Elohim Bijbel

Markus 7

12345678910111213141516

Overlevering en gebod, wat de mens onrein maakt, de vrouw uit Fenicië en de dove man

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De overlevering van de oudsten

1De Farizeeën en enkele schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, verzamelden zich bij Hem.
Καὶ
(Kai)
en
συνάγονται
(synagontai)
verzamelen zich
πρὸς
(pros)
bij
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
καί
(kai)
en
τινες
(tines)
enkele
τῶν
(ton)
van de
γραμματέων
(grammateon)
schriftgeleerden
ἐλθόντες
(elthontes)
gekomen
ἀπὸ
(apo)
van
Ἱεροσολύμων
(Hierosolymon)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Zie ook Matt. 15:1–20.

2Zij zagen dat sommigen van Zijn leerlingen het brood aten met onreine handen, dat wil zeggen ongewassen.
καὶ
(kai)
en
ἰδόντες
(idontes)
ziende
τινὰς
(tinas)
enkele
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὅτι
(hoti)
dat
κοιναῖς
(koinais)
met onreine
χερσίν
(chersin)
handen
τοῦτ’
(tout’)
dit
ἔστιν
(estin)
is
ἀνίπτοις
(aniptois)
ongewassen
ἐσθίουσιν
(esthiousin)
eten
τοὺς
(tous)
de
ἄρτους
(artous)
broden
Bron: SBLGNT
Uitleg

κοινός (koinos), ‘onrein’: letterlijk ‘gewoon, gemeen’.

Het gaat om rituele onreinheid: de handen waren niet gewassen volgens de overlevering.

Dit is een ander woord dan ἀκάθαρτος (akathartos, 7:25), ‘onrein’ bij een geest.

3De Farizeeën en alle Joden eten namelijk niet als zij hun handen niet grondig gewassen hebben. Zo houden zij de overlevering van de oudsten vast.
οἱ
(hoi)
de
γὰρ
(gar)
want
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
alle
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
ἐὰν
(ean)
als
μὴ
(me)
niet
πυγμῇ
(pygme)
grondig
νίψωνται
(nipsontai)
zij wassen
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
οὐκ
(ouk)
niet
ἐσθίουσιν
(esthiousin)
eten
κρατοῦντες
(kratountes)
vasthoudend
τὴν
(ten)
de
παράδοσιν
(paradosin)
overlevering
τῶν
(ton)
van de
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
oudsten
Bron: SBLGNT
Uitleg

πυγμῇ (pygme) is letterlijk ‘met de vuist’.

De betekenis is onzeker; mogelijk gaat het om grondig wassen.

Wij schrijven ‘grondig’.

παράδοσις (paradosis), ‘overlevering’: wat van de ene generatie aan de volgende is doorgegeven.

4En als zij van de markt komen, eten zij niet, tenzij zij zich ondergedompeld hebben. Er zijn nog vele andere dingen die zij overgenomen hebben om vast te houden: het onderdompelen van bekers, kruiken, koperen vaten en ligbanken.
καὶ
(kai)
en
ἀπ’
(ap’)
van
ἀγορᾶς
(agoras)
markt
ἐὰν
(ean)
als
μὴ
(me)
niet
βαπτίσωνται
(baptisontai)
zij zich onderdompelen
οὐκ
(ouk)
niet
ἐσθίουσιν
(esthiousin)
eten
καὶ
(kai)
en
ἄλλα
(alla)
andere
πολλά
(polla)
vele
ἐστιν
(estin)
zijn
ἃ
(ha)
die
παρέλαβον
(parelabon)
zij overnamen
κρατεῖν
(kratein)
vast te houden
βαπτισμοὺς
(baptismous)
onderdompelingen
ποτηρίων
(poterion)
van bekers
καὶ
(kai)
en
ξεστῶν
(xeston)
kruiken
καὶ
(kai)
en
χαλκίων
(chalkion)
koperen vaten
καὶ
(kai)
en
κλινῶν
(klinon)
ligbanken
Bron: SBLGNT
Uitleg

βαπτίζω (baptizo), ‘onderdompelen’: hetzelfde woord als ‘dopen’. ξέστης (xestes), ‘kruik’, is een Latijns leenwoord; χαλκίον (chalkion) is een koperen vat.

5De Farizeeën en schriftgeleerden vroegen Hem: „Waarom leven Uw leerlingen niet volgens de overlevering van de oudsten, maar eten zij het brood met onreine handen?”
καὶ
(kai)
en
ἐπερωτῶσιν
(eperotosin)
ondervragen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
Διὰ
(Dia)
om
τί
(ti)
wat
οὐ
(ou)
niet
περιπατοῦσιν
(peripatousin)
wandelen
οἱ
(hoi)
de
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
σου
(sou)
Uw
κατὰ
(kata)
volgens
τὴν
(ten)
de
παράδοσιν
(paradosin)
overlevering
τῶν
(ton)
van de
πρεσβυτέρων
(presbyteron)
oudsten
ἀλλὰ
(alla)
maar
κοιναῖς
(koinais)
met onreine
χερσὶν
(chersin)
handen
ἐσθίουσιν
(esthiousin)
eten
τὸν
(ton)
het
ἄρτον
(arton)
brood
Bron: SBLGNT
6Hij zei tegen hen: „Terecht heeft Jesaja over jullie, huichelaars, geprofeteerd. Zo staat geschreven: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij verwijderd.
ὁ
(ho)
Hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Καλῶς
(Kalos)
terecht
ἐπροφήτευσεν
(epropheteusen)
profeteerde
Ἠσαΐας
(Esaias)
Jesaja
περὶ
(peri)
over
ὑμῶν
(hymon)
jullie
τῶν
(ton)
de
ὑποκριτῶν
(hypokriton)
huichelaars
ὡς
(hos)
zoals
γέγραπται
(gegraptai)
er staat geschreven
ὅτι
(hoti)
dat
Οὗτος
(Houtos)
dit
ὁ
(ho)
het
λαὸς
(laos)
volk
τοῖς
(tois)
met de
χείλεσίν
(cheilesin)
lippen
με
(me)
Mij
τιμᾷ
(tima)
eert
ἡ
(he)
het
δὲ
(de)
maar
καρδία
(kardia)
hart
αὐτῶν
(auton)
hun
πόρρω
(porro)
ver
ἀπέχει
(apechei)
houdt afstand
ἀπ’
(ap’)
van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὑποκριτής (hypokrites), ‘huichelaar’: letterlijk iemand die een rol speelt.

7Tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn.’
μάτην
(maten)
tevergeefs
δὲ
(de)
maar
σέβονταί
(sebontai)
vereren zij
με
(me)
Mij
διδάσκοντες
(didaskontes)
onderwijzend
διδασκαλίας
(didaskalias)
leringen
ἐντάλματα
(entalmata)
geboden
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het citaat is Jes. 29:13.

Het Hebreeuws heeft ‘en hun ontzag voor Mij is een aangeleerd gebod van mensen geworden’; de Griekse tekst heeft ‘tevergeefs vereren zij Mij, terwijl zij leringen onderwijzen die geboden van mensen zijn’.

Zie ookJes 29:13
8Jullie laten het gebod van Elohim los en houden de overlevering van mensen vast.”
ἀφέντες
(aphentes)
loslatend
τὴν
(ten)
de
ἐντολὴν
(entolen)
gebod
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
κρατεῖτε
(krateite)
jullie houden vast
τὴν
(ten)
de
παράδοσιν
(paradosin)
overlevering
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
Bron: SBLGNT
9Hij zei ook tegen hen: „Mooi zetten jullie het gebod van Elohim opzij, om jullie overlevering te bewaren!
Καὶ
(Kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Καλῶς
(Kalos)
mooi
ἀθετεῖτε
(atheteite)
jullie zetten opzij
τὴν
(ten)
de
ἐντολὴν
(entolen)
gebod
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἵνα
(hina)
opdat
τὴν
(ten)
de
παράδοσιν
(paradosin)
overlevering
ὑμῶν
(hymon)
jullie
τηρήσητε
(teresete)
jullie bewaren
Bron: SBLGNT
10Want Mozes heeft gezegd: ‘Eer je vader en je moeder.’ En: ‘Wie kwaad spreekt over vader of moeder, moet zeker sterven.’
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
γὰρ
(gar)
want
εἶπεν
(eipen)
zei
Τίμα
(Tima)
eer
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
σου
(sou)
je
καί
(kai)
en
Ὁ
(Ho)
de
κακολογῶν
(kakologon)
kwaad sprekende
πατέρα
(patera)
vader
ἢ
(e)
of
μητέρα
(metera)
moeder
θανάτῳ
(thanato)
met de dood
τελευτάτω
(teleutato)
laat hij sterven
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het eerste citaat is Exod. 20:12 (ook Deut. 5:16), het tweede Exod. 21:17 (ook Lev. 20:9). κακολογέω (kakologeo), ‘kwaad spreken over’, geeft het Hebreeuwse מְקַלֵּל (meqallel), ‘wie vervloekt’, weer.

Het Hebreeuws heeft ‘moet zeker gedood worden’; de Griekse tekst heeft θανάτῳ τελευτάτω (thanato teleutato), letterlijk ‘laat hij de dood sterven’.

11Maar jullie zeggen: ‘Als iemand tegen zijn vader of moeder zegt: „Wat je van mij als hulp had kunnen krijgen, is Korban — dat is: een offergave —”
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
δὲ
(de)
maar
λέγετε
(legete)
zeggen
Ἐὰν
(Ean)
als
εἴπῃ
(eipe)
zegt
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
τῷ
(to)
aan de
πατρὶ
(patri)
vader
ἢ
(e)
of
τῇ
(te)
aan de
μητρί
(metri)
moeder
Κορβᾶν
(Korban)
Korban
ὅ
(ho)
wat
ἐστιν
(estin)
is
Δῶρον
(Doron)
offergave
ὃ
(ho)
wat
ἐὰν
(ean)
ooit
ἐξ
(ex)
van
ἐμοῦ
(emou)
mij
ὠφεληθῇς
(ophelethes)
je geholpen wordt
Bron: SBLGNT
Uitleg

Κορβᾶν (korban) is een Hebreeuws woord: קָרְבָּן (qorban), ‘offergave’ (Lev. 1:2).

Markus legt het uit met δῶρον (doron), ‘gave’; wij schrijven ‘offergave’, zoals in Matt. 15:5.

Wie zijn bezit zo noemt, zegt dat het aan Elohim is gewijd en dus niet meer voor zijn ouders beschikbaar is.

Het Grieks heeft geen werkwoord bij ‘Korban’; wij vullen ‘is’ aan en zetten de zin om. De zin loopt door in vers 12.

Zie ook Matt. 15:3–6.

12dan laten jullie hem niets meer voor zijn vader of moeder doen.’
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
ἀφίετε
(aphiete)
jullie laten toe
αὐτὸν
(auton)
hem
οὐδὲν
(ouden)
niets
ποιῆσαι
(poiesai)
te doen
τῷ
(to)
voor de
πατρὶ
(patri)
vader
ἢ
(e)
of
τῇ
(te)
voor de
μητρί
(metri)
moeder
Bron: SBLGNT
13Zo maken jullie het woord van Elohim krachteloos door jullie overlevering, die jullie doorgegeven hebben. En vele dergelijke dingen doen jullie.”
ἀκυροῦντες
(akyrountes)
krachteloos makend
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
τῇ
(te)
door de
παραδόσει
(paradosei)
overlevering
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ᾗ
(he)
die
παρεδώκατε
(paredokate)
jullie doorgaven
καὶ
(kai)
en
παρόμοια
(paromoia)
gelijksoortige
τοιαῦτα
(toiauta)
zulke
πολλὰ
(polla)
veel
ποιεῖτε
(poieite)
jullie doen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀκυρόω (akyroo), ‘krachteloos maken’: het gezag ontnemen.

Wat de mens onrein maakt

14Hij riep de menigte weer bij Zich en zei tegen hen: „Luister allen naar Mij en zie het in.
Καὶ
(Kai)
en
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
bij zich roepend
πάλιν
(palin)
opnieuw
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Ἀκούσατέ
(Akousate)
luister
μου
(mou)
naar Mij
πάντες
(pantes)
allen
καὶ
(kai)
en
σύνετε
(synete)
zie het in
Bron: SBLGNT
15Er is niets buiten de mens dat in hem binnengaat en hem onrein kan maken. Maar wat uit de mens uitgaat, dat maakt de mens onrein.”
οὐδέν
(ouden)
niets
ἐστιν
(estin)
is
ἔξωθεν
(exothen)
buiten
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
εἰσπορευόμενον
(eisporeuomenon)
binnengaand
εἰς
(eis)
in
αὐτὸν
(auton)
hem
ὃ
(ho)
wat
δύναται
(dynatai)
kan
κοινῶσαι
(koinosai)
onrein maken
αὐτόν
(auton)
hem
ἀλλὰ
(alla)
maar
τὰ
(ta)
de
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐκπορευόμενά
(ekporeuomena)
uitgaande
ἐστιν
(estin)
is
τὰ
(ta)
de
κοινοῦντα
(koinounta)
onrein makende
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

κοινόω (koinoo), ‘onrein maken’: letterlijk ‘gewoon, gemeen maken’.

Het gaat om rituele onreinheid.

Zie ook Matt. 15:10–11.

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet.

17Toen Hij het huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen Zijn leerlingen Hem naar de gelijkenis.
Καὶ
(Kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
εἰσῆλθεν
(eiselthen)
Hij binnenging
εἰς
(eis)
in
οἶκον
(oikon)
huis
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
ἐπηρώτων
(eperoton)
ondervroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
τὴν
(ten)
de
παραβολήν
(parabolen)
gelijkenis
Bron: SBLGNT
Uitleg

παραβολή (parabole), ‘gelijkenis’: hier het korte beeldwoord uit vers 15.

Zie ook Matt. 15:15–20.

18Hij zei tegen hen: „Zijn ook jullie zo zonder inzicht? Begrijpen jullie niet dat alles wat van buiten in de mens binnengaat, hem niet onrein kan maken?
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Οὕτως
(Houtos)
zo
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἀσύνετοί
(asynetoi)
zonder inzicht
ἐστε
(este)
zijn
οὐ
(ou)
niet
νοεῖτε
(noeite)
begrijpen jullie
ὅτι
(hoti)
dat
πᾶν
(pan)
al
τὸ
(to)
het
ἔξωθεν
(exothen)
buiten
εἰσπορευόμενον
(eisporeuomenon)
binnengaande
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
οὐ
(ou)
niet
δύναται
(dynatai)
kan
αὐτὸν
(auton)
hem
κοινῶσαι
(koinosai)
onrein maken
Bron: SBLGNT
19Want het gaat niet in zijn hart binnen, maar in de buik, en het komt in de beerput terecht.” Zo maakte Hij alle voedsel rein.
ὅτι
(hoti)
want
οὐκ
(ouk)
niet
εἰσπορεύεται
(eisporeuetai)
gaat binnen
αὐτοῦ
(autou)
zijn
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
καρδίαν
(kardian)
hart
ἀλλ’
(all’)
maar
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
κοιλίαν
(koilian)
buik
καὶ
(kai)
en
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
ἀφεδρῶνα
(aphedrona)
beerput
ἐκπορεύεται
(ekporeuetai)
gaat uit
καθαρίζων
(katharizon)
rein makend
πάντα
(panta)
alle
τὰ
(ta)
de
βρώματα
(bromata)
spijzen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀφεδρών (aphedron), ‘beerput’: de plaats waar uitwerpselen worden gebracht, het toilet.

καθαρίζων (katharizon), ‘rein makend’: Markus verklaart wat Yeshua’s woorden betekenen. De wet maakt onderscheid tussen rein en onrein voedsel (Lev. 11); hier gaat het om voedsel dat de mens niet onrein maakt.

Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat een andere uitgang (καθαρίζον), waardoor het woord bij ‘de beerput’ hoort, die ‘alle voedsel rein maakt’.

De SBLGNT heeft καθαρίζων, dat bij Yeshua hoort.

20Hij zei ook: „Wat uit de mens uitgaat, dat maakt de mens onrein.
ἔλεγεν
(elegen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὅτι
(hoti)
dat
Τὸ
(To)
het
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
ἐκπορευόμενον
(ekporeuomenon)
uitgaande
ἐκεῖνο
(ekeino)
dat
κοινοῖ
(koinoi)
maakt onrein
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
Bron: SBLGNT
21Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen de kwade gedachten voort: ontucht, diefstallen, moorden,
ἔσωθεν
(esothen)
van binnen
γὰρ
(gar)
want
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
het
καρδίας
(kardias)
hart
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
οἱ
(hoi)
de
διαλογισμοὶ
(dialogismoi)
gedachten
οἱ
(hoi)
de
κακοὶ
(kakoi)
kwade
ἐκπορεύονται
(ekporeuontai)
komen voort
πορνεῖαι
(porneiai)
ontuchten
κλοπαί
(klopai)
diefstallen
φόνοι
(phonoi)
moorden
Bron: SBLGNT
Uitleg

πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele omgang buiten het huwelijk. μοιχεία (moicheia) is ‘overspel’.

22overspel, hebzucht, boosheid, bedrog, losbandigheid, een boos oog, lastering, hoogmoed, dwaasheid.
μοιχεῖαι
(moicheiai)
overspelen
πλεονεξίαι
(pleonexiai)
hebzuchten
πονηρίαι
(poneriai)
boosheden
δόλος
(dolos)
bedrog
ἀσέλγεια
(aselgeia)
losbandigheid
ὀφθαλμὸς
(ophthalmos)
oog
πονηρός
(poneros)
boos
βλασφημία
(blasphemia)
lastering
ὑπερηφανία
(hyperephania)
hoogmoed
ἀφροσύνη
(aphrosyne)
dwaasheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὀφθαλμὸς πονηρός (ophthalmos poneros), ‘een boos oog’: een Hebreeuwse uitdrukking voor afgunst of gierigheid; vergelijk Spr. 23:6 (‘iemand met een boos oog’) en Deut. 15:9.

23Al deze slechte dingen komen van binnenuit en maken de mens onrein.”
πάντα
(panta)
alle
ταῦτα
(tauta)
deze
τὰ
(ta)
de
πονηρὰ
(ponera)
slechte
ἔσωθεν
(esothen)
van binnen
ἐκπορεύεται
(ekporeuetai)
gaat uit
καὶ
(kai)
en
κοινοῖ
(koinoi)
maakt onrein
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
mens
Bron: SBLGNT

Een vrouw in het gebied van Tyrus

24Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Tyrus. Hij ging een huis binnen en wilde niet dat iemand het wist, maar Hij kon niet verborgen blijven.
Ἐκεῖθεν
(Ekeithen)
vandaar
δὲ
(de)
maar
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
de
ὅρια
(horia)
gebieden
Τύρου
(Tyrou)
van Tyrus
καὶ
(kai)
en
εἰσελθὼν
(eiselthon)
binnengegaan
εἰς
(eis)
in
οἰκίαν
(oikian)
huis
οὐδένα
(oudena)
niemand
ἤθελεν
(ethelen)
wilde
γνῶναι
(gnonai)
weten
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἠδυνήθη
(edynethe)
kon
λαθεῖν
(lathein)
verborgen blijven
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Uitleg

Zie ook Matt. 15:21–28.

25Maar meteen hoorde een vrouw over Hem. Haar dochtertje had een onreine geest. Zij kwam en viel aan Zijn voeten neer.
ἀλλ’
(all’)
maar
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἀκούσασα
(akousasa)
gehoord hebbend
γυνὴ
(gyne)
vrouw
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ἧς
(hes)
van wie
εἶχεν
(eichen)
had
τὸ
(to)
het
θυγάτριον
(thygatrion)
dochtertje
αὐτῆς
(autes)
haar
πνεῦμα
(pneuma)
geest
ἀκάθαρτον
(akatharton)
onrein
ἐλθοῦσα
(elthousa)
gekomen
προσέπεσεν
(prosepesen)
viel neer
πρὸς
(pros)
bij
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
26De vrouw was een Griekse, een Syro-Fenicische van afkomst. Zij vroeg Hem de demon uit haar dochter uit te drijven.
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
γυνὴ
(gyne)
vrouw
ἦν
(en)
was
Ἑλληνίς
(Hellenis)
Griekse
Συροφοινίκισσα
(Syrophoinikissa)
Syro-Fenicische
τῷ
(to)
van het
γένει
(genei)
geslacht
καὶ
(kai)
en
ἠρώτα
(erota)
vroeg
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἵνα
(hina)
opdat
τὸ
(to)
de
δαιμόνιον
(daimonion)
demon
ἐκβάλῃ
(ekbale)
Hij uitdrijft
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
θυγατρὸς
(thygatros)
dochter
αὐτῆς
(autes)
haar
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Syro-Fenicië (kuststreek van Tyrus en Sidon): Syro-Fenicië is de kuststreek rond Tyrus en Sidon, in het huidige Libanon.

De vrouw uit Markus 7:26 kwam uit dit gebied.

Uitleg

Ἑλληνίς (Hellenis), ‘Griekse’: een vrouw van niet-Joodse, Griekse cultuur en taal. Συροφοινίκισσα (Syrophoinikissa), ‘Syro-Fenicische’: uit de kuststreek rond Tyrus en Sidon, Fenicië, dat bij de Romeinse provincie Syrië hoorde.

27Hij zei tegen haar: „Laat eerst de kinderen verzadigd worden. Want het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en aan de hondjes te gooien.”
καὶ
(kai)
en
ἔλεγεν
(elegen)
zei
αὐτῇ
(aute)
haar
Ἄφες
(Aphes)
laat
πρῶτον
(proton)
eerst
χορτασθῆναι
(chortasthenai)
verzadigd te worden
τὰ
(ta)
de
τέκνα
(tekna)
kinderen
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
καλόν
(kalon)
goed
ἐστιν
(estin)
is
λαβεῖν
(labein)
te nemen
τὸν
(ton)
het
ἄρτον
(arton)
brood
τῶν
(ton)
van de
τέκνων
(teknon)
kinderen
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
aan de
κυναρίοις
(kynariois)
hondjes
βαλεῖν
(balein)
te gooien
Bron: SBLGNT
Uitleg

κυνάριον (kynarion), ‘hondje’: een verkleinwoord van κύων (kyon), ‘hond’. βαλεῖν (balein) is letterlijk ‘werpen’; wij schrijven ‘gooien’, zoals in Matt. 15:26.

Zie ookMat 15:26
28Zij antwoordde en zei tegen Hem: „Heer, ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen.”
ἡ
(he)
de
δὲ
(de)
maar
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
Hem
Κύριε
(Kyrie)
Heer
καὶ
(kai)
ook
τὰ
(ta)
de
κυνάρια
(kynaria)
hondjes
ὑποκάτω
(hypokato)
onder
τῆς
(tes)
de
τραπέζης
(trapezes)
tafel
ἐσθίουσιν
(esthiousin)
eten
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ψιχίων
(psichion)
kruimels
τῶν
(ton)
van de
παιδίων
(paidion)
kinderen
Bron: SBLGNT
29Hij zei tegen haar: „Om dit woord: ga heen. De demon is uit je dochter gegaan.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῇ
(aute)
haar
Διὰ
(Dia)
vanwege
τοῦτον
(touton)
dit
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
ὕπαγε
(hypage)
ga
ἐξελήλυθεν
(exelelythen)
is uitgegaan
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
θυγατρός
(thygatros)
dochter
σου
(sou)
je
τὸ
(to)
de
δαιμόνιον
(daimonion)
demon
Bron: SBLGNT
30Zij ging naar haar huis en vond het kind op het bed liggen, en de demon was uitgegaan.
καὶ
(kai)
en
ἀπελθοῦσα
(apelthousa)
weggegaan
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
αὐτῆς
(autes)
haar
εὗρεν
(heuren)
vond
τὸ
(to)
het
παιδίον
(paidion)
kind
βεβλημένον
(beblemenon)
liggend
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
het
κλίνην
(klinen)
bed
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
δαιμόνιον
(daimonion)
demon
ἐξεληλυθός
(exelelythos)
uitgegaan
Bron: SBLGNT

Yeshua geneest een dove man

31Hij vertrok weer uit het gebied van Tyrus en kwam via Sidon naar de zee van Galilea, midden door het gebied van de Decapolis.
Καὶ
(Kai)
en
πάλιν
(palin)
opnieuw
ἐξελθὼν
(exelthon)
uitgegaan
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ὁρίων
(horion)
gebieden
Τύρου
(Tyrou)
van Tyrus
ἦλθεν
(elthen)
kwam
διὰ
(dia)
via
Σιδῶνος
(Sidonos)
Sidon
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
ἀνὰ
(ana)
door
μέσον
(meson)
midden
τῶν
(ton)
van de
ὁρίων
(horion)
gebieden
Δεκαπόλεως
(Dekapoleos)
van Decapolis
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Sidon: Sidon ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Zie Decapolis (ligging onzeker): De Decapolis (‘tien steden’) was een groep Griekse steden, grotendeels ten oosten van de Jordaan en het meer van Galilea, nu in Jordanië, Syrië en Israël.

De omvang is niet exact vast te stellen.

Uitleg

θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het meer van Galilea. Δεκάπολις (Dekapolis), ‘Decapolis’: zie 5:20.

De tekst noemt de route via Sidon naar het meer.

Zie ook Matt. 15:29–31.

32Zij brachten een dove die moeilijk sprak bij Hem, en smeekten Hem hem de hand op te leggen.
καὶ
(kai)
en
φέρουσιν
(pherousin)
brengen
αὐτῷ
(auto)
Hem
κωφὸν
(kophon)
dove
καὶ
(kai)
en
μογιλάλον
(mogilalon)
moeilijk sprekende
καὶ
(kai)
en
παρακαλοῦσιν
(parakalousin)
smeken
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἵνα
(hina)
opdat
ἐπιθῇ
(epithe)
Hij legt
αὐτῷ
(auto)
hem
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
Bron: SBLGNT
Uitleg

κωφός (kophos) is ‘doof’, maar het woord kan ook ‘stom’ betekenen. μογιλάλος (mogilalos), ‘moeilijk sprekend’: iemand die slecht of nauwelijks kan spreken.

Vergelijk Jes. 35:5–6.

33Hij nam hem apart van de menigte, stak Zijn vingers in zijn oren, spuugde en raakte zijn tong aan.
καὶ
(kai)
en
ἀπολαβόμενος
(apolabomenos)
apart genomen hebbend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
ὄχλου
(ochlou)
menigte
κατ’
(kat’)
in
ἰδίαν
(idian)
afzondering
ἔβαλεν
(ebalen)
stak
τοὺς
(tous)
de
δακτύλους
(daktylous)
vingers
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
εἰς
(eis)
in
τὰ
(ta)
de
ὦτα
(ota)
oren
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
πτύσας
(ptysas)
gespuugd hebbend
ἥψατο
(hepsato)
raakte aan
τῆς
(tes)
de
γλώσσης
(glosses)
tong
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
34Hij keek op naar de hemel, zuchtte en zei tegen hem: „Effata”, dat is: „Word geopend.”
καὶ
(kai)
en
ἀναβλέψας
(anablepsas)
opkijkend
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
οὐρανὸν
(ouranon)
hemel
ἐστέναξεν
(estenaxen)
zuchtte
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Εφφαθα
(Ephphatha)
Effata
ὅ
(ho)
wat
ἐστιν
(estin)
is
Διανοίχθητι
(Dianoichtheti)
word geopend
Bron: SBLGNT
Uitleg

Εφφαθα (ephphatha, in de spelling van de Griekse tekst) is Aramees (niet Hebreeuws): ‘word geopend’.

Markus vertaalt het zelf.

Wij schrijven ‘Effata’.

στενάζω (stenazo), ‘zuchten’: diep zuchten of kermen.

35Zijn oren werden geopend, de band van zijn tong werd losgemaakt en hij sprak duidelijk.
καὶ
(kai)
en
ἠνοίγησαν
(enoigesan)
werden geopend
αὐτοῦ
(autou)
zijn
αἱ
(hai)
de
ἀκοαί
(akoai)
oren
καὶ
(kai)
en
ἐλύθη
(elythe)
werd losgemaakt
ὁ
(ho)
de
δεσμὸς
(desmos)
band
τῆς
(tes)
van de
γλώσσης
(glosses)
tong
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
ἐλάλει
(elalei)
sprak
ὀρθῶς
(orthos)
duidelijk
Bron: SBLGNT
36Hij gaf hun de strenge opdracht het aan niemand te vertellen. Maar hoe strenger Hij het hun opdroeg, hoe meer zij het verkondigden.
καὶ
(kai)
en
διεστείλατο
(diesteilato)
gaf strenge opdracht
αὐτοῖς
(autois)
hun
ἵνα
(hina)
opdat
μηδενὶ
(medeni)
aan niemand
λέγωσιν
(legosin)
zij zeggen
ὅσον
(hoson)
hoezeer
δὲ
(de)
maar
αὐτοῖς
(autois)
hun
διεστέλλετο
(diestelleto)
Hij verbood
αὐτοὶ
(autoi)
zij
μᾶλλον
(mallon)
meer
περισσότερον
(perissoteron)
overvloediger
ἐκήρυσσον
(ekerysson)
verkondigden
Bron: SBLGNT
37Zij stonden buiten zichzelf van verbazing en zeiden: „Alles heeft Hij goed gedaan! Hij maakt ook dat doven horen en stommen spreken.”
καὶ
(kai)
en
ὑπερπερισσῶς
(hyperperissos)
uitermate
ἐξεπλήσσοντο
(exeplessonto)
stonden versteld
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Καλῶς
(Kalos)
goed
πάντα
(panta)
alles
πεποίηκεν
(pepoieken)
heeft gedaan
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
κωφοὺς
(kophous)
doven
ποιεῖ
(poiei)
maakt
ἀκούειν
(akouein)
te horen
καὶ
(kai)
en
ἀλάλους
(alalous)
stommen
λαλεῖν
(lalein)
te spreken
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk Jes. 35:5–6: dan worden de oren van doven geopend en jubelt de tong van de stomme.