Elohim Bijbel

1 Samuël 11

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Saul redt Jabes en wordt koning in Gilgal

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Nachasj belegert Jabes

1Nachasj, de Ammoniet, trok op en legerde zich tegen Jabes in Gilead. Alle mannen van Jabes zeiden tegen Nachasj: „Sluit een verbond met ons, dan zullen wij u dienen.”
וַיַּ֗עַל
(vayaal)
en hij trok op
נָחָשׁ֙
(nachash)
Nachasj
הָֽעַמּוֹנִ֔י
(haamoni)
de Ammoniet
וַיִּ֖חַן
(vayichan)
en hij legerde zich
עַל
(al)
tegen
יָבֵ֣שׁ
(yavesh)
Jabes
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
וַיֹּ֨אמְר֜וּ
(vayomru)
en zij zeiden
כָּל
(kal)
alle
אַנְשֵׁ֤י
(anshei)
mannen van
יָבֵישׁ֙
(yaveish)
Jabes
אֶל
(el)
tot
נָחָ֔שׁ
(nachash)
Nachasj
כְּרָת
(kerat)
sluit
לָ֥נוּ
(lanu)
met ons
בְרִ֖ית
(berit)
een verbond
וְנַעַבְדֶֽךָּ
(venaavdeka)
en wij zullen u dienen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan, waarschijnlijk bij Tell el-Maqlub (Jordanië).

De ligging is niet helemaal zeker.

Uitleg

Nachasj (נָחָשׁ, nachash) was koning van Ammon.

De Ammonieten woonden ten oosten van de Jordaan.

2Nachasj, de Ammoniet, zei tegen hen: „Op deze voorwaarde sluit ik een verbond met jullie: ik steek van jullie allemaal het rechteroog uit. Zo leg ik smaad op heel Israël.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵיהֶ֗ם
(aleihem)
tegen hen
נָחָשׁ֙
(nachash)
Nachasj
הָעַמּוֹנִ֔י
(haamoni)
de Ammoniet
בְּזֹאת֙
(bezot)
hierop
אֶכְרֹ֣ת
(ekhrot)
zal ik sluiten
לָכֶ֔ם
(lakhem)
met jullie
בִּנְק֥וֹר
(binqor)
door uit te steken
לָכֶ֖ם
(lakhem)
voor jullie
כָּל
(kal)
elk
עֵ֣ין
(ein)
oog van
יָמִ֑ין
(yamin)
rechter
וְשַׂמְתִּ֥יהָ
(vesamtiha)
en ik zal het leggen
חֶרְפָּ֖ה
(cherpa)
smaad
עַל
(al)
op
כָּל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֶרְפָּה (cherpah), ‘smaad, schande’.

3De oudsten van Jabes zeiden tegen hem: „Geef ons zeven dagen uitstel. Dan sturen wij boodschappers door heel het gebied van Israël. Als er niemand is die ons redt, komen wij naar u toe.”
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלָ֜יו
(elav)
tegen hem
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
יָבֵ֗ישׁ
(yaveish)
Jabes
הֶ֤רֶף
(heref)
laat af
לָ֨נוּ֙
(lanu)
ons
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
וְנִשְׁלְחָה֙
(venishlecha)
en wij zullen sturen
מַלְאָכִ֔ים
(malakhim)
boodschappers
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in heel
גְּב֣וּל
(gevul)
het gebied van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְאִם
(veim)
en als
אֵ֥ין
(ein)
niet is
מוֹשִׁ֛יעַ
(moshia)
een redder
אֹתָ֖נוּ
(otanu)
bij ons
וְיָצָ֥אנוּ
(veyatsanu)
en wij zullen uitgaan
אֵלֶֽיךָ
(eleikha)
naar u
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.

Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.

Uitleg

‘Uitgaan naar u’ (וְיָצָאנוּ אֵלֶיךָ, vejatsanu elecha) kan betekenen: zich aan u overgeven.

Dezelfde woorden staan in vers 10.

Het nieuws bereikt Saul

4De boodschappers kwamen in Gibea van Saul en vertelden dit aan het volk. Heel het volk verhief zijn stem en huilde.
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
הַמַּלְאָכִים֙
(hamalakhim)
de boodschappers
גִּבְעַ֣ת
(givat)
Gibea van
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
וַיְדַבְּר֥וּ
(vaydaberu)
en zij spraken
הַדְּבָרִ֖ים
(hadevarim)
de woorden
בְּאָזְנֵ֣י
(beazenei)
in de oren van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיִּשְׂא֧וּ
(vayisu)
en verhieven
כָל
(kal)
heel
הָעָ֛ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
קוֹלָ֖ם
(qolam)
hun stem
וַיִּבְכּֽוּ
(vayivku)
en zij huilden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibea van Saul (גִּבְעַת שָׁאוּל, Givat Sha’ul) is waarschijnlijk Tell el-Ful, ten noorden van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever).

De ligging is niet helemaal zeker.

5Zie, Saul kwam achter de runderen aan van het veld. Saul vroeg: „Wat is er met het volk, dat zij huilen?” Zij vertelden hem wat de mannen van Jabes hadden gezegd.
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
שָׁא֗וּל
(shaul)
Saul
בָּ֣א
(ba)
komend
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
הַבָּקָר֙
(habaqar)
de runderen
מִן
(min)
uit
הַשָּׂדֶ֔ה
(hasade)
het veld
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
מַה
(ma)
wat
לָּעָ֖ם
(laam)
voor het volk
כִּ֣י
(ki)
dat
יִבְכּ֑וּ
(yivku)
zij huilen
וַיְסַ֨פְּרוּ
(vaysaperu)
en zij vertelden
ל֔וֹ
(lo)
hem
אֶת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֖י
(divrei)
de woorden van
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
de mannen van
יָבֵֽישׁ
(yaveish)
Jabes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.

Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.

6Toen Saul dit hoorde, kwam de Geest van Elohim met kracht over hem. Zijn toorn ontbrandde zeer.
וַתִּצְלַ֤ח
(vatitslach)
en kwam met kracht
רֽוּחַ
(ruach)
de Geest van
אֱלֹהִים֙
(Elohim)
Elohim
עַל
(al)
over
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
כְּשָׁמְע֖וֹ
(keshameo)
toen hij hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
הַדְּבָרִ֣ים
(hadevarim)
de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וַיִּ֥חַר
(vayichar)
en ontbrandde
אַפּ֖וֹ
(apo)
zijn toorn
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft בְּשָׁמְעוֹ (beshom’o), ‘bij zijn horen’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft כְּשָׁמְעוֹ (keshom’o), ‘toen hij hoorde’.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

Het volk trekt uit

7Hij nam een span runderen en hakte ze in stukken. Hij stuurde de stukken door de boodschappers naar heel het gebied van Israël. Hij liet zeggen: „Wie niet uittrekt achter Saul en Samuël aan, met zijn runderen zal zo gedaan worden.” De schrik van Yahweh viel op het volk. Zij trokken uit als één man.
וַיִּקַּח֩
(vayiqach)
en hij nam
צֶ֨מֶד
(tsemed)
een span van
בָּקָ֜ר
(baqar)
runderen
וַֽיְנַתְּחֵ֗הוּ
(vaynatechehu)
en hij hakte het in stukken
וַיְשַׁלַּ֞ח
(vayshalach)
en hij stuurde
בְּכָל
(bekhal)
in heel
גְּב֣וּל
(gevul)
het gebied van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
הַמַּלְאָכִ֣ים
(hamalakhim)
de boodschappers
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
אֲשֶׁר֩
(asher)
wie
אֵינֶ֨נּוּ
(einenu)
niet hij
יֹצֵ֜א
(yotse)
uittrekkend
אַחֲרֵ֤י
(acharei)
achter
שָׁאוּל֙
(shaul)
Saul
וְאַחַ֣ר
(veachar)
en achter
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
כֹּ֥ה
(ko)
zo
יֵעָשֶׂ֖ה
(yease)
zal gedaan worden
לִבְקָר֑וֹ
(livqaro)
met zijn runderen
וַיִּפֹּ֤ל
(vayipol)
en viel
פַּֽחַד
(pachad)
de schrik van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַל
(al)
op
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וַיֵּצְא֖וּ
(vayetseu)
en zij trokken uit
כְּאִ֥ישׁ
(keish)
als een man
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

צֶמֶד בָּקָר (tsemed baqar), ‘een span runderen’: twee runderen onder één juk.

De stukken vlees gaan als teken naar de stammen. Vergelijk Richt. 19:29.

8Hij telde hen in Bezek. De zonen van Israël waren 300.000 man en de mannen van Juda 30.000.
וַֽיִּפְקְדֵ֖ם
(vayifqedem)
en hij telde hen
בְּבָ֑זֶק
(bevazeq)
in Bezek
וַיִּהְי֤וּ
(vayihyu)
en zij waren
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
שְׁלֹ֣שׁ
(shelosh)
drie
מֵא֣וֹת
(meot)
honderd
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
וְאִ֥ישׁ
(veish)
en de man van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Bezek ligt waarschijnlijk bij Khirbet Ibziq, ten noordoosten van Nablus (Westelijke Jordaanoever).

Lezing

De getallen van de Masoretische tekst zijn 300.000 en 30.000.

Andere tekstgetuigen hebben andere getallen.

Wij volgen de Masoretische tekst.

Het antwoord aan Jabes

9Zij zeiden tegen de boodschappers die gekomen waren: „Zeg zo tegen de mannen van Jabes in Gilead: ‘Morgen komt er redding voor jullie. Dat gebeurt wanneer de zon heet wordt.’” De boodschappers gingen en vertelden het aan de mannen van Jabes. Die waren blij.
וַיֹּאמְר֞וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לַמַּלְאָכִ֣ים
(lamalakhim)
aan de boodschappers
הַבָּאִ֗ים
(habaim)
die kwamen
כֹּ֤ה
(ko)
zo
תֹֽאמְרוּן֙
(tomrun)
zullen jullie zeggen
לְאִישׁ֙
(leish)
tegen de man van
יָבֵ֣ישׁ
(yaveish)
Jabes
גִּלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
מָחָ֛ר
(machar)
morgen
תִּהְיֶֽה
(tihye)
zal zijn
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
תְּשׁוּעָ֖ה
(teshua)
redding
כְּחֹ֣ם
(kechom)
als de hitte van
הַשָּׁ֑מֶשׁ
(hashamesh)
de zon
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
הַמַּלְאָכִ֗ים
(hamalakhim)
de boodschappers
וַיַּגִּ֛ידוּ
(vayagidu)
en zij vertelden
לְאַנְשֵׁ֥י
(leanshei)
aan de mannen van
יָבֵ֖ישׁ
(yaveish)
Jabes
וַיִּשְׂמָֽחוּ
(vayismachu)
en zij verheugden zich
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.

Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft בְּחֹם (bechom), ‘bij de hitte’.

De voorgelezen tekst (qere) heeft כְּחֹם (kechom), ‘als de hitte’.

De betekenis is gelijk.

Wij volgen de qere.

Zie ookPs 18:18
10De mannen van Jabes zeiden: „Morgen komen wij naar jullie toe. Doe dan met ons alles wat jullie goed vinden.”
וַֽיֹּאמְרוּ֙
(vayomru)
en zij zeiden
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
יָבֵ֔ישׁ
(yaveish)
Jabes
מָחָ֖ר
(machar)
morgen
נֵצֵ֣א
(netse)
wij zullen uitgaan
אֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
naar jullie
וַעֲשִׂיתֶ֣ם
(vaasitem)
en jullie zullen doen
לָּ֔נוּ
(lanu)
met ons
כְּכָל
(kekhal)
zoals alles
הַטּ֖וֹב
(hatov)
het goede
בְּעֵינֵיכֶֽם
(beeineikhem)
in jullie ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.

Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.

Uitleg

De mannen van Jabes spreken hier tot Nachasj en de Ammonieten.

Hun woorden kunnen worden opgevat als een overgave.

De overwinning op Ammon

11De volgende dag verdeelde Saul het volk in drie groepen. Bij de morgenwake kwamen zij midden in het kamp. Zij versloegen de Ammonieten tot de dag heet werd. De overgeblevenen werden verspreid. Er bleven geen twee van hen bij elkaar.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
מִֽמָּחֳרָ֗ת
(mimachorat)
op de volgende dag
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en hij stelde
שָׁא֣וּל
(shaul)
Saul
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֮
(haam)
het volk
שְׁלֹשָׁ֣ה
(shelosha)
drie
רָאשִׁים֒
(rashim)
groepen
וַיָּבֹ֤אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
בְתוֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַֽמַּחֲנֶה֙
(hamachane)
het kamp
בְּאַשְׁמֹ֣רֶת
(beashmoret)
bij de wake van
הַבֹּ֔קֶר
(haboqer)
de morgen
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
עַמּ֖וֹן
(amon)
Ammon
עַד
(ad)
tot
חֹ֣ם
(chom)
de hitte van
הַיּ֑וֹם
(hayom)
de dag
וַיְהִ֤י
(vayhi)
en het was
הַנִּשְׁאָרִים֙
(hanisharim)
de overgeblevenen
וַיָּפֻ֔צוּ
(vayafutsu)
en zij werden verspreid
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נִשְׁאֲרוּ
(nisharu)
bleven over
בָ֖ם
(bam)
onder hen
שְׁנַ֥יִם
(shenayim)
twee
יָֽחַד
(yachad)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ammon: Ammon ligt ten oosten van de Jordaan, rond het huidige Amman in Jordanië.

Uitleg

אַשְׁמֹרֶת הַבֹּקֶר (ashmoret haboqer), ‘de wake van de morgen’: het laatste deel van de nacht.

Vergelijk Richt. 7:19, de middelste wake.

Niemand wordt gedood

12Het volk zei tegen Samuël: „Wie zeiden er: ‘Zal Saul over ons koning zijn?’ Geef die mannen aan ons, dan doden wij hen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֶל
(el)
tegen
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
מִ֣י
(mi)
wie
הָאֹמֵ֔ר
(haomer)
die zei
שָׁא֖וּל
(shaul)
Saul
יִמְלֹ֣ךְ
(yimlokh)
zal koning zijn
עָלֵ֑ינוּ
(aleinu)
over ons
תְּנ֥וּ
(tenu)
geef
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
וּנְמִיתֵֽם
(unemitem)
en wij zullen hen doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit gaat terug op 1 Sam. 10:27, waar enkelen Saul minachtten.

13Saul zei: „Vandaag mag niemand gedood worden. Want vandaag heeft Yahweh redding gebracht in Israël.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שָׁא֔וּל
(shaul)
Saul
לֹֽא
(lo)
niet
יוּמַ֥ת
(yumat)
zal gedood worden
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
כִּ֥י
(ki)
want
הַיּ֛וֹם
(hayom)
vandaag
עָשָֽׂה
(asa)
heeft gedaan
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
תְּשׁוּעָ֖ה
(teshua)
redding
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het koningschap in Gilgal vernieuwd

14Samuël zei tegen het volk: „Kom, laten wij naar Gilgal gaan en daar het koningschap vernieuwen.”
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en hij zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tegen
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לְכ֖וּ
(lekhu)
kom
וְנֵלְכָ֣ה
(venelekha)
en laten wij gaan
הַגִּלְגָּ֑ל
(hagilgal)
naar Gilgal
וּנְחַדֵּ֥שׁ
(unechadesh)
en laten wij vernieuwen
שָׁ֖ם
(sham)
daar
הַמְּלוּכָֽה
(hamelukha)
het koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gilgal ligt bij Jericho (Westelijke Jordaanoever).

Uitleg

חָדַשׁ (chadash), ‘vernieuwen’: het koningschap van Saul wordt hier voor het hele volk bevestigd.

15Heel het volk ging naar Gilgal. Daar maakten zij Saul voor het aangezicht van Yahweh tot koning, in Gilgal. Zij slachtten daar vredeoffers voor het aangezicht van Yahweh. Saul en alle mannen van Israël waren daar zeer verheugd.
וַיֵּלְכ֨וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
כָל
(kal)
heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
הַגִּלְגָּ֗ל
(hagilgal)
naar Gilgal
וַיַּמְלִכוּ֩
(vayamlikhu)
en zij maakten tot koning
שָׁ֨ם
(sham)
daar
אֶת
(et)
(obj.)
שָׁא֜וּל
(shaul)
Saul
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בַּגִּלְגָּ֔ל
(bagilgal)
in Gilgal
וַיִּזְבְּחוּ
(vayizbechu)
en zij slachtten
שָׁ֛ם
(sham)
daar
זְבָחִ֥ים
(zevachim)
slachtoffers
שְׁלָמִ֖ים
(shelamim)
vredeoffers
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיִּשְׂמַ֨ח
(vayismach)
en verheugde zich
שָׁ֥ם
(sham)
daar
שָׁא֛וּל
(shaul)
Saul
וְכָל
(vekhal)
en alle
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
עַד
(ad)
tot
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilgal: Dit Gilgal lag in het Jordaandal, bij Jericho.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

וַיַּמְלִכוּ (vajamlichu), ‘zij maakten tot koning’.

Daarna volgen de offers.

Vergelijk Lev. 3 voor het vredeoffer.