Elohim Bijbel

Exodus 35

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

De sabbat en de vrijwillige gaven voor het heiligdom

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De sabbat

1Mozes verzamelde heel de gemeenschap van de zonen van Israël en zei tot hen: „Dit zijn de woorden die Yahweh geboden heeft te doen:
וַיַּקְהֵ֣ל
(vayaqhel)
en verzamelde
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֛ת
(adat)
gemeenschap van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֑ם
(alehem)
tot hen
אֵ֚לֶּה
(ele)
dit zijn
הַדְּבָרִ֔ים
(hadevarim)
de woorden
אֲשֶׁר
(asher)
die
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשֹׂ֥ת
(laasot)
om te doen
אֹתָֽם
(otam)
ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Na het gouden kalf (Exod. 32–34) begint Mozes nu met de bouw: eerst de sabbat, dan de bijdragen.

De opbouw volgt de opdracht van Exod. 25–31, in dezelfde volgorde.

2Zes dagen mag werk gedaan worden, maar de zevende dag is voor jullie een heilige dag, een sabbat van volledige rust voor Yahweh; ieder die er werk op doet, moet gedood worden.
שֵׁ֣שֶׁת
(sheshet)
zes
יָמִים֮
(yamim)
dagen
תֵּעָשֶׂ֣ה
(tease)
zal gedaan worden
מְלָאכָה֒
(melakha)
werk
וּבַיּ֣וֹם
(uvayom)
en op de dag
הַשְּׁבִיעִ֗י
(hashevii)
de zevende
יִהְיֶ֨ה
(yihye)
zal zijn
לָכֶ֥ם
(lakhem)
voor jullie
קֹ֛דֶשׁ
(qodesh)
heilig
שַׁבַּ֥ת
(shabat)
sabbat van
שַׁבָּת֖וֹן
(shabaton)
volledige rust
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
voor Yahweh
כָּל
(kal)
ieder
הָעֹשֶׂ֥ה
(haose)
die doet
ב֛וֹ
(bo)
erop
מְלָאכָ֖ה
(melakha)
werk
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De sabbat gaat vóór het werk aan het heiligdom: ook de bouw van de tabernakel mag de sabbat niet verdringen.

Zie Exod. 31:12–17.

3Jullie mogen op de sabbatdag in geen van jullie woonplaatsen vuur aansteken.”
לֹא
(lo)
niet
תְבַעֲר֣וּ
(tevaaru)
zullen jullie aansteken
אֵ֔שׁ
(esh)
vuur
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in alle
מֹשְׁבֹֽתֵיכֶ֑ם
(moshevoteikhem)
jullie woonplaatsen
בְּי֖וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּֽת
(hashabat)
de sabbat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het verbod van vuur aansteken op de sabbat; vergelijk Num. 15:32–36.

De vrijwillige bijdragen

4Mozes zei tot heel de gemeenschap van de zonen van Israël: „Dit is wat Yahweh geboden heeft:
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֥ת
(adat)
gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
om te zeggen
זֶ֣ה
(ze)
dit
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
אֲשֶׁר
(asher)
dat
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Neem uit jullie midden een bijdrage voor Yahweh; ieder wiens hart gewillig is, moet de bijdrage voor Yahweh brengen: goud, zilver en koper,
קְח֨וּ
(qechu)
neem
מֵֽאִתְּכֶ֤ם
(meitekhem)
van jullie
תְּרוּמָה֙
(teruma)
een bijdrage
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
כֹּ֚ל
(kol)
ieder
נְדִ֣יב
(nediv)
gewillige van
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
יְבִיאֶ֕הָ
(yevieha)
laat brengen haar
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
bijdrage van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
זָהָ֥ב
(zahav)
goud
וָכֶ֖סֶף
(vakhesef)
en zilver
וּנְחֹֽשֶׁת
(unechoshet)
en koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְדִיב לֵב (nedib lev), ‘gewillig van hart’, is iemand die uit eigen beweging geeft.

6blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen, fijn linnen en geitenhaar,
וּתְכֵ֧לֶת
(utekhelet)
en blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֛ן
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֥עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֖י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֥שׁ
(veshesh)
en fijn linnen
וְעִזִּֽים
(veizim)
en geitenhaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7roodgeverfde ramsvellen, tachash-huiden en acaciahout,
וְעֹרֹ֨ת
(veorot)
en huiden van
אֵילִ֧ם
(eilim)
rammen
מְאָדָּמִ֛ים
(meadamim)
roodgeverfd
וְעֹרֹ֥ת
(veorot)
en huiden van
תְּחָשִׁ֖ים
(techashim)
tachash
וַעֲצֵ֥י
(vaatsei)
en hout van
שִׂטִּֽים
(sitim)
acacia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8olie voor het licht, specerijen voor de zalfolie en voor de welriekende wierook,
וְשֶׁ֖מֶן
(veshemen)
en olie
לַמָּא֑וֹר
(lamaor)
voor het licht
וּבְשָׂמִים֙
(uvesamim)
en specerijen
לְשֶׁ֣מֶן
(leshemen)
voor olie van
הַמִּשְׁחָ֔ה
(hamishcha)
de zalving
וְלִקְטֹ֖רֶת
(veliqtoret)
en voor wierook van
הַסַּמִּֽים
(hasamim)
de specerijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9onyxstenen en stenen om in te zetten voor de efod en voor de borstplaat.
וְאַ֨בְנֵי
(veavnei)
en stenen van
שֹׁ֔הַם
(shoham)
onyx
וְאַבְנֵ֖י
(veavnei)
en stenen van
מִלֻּאִ֑ים
(miluim)
inzetting
לָאֵפ֖וֹד
(laefod)
voor de efod
וְלַחֹֽשֶׁן
(velachoshen)
en voor de borstplaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Laat iedereen die wijs van hart is onder jullie komen en alles maken wat Yahweh geboden heeft:
וְכָל
(vekhal)
en ieder
חֲכַם
(chakham)
wijze van
לֵ֖ב
(lev)
hart
בָּכֶ֑ם
(bakhem)
onder jullie
יָבֹ֣אוּ
(yavou)
laat komen
וְיַעֲשׂ֔וּ
(veyaasu)
en laat maken
אֵ֛ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
צִוָּ֖ה
(tsiva)
gebood
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֲכַם־לֵב (chakam-lev), ‘wijs van hart’: zie Exod. 28:3.

11de tabernakel, zijn tent en zijn dekking, zijn haken, zijn planken, zijn dwarsbalken, zijn pilaren en zijn voetstukken,
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֨מִּשְׁכָּ֔ן
(hamishkan)
de tabernakel
אֶֽת
(et)
(obj.)
אָהֳל֖וֹ
(aholo)
zijn tent
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִכְסֵ֑הוּ
(mikhsehu)
zijn dekking
אֶת
(et)
(obj.)
קְרָסָיו֙
(qerasav)
zijn haken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קְרָשָׁ֔יו
(qerashav)
zijn planken
אֶת
(et)
(obj.)
בְּרִיחָ֕ו
(berichav)
zijn dwarsbalken
אֶת
(et)
(obj.)
עַמֻּדָ֖יו
(amudav)
zijn pilaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲדָנָֽיו
(adanav)
zijn voetstukken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12de ark en zijn draagstokken, het verzoendeksel en de voorhang van het gordijn,
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָרֹ֥ן
(haaron)
de ark
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בַּדָּ֖יו
(badav)
zijn draagstokken
אֶת
(et)
(obj.)
הַכַּפֹּ֑רֶת
(hakaporet)
het verzoendeksel
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
פָּרֹ֥כֶת
(parokhet)
voorhang van
הַמָּסָֽךְ
(hamasakh)
het gordijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13de tafel met zijn draagstokken en al zijn voorwerpen, en het toonbrood,
אֶת
(et)
(obj.)
הַשֻּׁלְחָ֥ן
(hashulchan)
de tafel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בַּדָּ֖יו
(badav)
zijn draagstokken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
כֵּלָ֑יו
(kelav)
zijn voorwerpen
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
לֶ֥חֶם
(lechem)
brood van
הַפָּנִֽים
(hapanim)
het aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14de kandelaar voor het licht met zijn voorwerpen, zijn lampen en de olie voor het licht,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מְנֹרַ֧ת
(menorat)
kandelaar van
הַמָּא֛וֹר
(hamaor)
het licht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כֵּלֶ֖יהָ
(keleiha)
haar voorwerpen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נֵרֹתֶ֑יהָ
(neroteiha)
haar lampen
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
שֶׁ֥מֶן
(shemen)
olie van
הַמָּאֽוֹר
(hamaor)
het licht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15het wierookaltaar met zijn draagstokken, de zalfolie en de welriekende wierook, het gordijn voor de ingang, voor de ingang van de tabernakel,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִזְבַּ֤ח
(mizbach)
altaar van
הַקְּטֹ֨רֶת֙
(haqetoret)
de wierook
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בַּדָּ֔יו
(badav)
zijn draagstokken
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
שֶׁ֣מֶן
(shemen)
olie van
הַמִּשְׁחָ֔ה
(hamishcha)
de zalving
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
קְטֹ֣רֶת
(qetoret)
wierook van
הַסַּמִּ֑ים
(hasamim)
de specerijen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מָסַ֥ךְ
(masakh)
gordijn van
הַפֶּ֖תַח
(hapetach)
de ingang
לְפֶ֥תַח
(lefetach)
voor de ingang van
הַמִּשְׁכָּֽן
(hamishkan)
de tabernakel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16het brandofferaltaar met zijn koperen rooster, zijn draagstokken en al zijn voorwerpen, het wasbekken met zijn voetstuk,
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
מִזְבַּ֣ח
(mizbach)
altaar van
הָעֹלָ֗ה
(haola)
het brandoffer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִכְבַּ֤ר
(mikhbar)
rooster van
הַנְּחֹ֨שֶׁת֙
(hanechoshet)
het koper
אֲשֶׁר
(asher)
dat
ל֔וֹ
(lo)
bij hem
אֶת
(et)
(obj.)
בַּדָּ֖יו
(badav)
zijn draagstokken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
כֵּלָ֑יו
(kelav)
zijn voorwerpen
אֶת
(et)
(obj.)
הַכִּיֹּ֖ר
(hakiyor)
het wasbekken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כַּנּֽוֹ
(kano)
zijn voetstuk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17de omhangsels van het voorhof met zijn pilaren en voetstukken, en het gordijn voor de poort van het voorhof,
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
קַלְעֵ֣י
(qalei)
omhangsels van
הֶחָצֵ֔ר
(hechatser)
het voorhof
אֶת
(et)
(obj.)
עַמֻּדָ֖יו
(amudav)
zijn pilaren
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֲדָנֶ֑יהָ
(adaneiha)
haar voetstukken
וְאֵ֕ת
(veet)
en (obj.)
מָסַ֖ךְ
(masakh)
gordijn van
שַׁ֥עַר
(shaar)
poort van
הֶחָצֵֽר
(hechatser)
het voorhof
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18de tentpinnen van de tabernakel en de tentpinnen van het voorhof met hun touwen,
אֶת
(et)
(obj.)
יִתְדֹ֧ת
(yitdot)
pinnen van
הַמִּשְׁכָּ֛ן
(hamishkan)
de tabernakel
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יִתְדֹ֥ת
(yitdot)
pinnen van
הֶחָצֵ֖ר
(hechatser)
het voorhof
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מֵיתְרֵיהֶֽם
(meitereihem)
hun touwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 27:19
19de ambtskleren om in het heiligdom te dienen, de heilige kleren voor Aäron, de priester, en de kleren van zijn zonen om als priesters te dienen.”
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
הַשְּׂרָ֖ד
(haserad)
de dienst
לְשָׁרֵ֣ת
(lesharet)
om te dienen
בַּקֹּ֑דֶשׁ
(baqodesh)
in het heiligdom
אֶת
(et)
(obj.)
בִּגְדֵ֤י
(bigdei)
kleren van
הַקֹּ֨דֶשׁ֙
(haqodesh)
het heiligdom
לְאַהֲרֹ֣ן
(leaharon)
voor Aäron
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בִּגְדֵ֥י
(bigdei)
kleren van
בָנָ֖יו
(banav)
zijn zonen
לְכַהֵֽן
(lekhahen)
om priester te zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het volk brengt zijn gaven

20Heel de gemeenschap van de zonen van Israël ging weg van Mozes.
וַיֵּֽצְא֛וּ
(vayetseu)
en gingen weg
כָּל
(kal)
heel
עֲדַ֥ת
(adat)
gemeenschap van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
מִלִּפְנֵ֥י
(milifnei)
van voor
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Ieder wiens hart hem ertoe bewoog en ieder wiens geest gewillig was, kwam en bracht de bijdrage voor Yahweh voor het werk aan de tent van samenkomst, voor al zijn dienst en voor de heilige kleren.
וַיָּבֹ֕אוּ
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
ieder
אִ֖ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
wiens
נְשָׂא֣וֹ
(nesao)
bewoog hem
לִבּ֑וֹ
(libo)
zijn hart
וְכֹ֡ל
(vekhol)
en ieder
אֲשֶׁר֩
(asher)
wiens
נָדְבָ֨ה
(nadeva)
gewillig was
רוּח֜וֹ
(rucho)
zijn geest
אֹת֗וֹ
(oto)
hem
הֵ֠בִיאוּ
(heviu)
brachten
אֶת
(et)
(obj.)
תְּרוּמַ֨ת
(terumat)
bijdrage van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
לִמְלֶ֨אכֶת
(limlekhet)
voor het werk van
אֹ֤הֶל
(ohel)
tent van
מוֹעֵד֙
(moed)
samenkomst
וּלְכָל
(ulekhal)
en voor al
עֲבֹ֣דָת֔וֹ
(avodato)
zijn dienst
וּלְבִגְדֵ֖י
(ulevigdei)
en voor de kleren van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשָׂאוֹ לִבּוֹ (nesa'o libbo) is letterlijk ‘zijn hart verhief hem’, dus ‘zijn hart bewoog hem’.

22Mannen en vrouwen kwamen, ieder met een gewillig hart, en brachten haken, oorringen, zegelringen en halssieraden, allerlei gouden voorwerpen; ieder die een beweegoffer van goud voor Yahweh aanbood.
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en kwamen
הָאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
עַל
(al)
bij
הַנָּשִׁ֑ים
(hanashim)
de vrouwen
כֹּ֣ל
(kol)
ieder
נְדִ֣יב
(nediv)
gewillig van
לֵ֗ב
(lev)
hart
הֵ֠בִיאוּ
(heviu)
brachten
חָ֣ח
(chach)
haken
וָנֶ֜זֶם
(vanezem)
en oorring
וְטַבַּ֤עַת
(vetabaat)
en zegelring
וְכוּמָז֙
(vekhumaz)
en halssieraad
כָּל
(kal)
alle
כְּלִ֣י
(keli)
voorwerpen van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וְכָל
(vekhal)
en ieder
אִ֕ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֵנִ֛יף
(henif)
aanbood
תְּנוּפַ֥ת
(tenufat)
beweegoffer van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חָח (chach) is een haak of neusring, נֶזֶם (nezem) een oorring, טַבַּעַת (tabba‘at) een zegelring en כּוּמָז (kumaz) een halssieraad of ketting; de laatste betekenis is onzeker.

23Ieder bij wie blauwpurper, roodpurper, karmozijnrood garen, fijn linnen, geitenhaar, roodgeverfde ramsvellen of tachash-huiden werden gevonden, bracht die.
וְכָל
(vekhal)
en ieder
אִ֞ישׁ
(ish)
man
אֲשֶׁר
(asher)
bij wie
נִמְצָ֣א
(nimtsa)
gevonden werd
אִתּ֗וֹ
(ito)
bij hem
תְּכֵ֧לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֛ן
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֥עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֖י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֣שׁ
(veshesh)
en fijn linnen
וְעִזִּ֑ים
(veizim)
en geitenhaar
וְעֹרֹ֨ת
(veorot)
en huiden van
אֵילִ֧ם
(eilim)
rammen
מְאָדָּמִ֛ים
(meadamim)
roodgeverfd
וְעֹרֹ֥ת
(veorot)
en huiden van
תְּחָשִׁ֖ים
(techashim)
tachash
הֵבִֽיאוּ
(heviu)
brachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Ieder die een bijdrage van zilver of koper aanbood, bracht de bijdrage voor Yahweh; en ieder bij wie acaciahout werd gevonden voor al het werk van de dienst, bracht dat.
כָּל
(kal)
ieder
מֵרִ֗ים
(merim)
die opheft
תְּר֤וּמַת
(terumat)
bijdrage van
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
וּנְחֹ֔שֶׁת
(unechoshet)
en koper
הֵבִ֕יאוּ
(heviu)
brachten
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
bijdrage van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְכֹ֡ל
(vekhol)
en ieder
אֲשֶׁר֩
(asher)
bij wie
נִמְצָ֨א
(nimtsa)
gevonden werd
אִתּ֜וֹ
(ito)
bij hem
עֲצֵ֥י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֛ים
(shitim)
acacia
לְכָל
(lekhal)
voor al
מְלֶ֥אכֶת
(melekhet)
werk van
הָעֲבֹדָ֖ה
(haavoda)
de dienst
הֵבִֽיאוּ
(heviu)
brachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ook2 Kor 8:12
25Alle vrouwen die wijs van hart waren, sponnen met hun handen en brachten het gesponnene: het blauwpurper, het roodpurper, het karmozijnrood garen en het fijn linnen.
וְכָל
(vekhal)
en elke
אִשָּׁ֥ה
(isha)
vrouw
חַכְמַת
(chakhmat)
wijs van
לֵ֖ב
(lev)
hart
בְּיָדֶ֣יהָ
(beyadeiha)
met haar handen
טָו֑וּ
(tavu)
sponnen
וַיָּבִ֣יאוּ
(vayaviu)
en brachten
מַטְוֶ֗ה
(matve)
het gesponnene
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַתְּכֵ֨לֶת֙
(hatekhelet)
het blauwpurper
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָֽאַרְגָּמָ֔ן
(haargaman)
het roodpurper
אֶת
(et)
(obj.)
תּוֹלַ֥עַת
(tolaat)
karmozijn van
הַשָּׁנִ֖י
(hashani)
het scharlaken
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשֵּֽׁשׁ
(hashesh)
het fijn linnen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Alle vrouwen wier hart hen bewoog, sponnen met vaardigheid het geitenhaar.
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַ֨נָּשִׁ֔ים
(hanashim)
de vrouwen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wier
נָשָׂ֥א
(nasa)
bewoog
לִבָּ֛ן
(liban)
hun hart
אֹתָ֖נָה
(otana)
hen
בְּחָכְמָ֑ה
(bechakhema)
met vaardigheid
טָו֖וּ
(tavu)
sponnen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִזִּֽים
(haizim)
het geitenhaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27De leiders brachten de onyxstenen en de stenen om in te zetten voor de efod en voor de borstplaat,
וְהַנְּשִׂאִ֣ם
(vehanesiim)
en de leiders
הֵבִ֔יאוּ
(heviu)
brachten
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אַבְנֵ֣י
(avnei)
stenen van
הַשֹּׁ֔הַם
(hashoham)
de onyx
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
אַבְנֵ֣י
(avnei)
stenen van
הַמִּלֻּאִ֑ים
(hamiluim)
de inzetting
לָאֵפ֖וֹד
(laefod)
voor de efod
וְלַחֹֽשֶׁן
(velachoshen)
en voor de borstplaat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַנְּשִׂאִם (hannesi'im), ‘de leiders’, zijn de vorsten van de stammen.

28en de specerijen en de olie voor het licht, voor de zalfolie en voor de welriekende wierook.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַבֹּ֖שֶׂם
(habosem)
de specerij
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַשָּׁ֑מֶן
(hashamen)
de olie
לְמָא֕וֹר
(lemaor)
voor het licht
וּלְשֶׁ֨מֶן֙
(uleshemen)
en voor olie van
הַמִּשְׁחָ֔ה
(hamishcha)
de zalving
וְלִקְטֹ֖רֶת
(veliqtoret)
en voor wierook van
הַסַּמִּֽים
(hasamim)
de specerijen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29De zonen van Israël brachten een vrijwillige gave voor Yahweh: alle mannen en vrouwen wier hart hen bewoog om bij te dragen aan al het werk dat Yahweh door Mozes te doen had geboden.
כָּל
(kal)
ieder
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וְאִשָּׁ֗ה
(veisha)
en vrouw
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wier
נָדַ֣ב
(nadav)
gewillig was
לִבָּם֮
(libam)
hun hart
אֹתָם֒
(otam)
hen
לְהָבִיא֙
(lehavi)
om te brengen
לְכָל
(lekhal)
voor al
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
צִוָּ֧ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
בְּיַד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
הֵבִ֧יאוּ
(heviu)
brachten
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
נְדָבָ֖ה
(nedava)
een vrijwillige gave
לַיהוָֽה
(laYahweh)
aan Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De gaven zijn vrijwillig (נְדָבָה, nedavah), niet afgedwongen.

Bezaleël en Oholiab

30Mozes zei tot de zonen van Israël: „Zie, Yahweh heeft Bezaleël bij naam geroepen, de zoon van Uri, de zoon van Chur, van de stam Juda.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
רְא֛וּ
(reu)
zie
קָרָ֥א
(qara)
heeft geroepen
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּשֵׁ֑ם
(beshem)
bij naam
בְּצַלְאֵ֛ל
(betsalel)
Bezaleël
בֶּן
(ben)
zoon van
אוּרִ֥י
(uri)
Uri
בֶן
(ben)
zoon van
ח֖וּר
(chur)
Chur
לְמַטֵּ֥ה
(lemate)
van de stam
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Bezaleël en Oholiab: zie Exod. 31:1–6.

31Hij heeft hem vervuld met de Geest van Elohim, met wijsheid, inzicht en kennis, en met allerlei vakmanschap,
וַיְמַלֵּ֥א
(vaymale)
en Hij vervulde
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
ר֣וּחַ
(ruach)
met de geest van
אֱלֹהִ֑ים
(Elohim)
Elohim
בְּחָכְמָ֛ה
(bechakhema)
met wijsheid
בִּתְבוּנָ֥ה
(bitvuna)
met inzicht
וּבְדַ֖עַת
(uvedaat)
en met kennis
וּבְכָל
(uvekhal)
en met alle
מְלָאכָֽה
(melakha)
vakmanschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32om kunstige ontwerpen te bedenken en uit te voeren in goud, zilver en koper,
וְלַחְשֹׁ֖ב
(velachshov)
en om te bedenken
מַֽחַשָׁבֹ֑ת
(machashavot)
ontwerpen
לַעֲשֹׂ֛ת
(laasot)
om te maken
בַּזָּהָ֥ב
(bazahav)
in goud
וּבַכֶּ֖סֶף
(uvakesef)
en in zilver
וּבַנְּחֹֽשֶׁת
(uvanechoshet)
en in koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33in het snijden van stenen om ze in te zetten, in het bewerken van hout, om allerlei kunstig werk uit te voeren.
וּבַחֲרֹ֥שֶׁת
(uvacharoshet)
en in het snijden van
אֶ֛בֶן
(even)
steen
לְמַלֹּ֖את
(lemalot)
om in te zetten
וּבַחֲרֹ֣שֶׁת
(uvacharoshet)
en in het snijden van
עֵ֑ץ
(ets)
hout
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te maken
בְּכָל
(bekhal)
in alle
מְלֶ֥אכֶת
(melekhet)
werk van
מַחֲשָֽׁבֶת
(machashavet)
ontwerp
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Ook heeft Hij hem in zijn hart gegeven anderen te onderwijzen, hem en Oholiab, de zoon van Achisamach, van de stam Dan.
וּלְהוֹרֹ֖ת
(ulehorot)
en om te onderwijzen
נָתַ֣ן
(natan)
heeft Hij gegeven
בְּלִבּ֑וֹ
(belibo)
in zijn hart
ה֕וּא
(hu)
hem
וְאָֽהֳלִיאָ֥ב
(veaholiav)
en Oholiab
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיסָמָ֖ךְ
(achisamakh)
Achisamach
לְמַטֵּה
(lemate)
van de stam
דָֽן
(dan)
Dan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Hij heeft hen met wijsheid van hart vervuld om allerlei werk te doen van een steensnijder, een vakman en een borduurder, in blauwpurper, roodpurper, karmozijnrood garen en fijn linnen, en van een wever; zij die allerlei werk doen en kunstige ontwerpen bedenken.”
מִלֵּ֨א
(mile)
Hij vulde
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
חָכְמַת
(chakhemat)
met wijsheid van
לֵ֗ב
(lev)
hart
לַעֲשׂוֹת֮
(laasot)
om te maken
כָּל
(kal)
alle
מְלֶ֣אכֶת
(melekhet)
werk van
חָרָ֣שׁ
(charash)
steensnijder
וְחֹשֵׁב֒
(vechoshev)
en vakman
וְרֹקֵ֞ם
(veroqem)
en borduurder
בַּתְּכֵ֣לֶת
(batekhelet)
in blauwpurper
וּבָֽאַרְגָּמָ֗ן
(uvaargaman)
en in roodpurper
בְּתוֹלַ֧עַת
(betolaat)
in karmozijn
הַשָּׁנִ֛י
(hashani)
scharlaken
וּבַשֵּׁ֖שׁ
(uvashesh)
en in fijn linnen
וְאֹרֵ֑ג
(veoreg)
en wever
עֹשֵׂי֙
(osei)
makers van
כָּל
(kal)
alle
מְלָאכָ֔ה
(melakha)
werk
וְחֹשְׁבֵ֖י
(vechoshevei)
en bedenkers van
מַחֲשָׁבֹֽת
(machashavot)
ontwerpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hier worden vier vakmensen genoemd: חָרָשׁ (charash, steensnijder of smid), חֹשֵׁב (choshev, vakman of ontwerper), רֹקֵם (roqem, borduurder) en אֹרֵג (oreg, wever).