shemen)
olie
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en hij zal leggen
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
daarop
לְבֹנָֽה
(levona)
wierook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: een offergave van meel, olie en wierook, zonder dier.
In Gen. 4:3–5 vertalen wij hetzelfde woord als ‘offergave’.
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘iemand’: letterlijk ‘ziel’ of ‘levend wezen’.
לְבֹנָה (levonah), ‘wierook’: een witte hars die een geur geeft als zij verbrandt. Zie Exod. 30:34.
2Hij moet het naar Aärons zonen, de priesters, brengen. Daarvan moet hij een handvol nemen, van het meel en van de olie, samen met alle wierook. De priester moet het gedenkdeel ervan op het altaar in rook laten opgaan: een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.
וֶֽהֱבִיאָ֗הּ
(veheviah)
en hij zal het brengen
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹן֮
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֲנִים֒
(hakohanim)
de priesters
וְקָמַ֨ץ
(veqamats)
en hij zal een handvol nemen
מִשָּׁ֜ם
(misham)
daarvan
מְלֹ֣א
(melo)
de volheid van
קֻמְצ֗וֹ
(qumtso)
zijn handvol
מִסָּלְתָּהּ֙
(misaltah)
van haar meel
וּמִשַּׁמְנָ֔הּ
(umishamnah)
en van haar olie
עַ֖ל
(al)
met
כָּל
(kal)
al
לְבֹנָתָ֑הּ
(levonatah)
haar wierook
וְהִקְטִ֨יר
(vehiqtir)
en hij zal in rook laten opgaan
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
אַזְכָּרָתָהּ֙
(azkaratah)
haar gedenkdeel
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
op het altaar
אִשֵּׁ֛ה
(ishe)
een vuuroffer
רֵ֥יחַ
(reiach)
een geur van
נִיחֹ֖חַ
(nichoach)
aangenaamheid
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: het deel van het graanoffer dat op het altaar in rook opgaat; het woord komt van זָכַר (zakar), ‘gedenken’.
Het is de handvol van het meel en de olie, met alle wierook.
Lezing
Bij ‘hij zal een handvol nemen’ staat in het Hebreeuws geen onderwerp.
Wij laten ‘hij’ staan; uit het vervolg blijkt dat de priester het offer ontvangt en op het altaar laat opgaan.
Aanvullend
Jubileeën 21:7–9 bevestigt dat de geur van het offer aangenaam is voor Yahweh.
Het graanoffer uit de oven, van de bakplaat en uit de pan
4Als je als offergave een graanoffer brengt dat in een oven is gebakken, moet het van fijn meel zijn. Het moeten ongezuurde koeken zijn, met olie gekneed, of ongezuurde wafels, met olie bestreken.
וְכִ֥י
(vekhi)
en wanneer
תַקְרִ֛ב
(taqriv)
je brengt
קָרְבַּ֥ן
(qarban)
een offergave van
מִנְחָ֖ה
(mincha)
graanoffer
מַאֲפֵ֣ה
(maafe)
iets gebakken in
תַנּ֑וּר
(tanur)
een oven
סֹ֣לֶת
(solet)
fijn meel
חַלּ֤וֹת
(chalot)
koeken
מַצֹּת֙
(matsot)
ongezuurde
בְּלוּלֹ֣ת
(belulot)
gekneed
בַּשֶּׁ֔מֶן
(bashemen)
met olie
וּרְקִיקֵ֥י
(ureqiqei)
en wafels van
מַצּ֖וֹת
(matsot)
ongezuurde
מְשֻׁחִ֥ים
(meshuchim)
bestreken
בַּשָּֽׁמֶן
(bashamen)
met olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חַלּוֹת (challot), ‘koeken’, en רְקִיקִים (reqiqim), ‘wafels’: dezelfde woorden als in Exod. 29:2.
8Je moet het graanoffer dat hiervan gemaakt wordt, voor Yahweh meebrengen. Breng het naar de priester; hij moet het naar het altaar brengen.
וְהֵבֵאתָ֣
(veheveta)
en je zult meebrengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֗ה
(hamincha)
het graanoffer
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
יֵעָשֶׂ֛ה
(yease)
gemaakt wordt
מֵאֵ֖לֶּה
(meele)
van deze dingen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהִקְרִיבָהּ֙
(vehiqrivah)
en je zult het brengen
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהִגִּישָׁ֖הּ
(vehigishah)
en hij zal het laten naderen
אֶל
(el)
naar
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Er staan drie werkwoorden: je brengt het graanoffer mee (הֵבֵאתָ, hevetah), je brengt het bij de priester (הִקְרִיב, hiqriv) en de priester laat het naar het altaar naderen (הִגִּישׁ, higgish).
9De priester moet het gedenkdeel van het graanoffer afnemen en op het altaar in rook laten opgaan: een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.
וְהֵרִ֨ים
(veherim)
en hij zal afnemen
הַכֹּהֵ֤ן
(hakohen)
de priester
מִן
(min)
van
הַמִּנְחָה֙
(hamincha)
het graanoffer
אֶת
(et)
(obj.)
אַזְכָּ֣רָתָ֔הּ
(azkaratah)
haar gedenkdeel
וְהִקְטִ֖יר
(vehiqtir)
en hij zal in rook laten opgaan
הַמִּזְבֵּ֑חָה
(hamizbecha)
op het altaar
אִשֵּׁ֛ה
(ishe)
een vuuroffer
רֵ֥יחַ
(reiach)
een geur van
נִיחֹ֖חַ
(nichoach)
aangenaamheid
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֵרִים (herim) betekent letterlijk ‘optillen’; hier gaat het om het apart nemen van het gedenkdeel.
Het woord hoort bij תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’.
11Geen enkel graanoffer dat jullie voor Yahweh brengen, mag gezuurd gemaakt worden. Want jullie mogen er geen zuurdeeg en geen honing van in rook laten opgaan als vuuroffer voor Yahweh.
כָּל
(kal)
elk
הַמִּנְחָ֗ה
(hamincha)
het graanoffer
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
תַּקְרִ֨יבוּ֙
(taqrivu)
jullie zullen brengen
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵעָשֶׂ֖ה
(tease)
het zal gemaakt worden
חָמֵ֑ץ
(chamets)
gezuurd
כִּ֤י
(ki)
want
כָל
(kal)
al
שְׂאֹר֙
(seor)
zuurdeeg
וְכָל
(vekhal)
en al
דְּבַ֔שׁ
(devash)
honing
לֹֽא
(lo)
niet
תַקְטִ֧ירוּ
(taqtiru)
jullie zullen in rook laten opgaan
מִמֶּ֛נּוּ
(mimenu)
ervan
אִשֶּׁ֖ה
(ishe)
een vuuroffer
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָמֵץ (chamets), ‘gezuurd’, en שְׂאֹר (se'or), ‘zuurdeeg’: bij dit offer is niets gezuurds toegestaan.
13Elke offergave van je graanoffer moet je met zout zouten. Het zout van het verbond van je Elohim mag je niet van je graanoffer laten ontbreken. Bij al je offergaven moet je zout brengen.
וְכָל
(vekhal)
en al
קָרְבַּ֣ן
(qarban)
een offergave van
מִנְחָתְךָ֮
(minchatekha)
je graanoffer
בַּמֶּ֣לַח
(bamelach)
met zout
תִּמְלָח֒
(timlach)
je zult zouten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַשְׁבִּ֗ית
(tashbit)
je zult laten ontbreken
מֶ֚לַח
(melach)
het zout van
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
מֵעַ֖ל
(meal)
van
מִנְחָתֶ֑ךָ
(minchatekha)
je graanoffer
עַ֥ל
(al)
bij
כָּל
(kal)
al
קָרְבָּנְךָ֖
(qarbanekha)
je offergave
תַּקְרִ֥יב
(taqriv)
je zult brengen
מֶֽלַח
(melach)
zout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֶלַח בְּרִית (melach berit), ‘zout van het verbond’: zout houdt voedsel goed.
Een ‘zoutverbond’ is een blijvend verbond; zie Num. 18:19.
14Als je een graanoffer van eerstelingen voor Yahweh brengt, moet je jonge aren brengen, in het vuur geroosterd, en gestampt vers graan. Dat moet je brengen als graanoffer van je eerstelingen.
וְאִם
(veim)
en als
תַּקְרִ֛יב
(taqriv)
je brengt
מִנְחַ֥ת
(minchat)
een graanoffer van
בִּכּוּרִ֖ים
(bikurim)
eerstelingen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אָבִ֞יב
(aviv)
jonge aren
קָל֤וּי
(qaluy)
geroosterd
בָּאֵשׁ֙
(baesh)
in het vuur
גֶּ֣רֶשׂ
(geres)
gestampt
כַּרְמֶ֔ל
(karmel)
vers graan
תַּקְרִ֕יב
(taqriv)
je zult brengen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִנְחַ֥ת
(minchat)
het graanoffer van
בִּכּוּרֶֽיךָ
(bikureikha)
je eerstelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָבִיב (aviv), ‘jonge aren’: graan dat net rijp wordt.
כַּרְמֶל (karmel), ‘vers graan’: hier gaat het niet om de berg Karmel, maar om vers graan. De precieze betekenis is niet helemaal zeker.