Van Patara naar Jeruzalem, het advies van Jakobus, de beroering in de tempel en de tribuun
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De reis naar Tyrus
1Toen wij ons van hen hadden losgemaakt en waren uitgevaren, voeren wij rechtstreeks naar Kos. De volgende dag gingen wij naar Rodos en vandaar naar Patara.
Ὡς
(Hos)
toen
δὲ
(de)
maar
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἀναχθῆναι
(anachthenai)
uit te varen
ἡμᾶς
(hemas)
wij
ἀποσπασθέντας
(apospasthentas)
losgemaakt
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
εὐθυδρομήσαντες
(euthydromesantes)
rechtstreeks varend
ἤλθομεν
(elthomen)
kwamen wij
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Κῶ
(Ko)
Kos
τῇ
(te)
de
δὲ
(de)
maar
ἑξῆς
(hexes)
volgende
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
de
Ῥόδον
(Rhodon)
Rodos
κἀκεῖθεν
(kakeithen)
en vandaar
εἰς
(eis)
naar
Πάταρα
(Patara)
Patara
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Kos: Kos is een eiland in de Egeïsche Zee, voor de kust van Zuidwest-Turkije.
Zie Rodos: Rodos is een eiland in de Egeïsche Zee, voor de kust van Zuidwest-Turkije; de stad Rodos ligt aan de noordpunt.
Zie Patara: Patara was een havenstad in Lycië, aan de zuidwestkust van Turkije.
2Daar vonden wij een schip dat naar Fenicië overvoer. Wij gingen aan boord en voeren uit.
καὶ
(kai)
en
εὑρόντες
(heurontes)
vindend
πλοῖον
(ploion)
schip
διαπερῶν
(diaperon)
overvarend
εἰς
(eis)
naar
Φοινίκην
(Phoiniken)
Fenicië
ἐπιβάντες
(epibantes)
aan boord gegaan
ἀνήχθημεν
(anechthemen)
voeren wij uit
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Fenicië (kuststreek): Fenicië was de kuststrook aan de Middellandse Zee rond Tyrus en Sidon, nu vooral Libanon, met de aangrenzende kust van Israël en Syrië.
De grenzen zijn niet scherp.
3Wij kregen Cyprus in zicht, lieten het links liggen en voeren naar Syrië. Wij kwamen aan in Tyrus, want daar was het schip zijn lading aan het lossen.
ἀναφάναντες
(anaphanantes)
in zicht krijgend
δὲ
(de)
maar
τὴν
(ten)
de
Κύπρον
(Kypron)
Cyprus
καὶ
(kai)
en
καταλιπόντες
(katalipontes)
achterlatend
αὐτὴν
(auten)
het
εὐώνυμον
(euonymon)
links
ἐπλέομεν
(epleomen)
voeren wij
εἰς
(eis)
naar
Συρίαν
(Syrian)
Syrië
καὶ
(kai)
en
κατήλθομεν
(katelthomen)
kwamen wij aan
εἰς
(eis)
in
Τύρον
(Tyron)
Tyrus
ἐκεῖσε
(ekeise)
daarheen
γὰρ
(gar)
want
τὸ
(to)
het
πλοῖον
(ploion)
schip
ἦν
(en)
was
ἀποφορτιζόμενον
(apophortizomenon)
aan het lossen
τὸν
(ton)
de
γόμον
(gomon)
lading
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije.
Barnabas kwam er vandaan.
Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad.
De grenzen waren niet scherp.
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Uitleg
εὐώνυμος (euonymos), ‘links’: letterlijk ‘van goede naam’, een vriendelijke omschrijving voor de linkerkant.
Cyprus lag dus links van het schip.
4Wij zochten de leerlingen op en bleven daar zeven dagen. Zij zeiden door de Geest tegen Paulus dat hij niet naar Jeruzalem moest opgaan.
ἀνευρόντες
(aneurontes)
opsporend
δὲ
(de)
maar
τοὺς
(tous)
de
μαθητὰς
(mathetas)
leerlingen
ἐπεμείναμεν
(epemeinamen)
bleven wij
αὐτοῦ
(autou)
daar
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ἑπτά
(hepta)
zeven
οἵτινες
(hoitines)
zij die
τῷ
(to)
aan
Παύλῳ
(Paulo)
Paulus
ἔλεγον
(elegon)
zeiden
διὰ
(dia)
door
τοῦ
(tou)
de
πνεύματος
(pneumatos)
Geest
μὴ
(me)
niet
ἐπιβαίνειν
(epibainein)
op te gaan
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het Grieks heeft alleen ‘door de Geest’ (πνεῦμα, pneuma).
Wij lezen dit als de Geest van Elohim; het kan ook de eigen geest van de leerlingen zijn.
Vergelijk 20:22–23, waar Paulus zegt dat hij ‘gebonden door de Geest’ naar Jeruzalem gaat. ἐπιβαίνω (epibaino), ‘opgaan’: letterlijk ‘een voet zetten op’.
Wat zij ‘door de Geest’ zeiden, staat in onrechtstreekse rede en dus zwart (zoals in 11:12 en 20:23).
5Toen wij die dagen hadden volbracht, vertrokken wij en gingen verder. Allen begeleidden ons, met vrouwen en kinderen, tot buiten de stad. Wij knielden op het strand en baden.
ὅτε
(hote)
toen
δὲ
(de)
maar
ἐγένετο
(egeneto)
het gebeurde
ἐξαρτίσαι
(exartisai)
te voltooien
ἡμᾶς
(hemas)
wij
τὰς
(tas)
de
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ἐξελθόντες
(exelthontes)
vertrokken
ἐπορευόμεθα
(eporeuometha)
gingen wij verder
προπεμπόντων
(propemponton)
uitgeleide doend
ἡμᾶς
(hemas)
ons
πάντων
(panton)
allen
σὺν
(syn)
met
γυναιξὶ
(gynaixi)
vrouwen
καὶ
(kai)
en
τέκνοις
(teknois)
kinderen
ἕως
(heos)
tot
ἔξω
(exo)
buiten
τῆς
(tes)
de
πόλεως
(poleos)
stad
καὶ
(kai)
en
θέντες
(thentes)
zettend
τὰ
(ta)
de
γόνατα
(gonata)
knieën
ἐπὶ
(epi)
op
τὸν
(ton)
het
αἰγιαλὸν
(aigialon)
strand
προσευξάμενοι
(proseuxamenoi)
biddend
Bron: SBLGNT
6Wij namen afscheid van elkaar en gingen aan boord van het schip. Zij keerden terug naar huis.
ἀπησπασάμεθα
(apespasametha)
namen wij afscheid
ἀλλήλους
(allelous)
van elkaar
καὶ
(kai)
en
ἐνέβημεν
(enebemen)
stapten wij
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
het
πλοῖον
(ploion)
schip
ἐκεῖνοι
(ekeinoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ὑπέστρεψαν
(hypestrepsan)
keerden terug
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
het
ἴδια
(idia)
eigene
Bron: SBLGNT
Ptolemaïs en Caesarea
7Wij voltooiden de vaart van Tyrus en kwamen aan in Ptolemaïs. Wij groetten de broers en bleven één dag bij hen.
Ἡμεῖς
(Hemeis)
wij
δὲ
(de)
maar
τὸν
(ton)
de
πλοῦν
(ploun)
vaart
διανύσαντες
(dianysantes)
voltooid hebbend
ἀπὸ
(apo)
vanaf
Τύρου
(Tyrou)
Tyrus
κατηντήσαμεν
(katentesamen)
kwamen wij aan
εἰς
(eis)
in
Πτολεμαΐδα
(Ptolemaida)
Ptolemaïs
καὶ
(kai)
en
ἀσπασάμενοι
(aspasamenoi)
groetend
τοὺς
(tous)
de
ἀδελφοὺς
(adelphous)
broers
ἐμείναμεν
(emeinamen)
bleven wij
ἡμέραν
(hemeran)
dag
μίαν
(mian)
één
παρ’
(par’)
bij
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Tyrus: Tyrus ligt aan de kust van de Middellandse Zee, in het huidige Libanon.
Zie Ptolemaïs: Ptolemaïs is het oude Akko, aan de noordkant van de baai van Haifa, in het noorden van Israël.
Uitleg
ἀδελφοί (adelfoi), ‘broers’: de gelovigen.
Wij vertalen ἀδελφός overal met ‘broer’.
8De volgende dag vertrokken wij en kwamen in Caesarea. Wij gingen het huis binnen van Filippus, de verkondiger van de goede boodschap, een van de zeven, en bleven bij hem.
τῇ
(te)
de
δὲ
(de)
maar
ἐπαύριον
(epaurion)
volgende dag
ἐξελθόντες
(exelthontes)
vertrokken
ἤλθομεν
(elthomen)
kwamen wij
εἰς
(eis)
in
Καισάρειαν
(Kaisareian)
Caesarea
καὶ
(kai)
en
εἰσελθόντες
(eiselthontes)
binnengaand
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
Φιλίππου
(Philippou)
van Filippus
τοῦ
(tou)
de
εὐαγγελιστοῦ
(euangelistou)
verkondiger van de goede boodschap
ὄντος
(ontos)
zijnde
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
ἑπτὰ
(hepta)
zeven
ἐμείναμεν
(emeinamen)
bleven wij
παρ’
(par’)
bij
αὐτῷ
(auto)
hem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv.
Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder.
Uitleg
εὐαγγελιστής (euangelistes), ‘verkondiger van de goede boodschap’: iemand die de goede boodschap brengt (εὐαγγελίζομαι).
Filippus is een van de zeven van Hand. 6:5; zie ook Hand. 8:5–40.
11Hij kwam naar ons toe, nam de gordel van Paulus, bond zijn eigen voeten en handen. Hij zei: „Zo zegt de Heilige Geest: ‘De man van wie deze gordel is, zullen de Joden zo in Jeruzalem binden. Zij zullen hem overleveren in de handen van de volken.’”
καὶ
(kai)
en
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
πρὸς
(pros)
naar
ἡμᾶς
(hemas)
ons
καὶ
(kai)
en
ἄρας
(aras)
opnemend
τὴν
(ten)
de
ζώνην
(zonen)
gordel
τοῦ
(tou)
van
Παύλου
(Paulou)
Paulus
δήσας
(desas)
bindend
ἑαυτοῦ
(heautou)
zijn eigen
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
καὶ
(kai)
en
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
εἶπεν
(eipen)
zei hij
Τάδε
(Tade)
dit
λέγει
(legei)
zegt
τὸ
(to)
de
πνεῦμα
(pneuma)
Geest
τὸ
(to)
de
ἅγιον
(hagion)
Heilige
Τὸν
(Ton)
de
ἄνδρα
(andra)
man
οὗ
(hou)
van wie
ἐστιν
(estin)
is
ἡ
(he)
de
ζώνη
(zone)
gordel
αὕτη
(haute)
deze
οὕτως
(houtos)
zo
δήσουσιν
(desousin)
zullen binden
ἐν
(en)
in
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
οἱ
(hoi)
de
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
καὶ
(kai)
en
παραδώσουσιν
(paradosousin)
zullen overleveren
εἰς
(eis)
in
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐθνῶν
(ethnon)
van volken
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Τάδε λέγει (Tade legei), ‘Zo zegt’: de vorm waarmee de profeten in het Oude Testament Yahweh laten spreken.
Hier spreekt Agabus namens de Heilige Geest.
De tekenhandeling met de gordel doet denken aan Jer. 13:1–11 en Jes. 20:2–4.
De Heilige Geest spreekt hier zelf.
Wij zetten Zijn woorden rood, omdat de Geest Elohim is; de inleiding ‘Zo zegt de Heilige Geest’ is van Agabus en blijft zwart (zoals in 28:25–26).
12Toen wij dit hoorden, drongen wij en ook de mensen van die plaats er bij hem op aan niet naar Jeruzalem op te gaan.
ὡς
(hos)
toen
δὲ
(de)
maar
ἠκούσαμεν
(ekousamen)
hoorden wij
ταῦτα
(tauta)
dit
παρεκαλοῦμεν
(parekaloumen)
drongen wij aan
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
als
οἱ
(hoi)
de
ἐντόπιοι
(entopioi)
plaatselijke
τοῦ
(tou)
opdat
μὴ
(me)
niet
ἀναβαίνειν
(anabainein)
zou opgaan
αὐτὸν
(auton)
hij
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
13Toen antwoordde Paulus: „Wat doen jullie, dat jullie huilen en mijn hart breken? Want ik ben bereid om in Jeruzalem niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven voor de naam van de Heer Yeshua.”
τότε
(tote)
toen
ἀπεκρίθη
(apekrithe)
antwoordde
ὁ
(ho)
de
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
Τί
(Ti)
wat
ποιεῖτε
(poieite)
doen jullie
κλαίοντες
(klaiontes)
huilend
καὶ
(kai)
en
συνθρύπτοντές
(synthryptontes)
verbrijzelend
μου
(mou)
mijn
τὴν
(ten)
het
καρδίαν
(kardian)
hart
ἐγὼ
(ego)
ik
γὰρ
(gar)
want
οὐ
(ou)
niet
μόνον
(monon)
alleen
δεθῆναι
(dethenai)
gebonden te worden
ἀλλὰ
(alla)
maar
καὶ
(kai)
ook
ἀποθανεῖν
(apothanein)
te sterven
εἰς
(eis)
in
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
ἑτοίμως
(hetoimos)
bereid
ἔχω
(echo)
ben ik
ὑπὲρ
(hyper)
voor
τοῦ
(tou)
de
ὀνόματος
(onomatos)
naam
τοῦ
(tou)
van de
κυρίου
(kyriou)
Heer
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
κύριος (kyrios), ‘Heer’: Lucas noemt Yeshua zo als titel; zie Luc. 7:13.
‘De naam van de Heer Yeshua’: de naam staat voor de persoon zelf.
15Na deze dagen maakten wij ons reisklaar en trokken op naar Jeruzalem.
Μετὰ
(Meta)
na
δὲ
(de)
maar
τὰς
(tas)
de
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ταύτας
(tautas)
deze
ἐπισκευασάμενοι
(episkeuasamenoi)
ons klaargemaakt hebbend
ἀνεβαίνομεν
(anebainomen)
gingen wij op
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
16Ook enkele leerlingen uit Caesarea gingen met ons mee. Zij brachten ons naar een zekere Mnason uit Cyprus, een leerling van lang geleden, bij wie wij te gast zouden zijn.
συνῆλθον
(synelthon)
gingen mee
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
ἀπὸ
(apo)
uit
Καισαρείας
(Kaisareias)
Caesarea
σὺν
(syn)
met
ἡμῖν
(hemin)
ons
ἄγοντες
(agontes)
brengend
παρ’
(par’)
bij
ᾧ
(ho)
wie
ξενισθῶμεν
(xenisthomen)
wij te gast zouden zijn
Μνάσωνί
(Mnasoni)
Mnason
τινι
(tini)
een zekere
Κυπρίῳ
(Kyprio)
uit Cyprus
ἀρχαίῳ
(archaio)
oude
μαθητῇ
(mathete)
leerling
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Caesarea (Caesarea Maritima): Caesarea Maritima, door Herodes de Grote gebouwd, lag aan de kust van Israël, ongeveer 50 km ten noorden van Tel Aviv.
Het was het verblijf van de Romeinse stadhouder.
Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije.
Barnabas kwam er vandaan.
Uitleg
ἀρχαῖος (archaios), ‘oud’: Mnason was al lang een leerling.
Het Grieks heeft ‘een oude leerling’; wij schrijven ‘een leerling van lang geleden’, om verwarring met zijn leeftijd te voorkomen.
17Toen wij in Jeruzalem waren aangekomen, ontvingen de broers ons blij.
Γενομένων
(Genomenon)
aangekomen
δὲ
(de)
maar
ἡμῶν
(hemon)
wij
εἰς
(eis)
in
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
ἀσμένως
(asmenos)
blij
ἀπεδέξαντο
(apedexanto)
ontvingen
ἡμᾶς
(hemas)
ons
οἱ
(hoi)
de
ἀδελφοί
(adelphoi)
broers
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
18De volgende dag ging Paulus met ons naar Jakobus. Alle ouderlingen waren er ook.
τῇ
(te)
de
δὲ
(de)
maar
ἐπιούσῃ
(epiouse)
volgende
εἰσῄει
(eiseei)
ging naar binnen
ὁ
(ho)
de
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
σὺν
(syn)
met
ἡμῖν
(hemin)
ons
πρὸς
(pros)
naar
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
πάντες
(pantes)
allen
τε
(te)
en
παρεγένοντο
(paregenonto)
waren aanwezig
οἱ
(hoi)
de
πρεσβύτεροι
(presbyteroi)
ouderlingen
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἰάκωβος (Iakobos), ‘Jakobus’: in Hand. 12:17 en 15:13 heeft een Jakobus een leidende plaats in Jeruzalem; wij nemen aan dat hier dezelfde bedoeld is. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderlingen’: oudere mannen die in de gemeente leiding geven; zie Hand. 15:2.
Voor de oudsten van het Joodse volk gebruiken wij ‘oudsten’ (zoals in Luc. 22:52).
19Hij groette hen en vertelde stuk voor stuk wat Elohim onder de volken gedaan had door zijn dienst.
καὶ
(kai)
en
ἀσπασάμενος
(aspasamenos)
groetend
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἐξηγεῖτο
(exegeito)
vertelde
καθ’
(kath’)
stuk voor
ἓν
(hen)
één
ἕκαστον
(hekaston)
elk
ὧν
(hon)
wat
ἐποίησεν
(epoiesen)
had gedaan
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
ἐν
(en)
onder
τοῖς
(tois)
de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
de
διακονίας
(diakonias)
dienst
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Het advies van Jakobus en de ouderlingen
20Toen zij het hoorden, verheerlijkten zij Elohim. Zij zeiden tegen hem: „Je ziet, broer, hoeveel tienduizenden er onder de Joden zijn die gelovig zijn geworden, en allen zijn ijveraars voor de wet.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἀκούσαντες
(akousantes)
gehoord hebbend
ἐδόξαζον
(edoxazon)
verheerlijkten
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
εἶπόν
(eipon)
zeiden
τε
(te)
en
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Θεωρεῖς
(Theoreis)
je ziet
ἀδελφέ
(adelphe)
broer
πόσαι
(posai)
hoeveel
μυριάδες
(myriades)
tienduizenden
εἰσὶν
(eisin)
zijn er
ἐν
(en)
onder
τοῖς
(tois)
de
Ἰουδαίοις
(Ioudaiois)
Joden
τῶν
(ton)
van de
πεπιστευκότων
(pepisteukoton)
gelovig geworden
καὶ
(kai)
en
πάντες
(pantes)
allen
ζηλωταὶ
(zelotai)
ijveraars
τοῦ
(tou)
van de
νόμου
(nomou)
wet
ὑπάρχουσιν
(hyparchousin)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
μυριάς (myrias), ‘tienduizendtal’: eigenlijk 10.000; het woord wordt ook voor een heel groot, onbepaald aantal gebruikt. ζηλωτής (zelotes), ‘ijveraar’: hetzelfde woord als in ‘Simon de Zeloot’ (Luc. 6:15).
21Er is hun over jou verteld dat je alle Joden onder de volken leert af te vallen van Mozes. Je zegt dat zij hun kinderen niet moeten besnijden en niet volgens de gewoonten moeten leven.
κατηχήθησαν
(katechethesan)
zijn ingelicht
δὲ
(de)
maar
περὶ
(peri)
over
σοῦ
(sou)
jou
ὅτι
(hoti)
dat
ἀποστασίαν
(apostasian)
afval
διδάσκεις
(didaskeis)
je leert
ἀπὸ
(apo)
van
Μωϋσέως
(Moyseos)
Mozes
τοὺς
(tous)
de
κατὰ
(kata)
onder
τὰ
(ta)
de
ἔθνη
(ethne)
volken
πάντας
(pantas)
alle
Ἰουδαίους
(Ioudaious)
Joden
λέγων
(legon)
zeggend
μὴ
(me)
niet
περιτέμνειν
(peritemnein)
te besnijden
αὐτοὺς
(autous)
hen
τὰ
(ta)
de
τέκνα
(tekna)
kinderen
μηδὲ
(mede)
noch
τοῖς
(tois)
de
ἔθεσιν
(ethesin)
gewoonten
περιπατεῖν
(peripatein)
te leven
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀποστασία (apostasia), ‘afval’: het afvallen van wat men eerst volgde. ἔθη (ethe), ‘gewoonten’: de gebruiken van het Joodse volk.
De besnijdenis is een teken van het verbond met Abraham (Gen. 17:10–12).
22Wat nu? Zij zullen zeker horen dat je gekomen bent.
τί
(ti)
wat
οὖν
(oun)
dan
ἐστιν
(estin)
is er
πάντως
(pantos)
zeker
ἀκούσονται
(akousontai)
zullen horen
ὅτι
(hoti)
dat
ἐλήλυθας
(elelythas)
je gekomen bent
Bron: SBLGNT
23Doe dus wat wij je zeggen. Er zijn bij ons vier mannen die zelf een gelofte op zich hebben genomen.
τοῦτο
(touto)
dit
οὖν
(oun)
dan
ποίησον
(poieson)
doe
ὅ
(ho)
wat
σοι
(soi)
je
λέγομεν
(legomen)
wij zeggen
εἰσὶν
(eisin)
zijn
ἡμῖν
(hemin)
bij ons
ἄνδρες
(andres)
mannen
τέσσαρες
(tessares)
vier
εὐχὴν
(euchen)
gelofte
ἔχοντες
(echontes)
hebbend
ἀφ’
(aph’)
van
ἑαυτῶν
(heauton)
henzelf
Bron: SBLGNT
Uitleg
εὐχή (euche), ‘gelofte’: waarschijnlijk een nazireeërsgelofte, zoals in Num. 6:1–21. ἀφ’ ἑαυτῶν (af’ heauton), letterlijk ‘van henzelf’: zij hadden de gelofte zelf op zich genomen.
24Neem hen mee, laat je met hen reinigen en betaal de kosten voor hen, zodat zij hun hoofd laten scheren. En allen zullen weten dat er niets waar is van wat over jou verteld is. Maar je loopt zelf ook in de pas en onderhoudt de wet.
τούτους
(toutous)
hen
παραλαβὼν
(paralabon)
meenemend
ἁγνίσθητι
(hagnistheti)
laat je reinigen
σὺν
(syn)
met
αὐτοῖς
(autois)
hen
καὶ
(kai)
en
δαπάνησον
(dapaneson)
betaal de kosten
ἐπ’
(ep’)
voor
αὐτοῖς
(autois)
hen
ἵνα
(hina)
opdat
ξυρήσονται
(xyresontai)
zij laten scheren
τὴν
(ten)
het
κεφαλήν
(kephalen)
hoofd
καὶ
(kai)
en
γνώσονται
(gnosontai)
zullen weten
πάντες
(pantes)
allen
ὅτι
(hoti)
dat
ὧν
(hon)
van wat
κατήχηνται
(katechentai)
zij ingelicht zijn
περὶ
(peri)
over
σοῦ
(sou)
jou
οὐδέν
(ouden)
niets
ἐστιν
(estin)
is
ἀλλὰ
(alla)
maar
στοιχεῖς
(stoicheis)
je loopt in de pas
καὶ
(kai)
ook
αὐτὸς
(autos)
zelf
φυλάσσων
(phylasson)
onderhoudend
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἁγνίζω (hagnizo), ‘reinigen’.
Aan het eind van een nazireeërsgelofte schoor de nazireeër zijn hoofd en bracht hij offers (Num. 6:13–20). στοιχέω (stoicheo), ‘in de pas lopen’: leven volgens een vaste regel. φυλάσσω (fylasso), ‘onderhouden’: bewaren, zich houden aan.
25Wat de volken betreft die gelovig zijn geworden: wij hebben bericht gezonden. Wij hebben geoordeeld dat zij zich moeten hoeden voor wat aan afgoden geofferd is, voor bloed, voor het verstikte en voor ontucht.”
περὶ
(peri)
over
δὲ
(de)
maar
τῶν
(ton)
de
πεπιστευκότων
(pepisteukoton)
gelovig geworden
ἐθνῶν
(ethnon)
volken
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
ἀπεστείλαμεν
(apesteilamen)
hebben gezonden
κρίναντες
(krinantes)
oordelend
φυλάσσεσθαι
(phylassesthai)
zich te hoeden
αὐτοὺς
(autous)
zij
τό
(to)
het
τε
(te)
en
εἰδωλόθυτον
(eidolothyton)
aan afgoden geofferde
καὶ
(kai)
en
αἷμα
(haima)
bloed
καὶ
(kai)
en
πνικτὸν
(pnikton)
verstikte
καὶ
(kai)
en
πορνείαν
(porneian)
ontucht
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft bij ἀπεστείλαμεν (apesteilamen), ‘wij hebben gezonden’, geen voorwerp; wij vullen ‘bericht’ aan.
Het besluit waarnaar verwezen wordt, staat in Hand. 15:19–29. εἰδωλόθυτον (eidolothyton), ‘wat aan afgoden geofferd is’; πνικτόν (pnikton), ‘het verstikte’: het vlees van een verstikt dier; πορνεία (porneia), ‘ontucht’: zie Matt. 15:19.
26Toen nam Paulus de mannen mee. De volgende dag ging hij, nadat hij zich met hen had laten reinigen, de tempel in. Hij maakte bekend wanneer de dagen van de reiniging voltooid zouden zijn, totdat het offer voor ieder van hen gebracht was.
τότε
(tote)
toen
ὁ
(ho)
de
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
παραλαβὼν
(paralabon)
meenemend
τοὺς
(tous)
de
ἄνδρας
(andras)
mannen
τῇ
(te)
de
ἐχομένῃ
(echomene)
volgende
ἡμέρᾳ
(hemera)
dag
σὺν
(syn)
met
αὐτοῖς
(autois)
hen
ἁγνισθεὶς
(hagnistheis)
gereinigd
εἰσῄει
(eiseei)
ging naar binnen
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
ἱερόν
(hieron)
tempel
διαγγέλλων
(diangellon)
bekendmakend
τὴν
(ten)
de
ἐκπλήρωσιν
(ekplerosin)
voltooiing
τῶν
(ton)
van de
ἡμερῶν
(hemeron)
dagen
τοῦ
(tou)
van de
ἁγνισμοῦ
(hagnismou)
reiniging
ἕως
(heos)
tot
οὗ
(hou)
dat
προσηνέχθη
(prosenechthe)
gebracht werd
ὑπὲρ
(hyper)
voor
ἑνὸς
(henos)
één
ἑκάστου
(hekastou)
ieder
αὐτῶν
(auton)
van hen
ἡ
(he)
het
προσφορά
(prosphora)
offer
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἁγνισμός (hagnismos), ‘reiniging’: de dagen waarin de mannen zich reinigden en hun gelofte afsloten (Num. 6:13–20).
Het Grieks zegt niet welk offer voor ieder van hen gebracht werd.
27Toen de zeven dagen bijna voorbij waren, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel. Zij brachten de hele menigte in verwarring en sloegen de handen aan hem.
Ὡς
(Hos)
toen
δὲ
(de)
maar
ἔμελλον
(emellon)
stonden op het punt
αἱ
(hai)
de
ἑπτὰ
(hepta)
zeven
ἡμέραι
(hemerai)
dagen
συντελεῖσθαι
(synteleisthai)
voltooid te worden
οἱ
(hoi)
de
ἀπὸ
(apo)
uit
τῆς
(tes)
de
Ἀσίας
(Asias)
Asia
Ἰουδαῖοι
(Ioudaioi)
Joden
θεασάμενοι
(theasamenoi)
zien hebbend
αὐτὸν
(auton)
hem
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
συνέχεον
(synecheon)
brachten in verwarring
πάντα
(panta)
heel
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
καὶ
(kai)
en
ἐπέβαλον
(epebalon)
sloegen
ἐπ’
(ep’)
aan
αὐτὸν
(auton)
hem
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Asia (Romeinse provincie; ongeveer): Asia was de Romeinse provincie in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
Uitleg
Ἀσία (Asia): de Romeinse provincie Asia, in het westen van het huidige Turkije, met Efeze als belangrijke stad.
28Zij riepen: „Mannen, Israëlieten, help! Dit is de man die overal iedereen leert tegen het volk, de wet en deze plaats. Bovendien heeft hij Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats onrein gemaakt.”
30De hele stad kwam in beroering en het volk liep samen. Zij grepen Paulus en sleepten hem de tempel uit. Meteen werden de deuren gesloten.
ἐκινήθη
(ekinethe)
kwam in beroering
τε
(te)
en
ἡ
(he)
de
πόλις
(polis)
stad
ὅλη
(hole)
hele
καὶ
(kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
er was
συνδρομὴ
(syndrome)
samenloop
τοῦ
(tou)
van het
λαοῦ
(laou)
volk
καὶ
(kai)
en
ἐπιλαβόμενοι
(epilabomenoi)
grijpend
τοῦ
(tou)
van
Παύλου
(Paulou)
Paulus
εἷλκον
(heilkon)
sleepten
αὐτὸν
(auton)
hem
ἔξω
(exo)
buiten
τοῦ
(tou)
de
ἱεροῦ
(hierou)
tempel
καὶ
(kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἐκλείσθησαν
(ekleisthesan)
werden gesloten
αἱ
(hai)
de
θύραι
(thyrai)
deuren
Bron: SBLGNT
De tribuun grijpt in
31Terwijl zij probeerden hem te doden, kwam er bericht bij de tribuun van de cohort dat heel Jeruzalem in verwarring was.
ζητούντων
(zetounton)
zoekend
τε
(te)
en
αὐτὸν
(auton)
hem
ἀποκτεῖναι
(apokteinai)
te doden
ἀνέβη
(anebe)
ging op
φάσις
(phasis)
bericht
τῷ
(to)
aan de
χιλιάρχῳ
(chiliarcho)
tribuun
τῆς
(tes)
van de
σπείρης
(speires)
cohort
ὅτι
(hoti)
dat
ὅλη
(hole)
heel
συγχύννεται
(synchynnetai)
in verwarring is
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
χιλίαρχος (chiliarchos), ‘tribuun’: een Romeinse officier die over een cohort gesteld was; letterlijk ‘aanvoerder van duizend’.
Zijn naam is Claudius Lysias (Hand. 23:26).
Hetzelfde Griekse woord vertalen wij in Joh. 18:12 met ‘bevelhebber’ en in Mark. 6:21 met ‘legeroverste’. σπεῖρα (speira), ‘cohort’: een Romeinse afdeling soldaten, zoals in Matt. 27:27 en Joh. 18:3.
32Meteen nam hij soldaten en hoofdmannen over honderd mee en rende naar hen toe. Toen zij de tribuun en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan.
ὃς
(hos)
die
ἐξαυτῆς
(exautes)
meteen
παραλαβὼν
(paralabon)
meenemend
στρατιώτας
(stratiotas)
soldaten
καὶ
(kai)
en
ἑκατοντάρχας
(hekatontarchas)
hoofdmannen over honderd
κατέδραμεν
(katedramen)
rende naar beneden
ἐπ’
(ep’)
naar
αὐτούς
(autous)
hen
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
ἰδόντες
(idontes)
zien hebbend
τὸν
(ton)
de
χιλίαρχον
(chiliarchon)
tribuun
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
στρατιώτας
(stratiotas)
soldaten
ἐπαύσαντο
(epausanto)
hielden op
τύπτοντες
(typtontes)
slaand
τὸν
(ton)
de
Παῦλον
(Paulon)
Paulus
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘hoofdman over honderd’: een officier die ongeveer 100 soldaten onder zich had; zie Matt. 8:5 en Luc. 7:2.
In Matt. 27:54 en Luc. 23:47 schrijven wij voor dezelfde functie ‘centurio’.
33Toen kwam de tribuun naderbij, greep hem en beval hem met twee ketens te binden. Hij vroeg wie hij was en wat hij gedaan had.
τότε
(tote)
toen
ἐγγίσας
(engisas)
naderend
ὁ
(ho)
de
χιλίαρχος
(chiliarchos)
tribuun
ἐπελάβετο
(epelabeto)
greep
αὐτοῦ
(autou)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐκέλευσε
(ekeleuse)
beval
δεθῆναι
(dethenai)
gebonden te worden
ἁλύσεσι
(halysesi)
ketens
δυσί
(dysi)
twee
καὶ
(kai)
en
ἐπυνθάνετο
(epynthaneto)
vroeg
τίς
(tis)
wie
εἴη
(eie)
hij zou zijn
καὶ
(kai)
en
τί
(ti)
wat
ἐστιν
(estin)
hij is
πεποιηκώς
(pepoiekos)
gedaan hebbend
Bron: SBLGNT
34In de menigte riepen sommigen het ene, anderen het andere. Omdat hij vanwege het lawaai niets met zekerheid kon te weten komen, beval hij hem de kazerne in te brengen.
ἄλλοι
(alloi)
anderen
δὲ
(de)
maar
ἄλλο
(allo)
iets anders
τι
(ti)
iets
ἐπεφώνουν
(epephonoun)
riepen
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ὄχλῳ
(ochlo)
menigte
μὴ
(me)
niet
δυναμένου
(dynamenou)
kunnend
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
hij
γνῶναι
(gnonai)
te weten
τὸ
(to)
het
ἀσφαλὲς
(asphales)
zekere
διὰ
(dia)
vanwege
τὸν
(ton)
het
θόρυβον
(thorybon)
lawaai
ἐκέλευσεν
(ekeleusen)
beval hij
ἄγεσθαι
(agesthai)
gebracht te worden
αὐτὸν
(auton)
hem
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
παρεμβολήν
(parembolen)
kazerne
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem.
De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg.
37Toen hij de kazerne zou worden binnengebracht, zei Paulus tegen de tribuun: „Mag ik iets tegen u zeggen?” Die zei: „Kun je Grieks?
Μέλλων
(Mellon)
op het punt staand
τε
(te)
en
εἰσάγεσθαι
(eisagesthai)
binnengebracht te worden
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
παρεμβολὴν
(parembolen)
kazerne
ὁ
(ho)
de
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
χιλιάρχῳ
(chiliarcho)
tribuun
Εἰ
(Ei)
of
ἔξεστίν
(exestin)
het is toegestaan
μοι
(moi)
mij
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
τι
(ti)
iets
πρὸς
(pros)
tot
σέ
(se)
u
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
ἔφη
(ephe)
zei
Ἑλληνιστὶ
(Hellenisti)
in het Grieks
γινώσκεις
(ginoskeis)
ken je
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem.
De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg.
De tekst noemt geen naam; dit is niet zeker.
Uitleg
Ἑλληνιστὶ γινώσκεις (Hellenisti ginoskeis), letterlijk ‘ken je Grieks?’: de tribuun wil weten of Paulus Grieks spreekt.
Hij spreekt Paulus aan met ‘je’; Paulus spreekt hem aan met ‘u’.
38Ben jij niet de Egyptenaar die kort geleden een opstand verwekte en de 4000 mannen van de sicariërs de woestijn in leidde?”
οὐκ
(ouk)
niet
ἄρα
(ara)
dan
σὺ
(sy)
jij
εἶ
(ei)
bent
ὁ
(ho)
de
Αἰγύπτιος
(Aigyptios)
Egyptenaar
ὁ
(ho)
die
πρὸ
(pro)
vóór
τούτων
(touton)
deze
τῶν
(ton)
de
ἡμερῶν
(hemeron)
dagen
ἀναστατώσας
(anastatosas)
in opstand brengend
καὶ
(kai)
en
ἐξαγαγὼν
(exagagon)
leidend
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
ἔρημον
(eremon)
woestijn
τοὺς
(tous)
de
τετρακισχιλίους
(tetrakischilious)
4000
ἄνδρας
(andras)
mannen
τῶν
(ton)
van de
σικαρίων
(sikarion)
sicariërs
Bron: SBLGNT
Uitleg
σικάριοι (sikarioi), ‘sicariërs’: van het Latijnse sica, ‘dolk’; een groep gewelddadige opstandelingen die met dolken werkte.
Over deze Egyptenaar vertelt het Nieuwe Testament verder niets.
39Paulus zei: „Ik ben een Joodse man, uit Tarsus in Cilicië, burger van een stad die niet onbekend is. Ik vraag u mij toe te staan tot het volk te spreken.”
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
Ἐγὼ
(Ego)
ik
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
μέν
(men)
wel
εἰμι
(eimi)
ben
Ἰουδαῖος
(Ioudaios)
Joods
Ταρσεὺς
(Tarseus)
uit Tarsus
τῆς
(tes)
van
Κιλικίας
(Kilikias)
Cilicië
οὐκ
(ouk)
niet
ἀσήμου
(asemou)
onbekende
πόλεως
(poleos)
stad
πολίτης
(polites)
burger
δέομαι
(deomai)
ik vraag
δέ
(de)
maar
σου
(sou)
u
ἐπίτρεψόν
(epitrepson)
sta toe
μοι
(moi)
mij
λαλῆσαι
(lalesai)
te spreken
πρὸς
(pros)
tot
τὸν
(ton)
het
λαόν
(laon)
volk
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Tarsus: Tarsus, de stad waar Saulus geboren werd, lag in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije, bij Mersin.
Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
Uitleg
Ταρσός (Tarsos), ‘Tarsus’: een grote stad in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije. οὐκ ἀσήμου (ouk asemou), ‘niet onbekend’: een bescheiden manier om te zeggen dat de stad beroemd was.
40Toen hij het had toegestaan, ging Paulus op de trappen staan en maakte met zijn hand een gebaar naar het volk. Het werd heel stil. Hij sprak hen toe in de Hebreeuwse taal en zei:
ἐπιτρέψαντος
(epitrepsantos)
toestaand
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
hij
ὁ
(ho)
de
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
ἑστὼς
(hestos)
staand
ἐπὶ
(epi)
op
τῶν
(ton)
de
ἀναβαθμῶν
(anabathmon)
trappen
κατέσεισε
(kateseise)
maakte een gebaar
τῇ
(te)
met de
χειρὶ
(cheiri)
hand
τῷ
(to)
naar het
λαῷ
(lao)
volk
πολλῆς
(polles)
grote
δὲ
(de)
maar
σιγῆς
(siges)
stilte
γενομένης
(genomenes)
ontstaan
προσεφώνησεν
(prosephonesen)
sprak toe
τῇ
(te)
in de
Ἑβραΐδι
(Hebraidi)
Hebreeuwse
διαλέκτῳ
(dialekto)
taal
λέγων
(legon)
zeggend
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἑβραΐδι διαλέκτῳ (Hebraidi dialekto), ‘Hebreeuwse taal’: in het Nieuwe Testament is dat vaak het Aramees van die tijd, de volkstaal; zie Joh. 19:13. κατέσεισε τῇ χειρί (katesise te cheiri), ‘maakte een gebaar met de hand’: een handbeweging om stilte te vragen.