Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Jabin roept de koningen van het noorden op
1Toen Jabin, de koning van Chasor, dit hoorde, stuurde hij een boodschap naar Jobab, de koning van Madon. Dezelfde boodschap ging naar de koning van Simron en naar de koning van Achsaf.
וַיְהִ֕י
(vayhi)
en het was
כִּשְׁמֹ֖עַ
(kishmoa)
bij het horen van
יָבִ֣ין
(yavin)
Jabin
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
חָצ֑וֹר
(chatsor)
Chasor
וַיִּשְׁלַ֗ח
(vayishlach)
en hij zond
אֶל
(el)
naar
יוֹבָב֙
(yovav)
Jobab
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
מָד֔וֹן
(madon)
Madon
וְאֶל
(veel)
en naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
שִׁמְר֖וֹן
(shimron)
Simron
וְאֶל
(veel)
en naar
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
אַכְשָֽׁף
(akhshaf)
Achsaf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Chasor is Tel Chasor, ongeveer 15 km ten noorden van het Meer van Galilea (Israël).
Madon, Simron en Achsaf liggen in Galilea.
Hun precieze ligging is onzeker.
Aanvullend
Jasher 89:39 bevestigt dit.
Het noemt de koningen van Simron en Achsaf bij naam: Laban en Jafeil.
3Ook naar de Kanaänieten in het oosten en in het westen. Ook naar de Amorieten, de Hethieten, de Perizzieten en de Jebusieten in het bergland. Ook naar de Chiwwieten onder de Hermon, in het land Mizpa.
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
מִמִּזְרָ֣ח
(mimizrach)
uit het oosten
וּמִיָּ֔ם
(umiyam)
en uit het westen
וְהָאֱמֹרִ֧י
(vehaemori)
en de Amoriet
וְהַחִתִּ֛י
(vehachiti)
en de Hethiet
וְהַפְּרִזִּ֥י
(vehaperizi)
en de Perizziet
וְהַיְבוּסִ֖י
(vehayvusi)
en de Jebusiet
בָּהָ֑ר
(bahar)
in het bergland
וְהַֽחִוִּי֙
(vehachivi)
en de Chiwwiet
תַּ֣חַת
(tachat)
onder
חֶרְמ֔וֹן
(chermon)
de Hermon
בְּאֶ֖רֶץ
(beerets)
in het land van
הַמִּצְפָּֽה
(hamitspa)
Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het land Mizpa ligt in het noorden, in de buurt van de Hermon.
4Zij trokken uit, zij en al hun legers met hen, een talrijk volk, zo talrijk als het zand aan de oever van de zee. Er waren ook zeer veel paarden en wagens.
וַיֵּצְא֣וּ
(vayetseu)
en zij trokken uit
הֵ֗ם
(hem)
zij
וְכָל
(vekhal)
en al
מַֽחֲנֵיהֶם֙
(machaneihem)
hun legers
עִמָּ֔ם
(imam)
met hen
עַם
(am)
een volk
רָ֕ב
(rav)
talrijk
כַּח֛וֹל
(kachol)
als het zand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
עַל
(al)
aan
שְׂפַת
(sefat)
de oever van
הַיָּ֖ם
(hayam)
de zee
לָרֹ֑ב
(larov)
in menigte
וְס֥וּס
(vesus)
en paard
וָרֶ֖כֶב
(varekhev)
en wagens
רַב
(rav)
veel
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Yahweh zei tegen Jozua: „Wees niet bang voor hen. Want morgen, rond deze tijd, geef Ik hen allen als gesneuvelden aan Israël. Jij moet hun paarden de pezen doorsnijden en hun wagens met vuur verbranden.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁעַ֮
(yehoshua)
Jozua
אַל
(al)
niet
תִּירָ֣א
(tira)
wees bang
מִפְּנֵיהֶם֒
(mipeneihem)
voor hen
כִּֽי
(ki)
want
מָחָ֞ר
(machar)
morgen
כָּעֵ֣ת
(kaet)
om de tijd
הַזֹּ֗את
(hazot)
deze
אָנֹכִ֞י
(anokhi)
Ik
נֹתֵ֧ן
(noten)
geef
אֶת
(et)
(obj.)
כֻּלָּ֛ם
(kulam)
hen allen
חֲלָלִ֖ים
(chalalim)
gesneuvelden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
אֶת
(et)
(obj.)
סוּסֵיהֶ֣ם
(suseihem)
hun paarden
תְּעַקֵּ֔ר
(teaqer)
zul je de pezen doorsnijden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַרְכְּבֹתֵיהֶ֖ם
(markevoteihem)
hun wagens
תִּשְׂרֹ֥ף
(tisrof)
zul je verbranden
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תְּעַקֵּר (te'aqqer), ‘de pezen doorsnijden’: bij paarden de achterpezen doorsnijden, zodat ze niet meer kunnen lopen en niet meer voor strijdwagens te gebruiken zijn.
8Yahweh gaf hen in de hand van Israël. Zij versloegen hen en achtervolgden hen tot Groot-Sidon, tot Misrefot-Majim en tot het dal van Mizpa, in het oosten. Zij sloegen hen, totdat niemand van hen overbleef.
וַיִּתְּנֵ֨ם
(vayitenem)
en Hij gaf hen
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּיַֽד
(beyad)
in de hand van
יִשְׂרָאֵל֮
(yisrael)
Israël
וַיַּכּוּם֒
(vayakum)
en zij sloegen hen
וַֽיִּרְדְּפ֞וּם
(vayirdefum)
en zij achtervolgden hen
עַד
(ad)
tot
צִיד֣וֹן
(tsidon)
Sidon
רַבָּ֗ה
(raba)
Groot
וְעַד֙
(vead)
en tot
מִשְׂרְפ֣וֹת
(misrefot)
Misrefot
מַ֔יִם
(mayim)
Majim
וְעַד
(vead)
en tot
בִּקְעַ֥ת
(biqat)
het dal van
מִצְפֶּ֖ה
(mitspe)
Mizpa
מִזְרָ֑חָה
(mizracha)
oostwaarts
וַיַּכֻּ֕ם
(vayakum)
en hij sloeg hen
עַד
(ad)
totdat
בִּלְתִּ֥י
(bilti)
niet
הִשְׁאִֽיר
(hishir)
hij liet over
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
שָׂרִֽיד
(sarid)
een overlevende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Groot-Sidon is Sidon aan de kust van Libanon.
Misrefot-Majim en het dal van Mizpa zijn onzeker.
Zij liggen waarschijnlijk in het noordwesten en noorden van Galilea.
10In die tijd wendde Jozua zich terug en nam Chasor in. Haar koning sloeg hij met het zwaard. Want Chasor was vroeger het hoofd van al deze koninkrijken.
וַיָּ֨שָׁב
(vayashav)
en hij wendde zich terug
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
בָּעֵ֤ת
(baet)
in de tijd
הַהִיא֙
(hahi)
die
וַיִּלְכֹּ֣ד
(vayilkod)
en hij nam in
אֶת
(et)
(obj.)
חָצ֔וֹר
(chatsor)
Chasor
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַלְכָּ֖הּ
(malkah)
haar koning
הִכָּ֣ה
(hika)
sloeg hij
בֶחָ֑רֶב
(becharev)
met het zwaard
כִּֽי
(ki)
want
חָצ֣וֹר
(chatsor)
Chasor
לְפָנִ֔ים
(lefanim)
vroeger
הִ֕יא
(hi)
zij
רֹ֖אשׁ
(rosh)
het hoofd van
כָּל
(kal)
alle
הַמַּמְלָכ֥וֹת
(hamamlakhot)
de koninkrijken
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor).
11Zij sloegen alle personen die erin waren met de scherpte van het zwaard. Zij sloegen hen met de ban. Er bleef niets over wat adem had. Chasor verbrandde hij met vuur.
וַ֠יַּכּוּ
(vayaku)
en zij sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַנֶּ֨פֶשׁ
(hanefesh)
de persoon
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֤הּ
(bah)
daarin
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֨רֶב֙
(cherev)
het zwaard
הַֽחֲרֵ֔ם
(hacharem)
met de ban
לֹ֥א
(lo)
niet
נוֹתַ֖ר
(notar)
bleef over
כָּל
(kal)
alles
נְשָׁמָ֑ה
(neshama)
wat adem had
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חָצ֖וֹר
(chatsor)
Chasor
שָׂרַ֥ף
(saraf)
verbrandde hij
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Chasor: Chasor lag in het noorden van het land, ten noorden van het meer van Galilea (Tel Hazor).
12Alle steden van deze koningen en al hun koningen nam Jozua in. Hij sloeg hen met de scherpte van het zwaard en sloeg hen met de ban, zoals Mozes, de dienaar van Yahweh, had geboden.
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
הַמְּלָכִֽים
(hamelakhim)
de koningen
הָ֠אֵלֶּה
(haele)
deze
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
מַלְכֵיהֶ֞ם
(malkheihem)
hun koningen
לָכַ֧ד
(lakhad)
nam in
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיַּכֵּ֥ם
(vayakem)
en hij sloeg hen
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֖רֶב
(cherev)
het zwaard
הֶחֱרִ֣ים
(hecherim)
hij sloeg met de ban
אוֹתָ֑ם
(otam)
hen
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֔ה
(tsiva)
gebood
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
עֶ֥בֶד
(eved)
de dienaar van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Alle buit van deze steden en het vee plunderden de zonen van Israël voor zichzelf. Maar alle mensen sloegen zij met de scherpte van het zwaard, totdat zij hen hadden vernietigd. Zij lieten niets over wat adem had.
וְ֠כֹל
(vekhol)
en al
שְׁלַ֞ל
(shelal)
de buit van
הֶעָרִ֤ים
(hearim)
de steden
הָאֵ֨לֶּה֙
(haele)
deze
וְהַבְּהֵמָ֔ה
(vehabehema)
en het vee
בָּזְז֥וּ
(bazezu)
roofden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor zich
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
רַ֣ק
(raq)
maar
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הָאָדָ֞ם
(haadam)
de mensen
הִכּ֣וּ
(hiku)
sloegen zij
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֗רֶב
(cherev)
het zwaard
עַד
(ad)
totdat
הִשְׁמִדָם֙
(hishmidam)
hun vernietiging
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
לֹ֥א
(lo)
niet
הִשְׁאִ֖ירוּ
(hishiru)
zij lieten over
כָּל
(kal)
alles
נְשָׁמָֽה
(neshama)
wat adem had
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
15Zoals Yahweh Mozes, Zijn dienaar, had geboden, zo gebood Mozes aan Jozua. Zo deed Jozua ook. Hij liet niets achterwege van alles wat Yahweh aan Mozes had geboden.
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֤ה
(tsiva)
gebood
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עַבְדּ֔וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
כֵּן
(ken)
zo
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשֻׁ֑עַ
(yehoshua)
Jozua
וְכֵן֙
(vekhen)
en zo
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
לֹֽא
(lo)
niet
הֵסִ֣יר
(hesir)
liet hij weg
דָּבָ֔ר
(davar)
iets
מִכֹּ֛ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Dat land liep van de Kale Berg, die omhoog loopt naar Seïr, tot Baäl-Gad in het dal van de Libanon, onder de berg Hermon. Al hun koningen nam hij gevangen. Hij sloeg hen en doodde hen.
מִן
(min)
van
הָהָ֤ר
(hahar)
de berg
הֶֽחָלָק֙
(hechalaq)
de kale
הָעוֹלֶ֣ה
(haole)
die omhoog loopt
שֵׂעִ֔יר
(seir)
naar Seïr
וְעַד
(vead)
en tot
בַּ֤עַל
(baal)
Baäl
גָּד֙
(gad)
Gad
בְּבִקְעַ֣ת
(beviqat)
in het dal van
הַלְּבָנ֔וֹן
(halevanon)
de Libanon
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
הַר
(har)
de berg
חֶרְמ֑וֹן
(chermon)
Hermon
וְאֵ֤ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
al
מַלְכֵיהֶם֙
(malkheihem)
hun koningen
לָכַ֔ד
(lakhad)
nam hij gevangen
וַיַּכֵּ֖ם
(vayakem)
en hij sloeg hen
וַיְמִיתֵֽם
(vaymitem)
en hij doodde hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Baäl-Gad ligt aan de voet van de Hermon, waarschijnlijk bij Banias (Israël, Golan).
De ligging is onzeker.
Zie Seïr: Seïr (Edom) is het bergland ten zuiden van de Dode Zee, in het zuiden van het huidige Jordanië.
Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.
Uitleg
הָהָר הֶחָלָק (hahar hechalaq), ‘de Kale Berg’: een kale berg bij Seïr.
20Want het kwam van Yahweh dat Hij hun hart sterk maakte, zodat zij Israël in de strijd tegemoet gingen. Dit gebeurde om hen met de ban te slaan, zodat er geen genade voor hen zou zijn. Want het was om hen te vernietigen, zoals Yahweh Mozes had geboden.
כִּ֣י
(ki)
want
מֵאֵ֣ת
(meet)
van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
הָיְתָ֡ה
(hayeta)
het was
לְחַזֵּ֣ק
(lechazeq)
om sterk te maken
אֶת
(et)
(obj.)
לִבָּם֩
(libam)
hun hart
לִקְרַ֨את
(liqrat)
om tegemoet te gaan
הַמִּלְחָמָ֤ה
(hamilchama)
de strijd
אֶת
(et)
(obj.)
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
הַֽחֲרִימָ֔ם
(hacharimam)
zij met de ban zouden worden geslagen
לְבִלְתִּ֥י
(levilti)
opdat niet
הֱיוֹת
(heyot)
zou zijn
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
תְּחִנָּ֑ה
(techina)
genade
כִּ֚י
(ki)
want
לְמַ֣עַן
(lemaan)
opdat
הַשְׁמִידָ֔ם
(hashmidam)
zij vernietigd zouden worden
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְחַזֵּק (lechazzeq), ‘sterk maken’: hetzelfde werkwoord dat bij de farao staat (Exod. 4:21; 14:4).
Yahweh maakt hun hart sterk, zodat zij Israël tegemoet gaan.
21In die tijd kwam Jozua en roeide de Anakieten uit het bergland uit. Dat deed hij in Hebron, in Debir, in Anab, in heel het bergland van Juda en in heel het bergland van Israël. Jozua sloeg hen met de ban, met hun steden.
וַיָּבֹ֨א
(vayavo)
en hij kwam
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֗יא
(hahi)
die
וַיַּכְרֵ֤ת
(vayakhret)
en hij roeide uit
אֶת
(et)
(obj.)
הָֽעֲנָקִים֙
(haanaqim)
de Anakieten
מִן
(min)
uit
הָהָ֤ר
(hahar)
het bergland
מִן
(min)
uit
חֶבְרוֹן֙
(chevron)
Hebron
מִן
(min)
uit
דְּבִ֣ר
(devir)
Debir
מִן
(min)
uit
עֲנָ֔ב
(anav)
Anab
וּמִכֹּל֙
(umikol)
en uit heel
הַ֣ר
(har)
het bergland van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
וּמִכֹּ֖ל
(umikol)
en uit heel
הַ֣ר
(har)
het bergland van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
עִם
(im)
met
עָרֵיהֶ֖ם
(areihem)
hun steden
הֶחֱרִימָ֥ם
(hecherimam)
sloeg met de ban hen
יְהוֹשֻֽׁעַ
(yehoshua)
Jozua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Anab ligt bij Khirbet Anab in het bergland van Juda (Westelijke Jordaanoever).
Debir is onzeker; men denkt aan Khirbet Rabud.
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
עֲנָקִים (Anaqim), ‘Anakieten’: een volk van grote mensen (Num. 13:33; Deut. 9:2).
23Jozua nam het hele land in, zoals Yahweh tot Mozes had gesproken. Jozua gaf het als erfdeel aan Israël, naar hun verdelingen, aan hun stammen. En het land kreeg rust van de oorlog.
וַיִּקַּ֨ח
(vayiqach)
en hij nam
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
כְּ֠כֹל
(kekhol)
zoals alles
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
דִּבֶּ֣ר
(diber)
had gesproken
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֒
(moshe)
Mozes
וַיִּתְּנָהּ֩
(vayitenah)
en hij gaf het
יְהוֹשֻׁ֨עַ
(yehoshua)
Jozua
לְנַחֲלָ֧ה
(lenachala)
als erfdeel
לְיִשְׂרָאֵ֛ל
(leyisrael)
aan Israël
כְּמַחְלְקֹתָ֖ם
(kemachleqotam)
naar hun verdelingen
לְשִׁבְטֵיהֶ֑ם
(leshivteihem)
aan hun stammen
וְהָאָ֥רֶץ
(vehaarets)
en het land
שָׁקְטָ֖ה
(shaqeta)
had rust
מִמִּלְחָמָֽה
(mimilchama)
van oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שָׁקְטָה (shaqetah), ‘had rust’: het land kreeg rust van de oorlog.