Elohim Bijbel

Ester 1

12345678910

Het feest van Ahasveros en de weigering van Vasti

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het grote feest van koning Ahasveros

1Het was in de dagen van Ahasveros. Dit is de Ahasveros die regeerde van India tot Kush, over 127 provincies.
וַיְהִ֖י
(vayhi)
en het was
בִּימֵ֣י
(bimei)
in de dagen van
אֲחַשְׁוֵר֑וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
ה֣וּא
(hu)
hij
אֲחַשְׁוֵר֗וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
הַמֹּלֵךְ֙
(hamolekh)
die regeerde
מֵהֹ֣דּוּ
(mehodu)
van India
וְעַד
(vead)
en tot
כּ֔וּשׁ
(kush)
Kush
שֶׁ֛בַע
(sheva)
zeven
וְעֶשְׂרִ֥ים
(veesrim)
en twintig
וּמֵאָ֖ה
(umea)
en honderd
מְדִינָֽה
(medina)
provincie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kush: Kush was het gebied ten zuiden van Egypte, Nubië, het huidige Noord-Soedan.

Uitleg

אֲחַשְׁוֵרוֹשׁ (Achasjverosj), ‘Ahasveros’: de Hebreeuwse vorm van de naam van een Perzische koning.

Hij wordt meestal verbonden met Xerxes I.

In dit boek komt de naam Yahweh of Elohim niet voor.

הֹדּוּ (Hodu), ‘India’: het oostelijke deel van het Perzische rijk, meestal gelezen als het gebied rond de Indus. כּוּשׁ (Kush) ligt ten zuiden van Egypte. Samen noemen zij de uiterste grenzen van het rijk.

מְדִינָה (medinah), ‘provincie’: een bestuursgebied van het rijk. Het getal 127 staat ook in 8:9 en 9:30.

2In die dagen zat koning Ahasveros op de troon van zijn koningschap, in Sjoesjan, de burcht.
בַּיָּמִ֖ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֑ם
(hahem)
die
כְּשֶׁ֣בֶת
(keshevet)
toen zat
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲחַשְׁוֵר֗וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
עַ֚ל
(al)
op
כִּסֵּ֣א
(kise)
de troon van
מַלְכוּת֔וֹ
(malkhuto)
zijn koningschap
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּשׁוּשַׁ֥ן
(beshushan)
in Sjoesjan
הַבִּירָֽה
(habira)
de burcht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.

Uitleg

בִּירָה (birah), ‘burcht’: een versterkte stad of paleiswijk.

שׁוּשָׁן (Sjoesjan) is de stad die ook Susa wordt genoemd, in het zuidwesten van het huidige Iran.

3In het derde jaar van zijn regering gaf hij een feestmaal voor al zijn oversten en dienaren. Het leger van Perzië en Medië, de edelen en de oversten van de provincies waren bij hem.
בִּשְׁנַ֤ת
(bishnat)
in het jaar
שָׁלוֹשׁ֙
(shalosh)
drie
לְמָלְכ֔וֹ
(lemalekho)
van zijn regering
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte hij
מִשְׁתֶּ֔ה
(mishte)
een feestmaal
לְכָל
(lekhal)
voor al
שָׂרָ֖יו
(sarav)
zijn oversten
וַעֲבָדָ֑יו
(vaavadav)
en zijn dienaren
חֵ֣יל
(cheil)
het leger van
פָּרַ֣ס
(paras)
Perzië
וּמָדַ֗י
(umaday)
en Medië
הַֽפַּרְתְּמִ֛ים
(hapartemim)
de edelen
וְשָׂרֵ֥י
(vesarei)
en oversten van
הַמְּדִינ֖וֹת
(hamedinot)
de provincies
לְפָנָֽיו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran.

Uitleg

מִשְׁתֶּה (mishteh), ‘feestmaal’: een maaltijd waarbij gedronken wordt; het woord komt in dit boek vaak voor.

פַּרְתְּמִים (partemim), ‘edelen’: een leenwoord uit het Perzisch voor hooggeplaatste mannen.

4Zo liet hij vele dagen lang de rijkdom van zijn koningschap zien, de pracht van zijn grootheid en zijn glorie: 180 dagen.
בְּהַרְאֹת֗וֹ
(beharoto)
bij zijn tonen
אֶת
(et)
(obj.)
עֹ֨שֶׁר֙
(osher)
rijkdom van
כְּב֣וֹד
(kevod)
de glorie van
מַלְכוּת֔וֹ
(malkhuto)
zijn koningschap
וְאֶ֨ת
(veet)
en (obj.)
יְקָ֔ר
(yeqar)
kostbaarheid van
תִּפְאֶ֖רֶת
(tiferet)
pracht van
גְּדוּלָּת֑וֹ
(gedulato)
zijn grootheid
יָמִ֣ים
(yamim)
dagen
רַבִּ֔ים
(rabim)
vele
שְׁמוֹנִ֥ים
(shemonim)
tachtig
וּמְאַ֖ת
(umeat)
en honderd van
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

180 dagen zijn ongeveer zes maanden.

Daarna volgt het feestmaal van zeven dagen (vers 5).

5Toen die dagen voorbij waren, gaf de koning een feestmaal. Het duurde zeven dagen en was voor heel het volk dat in Sjoesjan, de burcht, was, van groot tot klein. Het was in de voorhof van de tuin van het paleis van de koning.
וּבִמְל֣וֹאת
(uvimlot)
en bij het voltooien van
הַיָּמִ֣ים
(hayamim)
de dagen
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְכָל
(lekhal)
voor al
הָעָ֣ם
(haam)
het volk
הַנִּמְצְאִים֩
(hanimtseim)
dat zich bevond
בְּשׁוּשַׁ֨ן
(beshushan)
in Sjoesjan
הַבִּירָ֜ה
(habira)
de burcht
לְמִגָּ֧דוֹל
(lemigadol)
van groot
וְעַד
(vead)
en tot
קָטָ֛ן
(qatan)
klein
מִשְׁתֶּ֖ה
(mishte)
een feestmaal
שִׁבְעַ֣ת
(shivat)
zeven van
יָמִ֑ים
(yamim)
dagen
בַּחֲצַ֕ר
(bachatsar)
in de voorhof van
גִּנַּ֥ת
(ginat)
de tuin van
בִּיתַ֖ן
(bitan)
het paleis van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.

6Er hingen witte stof, katoen en blauwe stof, vastgemaakt met koorden van fijn linnen en purper aan zilveren ringen en marmeren zuilen. Er stonden rustbedden van goud en zilver op een plaveisel van bahat-steen, marmer, parelmoer en zwarte steen.
ח֣וּר
(chur)
witte stof
כַּרְפַּ֣ס
(karpas)
katoen
וּתְכֵ֗לֶת
(utekhelet)
en blauwe stof
אָחוּז֙
(achuz)
vastgemaakt
בְּחַבְלֵי
(bechavlei)
met koorden van
ב֣וּץ
(buts)
fijn linnen
וְאַרְגָּמָ֔ן
(veargaman)
en purper
עַל
(al)
aan
גְּלִ֥ילֵי
(gelilei)
ringen van
כֶ֖סֶף
(kesef)
zilver
וְעַמּ֣וּדֵי
(veamudei)
en zuilen van
שֵׁ֑שׁ
(shesh)
marmer
מִטּ֣וֹת
(mitot)
rustbedden
זָהָ֣ב
(zahav)
goud
וָכֶ֗סֶף
(vakhesef)
en zilver
עַ֛ל
(al)
op
רִֽצְפַ֥ת
(ritsfat)
een plaveisel van
בַּהַט
(bahat)
bahat-steen
וָשֵׁ֖שׁ
(vashesh)
en marmer
וְדַ֥ר
(vedar)
en parelmoer
וְסֹחָֽרֶת
(vesocharet)
en zwarte steen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De namen van de materialen in dit vers zijn gedeeltelijk onzeker: חוּר (chur), ‘witte stof’; כַּרְפַּס (karpas), ‘katoen’; בַּהַט (bahat), ‘bahat-steen’; שֵׁשׁ (shesh), ‘marmer’ (elders ook ‘fijn linnen’); דַּר (dar), ‘parelmoer’; סֹחֶרֶת (socheret), ‘zwarte steen’.

Wij geven de meest gangbare betekenissen.

7Men schonk de drank in gouden bekers, elke beker anders. Er was koninklijke wijn in overvloed, naar de mildheid van de koning.
וְהַשְׁקוֹת֙
(vehashqot)
en het schenken
בִּכְלֵ֣י
(bikhlei)
in vaten van
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וְכֵלִ֖ים
(vekhelim)
en vaten
מִכֵּלִ֣ים
(mikelim)
van vaten
שׁוֹנִ֑ים
(shonim)
verschillend
וְיֵ֥ין
(veyein)
en wijn van
מַלְכ֛וּת
(malkhut)
koninkrijk
רָ֖ב
(rav)
veel
כְּיַ֥ד
(keyad)
naar de hand van
הַמֶּֽלֶךְ
(hamelekh)
de koning
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk ‘naar de hand van de koning’: zoals de koning kon en wilde geven.

8Het drinken ging volgens de regel: niemand werd gedwongen. Want zo had de koning het bevolen aan alle bestuurders van zijn huis: ieder mocht doen wat hij wilde.
וְהַשְּׁתִיָּ֥ה
(vehashetiya)
en het drinken
כַדָּ֖ת
(kadat)
volgens de regel
אֵ֣ין
(ein)
niemand
אֹנֵ֑ס
(ones)
dwingt
כִּי
(ki)
want
כֵ֣ן
(ken)
zo
יִסַּ֣ד
(yisad)
had vastgesteld
הַמֶּ֗לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עַ֚ל
(al)
over
כָּל
(kal)
alle
רַ֣ב
(rav)
bestuurders van
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
לַעֲשׂ֖וֹת
(laasot)
om te doen
כִּרְצ֥וֹן
(kirtson)
naar de wil van
אִישׁ
(ish)
man
וָאִֽישׁ
(vaish)
en man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt dat het drinken ‘volgens de regel’ (כַּדָּת, kadat) ging.

Het vervolg van het vers zegt wat die regel was: niemand werd gedwongen te drinken.

Het feest van koningin Vasti

9Ook koningin Vasti gaf een feestmaal voor de vrouwen, in het koninklijk huis van koning Ahasveros.
גַּ֚ם
(gam)
ook
וַשְׁתִּ֣י
(vashti)
Vasti
הַמַּלְכָּ֔ה
(hamalka)
de koningin
עָשְׂתָ֖ה
(aseta)
maakte
מִשְׁתֵּ֣ה
(mishte)
een feestmaal
נָשִׁ֑ים
(nashim)
van vrouwen
בֵּ֚ית
(beit)
in het huis van
הַמַּלְכ֔וּת
(hamalkhut)
het koningschap
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
לַמֶּ֥לֶךְ
(lamelekh)
van de koning
אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Vasti weigert te komen

10Op de zevende dag, toen het hart van de koning vrolijk was van de wijn, zei hij tegen Mehuman, Bizta, Charbona, Bigta, Abagta, Zetar en Karkas. Dit waren de zeven hovelingen die het gezicht van koning Ahasveros dienden.
בַּיּוֹם֙
(bayom)
op de dag
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
כְּט֥וֹב
(ketov)
als vrolijk was
לֵב
(lev)
het hart van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בַּיָּ֑יִן
(bayayin)
van de wijn
אָמַ֡ר
(amar)
zei hij
לִ֠מְהוּמָן
(limhuman)
tegen Mehuman
בִּזְּתָ֨א
(bizeta)
Bizta
חַרְבוֹנָ֜א
(charvona)
Charbona
בִּגְתָ֤א
(bigta)
Bigta
וַאֲבַגְתָא֙
(vaavagta)
en Abagta
זֵתַ֣ר
(zetar)
Zetar
וְכַרְכַּ֔ס
(vekharkas)
en Karkas
שִׁבְעַת֙
(shivat)
zeven
הַסָּ֣רִיסִ֔ים
(hasarisim)
de hovelingen
הַמְשָׁ֣רְתִ֔ים
(hamsharetim)
die dienden
אֶת
(et)
(obj.)
פְּנֵ֖י
(penei)
het gezicht van
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

סָרִיס (saris), ‘hoveling’: een ambtenaar aan het hof.

Het woord kan een gesneden man aanduiden, maar niet altijd.

Het is niet duidelijk of Mehuman (hier) dezelfde man is als Memuchan (vers 14, 16 en 21).

11Zij moesten koningin Vasti met de koninklijke kroon bij de koning brengen. Hij wilde de volken en de oversten haar schoonheid laten zien. Want zij was mooi om te zien.
לְ֠הָבִיא
(lehavi)
om te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
וַשְׁתִּ֧י
(vashti)
Vasti
הַמַּלְכָּ֛ה
(hamalka)
de koningin
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בְּכֶ֣תֶר
(bekheter)
met de kroon van
מַלְכ֑וּת
(malkhut)
koningschap
לְהַרְא֨וֹת
(leharot)
om te tonen
הָֽעַמִּ֤ים
(haamim)
aan de volken
וְהַשָּׂרִים֙
(vehasarim)
en de oversten
אֶת
(et)
(obj.)
יָפְיָ֔הּ
(yafeyah)
haar schoonheid
כִּֽי
(ki)
want
טוֹבַ֥ת
(tovat)
mooi van
מַרְאֶ֖ה
(mare)
uiterlijk
הִֽיא
(hi)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Maar koningin Vasti weigerde te komen op het woord van de koning, dat de hovelingen haar brachten. De koning werd zeer kwaad en zijn woede brandde in hem.
וַתְּמָאֵ֞ן
(vatemaen)
en weigerde
הַמַּלְכָּ֣ה
(hamalka)
de koningin
וַשְׁתִּ֗י
(vashti)
Vasti
לָבוֹא֙
(lavo)
te komen
בִּדְבַ֣ר
(bidvar)
op het woord van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
בְּיַ֣ד
(beyad)
door de hand van
הַסָּרִיסִ֑ים
(hasarisim)
de hovelingen
וַיִּקְצֹ֤ף
(vayiqtsof)
en werd kwaad
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וַחֲמָת֖וֹ
(vachamato)
en zijn woede
בָּעֲרָ֥ה
(baara)
brandde
בֽוֹ
(bo)
in hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tekst geeft niet aan waarom Vasti weigerde.

Hij zegt alleen dat zij niet wilde komen.

De koning raadpleegt zijn wijzen

13De koning sprak met de wijzen, de kenners van de tijden. Zo bracht de koning zijn zaak altijd voor allen die wet en recht kennen.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לַחֲכָמִ֖ים
(lachakhamim)
tot de wijzen
יֹדְעֵ֣י
(yodeei)
kenners van
הָֽעִתִּ֑ים
(haitim)
de tijden
כִּי
(ki)
want
כֵן֙
(ken)
zo
דְּבַ֣ר
(devar)
de zaak van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לִפְנֵ֕י
(lifnei)
voor het aangezicht van
כָּל
(kal)
allen
יֹדְעֵ֖י
(yodeei)
kenners van
דָּ֥ת
(dat)
wet
וָדִֽין
(vadin)
en recht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יֹדְעֵי הָעִתִּים (yod'ei ha'ittim), ‘kenners van de tijden’: mannen die verstand hadden van tijden en gebeurtenissen.

Het is niet zeker of zij sterrenkundigen waren of mannen die de geschiedenis kenden.

14Het dichtst bij hem waren Karsjena, Sjetar, Admata, Tarsjisj, Meres, Marsena en Memuchan. Dit waren de zeven oversten van Perzië en Medië, die het gezicht van de koning mochten zien en de eerste plaats in het koninkrijk hadden.
וְהַקָּרֹ֣ב
(vehaqarov)
en dichtbij
אֵלָ֗יו
(elav)
hem
כַּרְשְׁנָ֤א
(karshena)
Karsjena
שֵׁתָר֙
(shetar)
Sjetar
אַדְמָ֣תָא
(admata)
Admata
תַרְשִׁ֔ישׁ
(tarshish)
Tarsjisj
מֶ֥רֶס
(meres)
Meres
מַרְסְנָ֖א
(marsena)
Marsena
מְמוּכָ֑ן
(memukhan)
Memuchan
שִׁבְעַ֞ת
(shivat)
zeven
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
פָּרַ֣ס
(paras)
Perzië
וּמָדַ֗י
(umaday)
en Medië
רֹאֵי֙
(roei)
zienden van
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
הַיֹּשְׁבִ֥ים
(hayoshevim)
die zaten
רִאשֹׁנָ֖ה
(rishona)
eerste
בַּמַּלְכֽוּת
(bamalkhut)
in het koninkrijk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran.

15Hij vroeg: „Wat moet men volgens de wet doen met koningin Vasti? Want zij heeft het bevel van koning Ahasveros, dat de hovelingen haar brachten, niet uitgevoerd.”
כְּדָת֙
(kedat)
volgens wet
מַֽה
(ma)
wat
לַּעֲשׂ֔וֹת
(laasot)
te doen
בַּמַּלְכָּ֖ה
(bamalka)
met de koningin
וַשְׁתִּ֑י
(vashti)
Vasti
עַ֣ל
(al)
over
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
עָשְׂתָ֗ה
(aseta)
zij deed
אֶֽת
(et)
(obj.)
מַאֲמַר֙
(maamar)
het bevel van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
הַסָּרִיסִֽים
(hasarisim)
de hovelingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEst 6:6

Het advies van Memuchan

16Memuchan zei voor het aangezicht van de koning en de oversten: „Koningin Vasti heeft niet alleen tegen de koning verkeerd gehandeld. Zij deed het tegen alle oversten en tegen alle volken in alle provincies van koning Ahasveros.
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מְמוּכָ֗ן
(memukhan)
Memuchan
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
וְהַשָּׂרִ֔ים
(vehasarim)
en de oversten
לֹ֤א
(lo)
niet
עַל
(al)
tegen
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
לְבַדּ֔וֹ
(levado)
alleen
עָוְתָ֖ה
(aveta)
heeft verkeerd gehandeld
וַשְׁתִּ֣י
(vashti)
Vasti
הַמַּלְכָּ֑ה
(hamalka)
de koningin
כִּ֤י
(ki)
want
עַל
(al)
tegen
כָּל
(kal)
alle
הַשָּׂרִים֙
(hasarim)
de oversten
וְעַל
(veal)
en tegen
כָּל
(kal)
alle
הָ֣עַמִּ֔ים
(haamim)
de volken
אֲשֶׁ֕ר
(asher)
die
בְּכָל
(bekhal)
in alle
מְדִינ֖וֹת
(medinot)
provincies van
הַמֶּ֥לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲחַשְׁוֵרֽוֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

Het geschreven Hebreeuws (ketiv) heeft מוּמְכָן (Mumchan).

De mondelinge lezing (qere) is מְמוּכָן (Memuchan).

Wij volgen de qere.

17Want wat de koningin heeft gedaan, zal bij alle vrouwen bekend worden. Zij zullen hun heren verachten, als zij zeggen: ‘Koning Ahasveros zei dat men koningin Vasti bij hem moest brengen, maar zij kwam niet.’
כִּֽי
(ki)
want
יֵצֵ֤א
(yetse)
gaat uit
דְבַר
(devar)
het woord van
הַמַּלְכָּה֙
(hamalka)
de koningin
עַל
(al)
naar
כָּל
(kal)
alle
הַנָּשִׁ֔ים
(hanashim)
de vrouwen
לְהַבְז֥וֹת
(lehavzot)
om te verachten
בַּעְלֵיהֶ֖ן
(baleihen)
hun heren
בְּעֵינֵיהֶ֑ן
(beeineihen)
in hun ogen
בְּאָמְרָ֗ם
(beameram)
bij hun zeggen
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲחַשְׁוֵר֡וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
אָמַ֞ר
(amar)
zei
לְהָבִ֨יא
(lehavi)
om te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
וַשְׁתִּ֧י
(vashti)
Vasti
הַמַּלְכָּ֛ה
(hamalka)
de koningin
לְפָנָ֖יו
(lefanav)
voor zijn aangezicht
וְלֹא
(velo)
en niet
בָֽאָה
(baa)
zij kwam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Vandaag nog zullen de vorstinnen van Perzië en Medië, die gehoord hebben wat de koningin deed, het zeggen tegen alle oversten van de koning. Dan komt er genoeg verachting en woede.
וְֽהַיּ֨וֹם
(vehayom)
en deze dag
הַזֶּ֜ה
(haze)
die
תֹּאמַ֣רְנָה
(tomarna)
zullen zeggen
שָׂר֣וֹת
(sarot)
vorstinnen van
פָּֽרַס
(paras)
Perzië
וּמָדַ֗י
(umaday)
en Medië
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
שָֽׁמְעוּ֙
(shameu)
hebben gehoord
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבַ֣ר
(devar)
het woord van
הַמַּלְכָּ֔ה
(hamalka)
de koningin
לְכֹ֖ל
(lekhol)
tegen alle
שָׂרֵ֣י
(sarei)
oversten van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וּכְדַ֖י
(ukheday)
en genoeg
בִּזָּי֥וֹן
(bizayon)
verachting
וָקָֽצֶף
(vaqatsef)
en woede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran.

19Als het de koning goed lijkt, laat dan een koninklijk woord van hem uitgaan. Laat het worden opgeschreven in de wetten van Perzië en Medië, zodat het niet vervalt: Vasti mag niet meer voor koning Ahasveros komen. Haar koninklijke waardigheid geeft de koning aan een ander, die beter is dan zij.
אִם
(im)
als
עַל
(al)
over
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
ט֗וֹב
(tov)
goed
יֵצֵ֤א
(yetse)
laat uitgaan
דְבַר
(devar)
een woord van
מַלְכוּת֙
(malkhut)
koningschap
מִלְּפָנָ֔יו
(milefanav)
van voor hem
וְיִכָּתֵ֛ב
(veyikatev)
en laat het worden geschreven
בְּדָתֵ֥י
(bedatei)
in de wetten van
פָֽרַס
(paras)
Perzië
וּמָדַ֖י
(umaday)
en Medië
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יַעֲב֑וֹר
(yaavor)
zal voorbijgaan
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
תָב֜וֹא
(tavo)
zal komen
וַשְׁתִּ֗י
(vashti)
Vasti
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor het aangezicht van
הַמֶּ֣לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲחַשְׁוֵר֔וֹשׁ
(achashverosh)
Ahasveros
וּמַלְכוּתָהּ֙
(umalkhutah)
en haar koningschap
יִתֵּ֣ן
(yiten)
laat geven
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לִרְעוּתָ֖הּ
(lirutah)
aan haar naaste
הַטּוֹבָ֥ה
(hatova)
die beter is
מִמֶּֽנָּה
(mimena)
dan zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Perzië (Parsa): Perzië (Parsa) is het kerngebied van de Perzen, het huidige Fars in het zuiden van Iran, rond Persepolis.

Het Perzische rijk reikte veel verder.

Zie Medië: Madai (Medië) lag in het noordwesten van het huidige Iran.

Uitleg

De ‘wetten van Perzië en Medië’ konden niet worden herroepen.

Zie ook 8:8 en Dan. 6:9 (NL 6:8).

לְרְעוּתָהּ (lere'utah), ‘aan haar naaste’: een andere vrouw, die haar plaats inneemt.

20Laat het besluit van de koning, dat hij neemt, in heel zijn koninkrijk worden gehoord, hoe groot het ook is. Dan zullen alle vrouwen hun heren eer geven, van groot tot klein.”
וְנִשְׁמַע֩
(venishma)
en laat worden gehoord
פִּתְגָ֨ם
(pitgam)
het besluit van
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֲשֶֽׁר
(asher)
dat
יַעֲשֶׂה֙
(yaase)
hij zal doen
בְּכָל
(bekhal)
in heel
מַלְכוּת֔וֹ
(malkhuto)
zijn koninkrijk
כִּ֥י
(ki)
want
רַבָּ֖ה
(raba)
groot
הִ֑יא
(hi)
het is
וְכָל
(vekhal)
en alle
הַנָּשִׁ֗ים
(hanashim)
de vrouwen
יִתְּנ֤וּ
(yitenu)
zullen geven
יְקָר֙
(yeqar)
eer
לְבַעְלֵיהֶ֔ן
(levaleihen)
aan hun heren
לְמִגָּד֖וֹל
(lemigadol)
van groot
וְעַד
(vead)
en tot
קָטָֽן
(qatan)
klein
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het besluit en de brieven

21Het woord was goed in de ogen van de koning en van de oversten. De koning deed naar het woord van Memuchan.
וַיִּיטַב֙
(vayitav)
en was goed
הַדָּבָ֔ר
(hadavar)
het woord
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְהַשָּׂרִ֑ים
(vehasarim)
en de oversten
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en deed
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
naar het woord van
מְמוּכָֽן
(memukhan)
Memuchan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Hij stuurde brieven naar alle provincies van de koning, naar elke provincie in haar eigen schrift en naar elk volk in zijn eigen taal. Iedere man moest heer zijn in zijn huis en spreken in de taal van zijn volk.
וַיִּשְׁלַ֤ח
(vayishlach)
en stuurde
סְפָרִים֙
(sefarim)
brieven
אֶל
(el)
naar
כָּל
(kal)
alle
מְדִינ֣וֹת
(medinot)
provincies van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
naar
מְדִינָ֤ה
(medina)
provincie
וּמְדִינָה֙
(umedina)
en provincie
כִּכְתָבָ֔הּ
(kikhtavah)
naar haar schrift
וְאֶל
(veel)
en naar
עַ֥ם
(am)
volk
וָעָ֖ם
(vaam)
en volk
כִּלְשׁוֹנ֑וֹ
(kilshono)
naar zijn taal
לִהְי֤וֹת
(lihyot)
om te zijn
כָּל
(kal)
iedere
אִישׁ֙
(ish)
man
שֹׂרֵ֣ר
(sorer)
heerser
בְּבֵית֔וֹ
(beveito)
in zijn huis
וּמְדַבֵּ֖ר
(umedaber)
en sprekend
כִּלְשׁ֥וֹן
(kilshon)
naar de taal van
עַמּֽוֹ
(amo)
zijn volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De laatste woorden van het vers zijn moeilijk.

Letterlijk staat er: ‘dat iedere man heerser zou zijn in zijn huis en sprekend naar de taal van zijn volk’.

Onzeker is of het gaat om de taal van de man of om een bepaalde taal die in huis gesproken moest worden.