Elohim Bijbel

Johannes 9

123456789101112131415161718192021

De genezing van een man die blind geboren was, en de blindheid van de Farizeeën

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua geneest een man die blind geboren is

1Terwijl Hij verderging, zag Hij een man die blind was vanaf zijn geboorte.
Καὶ
(Kai)
en
παράγων
(paragon)
verdergaand
εἶδεν
(eiden)
zag Hij
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
τυφλὸν
(typhlon)
blind
ἐκ
(ek)
uit
γενετῆς
(genetes)
geboorte
Bron: SBLGNT
2Zijn leerlingen vroegen Hem: „Rabbi, wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders, zodat hij blind geboren werd?”
καὶ
(kai)
en
ἠρώτησαν
(erotesan)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Ῥαββί
(Rhabbi)
rabbi
τίς
(tis)
wie
ἥμαρτεν
(hemarten)
zondigde
οὗτος
(houtos)
deze
ἢ
(e)
of
οἱ
(hoi)
de
γονεῖς
(goneis)
ouders
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἵνα
(hina)
opdat
τυφλὸς
(typhlos)
blind
γεννηθῇ
(gennethe)
hij geboren werd
Bron: SBLGNT
Uitleg

ῥαββί (rhabbi), ‘rabbi’: een Hebreeuws-Aramees woord, letterlijk ‘mijn grote’, als aanspreking van een leraar; zie ook Matt. 23:7–8.

De leerlingen veronderstellen dat blindheid met zonde te maken heeft; vergelijk Exod. 20:5 en Ezech. 18:20.

3Yeshua antwoordde: „Noch hij heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar opdat de werken van Elohim in hem openbaar worden.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Οὔτε
(Oute)
noch
οὗτος
(houtos)
deze
ἥμαρτεν
(hemarten)
zondigde
οὔτε
(oute)
noch
οἱ
(hoi)
de
γονεῖς
(goneis)
ouders
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἀλλ’
(all’)
maar
ἵνα
(hina)
opdat
φανερωθῇ
(phanerothe)
openbaar wordt
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
ἐν
(en)
in
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

φανερόω (phaneroo), ‘openbaren’: zie ook 7:4.

Vóór ‘maar opdat …’ ontbreekt in het Grieks een werkwoord (‘maar [dit is zo] opdat …’); wij laten dat zo staan.

4Wij moeten de werken verrichten van Hem die Mij gestuurd heeft, zolang het dag is. Er komt een nacht waarin niemand kan werken.
ἡμᾶς
(hemas)
ons
δεῖ
(dei)
het is nodig
ἐργάζεσθαι
(ergazesthai)
verrichten
τὰ
(ta)
de
ἔργα
(erga)
werken
τοῦ
(tou)
van Hem
πέμψαντός
(pempsantos)
die gestuurd heeft
με
(me)
Mij
ἕως
(heos)
zolang
ἡμέρα
(hemera)
dag
ἐστίν
(estin)
het is
ἔρχεται
(erchetai)
komt
νὺξ
(nyx)
nacht
ὅτε
(hote)
wanneer
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
δύναται
(dynatai)
kan
ἐργάζεσθαι
(ergazesthai)
werken
Bron: SBLGNT
Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat ‘Ik moet’ (ἐμὲ δεῖ) in plaats van ‘wij moeten’ (ἡμᾶς δεῖ).

5Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld.”
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
κόσμῳ
(kosmo)
wereld
ὦ
(o)
Ik ben
φῶς
(phos)
licht
εἰμι
(eimi)
ben Ik
τοῦ
(tou)
van de
κόσμου
(kosmou)
wereld
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft hier geen lidwoord bij ‘licht’.

Zie 8:12.

6Toen Hij dit gezegd had, spuugde Hij op de grond, maakte met het speeksel modder en smeerde de modder op zijn ogen.
ταῦτα
(tauta)
dit
εἰπὼν
(eipon)
gezegd hebbend
ἔπτυσεν
(eptysen)
spuugde
χαμαὶ
(chamai)
op de grond
καὶ
(kai)
en
ἐποίησεν
(epoiesen)
maakte
πηλὸν
(pelon)
modder
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
het
πτύσματος
(ptysmatos)
speeksel
καὶ
(kai)
en
ἐπέχρισεν
(epechrisen)
smeerde
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τὸν
(ton)
de
πηλὸν
(pelon)
modder
ἐπὶ
(epi)
op
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμούς
(ophthalmous)
ogen
Bron: SBLGNT
7Hij zei tegen hem: „Ga heen, was je in de vijver van Siloam.” Vertaald betekent dat: „Gestuurde.” De man ging dus heen, waste zich en kwam ziende terug.
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ὕπαγε
(Hypage)
ga heen
νίψαι
(nipsai)
was je
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
κολυμβήθραν
(kolymbethran)
vijver
τοῦ
(tou)
van
Σιλωάμ
(Siloam)
Siloam
ὃ
(ho)
wat
ἑρμηνεύεται
(hermeneuetai)
wordt vertaald
Ἀπεσταλμένος
(Apestalmenos)
Gestuurde
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging heen
οὖν
(oun)
dus
καὶ
(kai)
en
ἐνίψατο
(enipsato)
waste zich
καὶ
(kai)
en
ἦλθεν
(elthen)
kwam
βλέπων
(blepon)
ziende
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Vijver van Siloam: De vijver van Siloam lag in het zuiden van het oude Jeruzalem en kreeg zijn water uit de Gihon door de tunnel van Hizkia.

Uitleg

Σιλωάμ (Siloam) is de Griekse vorm van de Hebreeuwse naam Siloah (שִׁלֹחַ), zie Jes. 8:6.

Johannes verklaart de naam met ἀπεσταλμένος (apestalmenos), ‘gestuurde’; het Hebreeuwse werkwoord שָׁלַח (shalach) betekent ‘sturen’.

Vergelijk 7:29, waar Yeshua zegt dat Hij gezonden is. κολυμβήθρα (kolymbethra), ‘vijver’: zo vertalen wij het ook in 5:2.

Zie ookJes 8:6

De buren ondervragen de man

8De buren en zij die hem eerder als bedelaar gezien hadden, zeiden dus: „Is dit niet degene die zat en bedelde?”
οἱ
(hoi)
de
οὖν
(oun)
dus
γείτονες
(geitones)
buren
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
die
θεωροῦντες
(theorountes)
zagen
αὐτὸν
(auton)
hem
τὸ
(to)
het
πρότερον
(proteron)
eerder
ὅτι
(hoti)
dat
προσαίτης
(prosaites)
bedelaar
ἦν
(en)
hij was
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Οὐχ
(Ouch)
niet
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
καθήμενος
(kathemenos)
zittende
καὶ
(kai)
en
προσαιτῶν
(prosaiton)
bedelende
Bron: SBLGNT
9Sommigen zeiden: „Hij is het.” Anderen zeiden: „Nee, maar hij lijkt op hem.” De man zelf zei: „Ik ben het.”
ἄλλοι
(alloi)
anderen
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ἄλλοι
(alloi)
anderen
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Οὐχί
(Ouchi)
nee
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὅμοιος
(homoios)
gelijkend
αὐτῷ
(auto)
aan hem
ἐστιν
(estin)
hij is
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
ἔλεγεν
(elegen)
zei
ὅτι
(hoti)
dat
Ἐγώ
(Ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐγώ εἰμι (ego eimi), ‘ik ben het’: hier gewoon het antwoord van de man op de vraag of hij het is.

Het heeft niet de zwaardere betekenis van 8:24 en 8:58, waar Yeshua het zonder aanvulling zegt.

10Zij zeiden dus tegen hem: „Hoe zijn je ogen geopend?”
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Πῶς
(Pos)
hoe
ἠνεῴχθησάν
(eneochthesan)
werden geopend
σου
(sou)
je
οἱ
(hoi)
de
ὀφθαλμοί
(ophthalmoi)
ogen
Bron: SBLGNT
11Die antwoordde: „De man die Yeshua genoemd wordt, maakte modder en smeerde die op mijn ogen. Hij zei tegen mij: ‘Ga naar Siloam en was je.’ Toen ik heengegaan was en mij gewassen had, kreeg ik zicht.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
Ὁ
(Ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
ὁ
(ho)
die
λεγόμενος
(legomenos)
genoemd wordt
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πηλὸν
(pelon)
modder
ἐποίησεν
(epoiesen)
maakte
καὶ
(kai)
en
ἐπέχρισέν
(epechrisen)
smeerde
μου
(mou)
mijn
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
καὶ
(kai)
en
εἶπέν
(eipen)
zei
μοι
(moi)
tegen mij
ὅτι
(hoti)
dat
Ὕπαγε
(Hypage)
ga heen
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
de
Σιλωὰμ
(Siloam)
Siloam
καὶ
(kai)
en
νίψαι
(nipsai)
was je
ἀπελθὼν
(apelthon)
heengegaan
οὖν
(oun)
dus
καὶ
(kai)
en
νιψάμενος
(nipsamenos)
gewassen hebbend
ἀνέβλεψα
(aneblepsa)
kreeg ik zicht
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Vijver van Siloam: De vijver van Siloam lag in het zuiden van het oude Jeruzalem en kreeg zijn water uit de Gihon door de tunnel van Hizkia.

Uitleg

ἀναβλέπω (anablepo), ‘zicht krijgen’, letterlijk ‘opkijken’.

Wij vertalen het zo ook in 9:15 en 9:18. βλέπω (blepo) is ‘zien’.

12Zij zeiden tegen hem: „Waar is Hij?” De man zei: „Ik weet het niet.”
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ποῦ
(Pou)
waar
ἐστιν
(estin)
is
ἐκεῖνος
(ekeinos)
Hij
λέγει
(legei)
zegt hij
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἶδα
(oida)
ik weet
Bron: SBLGNT

De Farizeeën ondervragen de man

13Zij brachten de man die eerder blind was naar de Farizeeën.
Ἄγουσιν
(Agousin)
zij brengen
αὐτὸν
(auton)
hem
πρὸς
(pros)
naar
τοὺς
(tous)
de
Φαρισαίους
(Pharisaious)
Farizeeën
τόν
(ton)
de
ποτε
(pote)
eens
τυφλόν
(typhlon)
blinde
Bron: SBLGNT
14Het was sabbat op de dag waarop Yeshua de modder maakte en de ogen van de man opende.
ἦν
(en)
was
δὲ
(de)
maar
σάββατον
(sabbaton)
sabbat
ἐν
(en)
op
ᾗ
(he)
welke
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
τὸν
(ton)
de
πηλὸν
(pelon)
modder
ἐποίησεν
(epoiesen)
maakte
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἀνέῳξεν
(aneoxen)
opende
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμούς
(ophthalmous)
ogen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Werk op sabbat: Exod. 20:10 en Deut. 5:14.

Dat Yeshua op sabbat modder maakt en een blinde geneest, wordt door sommige Farizeeën als overtreding gezien (vers 16).

15Opnieuw vroegen dus ook de Farizeeën hem hoe hij zicht gekregen had. De man zei tegen hen: „Hij legde modder op mijn ogen, ik waste mij en ik zie.”
πάλιν
(palin)
opnieuw
οὖν
(oun)
dus
ἠρώτων
(eroton)
vroegen
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
ook
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
πῶς
(pos)
hoe
ἀνέβλεψεν
(aneblepsen)
hij kreeg zicht
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Πηλὸν
(Pelon)
modder
ἐπέθηκέν
(epetheken)
legde Hij
μου
(mou)
mijn
ἐπὶ
(epi)
op
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμούς
(ophthalmous)
ogen
καὶ
(kai)
en
ἐνιψάμην
(enipsamen)
ik waste mij
καὶ
(kai)
en
βλέπω
(blepo)
ik zie
Bron: SBLGNT
16Sommigen van de Farizeeën zeiden dus: „Deze man is niet van Elohim, want Hij houdt de sabbat niet.” Anderen zeiden: „Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen?” En er was verdeeldheid onder hen.
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
τινές
(tines)
sommigen
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
οὗτος
(houtos)
deze
παρὰ
(para)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
ὅτι
(hoti)
omdat
τὸ
(to)
de
σάββατον
(sabbaton)
sabbat
οὐ
(ou)
niet
τηρεῖ
(terei)
houdt Hij
ἄλλοι
(alloi)
anderen
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
Πῶς
(Pos)
hoe
δύναται
(dynatai)
kan
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
ἁμαρτωλὸς
(hamartolos)
zondig
τοιαῦτα
(toiauta)
zulke
σημεῖα
(semeia)
tekenen
ποιεῖν
(poiein)
doen
καὶ
(kai)
en
σχίσμα
(schisma)
verdeeldheid
ἦν
(en)
was
ἐν
(en)
onder
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

σχίσμα (schisma), ‘verdeeldheid’: zie ook 7:43 en 10:19.

17Zij zeiden dus opnieuw tegen de blinde: „Wat zeg jij over Hem, nu Hij je ogen geopend heeft?” De man zei: „Hij is een profeet.”
λέγουσιν
(legousin)
zeggen zij
οὖν
(oun)
dus
τῷ
(to)
tegen de
τυφλῷ
(typhlo)
blinde
πάλιν
(palin)
opnieuw
Τί
(Ti)
wat
σὺ
(sy)
jij
λέγεις
(legeis)
zeg
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ὅτι
(hoti)
omdat
ἠνέῳξέν
(eneoxen)
opende Hij
σου
(sou)
je
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμούς
(ophthalmous)
ogen
ὁ
(ho)
die
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
ὅτι
(hoti)
dat
Προφήτης
(Prophetes)
profeet
ἐστίν
(estin)
is Hij
Bron: SBLGNT

De ouders worden ondervraagd

18De Joden geloofden dus niet van hem dat hij blind was geweest en zicht had gekregen. Zo bleef het, totdat zij de ouders van hem die zicht gekregen had, hadden geroepen.
Οὐκ
(Ouk)
niet
ἐπίστευσαν
(episteusan)
geloofden
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
hem
ὅτι
(hoti)
dat
ἦν
(en)
hij was
τυφλὸς
(typhlos)
blind
καὶ
(kai)
en
ἀνέβλεψεν
(aneblepsen)
kreeg zicht
ἕως
(heos)
totdat
ὅτου
(hotou)
(totdat)
ἐφώνησαν
(ephonesan)
riepen zij
τοὺς
(tous)
de
γονεῖς
(goneis)
ouders
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τοῦ
(tou)
van de
ἀναβλέψαντος
(anablepsantos)
zicht gekregen hebbende
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἰουδαῖοι (Ioudaioi), ‘Joden’: zie 1:19; hier de leiders, de Farizeeën (vers 13–16).

De ouders zijn bang voor hen (vers 22).

19Zij vroegen hun: „Is dit jullie zoon, van wie jullie zeggen dat hij blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?”
καὶ
(kai)
en
ἠρώτησαν
(erotesan)
vroegen
αὐτοὺς
(autous)
hen
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Οὗτός
(Houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ὃν
(hon)
die
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
λέγετε
(legete)
zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
τυφλὸς
(typhlos)
blind
ἐγεννήθη
(egennethe)
werd geboren
πῶς
(pos)
hoe
οὖν
(oun)
dus
βλέπει
(blepei)
ziet
ἄρτι
(arti)
nu
Bron: SBLGNT
20De ouders antwoordden en zeiden: „Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is.
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
οὖν
(oun)
dus
οἱ
(hoi)
de
γονεῖς
(goneis)
ouders
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Οἴδαμεν
(Oidamen)
wij weten
ὅτι
(hoti)
dat
οὗτός
(houtos)
deze
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
ἡμῶν
(hemon)
onze
καὶ
(kai)
en
ὅτι
(hoti)
dat
τυφλὸς
(typhlos)
blind
ἐγεννήθη
(egennethe)
werd geboren
Bron: SBLGNT
21Maar hoe hij nu ziet, weten wij niet, en wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet. Vraag het hem: hij is oud genoeg, hij zal zelf over zichzelf spreken.”
πῶς
(pos)
hoe
δὲ
(de)
maar
νῦν
(nyn)
nu
βλέπει
(blepei)
ziet hij
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδαμεν
(oidamen)
wij weten
ἢ
(e)
of
τίς
(tis)
wie
ἤνοιξεν
(enoixen)
opende
αὐτοῦ
(autou)
zijn
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδαμεν
(oidamen)
weten
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐρωτήσατε
(erotesate)
vraag
ἡλικίαν
(helikian)
leeftijd
ἔχει
(echei)
heeft hij
αὐτὸς
(autos)
hij zelf
περὶ
(peri)
over
ἑαυτοῦ
(heautou)
zichzelf
λαλήσει
(lalesei)
zal spreken
Bron: SBLGNT
22Dit zeiden de ouders omdat zij bang waren voor de Joden. De Joden waren namelijk al overeengekomen dat wie Hem als Messias zou belijden, uit de synagoge gezet zou worden.
ταῦτα
(tauta)
dit
εἶπαν
(eipan)
zeiden
οἱ
(hoi)
de
γονεῖς
(goneis)
ouders
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ὅτι
(hoti)
omdat
ἐφοβοῦντο
(ephobounto)
waren bang
τοὺς
(tous)
voor de
Ἰουδαίους
(Ioudaious)
Joden
ἤδη
(ede)
al
γὰρ
(gar)
want
συνετέθειντο
(synetetheinto)
waren overeengekomen
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
ἵνα
(hina)
opdat
ἐάν
(ean)
als
τις
(tis)
iemand
αὐτὸν
(auton)
Hem
ὁμολογήσῃ
(homologese)
belijdt
χριστόν
(christon)
Messias
ἀποσυνάγωγος
(aposynagogos)
uit de synagoge
γένηται
(genetai)
zou worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀποσυνάγωγος (aposynagogos), ‘uit de synagoge gezet’: buitengesloten uit de gemeenschap van de synagoge; zie ook 12:42 en 16:2. χριστός (christos), ‘Messias’: zie 1:17 en 7:26.

23Daarom zeiden de ouders: „Vraag het hem: hij is oud genoeg.”
διὰ
(dia)
daarom
τοῦτο
(touto)
dit
οἱ
(hoi)
de
γονεῖς
(goneis)
ouders
αὐτοῦ
(autou)
zijn
εἶπαν
(eipan)
zeiden
ὅτι
(hoti)
dat
Ἡλικίαν
(Helikian)
leeftijd
ἔχει
(echei)
heeft hij
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐπερωτήσατε
(eperotesate)
vraag
Bron: SBLGNT

De man wordt voor de tweede keer ondervraagd

24Zij riepen dus voor de tweede keer de man die blind was geweest en zeiden tegen hem: „Geef eer aan Elohim. Wij weten dat deze man een zondaar is.”
Ἐφώνησαν
(Ephonesan)
riepen zij
οὖν
(oun)
dus
τὸν
(ton)
de
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
ἐκ
(ek)
uit
δευτέρου
(deuterou)
tweede
ὃς
(hos)
die
ἦν
(en)
was
τυφλὸς
(typhlos)
blind
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Δὸς
(Dos)
geef
δόξαν
(doxan)
eer
τῷ
(to)
aan de
θεῷ
(theo)
Elohim
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
οἴδαμεν
(oidamen)
weten
ὅτι
(hoti)
dat
οὗτος
(houtos)
deze
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
ἁμαρτωλός
(hamartolos)
zondaar
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

Δὸς δόξαν τῷ θεῷ (dos doxan to theo), ‘Geef eer aan Elohim’: een vaste formule om iemand op te roepen de waarheid te zeggen; vergelijk Joz. 7:19 (‘geef toch eer aan Yahweh’).

Wij vertalen δόξα hier als ‘eer’, zoals in Joz. 7:19.

In Johannes is δόξα bij Yeshua en Elohim ‘heerlijkheid’; bij waardering door mensen en in deze formule is het ‘eer’ (zie ook 5:41 en 12:43).

Zie ookJoz 7:19
25De man antwoordde: „Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Eén ding weet ik: ik was blind en nu zie ik.”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
οὖν
(oun)
dus
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
Εἰ
(Ei)
of
ἁμαρτωλός
(hamartolos)
zondaar
ἐστιν
(estin)
is Hij
οὐκ
(ouk)
niet
οἶδα
(oida)
weet ik
ἓν
(hen)
één
οἶδα
(oida)
weet ik
ὅτι
(hoti)
dat
τυφλὸς
(typhlos)
blind
ὢν
(on)
zijnde
ἄρτι
(arti)
nu
βλέπω
(blepo)
zie ik
Bron: SBLGNT
26Zij zeiden dus tegen hem: „Wat heeft Hij met je gedaan? Hoe heeft Hij je ogen geopend?”
εἶπον
(eipon)
zeiden
οὖν
(oun)
dus
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Τί
(Ti)
wat
ἐποίησέν
(epoiesen)
deed Hij
σοι
(soi)
aan jou
πῶς
(pos)
hoe
ἤνοιξέν
(enoixen)
opende Hij
σου
(sou)
je
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμούς
(ophthalmous)
ogen
Bron: SBLGNT
27De man antwoordde hun: „Ik heb het jullie al gezegd, en jullie hebben niet geluisterd. Waarom willen jullie het opnieuw horen? Willen ook jullie soms Zijn leerlingen worden?”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
αὐτοῖς
(autois)
hun
Εἶπον
(Eipon)
ik zei
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἤδη
(ede)
al
καὶ
(kai)
en
οὐκ
(ouk)
niet
ἠκούσατε
(ekousate)
jullie luisterden
τί
(ti)
wat
πάλιν
(palin)
opnieuw
θέλετε
(thelete)
willen jullie
ἀκούειν
(akouein)
horen
μὴ
(me)
toch niet
καὶ
(kai)
ook
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
θέλετε
(thelete)
willen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
γενέσθαι
(genesthai)
worden
Bron: SBLGNT
28Zij beschimpten hem en zeiden: „Jij bent een leerling van Hem, maar wij zijn leerlingen van Mozes.
ἐλοιδόρησαν
(eloidoresan)
beschimpten
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
εἶπον
(eipon)
zeiden
Σὺ
(Sy)
jij
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
εἶ
(ei)
bent
ἐκείνου
(ekeinou)
van die
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
δὲ
(de)
maar
τοῦ
(tou)
van
Μωϋσέως
(Moyseos)
Mozes
ἐσμὲν
(esmen)
zijn
μαθηταί
(mathetai)
leerlingen
Bron: SBLGNT
29Wij weten dat Elohim tot Mozes gesproken heeft. Maar van deze man weten wij niet waar Hij vandaan komt.”
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
οἴδαμεν
(oidamen)
weten
ὅτι
(hoti)
dat
Μωϋσεῖ
(Moysei)
tegen Mozes
λελάληκεν
(lelaleken)
heeft gesproken
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
τοῦτον
(touton)
deze
δὲ
(de)
maar
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδαμεν
(oidamen)
weten wij
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἐστίν
(estin)
is Hij
Bron: SBLGNT
Uitleg

Elohim sprak met Mozes: Exod. 33:11 en Num. 12:8.

30De man antwoordde en zei tegen hen: „Want hierin is het wonderlijke: dat jullie niet weten waar Hij vandaan komt. En Hij heeft mijn ogen geopend.
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ὁ
(ho)
de
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἐν
(En)
in
τούτῳ
(touto)
dit
γὰρ
(gar)
want
τὸ
(to)
het
θαυμαστόν
(thaumaston)
wonderlijke
ἐστιν
(estin)
is
ὅτι
(hoti)
dat
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
οὐκ
(ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
weten
πόθεν
(pothen)
vanwaar
ἐστίν
(estin)
Hij is
καὶ
(kai)
en
ἤνοιξέν
(enoixen)
opende Hij
μου
(mou)
mijn
τοὺς
(tous)
de
ὀφθαλμούς
(ophthalmous)
ogen
Bron: SBLGNT
31Wij weten dat Elohim naar zondaars niet luistert. Maar als iemand Elohim eerbiedigt en Zijn wil doet, naar die luistert Hij.
οἴδαμεν
(oidamen)
wij weten
ὅτι
(hoti)
dat
ἁμαρτωλῶν
(hamartolon)
van zondaars
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
οὐκ
(ouk)
niet
ἀκούει
(akouei)
luistert
ἀλλ’
(all’)
maar
ἐάν
(ean)
als
τις
(tis)
iemand
θεοσεβὴς
(theosebes)
Elohim eerbiedigend
ᾖ
(e)
is
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ποιῇ
(poie)
doet
τούτου
(toutou)
naar deze
ἀκούει
(akouei)
luistert Hij
Bron: SBLGNT
Uitleg

θεοσεβής (theosebes), ‘iemand die Elohim eerbiedigt’.

32Van oudsher is niet gehoord dat iemand de ogen geopend heeft van een man die blind geboren was.
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
αἰῶνος
(aionos)
oudsher
οὐκ
(ouk)
niet
ἠκούσθη
(ekousthe)
is gehoord
ὅτι
(hoti)
dat
ἠνέῳξέν
(eneoxen)
opende
τις
(tis)
iemand
ὀφθαλμοὺς
(ophthalmous)
ogen
τυφλοῦ
(typhlou)
van een blinde
γεγεννημένου
(gegennemenou)
geboren zijnde
Bron: SBLGNT
33Als Hij niet van Elohim was, kon Hij niets doen.”
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
ἦν
(en)
was
οὗτος
(houtos)
deze
παρὰ
(para)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
οὐκ
(ouk)
niet
ἠδύνατο
(edynato)
kon
ποιεῖν
(poiein)
doen
οὐδέν
(ouden)
niets
Bron: SBLGNT
34Zij antwoordden en zeiden tegen hem: „Jij bent helemaal in zonden geboren, en jij onderwijst ons?” En zij wierpen hem eruit.
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
καὶ
(kai)
en
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἐν
(En)
in
ἁμαρτίαις
(hamartiais)
zonden
σὺ
(sy)
jij
ἐγεννήθης
(egennethes)
werd geboren
ὅλος
(holos)
geheel
καὶ
(kai)
en
σὺ
(sy)
jij
διδάσκεις
(didaskeis)
onderwijst
ἡμᾶς
(hemas)
ons
καὶ
(kai)
en
ἐξέβαλον
(exebalon)
wierpen
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔξω
(exo)
buiten
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks zegt niet of zij hem uit de synagoge zetten of alleen uit de zaal; vergelijk vers 22.

Zie ookJoh 9:22

Yeshua vindt de man en hij gelooft

35Yeshua hoorde dat zij hem eruit geworpen hadden. Hij vond hem en zei: „Geloof jij in de Mensenzoon?”
Ἤκουσεν
(Ekousen)
hoorde
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
ἐξέβαλον
(exebalon)
wierpen zij
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔξω
(exo)
buiten
καὶ
(kai)
en
εὑρὼν
(heuron)
vindend
αὐτὸν
(auton)
hem
εἶπεν
(eipen)
zei
Σὺ
(Sy)
jij
πιστεύεις
(pisteueis)
gelooft
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
υἱὸν
(huion)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
mens
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘De Mensenzoon’: zie 1:51 en 8:28.

Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat ‘Zoon van Elohim’ in plaats van ‘Mensenzoon’.

36De man antwoordde en zei: „En wie is Hij, Heer, zodat ik in Hem kan geloven?”
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Καὶ
(Kai)
en
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is Hij
κύριε
(kyrie)
Heer
ἵνα
(hina)
opdat
πιστεύσω
(pisteuso)
ik geloof
εἰς
(eis)
in
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

κύριε (kyrie), ‘Heer’: het woord kan ook een beleefde aanspreking zijn (‘meneer’).

Wij schrijven overal ‘Heer’ als aanspreking van Yeshua.

37Yeshua zei tegen hem: „Je hebt Hem gezien, en Hij die met je spreekt, is het.”
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Καὶ
(Kai)
en
ἑώρακας
(heorakas)
heb gezien
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
die
λαλῶν
(lalon)
spreekt
μετὰ
(meta)
met
σοῦ
(sou)
jou
ἐκεῖνός
(ekeinos)
Hij
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
38De man zei: „Ik geloof, Heer.” En hij boog zich voor Hem neer.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἔφη
(ephe)
zei
Πιστεύω
(Pisteuo)
ik geloof
κύριε
(kyrie)
Heer
καὶ
(kai)
en
προσεκύνησεν
(prosekynesen)
boog zich neer
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

προσκυνέω (proskyneo), ‘zich neerbuigen’: zie Matt. 2:2.

Zie ookMat 2:2

Zien en blind zijn

39Yeshua zei: „Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien, en wie zien, blind worden.”
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Εἰς
(Eis)
tot
κρίμα
(krima)
oordeel
ἐγὼ
(ego)
Ik
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
τοῦτον
(touton)
deze
ἦλθον
(elthon)
kwam
ἵνα
(hina)
opdat
οἱ
(hoi)
die
μὴ
(me)
niet
βλέποντες
(blepontes)
zien
βλέπωσιν
(bleposin)
zouden zien
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
die
βλέποντες
(blepontes)
zien
τυφλοὶ
(typhloi)
blind
γένωνται
(genontai)
zouden worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

κρίμα (krima), ‘oordeel’, afgeleid van κρίνω (zie 7:24).

‘Zien’ en ‘blind zijn’ zijn hier ook beeldtaal: wie zeggen niet te zien, krijgen te zien; wie zeggen te zien, worden blind (vergelijk vers 41).

Zie ookJoh 9:41
40Enkele Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tegen Hem: „Wij zijn toch niet ook blind?”
ἤκουσαν
(ekousan)
hoorden
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
Φαρισαίων
(Pharisaion)
Farizeeën
ταῦτα
(tauta)
dit
οἱ
(hoi)
die
μετ’
(met’)
met
αὐτοῦ
(autou)
Hem
ὄντες
(ontes)
zijnde
καὶ
(kai)
en
εἶπον
(eipon)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Μὴ
(Me)
toch niet
καὶ
(kai)
ook
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
τυφλοί
(typhloi)
blind
ἐσμεν
(esmen)
zijn
Bron: SBLGNT
41Yeshua zei tegen hen: „Als jullie blind waren, zouden jullie geen zonde hebben. Maar nu zeggen jullie: ‘Wij zien.’ Jullie zonde blijft.”
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Εἰ
(Ei)
als
τυφλοὶ
(typhloi)
blind
ἦτε
(ete)
jullie waren
οὐκ
(ouk)
niet
ἂν
(an)
zou
εἴχετε
(eichete)
jullie hadden
ἁμαρτίαν
(hamartian)
zonde
νῦν
(nyn)
nu
δὲ
(de)
maar
λέγετε
(legete)
jullie zeggen
ὅτι
(hoti)
dat
Βλέπομεν
(Blepomen)
wij zien
ἡ
(he)
de
ἁμαρτία
(hamartia)
zonde
ὑμῶν
(hymon)
jullie
μένει
(menei)
blijft
Bron: SBLGNT