1 Korintiërs 12
De geestelijke gaven: één Geest, vele genadegaven, één lichaam met vele delen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De geestelijke gaven
πνευματικά (pneumatika), ‘geestelijke (dingen/gaven)’: het Griekse woord is een bijvoeglijk naamwoord zonder zelfstandig naamwoord en kan ‘geestelijke gaven’ of ‘geestelijke mensen’ betekenen; wij vullen ‘gaven’ aan, naar de verzen 4–11. ἀγνοέω (agnoeo), ‘onwetend zijn’. ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: het Griekse woord omvat ook de zusters in de gemeente; zie 1 Kor. 1:10.
Zie ook 1 Kor. 14:1.
ἔθνη (ethne), ‘volken’: de niet-Joden. ἄφωνος (afonos), ‘stom, zonder stem’. ἀπάγω (apago), ‘meevoeren, wegleiden’. ὡς ἄν (hos an) ἤγεσθε, ‘zoals jullie werden geleid’: het Grieks wijst op steeds terugkerend meegevoerd worden; de zin is kort en niet geheel duidelijk.
Dat afgoden stom zijn, staat ook in het Oude Testament.
Zie ook Hab. 2:18; Ps. 115:5; Ps. 135:16.
ἀνάθεμα (anathema), ‘vervloekt’: iets of iemand dat aan een ban is overgegeven; zie Gal. 1:8–9. Κύριος Ἰησοῦς (Kyrios Iesous), ‘Yeshua is Heer’: een belijdenis; ‘Heer’ is de titel van Yeshua. ἐν πνεύματι (en pneumati), ‘in de Geest’: ook ‘door de Geest’.
Het Grieks heeft geen werkwoord ‘is’; wij vullen het aan.
In de verzen 3–6 noemt Paulus de Geest, de Heer en Elohim naast elkaar.
Zie ook Gal. 1:8; Gal. 1:9.
Eén Geest, vele genadegaven
διαίρεσις (diairesis), ‘verscheidenheid’: ook ‘verdeling’. χάρισμα (charisma), ‘genadegave’, van χάρις (charis), ‘genade’: een gave die uit genade wordt gegeven; zie 1 Kor. 1:7.
Verzen 4–6 zijn gebouwd in drie delen: genadegaven – Geest, diensten – Heer, werkingen – Elohim.
Zie ook 1 Kor. 1:7.
διακονία (diakonia), ‘dienst’: dienstverlening; verwant met διάκονος, ‘dienaar’.
‘De Heer’ is Yeshua.
ἐνέργημα (energema), ‘werking’; ἐνεργέω (energeo), ‘werken’.
Het Grieks heeft ‘de zelfde Elohim, die alles in allen werkt’.
φανέρωσις (fanerosis), ‘het zichtbaar worden’: de Geest wordt in een gave openlijk zichtbaar. συμφέρον (sympheron), ‘nut’: wat bijdraagt.
Het Grieks zegt niet ‘tot nut van allen’; vergelijk 1 Kor. 14:12 en 14:26 over opbouw van de gemeente.
Zie ook 1 Kor. 14:12; 1 Kor. 14:26.
λόγος σοφίας (logos sofias), ‘woord van wijsheid’; λόγος γνώσεως (logos gnoseos), ‘woord van kennis’; γνῶσις (gnosis), ‘kennis’.
In de verzen 8–10 wisselt het Grieks tussen ἄλλος (allos) en ἕτερος (heteros), allebei ‘ander’; wij vertalen beide met ‘een ander’.
Zie ook 1 Kor. 1:5.
πίστις (pistis), ‘geloof’: hier een bijzondere gave van vertrouwen; vergelijk 1 Kor. 13:2. ἴαμα (iama), ‘genezing’; het meervoud ‘genezingen’ wijst op verschillende genezingen.
Zie ook 1 Kor. 13:2.
δύναμις (dynamis), ‘kracht’: krachtige daden, wonderen. προφητεία (profeteia), ‘profetie’. διάκρισις (diakrisis), ‘onderscheiding’: het onderscheiden en beoordelen; verwant met διακρίνω in 1 Kor. 11:29 en 14:29. γλῶσσα (glossa), ‘tong, taal’: γένη γλωσσῶν, ‘soorten talen’.
Spreken in talen kan het spreken in menselijke talen zijn of in klanktaal; het Grieks laat dat open. ἑρμηνεία (hermeneia), ‘uitleg’: het weergeven van wat gezegd is.
Zie ook Hand. 2:4; Hand. 10:46; Hand. 19:6; 1 Kor. 14:2–5.
ἰδίᾳ (idia), ‘afzonderlijk’: aan ieder in het bijzonder. βούλομαι (boulomai), ‘willen’: de Geest beslist.
Eén lichaam, vele delen
σῶμα (soma), ‘lichaam’; μέλος (melos), ‘deel’: een deel of lid van het lichaam.
Het Grieks zet de bijzin ‘alle delen van het lichaam … zijn één lichaam’ midden in de vergelijking; wij zetten die erachter.
‘Zo is het ook met de Messias’: Paulus noemt ‘de Messias’ in plaats van ‘het lichaam van de Messias’, zie vers 27.
Zie ook 1 Kor. 10:17.
βαπτίζω (baptizo), ‘dopen’: onderdompelen. ἐν ἑνὶ πνεύματι (en heni pneumati), ‘in één Geest’: ook ‘door één Geest’. ποτίζω (potizo), ‘te drinken geven, drenken’: het Grieks heeft hier ‘één Geest’ zonder voorzetsel; wij schrijven ‘met één Geest’.
Paulus noemt dezelfde groepen als Gal. 3:28: Joden en Grieken, knechten en vrijen. δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’.
Zie ook Gal. 3:27–28.
De verzen 14–26 werken het beeld van het lichaam uit. μέλος blijft ‘deel’.
Het Grieks heeft hier een dubbele ontkenning: ‘daarom is hij niet: niet van het lichaam’.
Dat betekent: hij hoort er daarom toch bij.
Wij schrijven dat zonder dubbele ontkenning.
οὖς (ous), ‘oor’.
Hetzelfde als vers 15: dubbele ontkenning, ‘het is niet: niet van het lichaam’.
ἀκοή (akoe), ‘gehoor’; ὄσφρησις (osfresis), ‘reuk’.
Het Grieks heeft geen werkwoord bij ‘waar’; wij vullen ‘zou zijn’ aan.
τίθημι (tithemi), ‘zetten, plaatsen’: Elohim heeft de delen een plaats gegeven; hetzelfde werkwoord staat in vers 28. ἠθέλησεν (ethelesen), ‘Hij wilde’.
Het Grieks heeft ook hier geen werkwoord bij ‘waar’; wij vullen ‘zou zijn’ aan.
μὲν … δέ (men … de), ‘wel … maar’: de tegenstelling tussen ‘vele delen’ en ‘één lichaam’.
χρεία (chreia), ‘behoefte, nood’.
Het Grieks gebruikt ‘je’ bij de hand (enkelvoud) en ‘jullie’ bij de voeten (meervoud).
ἀσθενής (asthenes), ‘zwak’. ἀναγκαῖος (anankaios), ‘noodzakelijk’. δοκέω (dokeo), ‘schijnen, lijken’.
Het Grieks laat open welke delen worden bedoeld.
ἄτιμος (atimos), ‘minder eervol’; τιμή (time), ‘eer’. ἀσχήμων (aschemon), ‘onfatsoenlijk, onsierlijk’: de delen die men bedekt; εὐσχημοσύνη (euschemosyne), ‘fatsoen’. περιτίθημι (peritithemi), ‘omleggen’: eer als een kleed omleggen.
Het Grieks noemt niet welke delen worden bedoeld; wij laten dat open.
εὐσχήμων (euschemon), ‘fatsoenlijk’. συγκεράννυμι (synkerannymi), ‘samenvoegen, samenmengen’. ὑστερέω (hystereo), ‘tekortkomen’: wat het mist.
σχίσμα (schisma), ‘scheuring’; zie 1 Kor. 1:10 en 11:18. μεριμνάω (merimnao), ‘zorg dragen, bezorgd zijn’.
De zin sluit aan op vers 24 (‘opdat’).
Zie ook 1 Kor. 1:10; 1 Kor. 11:18.
πάσχω (pascho), ‘lijden’; συμπάσχω (sympascho), ‘meelijden’. δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken, eer geven’; verwant met δόξα, ‘heerlijkheid’. συγχαίρω (synchairo), ‘zich meeverheugen’, van χαρά (chara), ‘vreugde’.
Wat Elohim in de gemeente heeft gezet
σῶμα Χριστοῦ (soma Christou), ‘lichaam van de Messias’: het Grieks heeft geen lidwoord; het kan ook ‘een lichaam van de Messias’ betekenen.
Wij schrijven ‘het lichaam van de Messias’. ἐκ μέρους (ek merous), ‘ieder voor zijn deel, afzonderlijk’: ook ‘gedeeltelijk’.
Zie ook 1 Kor. 10:17; 1 Kor. 12:12.
ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’; προφήτης (profetes), ‘profeet’; διδάσκαλος (didaskalos), ‘leraar’.
In de lijst gaat het Grieks na ‘leraren’ over van personen naar gaven (‘krachten’, ‘genadegaven’); wij volgen dat. ἀντίλημψις (antilempsis), ‘hulpverlening’: hulp aan wie zwak is. κυβέρνησις (kybernesis), ‘besturen’: het sturen van een schip, leiding geven. ἔθετο (etheto), ‘zette’, zoals in vers 18.
μή (me) leidt een vraag in waarop het antwoord ‘nee’ is; wij schrijven ‘soms’. δύναμις (dynamis), ‘kracht’: krachtige daden, zie vers 10.
Het Grieks heeft bij ‘krachten’ geen werkwoord; wij vullen ‘hebben’ aan.
Opnieuw leidt μή (me) een vraag in waarop het antwoord ‘nee’ is. γλώσσαις λαλοῦσιν (glossais laloesin), ‘spreken in talen’: zie vers 10. διερμηνεύω (diermeneuo), ‘uitleggen’, verwant met ἑρμηνεία in vers 10.
Ijver voor de grotere genadegaven
ζηλόω (zeloo), ‘ijveren voor, streven naar’: de Griekse vorm kan een bevel (‘wees ijverig’) of een vaststelling (‘jullie zijn ijverig’) zijn; wij nemen het als bevel. μείζων (meizon), ‘groter’. καθ᾽ ὑπερβολήν (kath hyperbolen), ‘in overmaat, die alles overtreft’. ὁδός (hodos), ‘weg’.
Het volgende hoofdstuk, 1 Kor. 13, spreekt over ἀγάπη (agape), ‘liefde’.
Zie ook 1 Kor. 13:1.