Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De eed van Israël en het verdriet om Benjamin
1De mannen van Israël hadden in Mizpa gezworen: „Niemand van ons zal zijn dochter aan Benjamin tot vrouw geven.”
וְאִ֣ישׁ
(veish)
en de man van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
נִשְׁבַּ֥ע
(nishba)
had gezworen
בַּמִּצְפָּ֖ה
(bamitspa)
in Mizpa
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
אִ֣ישׁ
(ish)
een man
מִמֶּ֔נּוּ
(mimenu)
van ons
לֹא
(lo)
niet
יִתֵּ֥ן
(yiten)
zal geven
בִּתּ֛וֹ
(bito)
zijn dochter
לְבִנְיָמִ֖ן
(levinyamin)
aan Benjamin
לְאִשָּֽׁה
(leisha)
tot vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Mizpa: zie de Plaats-voetnoot bij 20:1.
Uitleg
De eed in Mizpa wordt hier voor het eerst genoemd.
5De zonen van Israël zeiden: „Wie van alle stammen van Israël is niet naar de vergadering opgetrokken, naar Yahweh?” Want de grote eed gold voor wie niet naar Yahweh in Mizpa was opgetrokken. Die eed was: „Hij moet zeker gedood worden.”
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִ֠י
(mi)
wie
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
לֹא
(lo)
niet
עָלָ֧ה
(ala)
is opgetrokken
בַקָּהָ֛ל
(baqahal)
naar de vergadering
מִכָּל
(mikal)
uit alle
שִׁבְטֵ֥י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כִּי֩
(ki)
want
הַשְּׁבוּעָ֨ה
(hashevua)
de eed
הַגְּדוֹלָ֜ה
(hagedola)
de grote
הָיְתָ֗ה
(hayeta)
was
לַ֠אֲשֶׁר
(laasher)
over wie
לֹא
(lo)
niet
עָלָ֨ה
(ala)
is opgetrokken
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֧ה
(Yahweh)
Yahweh
הַמִּצְפָּ֛ה
(hamitspa)
naar Mizpa
לֵאמֹ֖ר
(lemor)
zeggende
מ֥וֹת
(mot)
sterven
יוּמָֽת
(yumat)
hij zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
Uitleg
מוֹת יוּמַת (mot yumat), ‘hij zal zeker gedood worden’: dubbele vorm, die de straf sterk maakt.
De eed van vers 1 ging over het geven van dochters.
Deze tweede eed, over wie niet naar Mizpa kwam, wordt hier voor het eerst genoemd.
7Wat moeten wij voor de overgeblevenen doen, zodat zij vrouwen krijgen? Wij hebben bij Yahweh gezworen dat wij hun niet van onze dochters tot vrouw zouden geven.”
מַה
(ma)
wat
נַּעֲשֶׂ֥ה
(naase)
zullen wij doen
לָהֶ֛ם
(lahem)
voor hen
לַנּוֹתָרִ֖ים
(lanotarim)
voor de overgeblevenen
לְנָשִׁ֑ים
(lenashim)
voor vrouwen
וַאֲנַ֨חְנוּ֙
(vaanachnu)
en wij
נִשְׁבַּ֣עְנוּ
(nishbanu)
hebben gezworen
בַֽיהוָ֔ה
(baYahweh)
bij Yahweh
לְבִלְתִּ֛י
(levilti)
om niet
תֵּת
(tet)
te geven
לָהֶ֥ם
(lahem)
aan hen
מִבְּנוֹתֵ֖ינוּ
(mibenoteinu)
van onze dochters
לְנָשִֽׁים
(lenashim)
tot vrouwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Zij zeiden: „Wie is er van de stammen van Israël die niet naar Yahweh in Mizpa is opgetrokken?” En zie, er was niemand uit Jabes in Gilead naar het kamp gekomen, naar de vergadering.
וַיֹּ֣אמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
מִ֗י
(mi)
wie
אֶחָד֙
(echad)
één
מִשִּׁבְטֵ֣י
(mishivtei)
van de stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
עָלָ֥ה
(ala)
is opgetrokken
אֶל
(el)
naar
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הַמִּצְפָּ֑ה
(hamitspa)
naar Mizpa
וְ֠הִנֵּה
(vehine)
en zie
לֹ֣א
(lo)
niet
בָא
(ba)
was gekomen
אִ֧ישׁ
(ish)
een man
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֛ה
(hamachane)
het kamp
מִיָּבֵ֥ישׁ
(miyaveish)
uit Jabes
גִּלְעָ֖ד
(gilad)
Gilead
אֶל
(el)
naar
הַקָּהָֽל
(haqahal)
de vergadering
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jabes in Gilead ligt waarschijnlijk bij Tell el-Maqlub of Tell Abu Kharaz in het huidige Jordanië, ten oosten van de Jordaan.
De ligging is onzeker.
Zie Mizpa (Tell en-Nasbeh): Mizpa wordt gezocht bij Tell en-Nasbeh, ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Richteren 10 en 11 gaat het om een Mizpa in Gilead, ten oosten van de Jordaan.
9Het volk werd geteld. En zie, er was daar niemand van de inwoners van Jabes in Gilead.
וַיִּתְפָּקֵ֖ד
(vayitpaqed)
en werd geteld
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וְהִנֵּ֤ה
(vehine)
en zie
אֵֽין
(ein)
niet is
שָׁם֙
(sham)
daar
אִ֔ישׁ
(ish)
een man
מִיּוֹשְׁבֵ֖י
(miyoshevei)
van de inwoners van
יָבֵ֥שׁ
(yavesh)
Jabes
גִּלְעָֽד
(gilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.
Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
10De gemeenschap stuurde daarheen 12.000 man, dappere mannen. Zij gaf hun dit bevel: „Ga en sla de inwoners van Jabes in Gilead met de scherpte van het zwaard, en de vrouwen en de kleine kinderen.
וַיִּשְׁלְחוּ
(vayishlechu)
en zonden
שָׁ֣ם
(sham)
daarheen
הָעֵדָ֗ה
(haeda)
de gemeenschap
שְׁנֵים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
הֶחָ֑יִל
(hechayil)
de kracht
וַיְצַוּ֨וּ
(vaytsauu)
en geboden
אוֹתָ֜ם
(otam)
hun
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
לְ֠כוּ
(lekhu)
gaat
וְהִכִּיתֶ֞ם
(vehikitem)
en slaat
אֶת
(et)
(obj.)
יוֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
de inwoners van
יָבֵ֤שׁ
(yavesh)
Jabes
גִּלְעָד֙
(gilad)
Gilead
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
וְהַנָּשִׁ֖ים
(vehanashim)
en de vrouwen
וְהַטָּֽף
(vehataf)
en de kleine kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.
Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
בְּנֵי הֶחָיִל (bene hechayil), ‘zonen van de kracht’: dappere mannen.
De tekst zegt hard wat het volk beveelt: de inwoners worden met het zwaard geslagen, ook de vrouwen en de kleine kinderen. Wij vertalen wat er staat.
11Dit is wat jullie moeten doen: elke man en elke vrouw die met een man heeft geslapen, moeten jullie met de ban slaan.”
וְזֶ֥ה
(veze)
en dit
הַדָּבָ֖ר
(hadavar)
de zaak
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
תַּעֲשׂ֑וּ
(taasu)
jullie zullen doen
כָּל
(kal)
elke
זָכָ֗ר
(zakhar)
man
וְכָל
(vekhal)
en elke
אִשָּׁ֛ה
(isha)
vrouw
יֹדַ֥עַת
(yodaat)
die kende
מִשְׁכַּב
(mishkav)
het bed van
זָכָ֖ר
(zakhar)
een man
תַּחֲרִֽימוּ
(tacharimu)
jullie zullen met de ban slaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הֶחֱרִים (hecherim), ‘met de ban slaan’: iets of iemand volledig aan Yahweh toewijden en dus vernietigen.
Zie ook Deut. 20:17.
יֹדַעַת מִשְׁכַּב זָכָר (yoda’at mishkav zakhar), ‘die het bed van een man heeft gekend’: een vrouw die met een man heeft geslapen. Zo staat het ook in Num. 31:17, 35.
12Zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead 400 jonge vrouwen, maagden, die niet met een man hadden geslapen. Zij brachten hen naar het kamp in Silo, dat in het land Kanaän ligt.
וַֽיִּמְצְא֞וּ
(vayimtseu)
en zij vonden
מִיּוֹשְׁבֵ֣י
(miyoshevei)
onder de inwoners van
יָבֵ֣ישׁ
(yaveish)
Jabes
גִּלְעָ֗ד
(gilad)
Gilead
אַרְבַּ֤ע
(arba)
vier
מֵאוֹת֙
(meot)
honderd
נַעֲרָ֣ה
(naara)
jonge vrouw
בְתוּלָ֔ה
(betula)
maagd
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָדְעָ֛ה
(yadea)
kende
אִ֖ישׁ
(ish)
een man
לְמִשְׁכַּ֣ב
(lemishkav)
met het bed van
זָכָ֑ר
(zakhar)
een man
וַיָּבִ֨יאוּ
(vayaviu)
en zij brachten
אוֹתָ֤ם
(otam)
hen
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶה֙
(hamachane)
het kamp
שִׁלֹ֔ה
(shilo)
Silo
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo ligt bij het huidige Khirbet Seilun, ongeveer 30 kilometer ten noorden van Jeruzalem (zie 18:31).
Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.
Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Uitleg
Silo ligt in het land Kanaän, dat wil zeggen: aan deze kant van de Jordaan.
14Benjamin keerde in die tijd terug. Zij gaven hun de vrouwen die zij van de vrouwen van Jabes in Gilead in leven hadden gelaten. Maar zo vonden zij er niet genoeg voor hen.
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
בִּנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
בָּעֵ֣ת
(baet)
in de tijd
הַהִ֔יא
(hahi)
die
וַיִּתְּנ֤וּ
(vayitenu)
en zij gaven
לָהֶם֙
(lahem)
hun
הַנָּשִׁ֔ים
(hanashim)
de vrouwen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
חִיּ֔וּ
(chiyu)
zij lieten leven
מִנְּשֵׁ֖י
(mineshei)
van de vrouwen van
יָבֵ֣שׁ
(yavesh)
Jabes
גִּלְעָ֑ד
(gilad)
Gilead
וְלֹֽא
(velo)
en niet
מָצְא֥וּ
(matseu)
vonden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor hen
כֵּֽן
(ken)
zo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jabes in Gilead (ligging onzeker): Jabes in Gilead lag ten oosten van de Jordaan.
Tell el-Maqlub is voorgesteld; dit is niet zeker.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
Het gaat om de 400 maagden uit vers 12.
De Benjaminieten die overbleven waren 600 (20:47); zo waren er te weinig vrouwen.
Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij vonden voor hen niet zo’.
16De oudsten van de gemeenschap zeiden: „Wat moeten wij voor de overgeblevenen doen, zodat zij vrouwen krijgen? Want in Benjamin zijn de vrouwen verdelgd.”
וַיֹּֽאמְר֨וּ
(vayomru)
en zeiden
זִקְנֵ֣י
(ziqnei)
de oudsten van
הָעֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
מַה
(ma)
wat
נַּעֲשֶׂ֥ה
(naase)
zullen wij doen
לַנּוֹתָרִ֖ים
(lanotarim)
voor de overgeblevenen
לְנָשִׁ֑ים
(lenashim)
voor vrouwen
כִּֽי
(ki)
want
נִשְׁמְדָ֥ה
(nishmeda)
is verdelgd
מִבִּנְיָמִ֖ן
(mibinyamin)
uit Benjamin
אִשָּֽׁה
(isha)
vrouw
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נִשְׁמְדָה (nishmedah), ‘verdelgd’: het werkwoord shamad.
19Zij zeiden: „Zie, er is jaar na jaar een feest van Yahweh in Silo. Het ligt ten noorden van Betel, ten oosten van de weg die van Betel omhoog naar Sichem gaat, en ten zuiden van Lebona.”
וַיֹּאמְר֡וּ
(vayomru)
en zeiden
הִנֵּה֩
(hine)
zie
חַג
(chag)
een feest van
יְהוָ֨ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּשִׁל֜וֹ
(beshilo)
in Silo
מִיָּמִ֣ים
(miyamim)
van jaar
יָמִ֗ימָה
(yamima)
tot jaar
אֲשֶׁ֞ר
(asher)
die
מִצְּפ֤וֹנָה
(mitsefona)
ten noorden van
לְבֵֽית
(leveit)
Bet
אֵל֙
(el)
El
מִזְרְחָ֣ה
(mizrecha)
ten oosten van
הַשֶּׁ֔מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
לִמְסִלָּ֔ה
(limsila)
de weg
הָעֹלָ֥ה
(haola)
die opgaat
מִבֵּֽית
(mibeit)
van Bet
אֵ֖ל
(el)
El
שְׁכֶ֑מָה
(shekhema)
naar Sichem
וּמִנֶּ֖גֶב
(uminegev)
en ten zuiden van
לִלְבוֹנָֽה
(lilvona)
Lebona
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Silo ligt ten noorden van Betel, ten oosten van de weg van Betel naar Sichem en ten zuiden van Lebona.
Lebona ligt waarschijnlijk bij het huidige Lubban esh-Sharqiyeh, in de buurt van Silo.
Sichem ligt bij het huidige Nabloes (Tell Balata) op de Westelijke Jordaanoever.
Het gaat om Silo in het gebied van Efraïm.
Uitleg
חַג יְהוָה (chag Yahweh), ‘feest van Yahweh’: een jaarlijks pelgrimsfeest.
20Zij gaven de zonen van Benjamin dit bevel: „Ga en leg een hinderlaag in de wijngaarden.
וַיְצַוּ֕וּ
(vaytsauu)
en geboden
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לְכ֖וּ
(lekhu)
gaat
וַאֲרַבְתֶּ֥ם
(vaaravtem)
en legt een hinderlaag
בַּכְּרָמִֽים
(bakeramim)
in de wijngaarden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Kijk uit. Zie, als de dochters van Silo uitkomen om te dansen in de reidans, kom dan uit de wijngaarden en grijp voor jullie elk een vrouw uit de dochters van Silo. Ga dan naar het land Benjamin.
וּרְאִיתֶ֗ם
(ureitem)
en jullie zullen zien
וְ֠הִנֵּה
(vehine)
en zie
אִם
(im)
als
יֵ֨צְא֥וּ
(yetseu)
uitkomen
בְנוֹת
(benot)
de dochters van
שִׁילוֹ֮
(shilo)
Silo
לָח֣וּל
(lachul)
om te dansen
בַּמְּחֹלוֹת֒
(bamecholot)
in de reidansen
וִֽיצָאתֶם֙
(vitsatem)
en jullie komen uit
מִן
(min)
uit
הַכְּרָמִ֔ים
(hakeramim)
de wijngaarden
וַחֲטַפְתֶּ֥ם
(vachataftem)
en grijpen
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
מִבְּנ֣וֹת
(mibenot)
uit de dochters van
שִׁיל֑וֹ
(shilo)
Silo
וַהֲלַכְתֶּ֖ם
(vahalakhtem)
en gaat
אֶ֥רֶץ
(erets)
het land
בִּנְיָמִֽן
(binyamin)
Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Silo: Silo lag in het bergland van Efraïm, ongeveer 30 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
וַחֲטַפְתֶּם (vachatafetem), ‘en grijp’: het werkwoord chataf betekent ‘grijpen, roven’.
Hier is het een bevel van de gemeenschap.
Wij vertalen zoals het staat.
בַּמְּחֹלוֹת (bamecholot), ‘in de reidansen’: vrouwen die in een kring dansen, zoals Mirjam in Exod. 15:20.
22Als hun vaders of hun broers bij ons komen om te twisten, dan zeggen wij tegen hen: ‘Wees hun genadig om onze wil. Want wij hebben in de oorlog niet voor ieder man zijn vrouw genomen. Jullie hebben ze hun niet gegeven; op dat moment zouden jullie schuldig zijn.’”
וְהָיָ֡ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
als
יָבֹ֣אוּ
(yavou)
komen
אֲבוֹתָם֩
(avotam)
hun vaders
א֨וֹ
(o)
of
אֲחֵיהֶ֜ם
(acheihem)
hun broers
לָרִ֣יב
(lariv)
om te twisten
אֵלֵ֗ינוּ
(eleinu)
tot ons
וְאָמַ֤רְנוּ
(veamarnu)
en wij zullen zeggen
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
חָנּ֣וּנוּ
(chanunu)
wees genadig
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
לָקַ֛חְנוּ
(laqachnu)
wij hebben genomen
אִ֥ישׁ
(ish)
een man
אִשְׁתּ֖וֹ
(ishto)
zijn vrouw
בַּמִּלְחָמָ֑ה
(bamilchama)
in de oorlog
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
אַתֶּ֛ם
(atem)
jullie
נְתַתֶּ֥ם
(netatem)
hebben gegeven
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
כָּעֵ֥ת
(kaet)
op het moment
תֶּאְשָֽׁמוּ
(teshamu)
jullie zouden schuldig zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing
Dit vers is moeilijk.
כְּעֵת תֶּאְשָׁמוּ (ke’et te’shamu) betekent letterlijk ‘als de tijd [dat] jullie schuldig zijn’.
Wij lezen het zo: de ouders hebben hun dochters niet gegeven; zij zijn dus niet aan de eed gebonden.
Hadden zij ze op dat moment gegeven, dan hadden zij de eed geschonden.
23De zonen van Benjamin deden zo. Zij namen vrouwen, naar hun aantal, van de dansende vrouwen die zij roofden. Zij gingen weg en keerden terug naar hun erfdeel. Zij bouwden de steden op en woonden erin.
וַיַּֽעֲשׂוּ
(vayaasu)
en deden
כֵן֙
(ken)
zo
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֔ן
(binyamin)
Benjamin
וַיִּשְׂא֤וּ
(vayisu)
en namen
נָשִׁים֙
(nashim)
vrouwen
לְמִסְפָּרָ֔ם
(lemisparam)
naar hun aantal
מִן
(min)
van
הַמְּחֹלְל֖וֹת
(hamecholelot)
de dansende vrouwen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
גָּזָ֑לוּ
(gazalu)
zij roofden
וַיֵּלְכ֗וּ
(vayelekhu)
en gingen
וַיָּשׁ֨וּבוּ֙
(vayashuvu)
en keerden terug
אֶל
(el)
naar
נַ֣חֲלָתָ֔ם
(nachalatam)
hun erfdeel
וַיִּבְנוּ֙
(vayivnu)
en bouwden
אֶת
(et)
(obj.)
הֶ֣עָרִ֔ים
(hearim)
de steden
וַיֵּשְׁב֖וּ
(vayeshevu)
en woonden
בָּהֶֽם
(bahem)
erin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גָּזְלוּ (gazelu), ‘zij roofden’: de tekst noemt het roven.