Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yahweh beveelt de vrijsteden aan te wijzen
1Yahweh sprak tot Jozua:
וַיְדַבֵּ֣ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit gebod sluit aan op wat Yahweh al door Mozes zei: Num. 35:9–34 en Deut. 19:1–13.
Drie vrijsteden ten oosten van de Jordaan had Mozes al afgezonderd (Deut. 4:41–43).
3Daarheen kan de doodslager vluchten, wie een mens bij vergissing doodslaat, zonder het te weten. Zij zijn voor jullie een toevlucht tegen de losser van het bloed.
לָנ֥וּס
(lanus)
om te vluchten
שָׁ֨מָּה֙
(shama)
daarheen
רוֹצֵ֔חַ
(rotseach)
de doodslager
מַכֵּה
(make)
die slaat
נֶ֥פֶשׁ
(nefesh)
een mens
בִּשְׁגָגָ֖ה
(bishgaga)
bij vergissing
בִּבְלִי
(bivli)
zonder
דָ֑עַת
(daat)
weten
וְהָי֤וּ
(vehayu)
en zij zullen zijn
לָכֶם֙
(lakhem)
voor jullie
לְמִקְלָ֔ט
(lemiqlat)
tot toevlucht
מִגֹּאֵ֖ל
(migoel)
tegen de losser van
הַדָּֽם
(hadam)
het bloed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֹצֵחַ (rotseach), ‘doodslager’: zoals in Num. 35 en Deut. 19:3–4.
Het gaat hier om iemand die zonder opzet een mens doodt.
Wie met opzet doodt, krijgt geen bescherming (Num. 35:16–21).
גֹּאֵל הַדָּם (go’el hadam), ‘losser van het bloed’: de naaste verwant die voor de gedode opkomt (Num. 35:12, 19; Deut. 19:6).
4Hij moet vluchten naar een van deze steden. Hij moet bij de ingang van de stadspoort gaan staan en zijn woorden laten horen aan de oudsten van die stad. Dan moeten zij hem bij zich in de stad opnemen. Zij moeten hem een plaats geven en hij moet bij hen wonen.
וְנָ֞ס
(venas)
en hij vlucht
אֶל
(el)
naar
אַחַ֣ת
(achat)
een
מֵהֶעָרִ֣ים
(mehearim)
van de steden
הָאֵ֗לֶּה
(haele)
deze
וְעָמַד֙
(veamad)
en hij gaat staan
פֶּ֚תַח
(petach)
bij de ingang van
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְדִבֶּ֛ר
(vediber)
en hij spreekt
בְּאָזְנֵ֛י
(beazenei)
in de oren van
זִקְנֵ֥י
(ziqnei)
de oudsten van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
הַהִ֖יא
(hahi)
die
אֶת
(et)
(obj.)
דְּבָרָ֑יו
(devarav)
zijn woorden
וְאָסְפ֨וּ
(veasefu)
en zij nemen op
אֹת֤וֹ
(oto)
hem
הָעִ֨ירָה֙
(haira)
in de stad
אֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
bij zich
וְנָתְנוּ
(venatenu)
en zij geven
ל֥וֹ
(lo)
hem
מָק֖וֹם
(maqom)
een plaats
וְיָשַׁ֥ב
(veyashav)
en hij woont
עִמָּֽם
(imam)
bij hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De poort van de stad is de plaats waar de oudsten recht spreken (Deut. 21:19).
5Als de losser van het bloed hem achternazit, mogen zij de doodslager niet in zijn hand overleveren. Want hij heeft zijn naaste zonder het te weten geslagen en hem daarvoor niet eerder gehaat.
וְכִ֨י
(vekhi)
en als
יִרְדֹּ֜ף
(yirdof)
achtervolgt
גֹּאֵ֤ל
(goel)
de losser van
הַדָּם֙
(hadam)
het bloed
אַֽחֲרָ֔יו
(acharav)
achter hem
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יַסְגִּ֥רוּ
(yasgiru)
zullen zij overleveren
אֶת
(et)
(obj.)
הָרֹצֵ֖חַ
(harotseach)
de doodslager
בְּיָד֑וֹ
(beyado)
in zijn hand
כִּ֤י
(ki)
want
בִבְלִי
(bivli)
zonder
דַ֨עַת֙
(daat)
weten
הִכָּ֣ה
(hika)
heeft hij geslagen
אֶת
(et)
(obj.)
רֵעֵ֔הוּ
(reehu)
zijn naaste
וְלֹֽא
(velo)
en niet
שֹׂנֵ֥א
(sone)
haatte
ה֛וּא
(hu)
hij
ל֖וֹ
(lo)
hem
מִתְּמ֥וֹל
(mitemol)
van gisteren
שִׁלְשֽׁוֹם
(shilshom)
eergisteren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Hij moet in die stad blijven wonen, totdat hij voor de gemeenschap ter berechting heeft gestaan. Hij blijft er tot de dood van de hogepriester die in die dagen is. Dan mag de doodslager terugkeren. Hij mag teruggaan naar zijn eigen stad en naar zijn huis, naar de stad waaruit hij gevlucht is.”
וְיָשַׁ֣ב
(veyashav)
en hij zal wonen
בָּעִ֣יר
(bair)
in de stad
הַהִ֗יא
(hahi)
die
עַד
(ad)
totdat
עָמְד֞וֹ
(amedo)
hij staat
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָֽעֵדָה֙
(haeda)
de gemeenschap
לַמִּשְׁפָּ֔ט
(lamishpat)
ter berechting
עַד
(ad)
tot
מוֹת֙
(mot)
de dood van
הַכֹּהֵ֣ן
(hakohen)
de priester
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de hoge
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִהְיֶ֖ה
(yihye)
zal zijn
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵ֑ם
(hahem)
die
אָ֣ז
(az)
dan
יָשׁ֣וּב
(yashuv)
zal terugkeren
הָרוֹצֵ֗חַ
(harotseach)
de doodslager
וּבָ֤א
(uva)
en zal komen
אֶל
(el)
naar
עִירוֹ֙
(iro)
zijn stad
וְאֶל
(veel)
en naar
בֵּית֔וֹ
(beito)
zijn huis
אֶל
(el)
naar
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
אֲשֶׁר
(asher)
waaruit
נָ֥ס
(nas)
hij gevlucht is
מִשָּֽׁם
(misham)
vandaar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De doodslager moet blijven tot de dood van de hogepriester (Num. 35:25, 28).
Ook bij hem was de berechting voor de gemeenschap nodig (Num. 35:12, 24).
Lezing
Het Hebreeuws noemt eerst de berechting en daarna de dood van de hogepriester.
Wij verstaan: eerst oordeelt de gemeenschap.
Wordt hij vrijgesproken, dan blijft hij in de stad tot de hogepriester sterft.
7Zij zonderden Kedes af, in Galilea, in het bergland van Naftali. Ook Sichem, in het bergland van Efraïm, en Kirjat-Arba, dat is Hebron, in het bergland van Juda.
וַיַּקְדִּ֜שׁוּ
(vayaqdishu)
en zij zonderden af
אֶת
(et)
(obj.)
קֶ֤דֶשׁ
(qedesh)
Kedes
בַּגָּלִיל֙
(bagalil)
in Galilea
בְּהַ֣ר
(behar)
in het bergland van
נַפְתָּלִ֔י
(naftali)
Naftali
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שְׁכֶ֖ם
(shekhem)
Sichem
בְּהַ֣ר
(behar)
in het bergland van
אֶפְרָ֑יִם
(efrayim)
Efraïm
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
קִרְיַ֥ת
(qiryat)
Kirjat
אַרְבַּ֛ע
(arba)
Arba
הִ֥יא
(hi)
zij
חֶבְר֖וֹן
(chevron)
Hebron
בְּהַ֥ר
(behar)
in het bergland van
יְהוּדָֽה
(yehuda)
Juda
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Kedes is waarschijnlijk Tel Qedesh, in Galilea (Israël).
Het is een andere plaats dan Kades-Barnea.
Sichem is Tell Balata, bij Nablus (Westelijke Jordaanoever); dat is zeker.
Hebron ligt in het bergland van Juda (Westelijke Jordaanoever); dat is zeker.
Zie Bergland van Efraïm: Het bergland van Efraïm is het centrale bergland, tussen Betel en Sichem.
Uitleg
הִקְדִּישׁ (hiqdish), ‘afzonderen’: dezelfde stam als ‘heilig’.
De steden werden voor dit doel apart gezet.
Kirjat-Arba is de oude naam van Hebron (Gen. 23:2).
8Aan de overkant van de Jordaan, bij Jericho, aan de oostkant, wezen zij aan: Betser, in de woestijn op het plateau, van de stam Ruben. Ook Ramot in Gilead van de stam Gad en Golan in Basan van de stam Manasse.
וּמֵעֵ֜בֶר
(umeever)
en aan de overkant van
לְיַרְדֵּ֤ן
(leyarden)
de Jordaan
יְרִיחוֹ֙
(yericho)
Jericho
מִזְרָ֔חָה
(mizracha)
oostwaarts
נָתְנ֞וּ
(natenu)
gaven zij
אֶת
(et)
(obj.)
בֶּ֧צֶר
(betser)
Betser
בַּמִּדְבָּ֛ר
(bamidbar)
in de woestijn
בַּמִּישֹׁ֖ר
(bamishor)
op het plateau
מִמַּטֵּ֣ה
(mimate)
van de stam
רְאוּבֵ֑ן
(reuven)
Ruben
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רָאמֹ֤ת
(ramot)
Ramot
בַּגִּלְעָד֙
(bagilad)
in Gilead
מִמַּטֵּה
(mimate)
van de stam
גָ֔ד
(gad)
Gad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
גּוֹלָ֥ן
(golan)
Golan
בַּבָּשָׁ֖ן
(babashan)
in Basan
מִמַּטֵּ֥ה
(mimate)
van de stam
מְנַשֶּֽׁה
(menashe)
Manasse
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Betser ligt waarschijnlijk op het plateau ten oosten van de Dode Zee, in Jordanië.
De juiste plek is onzeker.
Ramot in Gilead ligt waarschijnlijk bij Tell Ramith, in het noorden van Jordanië.
Golan ligt in het zuiden van Syrië, waarschijnlijk bij Sahem el-Jaulan.
Dat is onzeker.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.
Zie Bezer en Betser (ligging onzeker): Bezer (Betser) lag op de hoogvlakte van Moab, ten oosten van de Dode Zee.
De precieze plaats is niet zeker.
Uitleg
Het zijn dezelfde drie steden als in Deut. 4:43, nu met de naam van de stam erbij.
9Dit waren de aangewezen steden voor alle zonen van Israël en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft. Daarheen kon ieder vluchten die een mens bij vergissing doodsloeg. Zo stierf hij niet door de hand van de losser van het bloed, voordat hij voor de gemeenschap had gestaan.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dit
הָיוּ֩
(hayu)
waren
עָרֵ֨י
(arei)
de steden van
הַמּֽוּעָדָ֜ה
(hamuada)
de aangewezen
לְכֹ֣ל
(lekhol)
voor alle
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וְלַגֵּר֙
(velager)
en voor de vreemdeling
הַגָּ֣ר
(hagar)
die verblijft
בְּתוֹכָ֔ם
(betokham)
in hun midden
לָנ֣וּס
(lanus)
om te vluchten
שָׁ֔מָּה
(shama)
daarheen
כָּל
(kal)
ieder
מַכֵּה
(make)
die slaat
נֶ֖פֶשׁ
(nefesh)
een mens
בִּשְׁגָגָ֑ה
(bishgaga)
bij vergissing
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָמ֗וּת
(yamut)
sterft
בְּיַד֙
(beyad)
door de hand van
גֹּאֵ֣ל
(goel)
de losser van
הַדָּ֔ם
(hadam)
het bloed
עַד
(ad)
totdat
עָמְד֖וֹ
(amedo)
hij staat
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
הָעֵדָֽה
(haeda)
de gemeenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַמּוּעָדָה (hammu’adah), ‘de aangewezen’: een zeldzaam woord, van het werkwoord ‘vaststellen’.
De vrijsteden gelden ook voor de vreemdeling en voor wie in Israëls midden verblijft (Num. 35:15).