Het geschreeuw van de armen; Nehemia en de schulden
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het geschreeuw van het volk
1Er klonk een groot geschreeuw van het volk en van hun vrouwen tegen hun broeders, de Joden.
וַתְּהִ֨י
(vatehi)
en was
צַעֲקַ֥ת
(tsaaqat)
geschreeuw van
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
וּנְשֵׁיהֶ֖ם
(unesheihem)
en hun vrouwen
גְּדוֹלָ֑ה
(gedola)
groot
אֶל
(el)
tegen
אֲחֵיהֶ֖ם
(acheihem)
hun broeders
הַיְּהוּדִֽים
(hayehudim)
de Joden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het geschreeuw gaat over schuld en gebrek aan brood (de verzen 2–5).
Ook de vrouwen laten zich horen.
הַיְּהוּדִים (hayehudim), ‘de Joden’: de inwoners van Juda. Het zijn hier de armen onder het volk. Nehemia noemt hen ‘onze broeders’ (vers 8).
5Nu is ons vlees als het vlees van onze broeders. Onze zonen zijn als hun zonen. Maar zie, wij onderwerpen onze zonen en onze dochters als slaven. Sommige van onze dochters zijn al onderworpen. Wij kunnen er niets aan doen, want onze velden en onze wijngaarden zijn van anderen.”
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
כִּבְשַׂ֤ר
(kivsar)
als het vlees van
אַחֵ֨ינוּ֙
(acheinu)
onze broeders
בְּשָׂרֵ֔נוּ
(besarenu)
ons vlees
כִּבְנֵיהֶ֖ם
(kivneihem)
als hun zonen
בָּנֵ֑ינוּ
(baneinu)
onze zonen
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
אֲנַ֣חְנוּ
(anachnu)
wij
כֹ֠בְשִׁים
(koveshim)
onderwerpen
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנֵ֨ינוּ
(baneinu)
onze zonen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֵ֜ינוּ
(benoteinu)
onze dochters
לַעֲבָדִ֗ים
(laavadim)
tot slaven
וְיֵ֨שׁ
(veyesh)
en er zijn
מִבְּנֹתֵ֤ינוּ
(mibenoteinu)
van onze dochters
נִכְבָּשׁוֹת֙
(nikhbashot)
onderworpen
וְאֵ֣ין
(veein)
en er is niet
לְאֵ֣ל
(leel)
tot macht
יָדֵ֔נוּ
(yadenu)
onze hand
וּשְׂדֹתֵ֥ינוּ
(usedoteinu)
en onze velden
וּכְרָמֵ֖ינוּ
(ukherameinu)
en onze wijngaarden
לַאֲחֵרִֽים
(laacherim)
aan anderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
כֹּבְשִׁים (kovshim), ‘wij onderwerpen’: het werkwoord kavash betekent ‘onder de voet brengen’.
Hier gaat het om kinderen die als slaaf in dienst gaan om een schuld te betalen.
וְאֵין לְאֵל יָדֵנוּ (ve’en le’el yadenu), ‘wij kunnen er niets aan doen’: letterlijk ‘er is niet tot macht van onze hand’. Vergelijk Deut. 28:32.
7Mijn hart hield raad in mij. Ik trad op tegen de edelen en de bestuurders. Ik zei tegen hen: „Jullie leggen een last op, ieder zijn broeder, als schuldeisers.” Ik riep tegen hen een grote vergadering bijeen.
וַיִּמָּלֵ֨ךְ
(vayimalekh)
en overlegde
לִבִּ֜י
(libi)
mijn hart
עָלַ֗י
(alay)
in mij
וָאָרִ֨יבָה֙
(vaariva)
en ik trad op
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֹרִ֣ים
(hachorim)
de edelen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסְּגָנִ֔ים
(haseganim)
de bestuurders
וָאֹמְרָ֣ה
(vaomera)
en ik zei
לָהֶ֔ם
(lahem)
tegen hen
מַשָּׁ֥א
(masha)
last
אִישׁ
(ish)
ieder
בְּאָחִ֖יו
(beachiv)
op zijn broeder
אַתֶּ֣ם
(atem)
jullie
נֹשִׁ֑ים
(noshim)
schuldeisers
וָאֶתֵּ֥ן
(vaeten)
en ik stelde
עֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tegen hen
קְהִלָּ֥ה
(qehila)
een vergadering
גְדוֹלָֽה
(gedola)
grote
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּמָּלֵךְ לִבִּי עָלַי (vayyimmalekh libbi alay), ‘mijn hart hield raad in mij’: Nehemia overlegt met zichzelf voordat hij handelt.
מַשָּׂא (massa), ‘last’: wat een ander wordt opgelegd. Hier gaat het om wat schuldeisers van hun broeders eisen: de last van schuld en rente. Het woord is verwant met נשא (nasa), ‘dragen’. In de profetenboeken staat hetzelfde woord voor een profetie die als een last op iemand rust (zoals in Jes. 13:1).
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft נשאים (nosse’im), ‘dragers’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft נֹשִׁים (noshim), ‘schuldeisers’.
8Ik zei tegen hen: „Wij hebben, voor zover wij konden, onze broeders gekocht, de Joden die aan de volken verkocht werden. En jullie, jullie verkopen zelf jullie broeders, zodat zij aan ons verkocht worden!” Zij zwegen en vonden geen woord.
וָאֹמְרָ֣ה
(vaomera)
en ik zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tegen hen
אֲנַ֣חְנוּ
(anachnu)
wij
קָ֠נִינוּ
(qaninu)
hebben gekocht
אֶת
(et)
(obj.)
אַחֵ֨ינוּ
(acheinu)
onze broeders
הַיְּהוּדִ֜ים
(hayehudim)
de Joden
הַנִּמְכָּרִ֤ים
(hanimkarim)
die verkocht werden
לַגּוֹיִם֙
(lagoyim)
aan de volken
כְּדֵ֣י
(kedei)
naar
בָ֔נוּ
(banu)
ons vermogen
וְגַם
(vegam)
en ook
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
תִּמְכְּר֥וּ
(timkeru)
verkopen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲחֵיכֶ֖ם
(acheikhem)
jullie broeders
וְנִמְכְּרוּ
(venimkeru)
zodat zij verkocht worden
לָ֑נוּ
(lanu)
aan ons
וַֽיַּחֲרִ֔ישׁוּ
(vayacharishu)
en zij zwegen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
מָצְא֖וּ
(matseu)
vonden zij
דָּבָֽר
(davar)
een woord
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָנִינוּ (qaninu), ‘wij hebben gekocht’: Het werkwoord is ‘kopen’ (qanah), niet pada ‘vrijkopen’.
Bedoeld is dat Nehemia en de zijnen Joden terugkochten die aan de volken waren verkocht.
Het Hebreeuws zegt dit niet met een eigen woord.
כְּדֵי בָנוּ (kedei vanu), ‘voor zover wij konden’: letterlijk ‘naar wat in ons is’.
11Geef hun vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijfgaarden en hun huizen terug. Geef ook het honderdste deel terug van het geld, het koren, de most en de olie dat jullie van hen vorderen.”
הָשִׁיבוּ֩
(hashivu)
geef terug
נָ֨א
(na)
toch
לָהֶ֜ם
(lahem)
aan hen
כְּהַיּ֗וֹם
(kehayom)
zoals vandaag
שְׂדֹתֵיהֶ֛ם
(sedoteihem)
hun velden
כַּרְמֵיהֶ֥ם
(karmeihem)
hun wijngaarden
זֵיתֵיהֶ֖ם
(zeiteihem)
hun olijfgaarden
וּבָתֵּיהֶ֑ם
(uvateihem)
en hun huizen
וּמְאַ֨ת
(umeat)
en het honderdste deel van
הַכֶּ֤סֶף
(hakesef)
het geld
וְהַדָּגָן֙
(vehadagan)
en het koren
הַתִּיר֣וֹשׁ
(hatirosh)
de most
וְהַיִּצְהָ֔ר
(vehayitshar)
en de olie
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
נֹשִׁ֥ים
(noshim)
vorderen
בָּהֶֽם
(bahem)
van hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וּמְאַת (ume’at), ‘en het honderdste deel van’: waarschijnlijk een rente van een honderdste deel, vermoedelijk per maand.
Dat staat er niet.
Het Hebreeuws kan ook gelezen worden als ‘en van’.
הַתִּירוֹשׁ (hatirosh), ‘de most’: druivensap dat nog niet gegist is. הַיִּצְהָר (hayitshar), ‘de olie’: olijfolie.
12Zij zeiden: „Wij geven het terug en vragen niets meer van hen. Zo zullen wij doen, zoals u zegt.” Ik riep de priesters en liet hen zweren dat zij naar dit woord zouden doen.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
נָשִׁ֗יב
(nashiv)
wij zullen teruggeven
וּמֵהֶם֙
(umehem)
en van hen
לֹ֣א
(lo)
niet
נְבַקֵּ֔שׁ
(nevaqesh)
wij zullen eisen
כֵּ֣ן
(ken)
zo
נַעֲשֶׂ֔ה
(naase)
wij zullen doen
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
אַתָּ֣ה
(ata)
u
אוֹמֵ֑ר
(omer)
zegt
וָאֶקְרָא֙
(vaeqra)
en ik riep
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
וָֽאַשְׁבִּיעֵ֔ם
(vaashbiem)
en ik liet hen zweren
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
כַּדָּבָ֥ר
(kadavar)
volgens het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De priesters nemen de eed af.
Wie zweert, bindt zich voor Elohim aan zijn woord.
13Ook schudde ik de plooi van mijn kleed uit. Ik zei: „Zo moge Elohim iedere man uitschudden die dit woord niet uitvoert, uit zijn huis en uit zijn arbeid. Zo moge hij uitgeschud en leeg zijn.” De hele vergadering zei: „Amen!” Zij prezen Yahweh. Het volk deed naar dit woord.
גַּם
(gam)
ook
חָצְנִ֣י
(chatseni)
mijn plooi
נָעַ֗רְתִּי
(naarti)
ik schudde uit
וָֽאֹמְרָ֡ה
(vaomera)
en ik zei
כָּ֣כָה
(kakha)
zo
יְנַעֵ֪ר
(yenaer)
schudde uit
הָֽאֱלֹהִ֟ים
(haElohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
iedere
הָאִישׁ֩
(haish)
man
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָקִ֜ים
(yaqim)
uitvoert
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
het woord
הַזֶּ֗ה
(haze)
dit
מִבֵּיתוֹ֙
(mibeito)
uit zijn huis
וּמִ֣יגִיע֔וֹ
(umigio)
en uit zijn arbeid
וְכָ֛כָה
(vekhakha)
en zo
יִהְיֶ֥ה
(yihye)
moge zijn
נָע֖וּר
(naur)
uitgeschud
וָרֵ֑ק
(vareq)
en leeg
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
כָֽל
(kal)
heel
הַקָּהָ֜ל
(haqahal)
de vergadering
אָמֵ֗ן
(amen)
amen
וַֽיְהַלְלוּ֙
(vayhallu)
en zij prezen
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
כַּדָּבָ֥ר
(kadavar)
naar het woord
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָצְנִי (chotsni), ‘de plooi van mijn kleed’: de vouw bij de borst, waarin men dingen draagt.
Het uitschudden is een tekenhandeling die het oordeel verbeeldt.
אָמֵן (amen), ‘amen’: ‘het is zo’. Het volk antwoordt zo ook in Deut. 27:15–26.
14De koning had mij opdracht gegeven hun landvoogd te zijn in het land Juda. Vanaf die dag heb ik het brood van de landvoogd niet gegeten. Dat was van het twintigste jaar tot het tweeëndertigste jaar van koning Artachsasta, twaalf jaar lang. Ik heb het niet gegeten, en mijn broeders ook niet.
גַּ֞ם
(gam)
ook
מִיּ֣וֹם
(miyom)
vanaf de dag
אֲשֶׁר
(asher)
dat
צִוָּ֣ה
(tsiva)
hij gebood
אֹתִ֗י
(oti)
mij
לִהְי֣וֹת
(lihyot)
om te zijn
פֶּחָם֮
(pecham)
hun landvoogd
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land
יְהוּדָה֒
(yehuda)
Juda
מִשְּׁנַ֣ת
(mishenat)
vanaf het jaar
עֶשְׂרִ֗ים
(esrim)
twintig
וְ֠עַד
(vead)
en tot
שְׁנַ֨ת
(shenat)
het jaar
שְׁלֹשִׁ֤ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁתַּ֨יִם֙
(ushtayim)
en twee
לְאַרְתַּחְשַׁ֣סְתְּא
(leartachshaste)
van Artachsasta
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
שְׁתֵּ֣ים
(sheteim)
twee
עֶשְׂרֵ֑ה
(esre)
tien
אֲנִ֣י
(ani)
ik
וְאַחַ֔י
(veachay)
en mijn broeders
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood van
הַפֶּ֖חָה
(hapecha)
de landvoogd
לֹ֥א
(lo)
niet
אָכַֽלְתִּי
(akhalti)
heb ik gegeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
פֶּחָה (pechah), ‘landvoogd’: de bestuurder van een gebied namens de Perzische koning.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij gebood’.
Bedoeld is waarschijnlijk de koning.
Artachsasta wordt vaak verbonden met Artaxerxes I; zeker is dat uit de tekst zelf niet. Het twintigste jaar is hetzelfde jaar als in 1:1 en 2:1.
לֶחֶם הַפֶּחָה (lechem hapechah), ‘het brood van de landvoogd’: wat de landvoogd van het volk als onderhoud mocht eisen.
15De vroegere landvoogden vóór mij maakten het volk een zware last. Zij namen van hen brood en wijn, bovendien veertig sikkel zilver. Ook hun jongens voerden de baas over het volk. Maar ik deed dat niet, vanwege de vrees voor Elohim.
וְהַפַּחוֹת֩
(vehapachot)
en de landvoogden
הָרִאשֹׁנִ֨ים
(harishonim)
de vroegere
אֲשֶׁר
(asher)
die
לְפָנַ֜י
(lefanay)
voor mij
הִכְבִּ֣ידוּ
(hikhbidu)
maakten zwaar
עַל
(al)
op
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
וַיִּקְח֨וּ
(vayiqchu)
en namen
מֵהֶ֜ם
(mehem)
van hen
בְּלֶ֤חֶם
(belechem)
brood
וָיַ֨יִן֙
(vayayin)
en wijn
אַחַר֙
(achar)
bovendien
כֶּֽסֶף
(kesef)
zilver
שְׁקָלִ֣ים
(sheqalim)
sikkel
אַרְבָּעִ֔ים
(arbaim)
veertig
גַּ֥ם
(gam)
ook
נַעֲרֵיהֶ֖ם
(naareihem)
hun jongens
שָׁלְט֣וּ
(shaletu)
voerden de baas
עַל
(al)
over
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַאֲנִי֙
(vaani)
maar ik
לֹא
(lo)
niet
עָשִׂ֣יתִי
(asiti)
deed
כֵ֔ן
(ken)
zo
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
יִרְאַ֥ת
(yirat)
de vrees van
אֱלֹהִֽים
(Elohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אַחַר (achar), ‘bovendien’: letterlijk ‘na’.
Het kan ook ‘afgezien van’ betekenen.
Of de veertig sikkel per dag, per maand of eenmalig werden geëist, zegt de tekst niet.
Een sikkel is ongeveer 11,4 gram.
שָׁלְטוּ (shalatu), ‘zij voerden de baas’: zij heersten.
18Wat voor één dag werd klaargemaakt, was: één rund en zes uitgelezen schapen. Ook vogels werden voor mij klaargemaakt. Om de tien dagen was er wijn van allerlei soort in overvloed. Toch eiste ik het brood van de landvoogd niet. Want de dienst woog zwaar op dit volk.
וַאֲשֶׁר֩
(vaasher)
en wat
הָיָ֨ה
(haya)
was
נַעֲשֶׂ֜ה
(naase)
klaargemaakt
לְי֣וֹם
(leyom)
voor één dag
אֶחָ֗ד
(echad)
één
שׁ֣וֹר
(shor)
rund
אֶחָ֞ד
(echad)
één
צֹ֠אן
(tson)
schaap
שֵׁשׁ
(shesh)
zes
בְּרֻר֤וֹת
(berurot)
uitgelezene
וְצִפֳּרִים֙
(vetsiporim)
en vogels
נַֽעֲשׂוּ
(naasu)
werden klaargemaakt
לִ֔י
(li)
voor mij
וּבֵ֨ין
(uvein)
en om de
עֲשֶׂ֧רֶת
(aseret)
tien
יָמִ֛ים
(yamim)
dagen
בְּכָל
(bekhal)
van allerlei
יַ֖יִן
(yayin)
wijn
לְהַרְבֵּ֑ה
(leharbe)
in overvloed
וְעִם
(veim)
en met
זֶ֗ה
(ze)
dit
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood van
הַפֶּחָה֙
(hapecha)
de landvoogd
לֹ֣א
(lo)
niet
בִקַּ֔שְׁתִּי
(biqashti)
eiste ik
כִּֽי
(ki)
want
כָֽבְדָ֥ה
(kaveda)
zwaar woog
הָעֲבֹדָ֖ה
(haavoda)
de dienst
עַל
(al)
op
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּרֻרוֹת (berurot), ‘uitgelezen’: uitgezocht, de beste.
Het Hebreeuws heeft ‘één rund, kleinvee, zes uitgelezene’; wij lezen ‘zes uitgelezen schapen’.
בְּכָל־יַיִן לְהַרְבֵּה (bekhol-yayin leharbeh), ‘wijn van allerlei soort in overvloed’: letterlijk ‘in alle wijn, in overvloed’.