Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Joas wordt koning van Juda
1Joas was 7 jaar oud toen hij koning werd.
בֶּן
(ben)
zoon van
שֶׁ֥בַע
(sheva)
zeven
שָׁנִ֖ים
(shanim)
jaren
יְהוֹאָ֥שׁ
(yehoash)
Joas
בְּמָלְכֽוֹ
(bemalekho)
toen hij koning werd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is in Nederlandse Bijbels het laatste vers van 2 Kon. 11 (11:21).
Daardoor loopt de nummering van dit hoofdstuk vanaf hier één vers verschillend: Hebr. 12:2–22 is in Nederlandse Bijbels 12:1–21.
יְהוֹאָשׁ (jehoash) en יוֹאָשׁ (joash): de Hebreeuwse tekst schrijft de naam op twee manieren. Het is dezelfde man. Wij schrijven overal ‘Joas’. Zo doen wij het ook bij de koning van Israël in hoofdstuk 13.
5Joas zei tegen de priesters: „Al het geld van de gewijde gaven die in het huis van Yahweh worden gebracht: het geld van ieder die voorbijgaat, het geld van de zielen volgens iemands schatting, en al het geld dat iemand in zijn hart opkomt om in het huis van Yahweh te brengen.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוֹאָ֜שׁ
(yehoash)
Joas
אֶל
(el)
tegen
הַכֹּהֲנִ֗ים
(hakohanim)
de priesters
כֹּל֩
(kol)
al
כֶּ֨סֶף
(kesef)
het geld van
הַקֳּדָשִׁ֜ים
(haqodashim)
de gewijde gaven
אֲשֶׁר
(asher)
die
יוּבָ֤א
(yuva)
worden gebracht
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
כֶּ֣סֶף
(kesef)
geld van
עוֹבֵ֔ר
(over)
wie voorbijgaat
אִ֕ישׁ
(ish)
ieder
כֶּ֥סֶף
(kesef)
geld van
נַפְשׁ֖וֹת
(nafshot)
zielen
עֶרְכּ֑וֹ
(erko)
zijn schatting
כָּל
(kal)
al
כֶּ֗סֶף
(kesef)
het geld
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
dat
יַֽעֲלֶה֙
(yaale)
opkomt
עַ֣ל
(al)
in
לֶב
(lev)
het hart van
אִ֔ישׁ
(ish)
iemand
לְהָבִ֖יא
(lehavi)
om te brengen
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het geld komt uit verschillende bronnen.
De laatste is wat iemand uit zichzelf wil geven.
כֶּסֶף הַקֳּדָשִׁים (kesef haqodashim), ‘geld van de gewijde gaven’: wat voor het huis van Yahweh is gewijd.
כֶּסֶף עוֹבֵר אִישׁ (kesef over ish), ‘geld van ieder die voorbijgaat’: dit kan het geld zijn dat men bij de telling gaf (Exod. 30:13–14, ‘ieder die onder de getelden komt’). Het kan ook ‘gangbaar geld’ zijn (vergelijk Gen. 23:16). De betekenis is onzeker.
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: levend wezen, mens. Hier gaat het om het geld dat voor personen wordt betaald.
עֶרְכּוֹ (erko), ‘zijn schatting’: de waarde die voor een persoon wordt vastgesteld, zoals in Lev. 27:2–8.
8Koning Joas riep de priester Jojada en de priesters en zei tegen hen: „Waarom herstellen jullie de schade aan het huis niet? Neem nu geen geld van jullie kennissen, maar geef het voor de schade aan het huis.”
וַיִּקְרָא֩
(vayiqra)
en riep
הַמֶּ֨לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יְהוֹאָ֜שׁ
(yehoash)
Joas
לִיהוֹיָדָ֤ע
(lihoyada)
Jojada
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
וְלַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(velakohanim)
en de priesters
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵהֶ֔ם
(alehem)
tegen hen
מַדּ֛וּעַ
(madua)
waarom
אֵינְכֶ֥ם
(einekhem)
niet jullie
מְחַזְּקִ֖ים
(mechazeqim)
herstellen
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּ֣דֶק
(bedeq)
de schade van
הַבָּ֑יִת
(habayit)
het huis
וְעַתָּ֗ה
(veata)
en nu
אַל
(al)
niet
תִּקְחוּ
(tiqchu)
neem
כֶ֨סֶף֙
(kesef)
geld
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
מַכָּֽרֵיכֶ֔ם
(makareikhem)
jullie kennissen
כִּֽי
(ki)
maar
לְבֶ֥דֶק
(levedeq)
voor de schade van
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
תִּתְּנֻֽהוּ
(titenuhu)
geef het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9De priesters stemden ermee in om geen geld van het volk te nemen en om de schade aan het huis niet te herstellen.
וַיֵּאֹ֖תוּ
(vayeotu)
en stemden toe
הַכֹּֽהֲנִ֑ים
(hakohanim)
de priesters
לְבִלְתִּ֤י
(levilti)
om niet
קְחַת
(qechat)
te nemen
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
geld
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
וּלְבִלְתִּ֥י
(ulevilti)
en om niet
חַזֵּ֖ק
(chazeq)
te herstellen
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּ֥דֶק
(bedeq)
de schade van
הַבָּֽיִת
(habayit)
het huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
De kist naast het altaar
10Toen nam de priester Jojada één kist. Hij boorde een gat in het deksel en zette de kist naast het altaar, aan de rechterkant, waar iemand het huis van Yahweh binnengaat. De priesters, de bewakers van de drempel, deden daar al het geld in dat in het huis van Yahweh werd gebracht.
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
יְהוֹיָדָ֤ע
(yehoyada)
Jojada
הַכֹּהֵן֙
(hakohen)
de priester
אֲר֣וֹן
(aron)
een kist
אֶחָ֔ד
(echad)
één
וַיִּקֹּ֥ב
(vayiqov)
en boorde
חֹ֖ר
(chor)
een gat
בְּדַלְתּ֑וֹ
(bedalto)
in zijn deksel
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en zette
אֹתוֹ֩
(oto)
hem
אֵ֨צֶל
(etsel)
naast
הַמִּזְבֵּ֜חַ
(hamizbeach)
het altaar
מִיָּמִ֗ין
(miyamin)
aan de rechterkant
בְּבֽוֹא
(bevo)
waar binnengaat
אִישׁ֙
(ish)
iemand
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנָֽתְנוּ
(venatenu)
en deden
שָׁ֤מָּה
(shama)
daar
הַכֹּֽהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
שֹׁמְרֵ֣י
(shomerei)
de bewakers van
הַסַּ֔ף
(hasaf)
de drempel
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het geld
הַמּוּבָ֥א
(hamuva)
dat wordt gebracht
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָרוֹן (aron), ‘kist’: hetzelfde woord als in ‘ark van het verbond’.
בְּדַלְתּוֹ (bedalto), ‘in zijn deksel’: letterlijk ‘in zijn deur’, de plaat waarmee de kist dichtging.
סַף (saf), ‘drempel’: de priesters die de drempel bewaakten, stonden bij de ingang van het huis van Yahweh.
2 Kron. 24:8–11 vertelt dezelfde gebeurtenis. Daar staat de kist ‘buiten, bij de poort van het huis van Yahweh’.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘in de rechterkant’ (בְּיָמִין).
De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘aan de rechterkant’ (מִיָּמִין).
11Zodra zij zagen dat er veel geld in de kist zat, kwamen de schrijver van de koning en de hogepriester omhoog. Zij bonden het geld bijeen en telden het geld dat in het huis van Yahweh werd gevonden.
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
כִּרְאוֹתָ֔ם
(kirotam)
toen zij zagen
כִּֽי
(ki)
dat
רַ֥ב
(rav)
veel
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het geld
בָּֽאָר֑וֹן
(baaron)
in de kist
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en kwam omhoog
סֹפֵ֤ר
(sofer)
de schrijver van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְהַכֹּהֵ֣ן
(vehakohen)
en de priester
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
וַיָּצֻ֨רוּ֙
(vayatsuru)
en zij bonden
וַיִּמְנ֔וּ
(vayimnu)
en telden
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het geld
הַנִּמְצָ֥א
(hanimtsa)
dat werd gevonden
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סֹפֵר (sofer), ‘schrijver’: een hoge hofbeambte.
Zo ook in 2 Sam. 8:17.
וַיָּצֻרוּ (wayyatsuru), ‘zij bonden’: zij bonden het geld bijeen, om het te kunnen tellen.
12Zij gaven het afgewogen geld in de handen van hen die het werk deden, die over het huis van Yahweh waren aangesteld. Dezen betaalden het uit aan de houtbewerkers en aan de bouwers die aan het huis van Yahweh werkten,
וְנָתְנוּ֙
(venatenu)
en zij gaven
אֶת
(et)
(obj.)
הַכֶּ֣סֶף
(hakesef)
het geld
הַֽמְתֻכָּ֔ן
(hamtukan)
het afgewogen
עַל
(al)
in
יְדֵי֙
(yedei)
de handen van
עֹשֵׂ֣י
(osei)
hen die deden
הַמְּלָאכָ֔ה
(hamelakha)
het werk
הַמֻּפְקָדִ֖ים
(hamufqadim)
die waren aangesteld
בֵּ֣ית
(beit)
over het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיּוֹצִיאֻ֜הוּ
(vayotsiuhu)
en zij betaalden het uit
לְחָרָשֵׁ֤י
(lecharashei)
aan de bewerkers van
הָעֵץ֙
(haets)
het hout
וְלַבֹּנִ֔ים
(velabonim)
en aan de bouwers
הָעֹשִׂ֖ים
(haosim)
die werkten
בֵּ֥ית
(beit)
aan het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמְתֻכָּן (hamtukkan), ‘het afgewogen’: van het werkwoord תִּכֵּן (tikken), ‘afwegen’, ‘afmeten’.
Het geld werd geteld en afgewogen.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ‘hand van’ (יד) en ‘de aangestelden’ (הַפְּקֻדִּים).
De voorgelezen tekst (qere) heeft ‘handen van’ (יְדֵי) en ‘de aangestelden’ (הַמֻּפְקָדִים).
13en aan de metselaars en de steenhouwers. Zij kochten hout en gehouwen stenen om de schade aan het huis van Yahweh te herstellen. Zij betaalden ook alles wat voor het herstel van het huis werd uitgegeven.
וְלַגֹּֽדְרִים֙
(velagoderim)
en aan de metselaars
וּלְחֹצְבֵ֣י
(ulechotsevei)
en aan de bewerkers van
הָאֶ֔בֶן
(haeven)
de steen
וְלִקְנ֤וֹת
(veliqnot)
en om te kopen
עֵצִים֙
(etsim)
hout
וְאַבְנֵ֣י
(veavnei)
en stenen van
מַחְצֵ֔ב
(machtsev)
hakwerk
לְחַזֵּ֖ק
(lechazeq)
om te herstellen
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּ֣דֶק
(bedeq)
de schade van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וּלְכֹ֛ל
(ulekhol)
en voor alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
יֵצֵ֥א
(yetse)
uitging
עַל
(al)
voor
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
לְחָזְקָֽה
(lechazeqa)
tot herstel ervan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws laat het werkwoord weg: ‘en aan de metselaars … en om hout te kopen’.
Wij vullen ‘zij betaalden’ en ‘zij kochten’ aan uit vers 12.
גֹּדְרִים (godrim), ‘metselaars’: zij die muren bouwen. חֹצְבֵי הָאֶבֶן (chotsvei ha’even), ‘steenhouwers’.
וּלְכֹל אֲשֶׁר־יֵצֵא עַל־הַבַּיִת (ulkhol asher yetse al habayit), ‘voor alles wat voor het huis werd uitgegeven’: letterlijk ‘voor alles wat uitging over het huis’.
14Maar voor het huis van Yahweh werden geen zilveren bekkens, snuitscharen, sprengschalen, trompetten of enig gouden of zilveren voorwerp gemaakt van het geld dat in het huis van Yahweh werd gebracht.
אַךְ֩
(akh)
maar
לֹ֨א
(lo)
niet
יֵעָשֶׂ֜ה
(yease)
werden gemaakt
בֵּ֣ית
(beit)
voor het huis van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
סִפּ֥וֹת
(sipot)
bekkens van
כֶּ֨סֶף֙
(kesef)
zilver
מְזַמְּר֤וֹת
(mezamerot)
snuitscharen
מִזְרָקוֹת֙
(mizraqot)
sprengschalen
חֲצֹ֣צְר֔וֹת
(chatsotserot)
trompetten
כָּל
(kal)
enig
כְּלִ֥י
(keli)
voorwerp van
זָהָ֖ב
(zahav)
goud
וּכְלִי
(ukheli)
en voorwerp van
כָ֑סֶף
(kasef)
zilver
מִן
(min)
van
הַכֶּ֖סֶף
(hakesef)
het geld
הַמּוּבָ֥א
(hamuva)
dat werd gebracht
בֵית
(beit)
het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סִפּוֹת (sippot), ‘bekkens’, מְזַמְּרוֹת (mezammerot), ‘snuitscharen’ en מִזְרָקוֹת (mizraqot), ‘sprengschalen’: zo ook in 1 Kon. 7:50.
18Toen trok Hazaël, de koning van Aram, op en streed tegen Gat. Hij nam de stad in. Daarna richtte Hazaël zijn gezicht erop om tegen Jeruzalem op te trekken.
אָ֣ז
(az)
toen
יַעֲלֶ֗ה
(yaale)
trok op
חֲזָאֵל֙
(chazael)
Hazaël
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וַיִּלָּ֥חֶם
(vayilachem)
en streed
עַל
(al)
tegen
גַּ֖ת
(gat)
Gat
וַֽיִּלְכְּדָ֑הּ
(vayilkedah)
en nam haar in
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en richtte
חֲזָאֵל֙
(chazael)
Hazaël
פָּנָ֔יו
(panav)
zijn gezicht
לַעֲל֖וֹת
(laalot)
om op te trekken
עַל
(al)
tegen
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gat was een stad van de Filistijnen.
Het lag waarschijnlijk bij Tell es-Safi (Israël), ongeveer 35 km ten westen van Betlehem.
De ligging is niet helemaal zeker.
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
וַיָּשֶׂם פָּנָיו (wayyasem panav), ‘hij richtte zijn gezicht’: hij nam zich vastberaden voor.
19Joas, de koning van Juda, nam alle gewijde gaven. Zijn vaderen Josafat, Joram en Achazia, de koningen van Juda, hadden die gewijd. Hij nam ook zijn eigen gewijde gaven. Ook nam hij al het goud dat in de schatkamers van het huis van Yahweh en van het huis van de koning werd gevonden. Hij stuurde het naar Hazaël, de koning van Aram. Toen trok Hazaël weg van Jeruzalem.
וַיִּקַּ֞ח
(vayiqach)
en nam
יְהוֹאָ֣שׁ
(yehoash)
Joas
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
אֵ֣ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַקֳּדָשִׁ֡ים
(haqodashim)
de gewijde gaven
אֲשֶׁר
(asher)
die
הִקְדִּ֣ישׁוּ
(hiqdishu)
hadden gewijd
יְהוֹשָׁפָ֣ט
(yehoshafat)
Josafat
וִיהוֹרָם֩
(vihoram)
en Joram
וַאֲחַזְיָ֨הוּ
(vaachazyahu)
en Achazia
אֲבֹתָ֜יו
(avotav)
zijn vaderen
מַלְכֵ֤י
(malkhei)
koningen van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קֳדָשָׁ֔יו
(qodashav)
zijn gewijde gaven
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
הַזָּהָ֗ב
(hazahav)
het goud
הַנִּמְצָ֛א
(hanimtsa)
dat werd gevonden
בְּאֹצְר֥וֹת
(beotserot)
in de schatkamers van
בֵּית
(beit)
het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
וּבֵ֣ית
(uveit)
en het huis van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en stuurde
לַֽחֲזָאֵל֙
(lachazael)
naar Hazaël
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
אֲרָ֔ם
(aram)
Aram
וַיַּ֖עַל
(vayaal)
en trok weg
מֵעַ֥ל
(meal)
van
יְרוּשָׁלִָֽם
(yerushaliam)
Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Aram: Aram is het gebied van de Arameeërs, in het huidige Syrië.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Josafat, Joram en Achazia zijn voorouders van Joas: Josafat was zijn overgrootvader, Joram zijn grootvader en Achazia zijn vader.
Het Hebreeuws ‘vaders’ is hier ‘voorouders’.
In 2 Kron. 24:23–24 staat een ander verhaal: een leger van Aram valt Juda en Jeruzalem binnen. Wij laten het verschil staan.
21Zijn dienaren stonden op en smeedden een samenzwering. Zij sloegen Joas neer bij Bet-Millo, op de afdaling naar Silla.
וַיָּקֻ֥מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
עֲבָדָ֖יו
(avadav)
zijn dienaren
וַיִּקְשְׁרֽוּ
(vayiqsheru)
en smeedden
קָ֑שֶׁר
(qasher)
een samenzwering
וַיַּכּוּ֙
(vayaku)
en sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹאָ֔שׁ
(yoash)
Joas
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
מִלֹּ֖א
(milo)
Millo
הַיּוֹרֵ֥ד
(hayored)
dat afdaalt
סִלָּֽא
(sila)
naar Silla
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Bet-Millo en Silla: de ligging is onzeker.
De Millo is een onderdeel van de stad van David in Jeruzalem (2 Sam. 5:9).
Silla wordt verder niet genoemd.
Uitleg
בֵּית מִלֹּא (beit millo), ‘Bet-Millo’: letterlijk ‘huis van de Millo’.
Misschien is dat een gebouw bij de Millo.
הַיּוֹרֵד סִלָּא (hayyored silla), ‘dat afdaalt naar Silla’: dit kan de plek beschrijven (een helling of een weg naar beneden) of Joas zelf. Wij vertalen ‘op de afdaling naar Silla’.
22Zijn dienaren Jozabad, de zoon van Sjimeat, en Jehozabad, de zoon van Sjomer, sloegen hem neer en hij stierf. Zij begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van David. Zijn zoon Amazia werd koning in zijn plaats.
וְיוֹזָבָ֣ד
(veyozavad)
en Jozabad
בֶּן
(ben)
zoon van
שִׁ֠מְעָת
(shimat)
Sjimeat
וִיהוֹזָבָ֨ד
(vihozavad)
en Jehozabad
בֶּן
(ben)
zoon van
שֹׁמֵ֤ר
(shomer)
Sjomer
עֲבָדָיו֙
(avadav)
zijn dienaren
הִכֻּ֣הוּ
(hikuhu)
sloegen hem
וַיָּמֹ֔ת
(vayamot)
en hij stierf
וַיִּקְבְּר֥וּ
(vayiqberu)
en zij begroeven
אֹת֛וֹ
(oto)
hem
עִם
(im)
bij
אֲבֹתָ֖יו
(avotav)
zijn vaderen
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
דָּוִ֑ד
(david)
David
וַיִּמְלֹ֛ךְ
(vayimlokh)
en werd koning
אֲמַצְיָ֥ה
(amatsya)
Amazia
בְנ֖וֹ
(beno)
zijn zoon
תַּחְתָּֽיו
(tachtav)
in zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het Hebreeuws noemt twee dienaren: Jozabad (יוֹזָבָד, jozavad), de zoon van Sjimeat, en Jehozabad (יְהוֹזָבָד, jehozavad), de zoon van Sjomer.
De namen lijken sterk op elkaar maar zijn niet gelijk.
2 Kron. 24:26 noemt hen Zabad, de zoon van Sjimeat, ‘de Ammonitische’, en Jehozabad, de zoon van Sjimrit, ‘de Moabitische’. Het Hebreeuws heeft daar vrouwelijke vormen. Ook de moordplaats verschilt: 2 Kron. 24:25 zegt ‘op zijn bed’.