Tegenstand en wacht bij de muur (Hebr. 4:1–17 = NL 4:7–23)
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De vijanden smeden een complot
1Toen Sanballat, Tobia, de Arabieren, de Ammonieten en de Asdodieten hoorden dat de muren van Jeruzalem hersteld werden, werden zij zeer boos. Want de bressen begonnen te worden gedicht.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כַאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
שָׁמַ֣ע
(shama)
hoorde
סַנְבַלַּ֡ט
(sanvalat)
Sanballat
וְ֠טוֹבִיָּה
(vetoviya)
en Tobia
וְהָעַרְבִ֨ים
(vehaarvim)
en de Arabieren
וְהָעַמֹּנִ֜ים
(vehaamonim)
en de Ammonieten
וְהָאַשְׁדּוֹדִ֗ים
(vehaashdodim)
en de Asdodieten
כִּֽי
(ki)
dat
עָלְתָ֤ה
(aleta)
omhoog kwam
אֲרוּכָה֙
(arukha)
herstel
לְחֹמ֣וֹת
(lechomot)
van de muren van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כִּי
(ki)
want
הֵחֵ֥לּוּ
(hechelu)
begonnen
הַפְּרֻצִ֖ים
(haperutsim)
de bressen
לְהִסָּתֵ֑ם
(lehisatem)
om gedicht te worden
וַיִּ֥חַר
(vayichar)
en werd boos
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Hier begint hoofdstuk 4 in de Hebreeuwse telling (Hebr. 4:1–17 = NL 4:7–23).
הָעַרְבִים (ha’arvim), ‘de Arabieren’: bewoners van de Arabische streken ten zuiden en oosten van Juda; Gesjem de Arabier is genoemd in 2:19.
הָאַשְׁדּוֹדִים (ha’ashdodim), ‘de Asdodieten’: bewoners van Asdod, een Filistijnse stad in het westen (zie ook 13:23–24).
אֲרֻכָה (arukhah), ‘herstel’: letterlijk ‘verlenging’, een woord voor genezing van een wond. Hier betekent het: de bressen in de muur worden gedicht. Zie ook Jer. 8:22 en 30:17.
5Onze tegenstanders zeiden: „Zij zullen het niet weten en niet zien, totdat wij midden onder hen zijn. Dan doden wij hen en maken wij een einde aan het werk.”
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zeiden
צָרֵ֗ינוּ
(tsareinu)
onze tegenstanders
לֹ֤א
(lo)
niet
יֵדְעוּ֙
(yedeu)
zullen zij weten
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יִרְא֔וּ
(yiru)
zullen zij zien
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָב֥וֹא
(navo)
wij komen
אֶל
(el)
naar
תּוֹכָ֖ם
(tokham)
hun midden
וַהֲרַגְנ֑וּם
(vaharagnum)
en wij doden hen
וְהִשְׁבַּ֖תְנוּ
(vehishbatnu)
en wij doen ophouden
אֶת
(et)
(obj.)
הַמְּלָאכָֽה
(hamelakha)
het werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De vijanden beramen een overval.
Hun woorden komen via de Joden die naast hen wonen bij Nehemia (vers 6).
6Toen de Joden die naast hen woonden kwamen, zeiden zij wel tien keer tegen ons: „Van alle plaatsen, waarheen jullie ook terugkeren, komen zij tegen ons op.”
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁר
(kaasher)
toen
בָּ֣אוּ
(bau)
kwamen
הַיְּהוּדִ֔ים
(hayehudim)
de Joden
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die wonen
אֶצְלָ֑ם
(etslam)
naast hen
וַיֹּ֤אמְרוּ
(vayomru)
en zeiden
לָ֨נוּ֙
(lanu)
tot ons
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
פְּעָמִ֔ים
(peamim)
keer
מִכָּל
(mikal)
van alle
הַמְּקֹמ֖וֹת
(hameqomot)
de plaatsen
אֲשֶׁר
(asher)
waarheen
תָּשׁ֥וּבוּ
(tashuvu)
jullie terugkeren
עָלֵֽינוּ
(aleinu)
tegen ons
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk Hebreeuws.
Letterlijk staat er: ‘zij zeiden tegen ons tien keer: van alle plaatsen waarheen jullie terugkeren tegen ons’.
De zin is onvolledig.
Zij lijkt te zeggen dat de Joden uit alle omliggende plaatsen berichten brengen over de aanvallers.
7Ik stelde mannen op de laagste plaatsen achter de muur, op de open plekken. Ik stelde het volk op, per familie, met hun zwaarden, speren en bogen.
וָֽאַעֲמִ֞יד
(vaaamid)
en ik stelde op
מִֽתַּחְתִּיּ֧וֹת
(mitachtiyot)
de laagste plaatsen
לַמָּק֛וֹם
(lamaqom)
op de plek
מֵאַחֲרֵ֥י
(meacharei)
achter
לַחוֹמָ֖ה
(lachoma)
de muur
בַּצְּחִיחִ֑ים
(batsechichim)
op de open plekken
וָֽאַעֲמִ֤יד
(vaaamid)
en ik stelde op
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָם֙
(haam)
het volk
לְמִשְׁפָּח֔וֹת
(lemishpachot)
per familie
עִם
(im)
met
חַרְבֹתֵיהֶ֛ם
(charvoteihem)
hun zwaarden
רָמְחֵיהֶ֖ם
(ramecheihem)
hun speren
וְקַשְּׁתֹתֵיהֶֽם
(veqashetoteihem)
en hun bogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מִתַּחְתִּיּוֹת (mitachtiyyot), ‘de laagste plaatsen’, en צְחִיחִים (tsechichim), ‘open plekken’ (letterlijk ‘kale plekken’, vergelijk Ezech. 24:7): de plaatsen waar de muur het laagst of het kwetsbaarst is.
8Ik zag het en stond op. Ik zei tegen de edelen, de bestuurders en de rest van het volk: „Wees niet bang voor hen. Denk aan de Heer, de grote en ontzagwekkende. Vecht voor jullie broeders, jullie zonen en dochters, jullie vrouwen en jullie huizen.”
וָאֵ֣רֶא
(vaere)
en ik zag
וָאָק֗וּם
(vaaqum)
en ik stond op
וָאֹמַ֞ר
(vaomar)
en ik zei
אֶל
(el)
tot
הַחֹרִ֤ים
(hachorim)
de edelen
וְאֶל
(veel)
en tot
הַסְּגָנִים֙
(haseganim)
de bestuurders
וְאֶל
(veel)
en tot
יֶ֣תֶר
(yeter)
de rest van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
אַל
(al)
niet
תִּֽירְא֖וּ
(tireu)
wees bang
מִפְּנֵיהֶ֑ם
(mipeneihem)
voor hen
אֶת
(et)
(obj.)
אֲדֹנָ֞י
(adonay)
de Heer
הַגָּד֤וֹל
(hagadol)
de grote
וְהַנּוֹרָא֙
(vehanora)
en ontzagwekkende
זְכֹ֔רוּ
(zekhoru)
gedenkt
וְהִֽלָּחֲמ֗וּ
(vehilachamu)
en strijdt
עַל
(al)
voor
אֲחֵיכֶם֙
(acheikhem)
jullie broeders
בְּנֵיכֶ֣ם
(beneikhem)
jullie zonen
וּבְנֹתֵיכֶ֔ם
(uvenoteikhem)
en jullie dochters
נְשֵׁיכֶ֖ם
(nesheikhem)
jullie vrouwen
וּבָתֵּיכֶֽם
(uvateikhem)
en jullie huizen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֲדֹנָי (Adonai), ‘de Heer’: het Hebreeuws noemt Yahweh hier niet.
9Onze vijanden hoorden dat het ons bekend was geworden en dat Elohim hun raad had verijdeld. Toen keerden wij allen terug naar de muur, ieder naar zijn werk.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het was
כַּֽאֲשֶׁר
(kaasher)
toen
שָׁמְע֤וּ
(shameu)
hoorden
אוֹיְבֵ֨ינוּ֙
(oyeveinu)
onze vijanden
כִּי
(ki)
dat
נ֣וֹדַֽע
(noda)
bekend was geworden
לָ֔נוּ
(lanu)
aan ons
וַיָּ֥פֶר
(vayafer)
en verijdelde
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
עֲצָתָ֑ם
(atsatam)
hun raad
וַנָּ֤שָׁב
(vanashav)
en wij keerden terug
כֻּלָּ֨נוּ֙
(kulanu)
allen
אֶל
(el)
naar
הַ֣חוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
אֶל
(el)
naar
מְלַאכְתּֽוֹ
(melakhto)
zijn werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיָּפֶר הָאֱלֹהִים (vayyafer ha’Elohim), ‘Elohim verijdelde’: zoals in Ps. 33:10.
Wij vertalen steeds ‘raad’ voor de plannen van mensen.
10Vanaf die dag deed de helft van mijn jongens het werk. De andere helft hield speren, schilden, bogen en pantsers vast. De oversten stonden achter heel het huis van Juda.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
מִן
(min)
vanaf
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
חֲצִ֣י
(chatsi)
de helft van
נְעָרַי֮
(nearay)
mijn jongens
עֹשִׂ֣ים
(osim)
doend
בַּמְּלָאכָה֒
(bamelakha)
het werk
וְחֶצְיָ֗ם
(vechetsyam)
en de helft
מַחֲזִיקִים֙
(machaziqim)
houdend vast
וְהָרְמָחִ֣ים
(veharemachim)
en de speren
הַמָּגִנִּ֔ים
(hamaginim)
de schilden
וְהַקְּשָׁת֖וֹת
(vehaqeshatot)
en de bogen
וְהַשִּׁרְיֹנִ֑ים
(vehashiryonim)
en de pantsers
וְהַ֨שָּׂרִ֔ים
(vehasarim)
en de oversten
אַחֲרֵ֖י
(acharei)
achter
כָּל
(kal)
heel
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְעָרַי (ne’aray), ‘mijn jongens’: Nehemia’s eigen dienaren of gevolg; zo ook de verzen 16 en 17.
Of het soldaten zijn, zegt de tekst niet.
הַשִּׁרְיֹנִים (hasheryonim), ‘de pantsers’: lichaamsbescherming. Het woord שִׁרְיוֹן (shiryon) is een pantser of borstharnas (zoals 1 Sam. 17:5).
הַשָּׂרִים (hassarim), ‘de oversten’: de leiders. Zij staan achter het volk als steun.
16Ook zei ik in die tijd tegen het volk: „Laat ieder met zijn jongen in Jeruzalem overnachten. Dan zijn zij 's nachts een wacht voor ons en overdag werkers.”
גַּ֣ם
(gam)
ook
בָּעֵ֤ת
(baet)
in de tijd
הַהִיא֙
(hahi)
die
אָמַ֣רְתִּי
(amarti)
zei ik
לָעָ֔ם
(laam)
tot het volk
אִ֣ישׁ
(ish)
ieder
וְנַעֲר֔וֹ
(venaaro)
en zijn jongen
יָלִ֖ינוּ
(yalinu)
laten overnachten
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
וְהָֽיוּ
(vehayu)
en zij zijn
לָ֧נוּ
(lanu)
voor ons
הַלַּ֛יְלָה
(halayla)
's nachts
מִשְׁמָ֖ר
(mishmar)
een wacht
וְהַיּ֥וֹם
(vehayom)
en overdag
מְלָאכָֽה
(melakha)
werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
נַעֲרוֹ (na’aro), ‘zijn jongen’: ieder neemt zijn dienaar mee naar de stad, zodat het dorp niet leeg is en de wacht sterker.
17Ik en mijn broers en mijn jongens en de mannen van de wacht die achter mij aan stonden: wij deden onze kleren niet uit. Ieder had zijn wapen bij zich, ook bij het water.
וְאֵ֨ין
(veein)
en niet
אֲנִ֜י
(ani)
ik
וְאַחַ֣י
(veachay)
en mijn broers
וּנְעָרַ֗י
(unearay)
en mijn jongens
וְאַנְשֵׁ֤י
(veanshei)
en de mannen van
הַמִּשְׁמָר֙
(hamishmar)
de wacht
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
אַחֲרַ֔י
(acharay)
achter mij
אֵין
(ein)
niet
אֲנַ֥חְנוּ
(anachnu)
wij
פֹשְׁטִ֖ים
(poshetim)
uitdoend
בְּגָדֵ֑ינוּ
(begadeinu)
onze kleren
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
שִׁלְח֥וֹ
(shilcho)
zijn wapen
הַמָּֽיִם
(hamayim)
het water
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is moeilijk.
Letterlijk staat er: ‘en niet ik en mijn broers en mijn jongens en de mannen van de wacht die achter mij, niet wij uitdoend onze kleren, ieder zijn wapen het water’.
Het slot (שִׁלְחוֹ הַמָּיִם, shilcho hammayim) is onzeker.
Het kan betekenen dat ieder zijn wapen bij zich had, ook als hij naar het water ging.
Sommige oude vertalingen lezen anders.
Wij vertalen ‘ieder had zijn wapen bij zich, ook bij het water’.