Elohim Bijbel

1 Samuël 8

12345678910111213141516171819202122232425262728293031

Israël vraagt om een koning

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zonen van Samuël

1Toen Samuël oud werd, stelde hij zijn zonen aan als rechters over Israël.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het gebeurde
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
toen
זָקֵ֖ן
(zaqen)
werd oud
שְׁמוּאֵ֑ל
(shemuel)
Samuël
וַיָּ֧שֶׂם
(vayasem)
en hij stelde aan
אֶת
(et)
(obj.)
בָּנָ֛יו
(banav)
zijn zonen
שֹׁפְטִ֖ים
(shofetim)
rechters
לְיִשְׂרָאֵֽל
(leyisrael)
over Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֹׁפְטִים (shofetim), ‘rechters’: hetzelfde woord als in het boek Richteren.

Samuël zelf sprak recht in 1 Sam. 7:15–17.

2De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël. De naam van zijn tweede was Abia. Zij waren rechters in Beër-Sjeba.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en was
שֶׁם
(shem)
de naam van
בְּנ֤וֹ
(beno)
zijn zoon
הַבְּכוֹר֙
(habekhor)
de eerstgeborene
יוֹאֵ֔ל
(yoel)
Joël
וְשֵׁ֥ם
(veshem)
en de naam van
מִשְׁנֵ֖הוּ
(mishnehu)
zijn tweede
אֲבִיָּ֑ה
(aviya)
Abia
שֹׁפְטִ֖ים
(shofetim)
rechters
בִּבְאֵ֥ר
(biver)
in Beër
שָֽׁבַע
(shava)
Sjeba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Beër-Sjeba ligt bij Tel Beër-Sjeba, in het zuiden van Israël.

Het is de zuidgrens van het land, ver van Rama.

3Zijn zonen liepen niet in zijn wegen. Zij bogen af, achter het gewin aan. Zij namen steekpenningen en bogen het recht.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
הָלְכ֤וּ
(halekhu)
liepen
בָנָיו֙
(banav)
zijn zonen
בִּדְרָכָ֔יו
(bidrakhav)
in zijn wegen
וַיִּטּ֖וּ
(vayitu)
en zij weken af
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
הַבָּ֑צַע
(habatsa)
het gewin
וַיִּ֨קְחוּ
(vayiqchu)
en zij namen
שֹׁ֔חַד
(shochad)
steekpenning
וַיַּטּ֖וּ
(vayatu)
en zij bogen
מִשְׁפָּֽט
(mishpat)
recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֶּצַע (betsa), ‘gewin’: winst die iemand voor zichzelf neemt.

שֹׁחַד (shochad), ‘steekpenning’: zoals in Exod. 23:8 en Deut. 16:19.

Lezing

In de tekst (ketiv) staat בדרכו (bidrakho), ‘in zijn weg’; de lezing (qere) is בדרכיו (bidrakhav), ‘in zijn wegen’.

Wij volgen de lezing.

De oudsten vragen om een koning

4Alle oudsten van Israël kwamen bijeen en gingen naar Samuël in Rama.
וַיִּֽתְקַבְּצ֔וּ
(vayitqabetsu)
en kwamen bijeen
כֹּ֖ל
(kol)
alle
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
oudsten van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en kwamen
אֶל
(el)
naar
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
הָרָמָֽתָה
(haramata)
naar Rama
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

5Zij zeiden tegen hem: „Zie, jij bent oud geworden en je zonen lopen niet in jouw wegen. Stel nu een koning voor ons aan om ons recht te spreken, zoals alle volken.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
הִנֵּה֙
(hine)
zie
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
זָקַ֔נְתָּ
(zaqanta)
bent oud geworden
וּבָנֶ֕יךָ
(uvaneikha)
en je zonen
לֹ֥א
(lo)
niet
הָלְכ֖וּ
(halekhu)
lopen
בִּדְרָכֶ֑יךָ
(bidrakheikha)
in jouw wegen
עַתָּ֗ה
(ata)
nu
שִֽׂימָה
(sima)
stel aan
לָּ֥נוּ
(lanu)
voor ons
מֶ֛לֶךְ
(melekh)
een koning
לְשָׁפְטֵ֖נוּ
(leshafetenu)
om ons recht te spreken
כְּכָל
(kekhal)
zoals alle
הַגּוֹיִֽם
(hagoyim)
de volken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Rama ligt waarschijnlijk in het bergland van Efraïm, ten noorden van Jeruzalem.

De ligging is onzeker.

Uitleg

שִׂימָה לָּנוּ מֶלֶךְ (simah lanu melekh), ‘stel een koning voor ons aan’: de koningswet van Deut. 17:14–15 noemt dezelfde woorden: ‘laat ik een koning over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij’.

Daar kiest Yahweh de koning.

6Het woord was slecht in de ogen van Samuël, omdat zij zeiden: „Geef ons een koning om ons recht te spreken.” Samuël bad tot Yahweh.
וַיֵּ֤רַע
(vayera)
en was slecht
הַדָּבָר֙
(hadavar)
het woord
בְּעֵינֵ֣י
(beeinei)
in de ogen van
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
omdat
אָמְר֔וּ
(ameru)
zij zeiden
תְּנָה
(tena)
geef
לָּ֥נוּ
(lanu)
ons
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
een koning
לְשָׁפְטֵ֑נוּ
(leshafetenu)
om ons recht te spreken
וַיִּתְפַּלֵּ֥ל
(vayitpalel)
en bad
שְׁמוּאֵ֖ל
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַע (ra), ‘slecht’: Samuël neemt het de oudsten kwalijk.

Hij brengt het eerst naar Yahweh, in een gebed.

Yahweh antwoordt Samuël

7Yahweh zei tegen Samuël: „Luister naar de stem van het volk, in alles wat zij tegen je zeggen. Want niet jou hebben zij verworpen. Mij hebben zij verworpen als koning over hen.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
שְׁמַע֙
(shema)
luister
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לְכֹ֥ל
(lekhol)
in alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֹאמְר֖וּ
(yomru)
zij zeggen
אֵלֶ֑יךָ
(eleikha)
tot jou
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
אֹֽתְךָ֙
(otekha)
jou
מָאָ֔סוּ
(maasu)
hebben zij verworpen
כִּֽי
(ki)
want
אֹתִ֥י
(oti)
Mij
מָאֲס֖וּ
(maasu)
hebben zij verworpen
מִמְּלֹ֥ךְ
(mimelokh)
als koning zijn
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Yahweh spreekt hier zelf; daarom staat dit in het rood.

Vergelijk Richt. 8:23, waar Gideon zegt: ‘Yahweh zal over jullie heersen’, en 1 Sam. 12:12.

8Het is zoals met al de daden die zij hebben gedaan vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte liet optrekken tot op deze dag. Zij verlieten Mij en dienden andere goden. Zo doen zij nu ook met jou.
כְּכָֽל
(kekhal)
zoals alle
הַמַּעֲשִׂ֣ים
(hamaasim)
de daden
אֲשֶׁר
(asher)
die
עָשׂ֗וּ
(asu)
zij hebben gedaan
מִיּוֹם֩
(miyom)
vanaf de dag
הַעֲלֹתִ֨י
(haaloti)
dat Ik liet optrekken
אֹתָ֤ם
(otam)
hen
מִמִּצְרַ֨יִם֙
(mimitsrayim)
uit Egypte
וְעַד
(vead)
en tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
וַיַּ֣עַזְבֻ֔נִי
(vayaazvuni)
en zij verlieten Mij
וַיַּעַבְד֖וּ
(vayaavdu)
en dienden
אֱלֹהִ֣ים
(Elohim)
goden
אֲחֵרִ֑ים
(acherim)
andere
כֵּ֛ן
(ken)
zo
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
עֹשִׂ֖ים
(osim)
doen
גַּם
(gam)
ook
לָֽךְ
(lakh)
met jou
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

אֱלֹהִים אֲחֵרִים (elohim acherim), ‘andere goden’: zoals in Exod. 20:3.

9Luister nu naar hun stem. Maar waarschuw hen goed en maak hun het recht bekend van de koning die over hen zal regeren.”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
בְּקוֹלָ֑ם
(beqolam)
naar hun stem
אַ֗ךְ
(akh)
alleen
כִּֽי
(ki)
dat
הָעֵ֤ד
(haed)
waarschuw
תָּעִיד֙
(taid)
zul je waarschuwen
בָּהֶ֔ם
(bahem)
hen
וְהִגַּדְתָּ֣
(vehigadta)
en maak bekend
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
מִשְׁפַּ֣ט
(mishpat)
het recht van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִמְלֹ֖ךְ
(yimlokh)
zal regeren
עֲלֵיהֶֽם
(aleihem)
over hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הָעֵד תָּעִיד (ha’ed ta’id), ‘waarschuw goed’: een nadrukkelijke waarschuwing, letterlijk ‘getuig zeker tegen hen’.

מִשְׁפַּט הַמֶּלֶךְ (mishpat hammelekh), ‘het recht van de koning’: dit kan betekenen ‘wat de koning mag’ of ‘hoe de koning zich zal gedragen’. Wij vertalen volgens ons vaste woord ‘recht’.

Het recht van de koning

10Samuël zei alle woorden van Yahweh tegen het volk dat een koning van hem vroeg.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
הָעָ֕ם
(haam)
het volk
הַשֹּׁאֲלִ֥ים
(hashoalim)
die vroegen
מֵאִתּ֖וֹ
(meito)
van hem
מֶֽלֶךְ
(melekh)
een koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hij zei: „Dit zal het recht zijn van de koning die over jullie regeert. Hij zal jullie zonen nemen en ze voor zich inzetten bij zijn wagen en zijn ruiters. Zij zullen voor zijn wagen uit rennen.
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en hij zei
זֶ֗ה
(ze)
dit
יִֽהְיֶה֙
(yihye)
zal zijn
מִשְׁפַּ֣ט
(mishpat)
het recht van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִמְלֹ֖ךְ
(yimlokh)
zal regeren
עֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
over jullie
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵיכֶ֣ם
(beneikhem)
jullie zonen
יִקָּ֗ח
(yiqach)
zal hij nemen
וְשָׂ֥ם
(vesam)
en zal inzetten
לוֹ֙
(lo)
voor zich
בְּמֶרְכַּבְתּ֣וֹ
(bemerkavto)
bij zijn wagen
וּבְפָרָשָׁ֔יו
(uvefarashav)
en bij zijn ruiters
וְרָצ֖וּ
(veratsu)
en zij zullen rennen
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
מֶרְכַּבְתּֽוֹ
(merkavto)
zijn wagen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מֶרְכָּבָה (merkavah), ‘wagen’ en פָּרָשִׁים (parashim), ‘ruiters’: de koning vormt een leger met wagens en paarden.

De koningswet verbiedt de koning veel paarden te houden (Deut. 17:16).

12Hij zal ze aanstellen als oversten van duizend en oversten van vijftig. Hij zal ze zijn akker laten ploegen en zijn oogst laten maaien. Zij moeten zijn wapens voor de oorlog maken en het gerei voor zijn wagens.
וְלָשׂ֣וּם
(velasum)
en om aan te stellen
ל֔וֹ
(lo)
voor zich
שָׂרֵ֥י
(sarei)
oversten van
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וְשָׂרֵ֣י
(vesarei)
en oversten van
חֲמִשִּׁ֑ים
(chamishim)
vijftig
וְלַחֲרֹ֤שׁ
(velacharosh)
en om te ploegen
חֲרִישׁוֹ֙
(charisho)
zijn ploegwerk
וְלִקְצֹ֣ר
(veliqtsor)
en om te maaien
קְצִיר֔וֹ
(qetsiro)
zijn oogst
וְלַעֲשׂ֥וֹת
(velaasot)
en om te maken
כְּלֵֽי
(kelei)
de wapens van
מִלְחַמְתּ֖וֹ
(milchamto)
zijn oorlog
וּכְלֵ֥י
(ukhelei)
en het gerei van
רִכְבּֽוֹ
(rikhbo)
zijn wagens
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Ook jullie dochters zal hij nemen als zalfmaaksters, koksen en bakkers.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנוֹתֵיכֶ֖ם
(benoteikhem)
jullie dochters
יִקָּ֑ח
(yiqach)
zal hij nemen
לְרַקָּח֥וֹת
(leraqachot)
als zalfmaaksters
וּלְטַבָּח֖וֹת
(uletabachot)
en als koksen
וּלְאֹפֽוֹת
(uleofot)
en als bakkers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַקָּחוֹת (raqqachot), ‘zalfmaaksters’: vrouwen die zalf en reukwerk maken.

14Jullie akkers, jullie wijngaarden en jullie olijfbomen, de beste, zal hij nemen en aan zijn dienaren geven.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׂ֠דֽוֹתֵיכֶם
(sedoteikhem)
jullie akkers
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
כַּרְמֵיכֶ֧ם
(karmeikhem)
jullie wijngaarden
וְזֵיתֵיכֶ֛ם
(vezeiteikhem)
en jullie olijfbomen
הַטּוֹבִ֖ים
(hatovim)
de beste
יִקָּ֑ח
(yiqach)
zal hij nemen
וְנָתַ֖ן
(venatan)
en zal geven
לַעֲבָדָֽיו
(laavadav)
aan zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Van wat jullie zaaien en van jullie wijngaarden zal hij een tiende nemen. Dat zal hij aan zijn hovelingen en zijn dienaren geven.
וְזַרְעֵיכֶ֥ם
(vezareikhem)
en jullie zaad
וְכַרְמֵיכֶ֖ם
(vekharmeikhem)
en jullie wijngaarden
יַעְשֹׂ֑ר
(yasor)
zal hij tienden
וְנָתַ֥ן
(venatan)
en zal geven
לְסָרִיסָ֖יו
(lesarisav)
aan zijn hovelingen
וְלַעֲבָדָֽיו
(velaavadav)
en aan zijn dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

זַרְעֲכֶם (zar’akhem), ‘wat jullie zaaien’: letterlijk ‘jullie zaad’, hier het gewas van de akker.

סָרִיסִים (sarisim), ‘hovelingen’: mannen aan het hof van de koning.

16Jullie dienaren, jullie dienaressen, jullie beste jongemannen en jullie ezels zal hij nemen en voor zijn eigen werk inzetten.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַבְדֵיכֶם֩
(avdeikhem)
jullie dienaren
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
שִׁפְח֨וֹתֵיכֶ֜ם
(shifchoteikhem)
jullie dienaressen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בַּחוּרֵיכֶ֧ם
(bachureikhem)
jullie jongemannen
הַטּוֹבִ֛ים
(hatovim)
de beste
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲמוֹרֵיכֶ֖ם
(chamoreikhem)
jullie ezels
יִקָּ֑ח
(yiqach)
zal hij nemen
וְעָשָׂ֖ה
(veasa)
en zal inzetten
לִמְלַאכְתּֽוֹ
(limlakhto)
voor zijn werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Van jullie kleinvee zal hij een tiende nemen. En jullie zullen zijn dienaren zijn.
צֹאנְכֶ֖ם
(tsonkhem)
jullie kleinvee
יַעְשֹׂ֑ר
(yasor)
zal hij tienden
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
תִּֽהְיוּ
(tihyu)
zullen zijn
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
לַעֲבָדִֽים
(laavadim)
tot dienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het woord eved, ‘dienaar’, is hier hard: Israël komt onder een koning en wordt zijn dienaar.

De koningswet in Deut. 17:16–20 beperkt de koning juist op paarden, vrouwen en zilver en goud.

18Op die dag zullen jullie om hulp roepen vanwege jullie koning, die jullie voor jullie zelf hebben gekozen. Maar Yahweh zal jullie op die dag niet antwoorden.”
וּזְעַקְתֶּם֙
(uzeaqtem)
en jullie zullen om hulp roepen
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op die
הַה֔וּא
(hahu)
dag
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
vanwege
מַלְכְּכֶ֔ם
(malkekhem)
jullie koning
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּחַרְתֶּ֖ם
(bechartem)
jullie hebben gekozen
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַעֲנֶ֧ה
(yaane)
zal antwoorden
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶתְכֶ֖ם
(etkhem)
jullie
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op die
הַהֽוּא
(hahu)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וּזְעַקְתֶּם (uze’aqtem), ‘jullie zullen om hulp roepen’: het werkwoord bij het woord noodkreet (za’aqah).

Zo riep Israël ook in Egypte om hulp (Exod. 2:23).

Het volk blijft bij zijn vraag

19Het volk weigerde te luisteren naar de stem van Samuël. Zij zeiden: „Nee! Maar een koning zal over ons zijn.
וַיְמָאֲנ֣וּ
(vaymaanu)
en weigerden
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
לִשְׁמֹ֖עַ
(lishmoa)
om te luisteren
בְּק֣וֹל
(beqol)
naar de stem van
שְׁמוּאֵ֑ל
(shemuel)
Samuël
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
לֹּ֔א
(lo)
nee
כִּ֥י
(ki)
maar
אִם
(im)
wel
מֶ֖לֶךְ
(melekh)
een koning
יִֽהְיֶ֥ה
(yihye)
zal zijn
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
over ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Dan zijn ook wij zoals alle volken. Onze koning zal ons recht spreken, voor ons uit gaan en onze oorlogen voeren.”
וְהָיִ֥ינוּ
(vehayinu)
en wij zullen zijn
גַם
(gam)
ook
אֲנַ֖חְנוּ
(anachnu)
wij
כְּכָל
(kekhal)
zoals alle
הַגּוֹיִ֑ם
(hagoyim)
de volken
וּשְׁפָטָ֤נוּ
(ushefatanu)
en zal ons recht spreken
מַלְכֵּ֨נוּ֙
(malkenu)
onze koning
וְיָצָ֣א
(veyatsa)
en zal uitgaan
לְפָנֵ֔ינוּ
(lefaneinu)
voor ons
וְנִלְחַ֖ם
(venilcham)
en zal voeren
אֶת
(et)
(obj.)
מִלְחֲמֹתֵֽנוּ
(milchamotenu)
onze oorlogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְיָצָא לְפָנֵינוּ (veyatsa lefaneinu), ‘voor ons uit gaan’: zoals het volk ook een leider nodig heeft ‘die voor hen uit gaat’ (Num. 27:17).

21Samuël hoorde alle woorden van het volk en sprak ze uit in de oren van Yahweh.
וַיִּשְׁמַ֣ע
(vayishma)
en hoorde
שְׁמוּאֵ֔ל
(shemuel)
Samuël
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
de woorden van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַֽיְדַבְּרֵ֖ם
(vaydaberem)
en sprak ze uit
בְּאָזְנֵ֥י
(beazenei)
in de oren van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookRe 11:11
22Yahweh zei tegen Samuël: „Luister naar hun stem en laat een koning voor hen regeren.” Samuël zei tegen de mannen van Israël: „Ga, ieder naar zijn stad.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
שְׁמַ֣ע
(shema)
luister
בְּקוֹלָ֔ם
(beqolam)
naar hun stem
וְהִמְלַכְתָּ֥
(vehimlakhta)
en laat regeren
לָהֶ֖ם
(lahem)
over hen
מֶ֑לֶךְ
(melekh)
een koning
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
שְׁמוּאֵל֙
(shemuel)
Samuël
אֶל
(el)
tot
אַנְשֵׁ֣י
(anshei)
de mannen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
לְכ֖וּ
(lekhu)
gaat
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְעִירֽוֹ
(leiro)
naar zijn stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וְהִמְלַכְתָּ (vehimlakhta), ‘laat regeren’: Samuël moet een koning laten regeren.

Yahweh geeft toe aan de vraag van het volk.