Elohim Bijbel

Leviticus 2

123456789101112131415161718192021222324252627

Het graanoffer

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het graanoffer van fijn meel

1Wanneer iemand een graanoffer als offergave voor Yahweh brengt, moet zijn offergave van fijn meel zijn. Hij moet er olie op gieten en er wierook op leggen.
וְנֶ֗פֶשׁ
(venefesh)
en een mens
כִּֽי
(ki)
wanneer
תַקְרִ֞יב
(taqriv)
hij brengt
קָרְבַּ֤ן
(qarban)
een offergave van
מִנְחָה֙
(mincha)
graanoffer
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
סֹ֖לֶת
(solet)
fijn meel
יִהְיֶ֣ה
(yihye)
zal zijn
קָרְבָּנ֑וֹ
(qarbano)
zijn offergave
וְיָצַ֤ק
(veyatsaq)
en hij zal gieten
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
daarop
שֶׁ֔מֶן
(shemen)
olie
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en hij zal leggen
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
daarop
לְבֹנָֽה
(levona)
wierook
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִנְחָה (minchah), ‘graanoffer’: een offergave van meel, olie en wierook, zonder dier.

In Gen. 4:3–5 vertalen wij hetzelfde woord als ‘offergave’.

נֶפֶשׁ (nefesh), ‘iemand’: letterlijk ‘ziel’ of ‘levend wezen’.

לְבֹנָה (levonah), ‘wierook’: een witte hars die een geur geeft als zij verbrandt. Zie Exod. 30:34.

2Hij moet het naar Aärons zonen, de priesters, brengen. Daarvan moet hij een handvol nemen, van het meel en van de olie, samen met alle wierook. De priester moet het gedenkdeel ervan op het altaar in rook laten opgaan: een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.
וֶֽהֱבִיאָ֗הּ
(veheviah)
en hij zal het brengen
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹן֮
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֲנִים֒
(hakohanim)
de priesters
וְקָמַ֨ץ
(veqamats)
en hij zal een handvol nemen
מִשָּׁ֜ם
(misham)
daarvan
מְלֹ֣א
(melo)
de volheid van
קֻמְצ֗וֹ
(qumtso)
zijn handvol
מִסָּלְתָּהּ֙
(misaltah)
van haar meel
וּמִשַּׁמְנָ֔הּ
(umishamnah)
en van haar olie
עַ֖ל
(al)
met
כָּל
(kal)
al
לְבֹנָתָ֑הּ
(levonatah)
haar wierook
וְהִקְטִ֨יר
(vehiqtir)
en hij zal in rook laten opgaan
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
אַזְכָּרָתָהּ֙
(azkaratah)
haar gedenkdeel
הַמִּזְבֵּ֔חָה
(hamizbecha)
op het altaar
אִשֵּׁ֛ה
(ishe)
een vuuroffer
רֵ֥יחַ
(reiach)
een geur van
נִיחֹ֖חַ
(nichoach)
aangenaamheid
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַזְכָּרָה (azkarah), ‘gedenkdeel’: het deel van het graanoffer dat op het altaar in rook opgaat; het woord komt van זָכַר (zakar), ‘gedenken’.

Het is de handvol van het meel en de olie, met alle wierook.

Lezing

Bij ‘hij zal een handvol nemen’ staat in het Hebreeuws geen onderwerp.

Wij laten ‘hij’ staan; uit het vervolg blijkt dat de priester het offer ontvangt en op het altaar laat opgaan.

Aanvullend

Jubileeën 21:7–9 bevestigt dat de geur van het offer aangenaam is voor Yahweh.

3Wat van het graanoffer overblijft, is voor Aäron en zijn zonen: het is hoogheilig, afkomstig van de vuuroffers van Yahweh.
וְהַנּוֹתֶ֨רֶת֙
(vehanoteret)
en wat overblijft
מִן
(min)
van
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het graanoffer
לְאַהֲרֹ֖ן
(leaharon)
voor Aäron
וּלְבָנָ֑יו
(ulevanav)
en voor zijn zonen
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heilig
קָֽדָשִׁ֖ים
(qadashim)
van de heilige dingen
מֵאִשֵּׁ֥י
(meishei)
van de vuuroffers van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹדֶשׁ קָדָשִׁים (qodesh qodashim), ‘hoogheilig’: het heiligste.

Wat overblijft is voor de priesters; zie Lev. 6:7–11.

Het graanoffer uit de oven, van de bakplaat en uit de pan

4Als je als offergave een graanoffer brengt dat in een oven is gebakken, moet het van fijn meel zijn. Het moeten ongezuurde koeken zijn, met olie gekneed, of ongezuurde wafels, met olie bestreken.
וְכִ֥י
(vekhi)
en wanneer
תַקְרִ֛ב
(taqriv)
je brengt
קָרְבַּ֥ן
(qarban)
een offergave van
מִנְחָ֖ה
(mincha)
graanoffer
מַאֲפֵ֣ה
(maafe)
iets gebakken in
תַנּ֑וּר
(tanur)
een oven
סֹ֣לֶת
(solet)
fijn meel
חַלּ֤וֹת
(chalot)
koeken
מַצֹּת֙
(matsot)
ongezuurde
בְּלוּלֹ֣ת
(belulot)
gekneed
בַּשֶּׁ֔מֶן
(bashemen)
met olie
וּרְקִיקֵ֥י
(ureqiqei)
en wafels van
מַצּ֖וֹת
(matsot)
ongezuurde
מְשֻׁחִ֥ים
(meshuchim)
bestreken
בַּשָּֽׁמֶן
(bashamen)
met olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַלּוֹת (challot), ‘koeken’, en רְקִיקִים (reqiqim), ‘wafels’: dezelfde woorden als in Exod. 29:2.

5Als je offergave een graanoffer van de bakplaat is, moet het van fijn meel zijn, met olie gekneed en ongezuurd.
וְאִם
(veim)
en als
מִנְחָ֥ה
(mincha)
een graanoffer
עַל
(al)
op
הַֽמַּחֲבַ֖ת
(hamachavat)
de bakplaat
קָרְבָּנֶ֑ךָ
(qarbanekha)
je offergave
סֹ֛לֶת
(solet)
fijn meel
בְּלוּלָ֥ה
(belula)
gekneed
בַשֶּׁ֖מֶן
(bashemen)
met olie
מַצָּ֥ה
(matsa)
ongezuurd
תִהְיֶֽה
(tihye)
zal zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַחֲבַת (machavat), ‘bakplaat’: een platte plaat of schotel waarop gebakken wordt.

6Breek het in stukken en giet er olie op; het is een graanoffer.
פָּת֤וֹת
(patot)
breken
אֹתָהּ֙
(otah)
het
פִּתִּ֔ים
(pitim)
in stukken
וְיָצַקְתָּ֥
(veyatsaqta)
en je zult gieten
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
daarop
שָׁ֑מֶן
(shamen)
olie
מִנְחָ֖ה
(mincha)
een graanoffer
הִֽוא
(hi)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּתוֹת (patot) betekent ‘in stukken breken’; het gaat om brokken of kruimels.

7Als je offergave een graanoffer uit de pan is, moet het van fijn meel met olie gemaakt worden.
וְאִם
(veim)
en als
מִנְחַ֥ת
(minchat)
een graanoffer van
מַרְחֶ֖שֶׁת
(marcheshet)
de pan
קָרְבָּנֶ֑ךָ
(qarbanekha)
je offergave
סֹ֥לֶת
(solet)
fijn meel
בַּשֶּׁ֖מֶן
(bashemen)
met olie
תֵּעָשֶֽׂה
(tease)
het zal gemaakt worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַרְחֶשֶׁת (marcheshet), ‘pan’: een dieper bakgerei; de precieze vorm is niet zeker.

8Je moet het graanoffer dat hiervan gemaakt wordt, voor Yahweh meebrengen. Breng het naar de priester; hij moet het naar het altaar brengen.
וְהֵבֵאתָ֣
(veheveta)
en je zult meebrengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּנְחָ֗ה
(hamincha)
het graanoffer
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
יֵעָשֶׂ֛ה
(yease)
gemaakt wordt
מֵאֵ֖לֶּה
(meele)
van deze dingen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְהִקְרִיבָהּ֙
(vehiqrivah)
en je zult het brengen
אֶל
(el)
naar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְהִגִּישָׁ֖הּ
(vehigishah)
en hij zal het laten naderen
אֶל
(el)
naar
הַמִּזְבֵּֽחַ
(hamizbeach)
het altaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Er staan drie werkwoorden: je brengt het graanoffer mee (הֵבֵאתָ, hevetah), je brengt het bij de priester (הִקְרִיב, hiqriv) en de priester laat het naar het altaar naderen (הִגִּישׁ, higgish).

9De priester moet het gedenkdeel van het graanoffer afnemen en op het altaar in rook laten opgaan: een vuuroffer, een aangename geur voor Yahweh.
וְהֵרִ֨ים
(veherim)
en hij zal afnemen
הַכֹּהֵ֤ן
(hakohen)
de priester
מִן
(min)
van
הַמִּנְחָה֙
(hamincha)
het graanoffer
אֶת
(et)
(obj.)
אַזְכָּ֣רָתָ֔הּ
(azkaratah)
haar gedenkdeel
וְהִקְטִ֖יר
(vehiqtir)
en hij zal in rook laten opgaan
הַמִּזְבֵּ֑חָה
(hamizbecha)
op het altaar
אִשֵּׁ֛ה
(ishe)
een vuuroffer
רֵ֥יחַ
(reiach)
een geur van
נִיחֹ֖חַ
(nichoach)
aangenaamheid
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵרִים (herim) betekent letterlijk ‘optillen’; hier gaat het om het apart nemen van het gedenkdeel.

Het woord hoort bij תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’.

10Wat van het graanoffer overblijft, is voor Aäron en zijn zonen: het is hoogheilig, afkomstig van de vuuroffers van Yahweh.
וְהַנּוֹתֶ֨רֶת֙
(vehanoteret)
en wat overblijft
מִן
(min)
van
הַמִּנְחָ֔ה
(hamincha)
het graanoffer
לְאַהֲרֹ֖ן
(leaharon)
voor Aäron
וּלְבָנָ֑יו
(ulevanav)
en voor zijn zonen
קֹ֥דֶשׁ
(qodesh)
heilig
קָֽדָשִׁ֖ים
(qadashim)
van de heilige dingen
מֵאִשֵּׁ֥י
(meishei)
van de vuuroffers van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookLev 2:3

Geen zuurdeeg en geen honing

11Geen enkel graanoffer dat jullie voor Yahweh brengen, mag gezuurd gemaakt worden. Want jullie mogen er geen zuurdeeg en geen honing van in rook laten opgaan als vuuroffer voor Yahweh.
כָּל
(kal)
elk
הַמִּנְחָ֗ה
(hamincha)
het graanoffer
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
תַּקְרִ֨יבוּ֙
(taqrivu)
jullie zullen brengen
לַיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
תֵעָשֶׂ֖ה
(tease)
het zal gemaakt worden
חָמֵ֑ץ
(chamets)
gezuurd
כִּ֤י
(ki)
want
כָל
(kal)
al
שְׂאֹר֙
(seor)
zuurdeeg
וְכָל
(vekhal)
en al
דְּבַ֔שׁ
(devash)
honing
לֹֽא
(lo)
niet
תַקְטִ֧ירוּ
(taqtiru)
jullie zullen in rook laten opgaan
מִמֶּ֛נּוּ
(mimenu)
ervan
אִשֶּׁ֖ה
(ishe)
een vuuroffer
לַֽיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָמֵץ (chamets), ‘gezuurd’, en שְׂאֹר (se'or), ‘zuurdeeg’: bij dit offer is niets gezuurds toegestaan.

דְּבַשׁ (devash) is ‘honing’.

Zie ook Exod. 23:18.

12Als offergave van het eerste mogen jullie ze voor Yahweh brengen, maar op het altaar mogen ze niet opgaan tot een aangename geur.
קָרְבַּ֥ן
(qarban)
een offergave van
רֵאשִׁ֛ית
(reshit)
het eerste
תַּקְרִ֥יבוּ
(taqrivu)
jullie zullen brengen
אֹתָ֖ם
(otam)
ze
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וְאֶל
(veel)
en naar
הַמִּזְבֵּ֥חַ
(hamizbeach)
het altaar
לֹא
(lo)
niet
יַעֲל֖וּ
(yaalu)
zullen ze opgaan
לְרֵ֥יחַ
(lereiach)
tot een geur van
נִיחֹֽחַ
(nichoach)
aangenaamheid
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֵאשִׁית (reshit), ‘het eerste’: de eerste opbrengst van de oogst; zie ook vers 14.

Zuurdeeg en honing mogen als eerste opbrengst voor Yahweh gebracht worden, maar niet op het altaar komen.

Het zout van het verbond

13Elke offergave van je graanoffer moet je met zout zouten. Het zout van het verbond van je Elohim mag je niet van je graanoffer laten ontbreken. Bij al je offergaven moet je zout brengen.
וְכָל
(vekhal)
en al
קָרְבַּ֣ן
(qarban)
een offergave van
מִנְחָתְךָ֮
(minchatekha)
je graanoffer
בַּמֶּ֣לַח
(bamelach)
met zout
תִּמְלָח֒
(timlach)
je zult zouten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תַשְׁבִּ֗ית
(tashbit)
je zult laten ontbreken
מֶ֚לַח
(melach)
het zout van
בְּרִ֣ית
(berit)
het verbond van
אֱלֹהֶ֔יךָ
(eloheikha)
je Elohim
מֵעַ֖ל
(meal)
van
מִנְחָתֶ֑ךָ
(minchatekha)
je graanoffer
עַ֥ל
(al)
bij
כָּל
(kal)
al
קָרְבָּנְךָ֖
(qarbanekha)
je offergave
תַּקְרִ֥יב
(taqriv)
je zult brengen
מֶֽלַח
(melach)
zout
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֶלַח בְּרִית (melach berit), ‘zout van het verbond’: zout houdt voedsel goed.

Een ‘zoutverbond’ is een blijvend verbond; zie Num. 18:19.

Ook de wierook wordt gezouten (Exod. 30:35).

Aanvullend

Jubileeën 21:11 bevestigt dit.

Het graanoffer van de eerstelingen

14Als je een graanoffer van eerstelingen voor Yahweh brengt, moet je jonge aren brengen, in het vuur geroosterd, en gestampt vers graan. Dat moet je brengen als graanoffer van je eerstelingen.
וְאִם
(veim)
en als
תַּקְרִ֛יב
(taqriv)
je brengt
מִנְחַ֥ת
(minchat)
een graanoffer van
בִּכּוּרִ֖ים
(bikurim)
eerstelingen
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אָבִ֞יב
(aviv)
jonge aren
קָל֤וּי
(qaluy)
geroosterd
בָּאֵשׁ֙
(baesh)
in het vuur
גֶּ֣רֶשׂ
(geres)
gestampt
כַּרְמֶ֔ל
(karmel)
vers graan
תַּקְרִ֕יב
(taqriv)
je zult brengen
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִנְחַ֥ת
(minchat)
het graanoffer van
בִּכּוּרֶֽיךָ
(bikureikha)
je eerstelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אָבִיב (aviv), ‘jonge aren’: graan dat net rijp wordt.

כַּרְמֶל (karmel), ‘vers graan’: hier gaat het niet om de berg Karmel, maar om vers graan. De precieze betekenis is niet helemaal zeker.

15Doe er olie op en leg er wierook op; het is een graanoffer.
וְנָתַתָּ֤
(venatata)
en je zult doen
עָלֶ֨יהָ֙
(aleiha)
daarop
שֶׁ֔מֶן
(shemen)
olie
וְשַׂמְתָּ֥
(vesamta)
en je zult leggen
עָלֶ֖יהָ
(aleiha)
daarop
לְבֹנָ֑ה
(levona)
wierook
מִנְחָ֖ה
(mincha)
een graanoffer
הִֽוא
(hi)
het is
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16De priester moet het gedenkdeel in rook laten opgaan, van het gestampte graan en van de olie, samen met alle wierook: een vuuroffer voor Yahweh.
וְהִקְטִ֨יר
(vehiqtir)
en hij zal in rook laten opgaan
הַכֹּהֵ֜ן
(hakohen)
de priester
אֶת
(et)
(obj.)
אַזְכָּרָתָ֗הּ
(azkaratah)
haar gedenkdeel
מִגִּרְשָׂהּ֙
(migirsah)
van haar gestampte graan
וּמִשַּׁמְנָ֔הּ
(umishamnah)
en van haar olie
עַ֖ל
(al)
met
כָּל
(kal)
al
לְבֹנָתָ֑הּ
(levonatah)
haar wierook
אִשֶּׁ֖ה
(ishe)
een vuuroffer
לַיהוָֽה
(laYahweh)
voor Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)