Elohim Bijbel

Jozua 8

123456789101112131415161718192021222324

De verovering van Ai en de wet op de Ebal

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yahweh geeft Ai in de hand van Jozua

1Yahweh zei tegen Jozua: „Wees niet bang en wees niet ontmoedigd. Neem heel het krijgsvolk met je mee. Sta op en trek op naar Ai. Zie, Ik heb de koning van Ai, zijn volk, zijn stad en zijn land in je hand gegeven.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
אַל
(al)
niet
תִּירָ֣א
(tira)
wees bang
וְאַל
(veal)
en niet
תֵּחָ֔ת
(techat)
wees ontmoedigd
קַ֣ח
(qach)
neem
עִמְּךָ֗
(imekha)
met je
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
עַ֣ם
(am)
het volk van
הַמִּלְחָמָ֔ה
(hamilchama)
de oorlog
וְק֖וּם
(vequm)
en sta op
עֲלֵ֣ה
(ale)
trek op
הָעָ֑י
(haay)
naar Ai
רְאֵ֣ה
(ree)
zie
נָתַ֣תִּי
(natati)
heb Ik gegeven
בְיָדְךָ֗
(beyadekha)
in je hand
אֶת
(et)
(obj.)
מֶ֤לֶךְ
(melekh)
de koning van
הָעַי֙
(haay)
Ai
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמּ֔וֹ
(amo)
zijn volk
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עִיר֖וֹ
(iro)
zijn stad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַרְצֽוֹ
(artso)
zijn land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

Na de nederlaag in Joz. 7 geeft Yahweh Ai alsnog in de hand van Jozua.

Vergelijk Joz. 1:9.

2Je moet met Ai en haar koning doen zoals je met Jericho en haar koning hebt gedaan. Alleen haar buit en haar vee mogen jullie voor jezelf plunderen. Leg een hinderlaag achter de stad.”
וְעָשִׂ֨יתָ
(veasita)
en je zult doen
לָעַ֜י
(laay)
met Ai
וּלְמַלְכָּ֗הּ
(ulemalkah)
en met haar koning
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
עָשִׂ֤יתָ
(asita)
je hebt gedaan
לִֽירִיחוֹ֙
(liricho)
met Jericho
וּלְמַלְכָּ֔הּ
(ulemalkah)
en met haar koning
רַק
(raq)
alleen
שְׁלָלָ֥הּ
(shelalah)
haar buit
וּבְהֶמְתָּ֖הּ
(uvehemtah)
en haar vee
תָּבֹ֣זּוּ
(tavozu)
mogen jullie plunderen
לָכֶ֑ם
(lakhem)
voor jullie
שִׂים
(sim)
leg
לְךָ֥
(lekha)
voor jezelf
אֹרֵ֛ב
(orev)
een hinderlaag
לָעִ֖יר
(lair)
tegen de stad
מֵאַחֲרֶֽיהָ
(meachareiha)
achter haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

Anders dan bij Jericho (Joz. 6:17–19) mogen de Israëlieten hier de buit en het vee voor zichzelf nemen.

Vergelijk Deut. 20:14.

Het plan van de hinderlaag

3Jozua stond op, met heel het krijgsvolk, om naar Ai op te trekken. Jozua koos 30.000 dappere krijgers uit en stuurde hen 's nachts weg.
וַיָּ֧קָם
(vayaqam)
en stond op
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
וְכָל
(vekhal)
en heel
עַ֥ם
(am)
het volk van
הַמִּלְחָמָ֖ה
(hamilchama)
de oorlog
לַעֲל֣וֹת
(laalot)
om op te trekken
הָעָ֑י
(haay)
naar Ai
וַיִּבְחַ֣ר
(vayivchar)
en koos
יְ֠הוֹשֻׁעַ
(yehoshua)
Jozua
שְׁלֹשִׁ֨ים
(sheloshim)
dertig
אֶ֤לֶף
(elef)
duizend
אִישׁ֙
(ish)
man
גִּבּוֹרֵ֣י
(giborei)
helden van
הַחַ֔יִל
(hachayil)
de kracht
וַיִּשְׁלָחֵ֖ם
(vayishlachem)
en stuurde hen weg
לָֽיְלָה
(layela)
's nachts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

4Hij gebood hun: „Let op: jullie liggen in een hinderlaag achter de stad. Ga niet ver van de stad weg. Houd jullie allemaal gereed.
וַיְצַ֨ו
(vaytsav)
en gebood
אֹתָ֜ם
(otam)
hen
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
רְ֠אוּ
(reu)
let op
אַתֶּ֞ם
(atem)
jullie
אֹרְבִ֤ים
(orevim)
liggen in hinderlaag
לָעִיר֙
(lair)
tegen de stad
מֵאַחֲרֵ֣י
(meacharei)
achter
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
אַל
(al)
niet
תַּרְחִ֥יקוּ
(tarchiqu)
gaan ver weg
מִן
(min)
van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וִהְיִיתֶ֥ם
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
כֻּלְּכֶ֖ם
(kulekhem)
jullie allen
נְכֹנִֽים
(nekhonim)
gereed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Ik en heel het volk dat bij mij is, zullen de stad naderen. Wanneer zij ons tegemoet komen, zoals de vorige keer, vluchten wij voor hen.
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en ik
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתִּ֔י
(iti)
bij mij
נִקְרַ֖ב
(niqrav)
zullen naderen
אֶל
(el)
tot
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וְהָיָ֗ה
(vehaya)
en het zal zijn
כִּֽי
(ki)
wanneer
יֵצְא֤וּ
(yetseu)
zij uitkomen
לִקְרָאתֵ֨נוּ֙
(liqratenu)
ons tegemoet
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
בָּרִֽאשֹׁנָ֔ה
(barishona)
de vorige keer
וְנַ֖סְנוּ
(venasnu)
dan vluchten wij
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Zij zullen achter ons aan komen, tot wij hen van de stad hebben weggelokt. Want zij zullen zeggen: ‘Zij vluchten voor ons, zoals de vorige keer.’ Dan vluchten wij voor hen.
וְיָצְא֣וּ
(veyatseu)
en zij zullen uitkomen
אַחֲרֵ֗ינוּ
(achareinu)
achter ons
עַ֣ד
(ad)
tot
הַתִּיקֵ֤נוּ
(hatiqenu)
wij hebben weggelokt
אוֹתָם֙
(otam)
hen
מִן
(min)
van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
כִּ֣י
(ki)
want
יֹֽאמְר֔וּ
(yomru)
zij zullen zeggen
נָסִ֣ים
(nasim)
vluchtend
לְפָנֵ֔ינוּ
(lefaneinu)
voor ons
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
בָּרִֽאשֹׁנָ֑ה
(barishona)
de vorige keer
וְנַ֖סְנוּ
(venasnu)
dan vluchten wij
לִפְנֵיהֶֽם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Dan staan jullie op uit de hinderlaag en nemen de stad in bezit. Yahweh, jullie Elohim, geeft haar in jullie hand.
וְאַתֶּ֗ם
(veatem)
en jullie
תָּקֻ֨מוּ֙
(taqumu)
zullen opstaan
מֵהָ֣אוֹרֵ֔ב
(mehaorev)
uit de hinderlaag
וְהוֹרַשְׁתֶּ֖ם
(vehorashtem)
en in bezit nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וּנְתָנָ֛הּ
(unetanah)
en geven haar
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹֽהֵיכֶ֖ם
(eloheikhem)
jullie Elohim
בְּיֶדְכֶֽם
(beyedkhem)
in jullie hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
8Wanneer jullie de stad hebben ingenomen, steken jullie haar in brand. Doe het naar het woord van Yahweh. Let op: ik heb het jullie geboden.”
וְהָיָ֞ה
(vehaya)
en het zal zijn
כְּתָפְשְׂכֶ֣ם
(ketafesekhem)
als jullie innemen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֗יר
(hair)
de stad
תַּצִּ֤יתוּ
(tatsitu)
steken jullie in brand
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִיר֙
(hair)
de stad
בָּאֵ֔שׁ
(baesh)
met vuur
כִּדְבַ֥ר
(kidvar)
naar het woord van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
תַּעֲשׂ֑וּ
(taasu)
zullen jullie doen
רְא֖וּ
(reu)
let op
צִוִּ֥יתִי
(tsiviti)
ik heb geboden
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De hinderlaag en de list

9Jozua stuurde hen weg. Zij gingen naar de plaats van de hinderlaag en bleven tussen Betel en Ai, ten westen van Ai. Jozua overnachtte die nacht te midden van het volk.
וַיִּשְׁלָחֵ֣ם
(vayishlachem)
en stuurde hen weg
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיֵּֽלְכוּ֙
(vayelekhu)
en zij gingen
אֶל
(el)
naar
הַמַּאְרָ֔ב
(hamarav)
de plaats van de hinderlaag
וַיֵּשְׁב֗וּ
(vayeshevu)
en bleven
בֵּ֧ין
(bein)
tussen
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֛ל
(el)
El
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הָעַ֖י
(haay)
Ai
מִיָּ֣ם
(miyam)
ten westen van
לָעָ֑י
(laay)
Ai
וַיָּ֧לֶן
(vayalen)
en overnachtte
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
בַּלַּ֥יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֖וּא
(hahu)
die
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
הָעָֽם
(haam)
het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Betel ligt bij het huidige Beitin (Westelijke Jordaanoever).

Ai lag ten oosten van Betel; de precieze plek is onzeker (zie Joz. 7:2).

De hinderlaag lag dus ten westen van Ai, tussen Ai en Betel.

10Jozua stond 's ochtends vroeg op en telde het volk. Hij en de oudsten van Israël trokken voor het volk uit naar Ai.
וַיַּשְׁכֵּ֤ם
(vayashkem)
en stond vroeg op
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
בַּבֹּ֔קֶר
(baboqer)
's ochtends
וַיִּפְקֹ֖ד
(vayifqod)
en telde
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
וַיַּ֨עַל
(vayaal)
en trok op
ה֜וּא
(hu)
hij
וְזִקְנֵ֧י
(veziqnei)
en de oudsten van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
הָעָֽי
(haay)
naar Ai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

11Heel het krijgsvolk dat bij hem was, trok op. Zij kwamen dichterbij en kwamen tegenover de stad aan. Zij sloegen hun kamp op ten noorden van Ai, met een dal tussen hen en Ai.
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֨ם
(haam)
het volk
הַמִּלְחָמָ֜ה
(hamilchama)
het krijgsvolk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
אִתּ֗וֹ
(ito)
bij hem
עָלוּ֙
(alu)
trok op
וַֽיִּגְּשׁ֔וּ
(vayigeshu)
en kwamen dichterbij
וַיָּבֹ֖אוּ
(vayavou)
en kwamen
נֶ֣גֶד
(neged)
tegenover
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַֽיַּחֲנוּ֙
(vayachanu)
en sloegen kamp op
מִצְּפ֣וֹן
(mitsefon)
ten noorden van
לָעַ֔י
(laay)
Ai
וְהַגַּ֖י
(vehagay)
en een dal
בֵּינָ֥יו
(beinav)
tussen hen
וּבֵין
(uvein)
en tussen
הָעָֽי
(haay)
Ai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

12Hij nam ongeveer 5.000 man en plaatste hen als hinderlaag tussen Betel en Ai, ten westen van de stad.
וַיִּקַּ֕ח
(vayiqach)
en nam
כַּחֲמֵ֥שֶׁת
(kachameshet)
ongeveer vijf
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וַיָּ֨שֶׂם
(vayasem)
en plaatste
אוֹתָ֜ם
(otam)
hen
אֹרֵ֗ב
(orev)
als hinderlaag
בֵּ֧ין
(bein)
tussen
בֵּֽית
(beit)
Bet
אֵ֛ל
(el)
El
וּבֵ֥ין
(uvein)
en tussen
הָעַ֖י
(haay)
Ai
מִיָּ֥ם
(miyam)
ten westen van
לָעִֽיר
(lair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Lezing

In vers 3 stuurt Jozua 30.000 man weg, in dit vers neemt hij ongeveer 5.000 man voor de hinderlaag.

De tekst legt het verschil niet uit.

Het kunnen twee groepen zijn, of een verschil in telling.

Wij laten beide getallen staan.

13Het volk stelde het hele kamp op ten noorden van de stad, met zijn achterhoede ten westen van de stad. Jozua ging die nacht het dal in.
וַיָּשִׂ֨ימוּ
(vayasimu)
en stelden op
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הַֽמַּחֲנֶ֗ה
(hamachane)
het kamp
אֲשֶׁר֙
(asher)
dat
מִצְּפ֣וֹן
(mitsefon)
ten noorden van
לָעִ֔יר
(lair)
de stad
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲקֵב֖וֹ
(aqevo)
zijn achterhoede
מִיָּ֣ם
(miyam)
ten westen van
לָעִ֑יר
(lair)
de stad
וַיֵּ֧לֶךְ
(vayelekh)
en ging
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
בַּלַּ֥יְלָה
(balayla)
in de nacht
הַה֖וּא
(hahu)
die
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעֵֽמֶק
(haemeq)
het dal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲקֵבוֹ (aqevo), ‘zijn achterhoede’: letterlijk ‘zijn hiel’.

De tekst is hier moeilijk; wij vertalen ‘achterhoede’.

14Toen de koning van Ai het zag, haastten de mannen van de stad zich en stonden vroeg op. Zij trokken uit, Israël tegemoet, om te strijden: hij en heel zijn volk, naar de afgesproken plek, tegenover de Araba. Hij wist niet dat er achter de stad een hinderlaag tegen hem lag.
וַיְהִ֞י
(vayhi)
en het gebeurde
כִּרְא֣וֹת
(kirot)
toen zag
מֶֽלֶךְ
(melekh)
de koning van
הָעַ֗י
(haay)
Ai
וַֽיְמַהֲר֡וּ
(vaymaharu)
en zij haastten zich
וַיַּשְׁכִּ֡ימוּ
(vayashkimu)
en stonden vroeg op
וַיֵּצְא֣וּ
(vayetseu)
en trokken uit
אַנְשֵֽׁי
(anshei)
de mannen van
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
לִקְרַֽאת
(liqrat)
tegemoet
יִ֠שְׂרָאֵל
(yisrael)
Israël
לַֽמִּלְחָמָ֞ה
(lamilchama)
om te strijden
ה֧וּא
(hu)
hij
וְכָל
(vekhal)
en heel
עַמּ֛וֹ
(amo)
zijn volk
לַמּוֹעֵ֖ד
(lamoed)
naar de afgesproken plek
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
tegenover
הָֽעֲרָבָ֑ה
(haarava)
de Araba
וְהוּא֙
(vehu)
en hij
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔ע
(yada)
wist
כִּֽי
(ki)
dat
אֹרֵ֥ב
(orev)
een hinderlaag
ל֖וֹ
(lo)
tegen hem
מֵאַחֲרֵ֥י
(meacharei)
achter
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Araba: De Araba is het diepe dal ten zuiden van de Dode Zee, tot aan de Golf van Akaba.

Uitleg

מוֹעֵד (moed), ‘afgesproken tijd of plaats’: wij vertalen ‘afgesproken plek’.

De Araba is hier het dal van de Jordaan, ten oosten van Ai.

15Jozua en heel Israël lieten zich voor hen slaan en vluchtten langs de weg naar de woestijn.
וַיִּנָּֽגְע֛וּ
(vayinageu)
en lieten zich slaan
יְהוֹשֻׁ֥עַ
(yehoshua)
Jozua
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לִפְנֵיהֶ֑ם
(lifneihem)
voor hen
וַיָּנֻ֖סוּ
(vayanusu)
en vluchtten
דֶּ֥רֶךְ
(derekh)
langs de weg van
הַמִּדְבָּֽר
(hamidbar)
de woestijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיִּנָּגְעוּ (wayyinnagu), ‘zij werden geslagen’: Jozua en Israël laten zich voor hen verslaan, zoals gepland in vers 5–6.

16Heel het volk dat in Ai was, werd opgeroepen om hen te achtervolgen. Zij achtervolgden Jozua en werden van de stad weggelokt.
וַיִּזָּעֲק֗וּ
(vayizaaqu)
en werden opgeroepen
כָּל
(kal)
heel
הָעָם֙
(haam)
het volk
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בָּעַ֔י
(baay)
in Ai
לִרְדֹּ֖ף
(lirdof)
om te achtervolgen
אַחֲרֵיהֶ֑ם
(achareihem)
hen
וַֽיִּרְדְּפוּ֙
(vayirdefu)
en zij achtervolgden
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיִּנָּתְק֖וּ
(vayinatequ)
en werden weggelokt
מִן
(min)
van
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

17Er bleef niemand over in Ai en Betel die niet achter Israël aan was uitgegaan. Zij lieten de stad open achter en achtervolgden Israël.
וְלֹֽא
(velo)
en niet
נִשְׁאַ֣ר
(nishar)
bleef over
אִ֗ישׁ
(ish)
man
בָּעַי֙
(baay)
in Ai
וּבֵ֣ית
(uveit)
en Bet
אֵ֔ל
(el)
El
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יָצְא֖וּ
(yatseu)
uitgingen
אַחֲרֵ֣י
(acharei)
achter
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיַּעַזְב֤וּ
(vayaazvu)
en zij lieten achter
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִיר֙
(hair)
de stad
פְּתוּחָ֔ה
(petucha)
open
וַֽיִּרְדְּפ֖וּ
(vayirdefu)
en achtervolgden
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

Betel wordt hier bij Ai genoemd: ook de mannen van Betel trokken mee.

Alleen Ai wordt in dit hoofdstuk veroverd.

De val van Ai

18Yahweh zei tegen Jozua: „Steek de speer die in je hand is naar Ai uit, want Ik zal haar in je hand geven.” Jozua stak de speer die in zijn hand was naar de stad uit.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en Hij zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
נְ֠טֵה
(nete)
steek uit
בַּכִּיד֤וֹן
(bakidon)
met de speer
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּיָֽדְךָ֙
(beyadekha)
in je hand
אֶל
(el)
naar
הָעַ֔י
(haay)
Ai
כִּ֥י
(ki)
want
בְיָדְךָ֖
(beyadekha)
in je hand
אֶתְּנֶ֑נָּה
(etenena)
zal Ik haar geven
וַיֵּ֧ט
(vayet)
en stak uit
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
בַּכִּיד֥וֹן
(bakidon)
met de speer
אֲשֶׁר
(asher)
die
בְּיָד֖וֹ
(beyado)
in zijn hand
אֶל
(el)
naar
הָעִֽיר
(hair)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

כִּידוֹן (kidon), ‘speer’: een korte speer of werpspies.

Jozua houdt hem uitgestoken tot de ban is voltrokken (vers 26).

19De hinderlaag stond haastig op van zijn plaats. Zodra hij zijn hand uitstak, renden zij. Zij kwamen in de stad, namen haar in en staken haar snel in brand.
וְהָאוֹרֵ֡ב
(vehaorev)
en de hinderlaag
קָם֩
(qam)
stond op
מְהֵרָ֨ה
(mehera)
haastig
מִמְּקוֹמ֤וֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
וַיָּר֨וּצוּ֙
(vayarutsu)
en zij renden
כִּנְט֣וֹת
(kintot)
zodra uitstak
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en kwamen
הָעִ֖יר
(hair)
in de stad
וַֽיִּלְכְּד֑וּהָ
(vayilkeduha)
en namen haar in
וַֽיְמַהֲר֔וּ
(vaymaharu)
en haastten zich
וַיַּצִּ֥יתוּ
(vayatsitu)
en staken in brand
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
בָּאֵֽשׁ
(baesh)
met vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De mannen van Ai keken achterom en zagen: de rook van de stad steeg op naar de hemel. Zij hadden geen kracht meer om hierheen of daarheen te vluchten. Het volk dat naar de woestijn vluchtte, keerde zich om tegen de achtervolger.
וַיִּפְנ֣וּ
(vayifnu)
en keken om
אַנְשֵׁי֩
(anshei)
de mannen van
הָעַ֨י
(haay)
Ai
אַחֲרֵיהֶ֜ם
(achareihem)
achter zich
וַיִּרְא֗וּ
(vayiru)
en zagen
וְהִנֵּ֨ה
(vehine)
en zie
עָלָ֜ה
(ala)
steeg op
עֲשַׁ֤ן
(ashan)
de rook van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
הַשָּׁמַ֔יְמָה
(hashamayma)
naar de hemel
וְלֹא
(velo)
en niet
הָיָ֨ה
(haya)
was
בָהֶ֥ם
(bahem)
in hen
יָדַ֛יִם
(yadayim)
handen
לָנ֖וּס
(lanus)
om te vluchten
הֵ֣נָּה
(hena)
hierheen
וָהֵ֑נָּה
(vahena)
en daarheen
וְהָעָם֙
(vehaam)
en het volk
הַנָּ֣ס
(hanas)
dat vluchtte
הַמִּדְבָּ֔ר
(hamidbar)
naar de woestijn
נֶהְפַּ֖ךְ
(nehpakh)
keerde zich om
אֶל
(el)
tegen
הָרוֹדֵֽף
(harodef)
de achtervolger
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

יָדַיִם (yadayim), ‘handen’: ‘geen handen om te vluchten’ betekent: geen kracht.

Wij vertalen ‘geen kracht meer’.

21Jozua en heel Israël zagen dat de hinderlaag de stad had ingenomen en dat de rook van de stad opsteeg. Toen keerden zij terug en sloegen de mannen van Ai.
וִיהוֹשֻׁ֨עַ
(vihoshua)
en Jozua
וְכָֽל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
רָא֗וּ
(rau)
zagen
כִּֽי
(ki)
dat
לָכַ֤ד
(lakhad)
had ingenomen
הָֽאֹרֵב֙
(haorev)
de hinderlaag
אֶת
(et)
(obj.)
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וְכִ֥י
(vekhi)
en dat
עָלָ֖ה
(ala)
opsteeg
עֲשַׁ֣ן
(ashan)
de rook van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיָּשֻׁ֕בוּ
(vayashuvu)
en keerden terug
וַיַּכּ֖וּ
(vayaku)
en sloegen
אֶת
(et)
(obj.)
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
de mannen van
הָעָֽי
(haay)
Ai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

22De anderen kwamen uit de stad, hen tegemoet. Zo kwamen de mannen van Ai midden in Israël te staan, sommigen aan deze kant en sommigen aan gene kant. Zij sloegen hen, tot er van hen niemand meer over was, geen overlevende en geen ontkomene.
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en dezen
יָצְא֤וּ
(yatseu)
kwamen uit
מִן
(min)
van
הָעִיר֙
(hair)
de stad
לִקְרָאתָ֔ם
(liqratam)
hen tegemoet
וַיִּֽהְי֤וּ
(vayihyu)
en zij werden
לְיִשְׂרָאֵל֙
(leyisrael)
voor Israël
בַּתָּ֔וֶךְ
(batavekh)
in het midden
אֵ֥לֶּה
(ele)
dezen
מִזֶּ֖ה
(mize)
aan deze kant
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dezen
מִזֶּ֑ה
(mize)
aan gene kant
וַיַּכּ֣וּ
(vayaku)
en sloegen
אוֹתָ֔ם
(otam)
hen
עַד
(ad)
tot
בִּלְתִּ֥י
(bilti)
niet
הִשְׁאִֽיר
(hishir)
overliet
ל֖וֹ
(lo)
van hen
שָׂרִ֥יד
(sarid)
overlevende
וּפָלִֽיט
(ufalit)
en ontkomene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Lezing

In het Hebreeuws staat alleen ‘en zij werden voor Israël in het midden’.

Wij vullen ‘de mannen van Ai’ aan, omdat zij tussen de twee Israëlitische legers zaten.

23De koning van Ai grepen zij levend. Zij brachten hem naar Jozua.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מֶ֥לֶךְ
(melekh)
de koning van
הָעַ֖י
(haay)
Ai
תָּ֣פְשׂוּ
(tafesu)
grepen zij
חָ֑י
(chay)
levend
וַיַּקְרִ֥בוּ
(vayaqrivu)
en brachten
אֹת֖וֹ
(oto)
hem
אֶל
(el)
naar
יְהוֹשֻֽׁעַ
(yehoshua)
Jozua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Aanvullend

Jasher 88:46 noemt de koning van Ai Melos.

24Israël doodde alle inwoners van Ai in het veld, in de woestijn waar zij hen hadden achtervolgd. Allen vielen door de scherpte van het zwaard, tot de laatste toe. Toen keerde heel Israël terug naar Ai. Zij sloegen de stad met de scherpte van het zwaard.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het gebeurde
כְּכַלּ֣וֹת
(kekhalot)
toen klaar was
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
לַהֲרֹג֩
(laharog)
met doden
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
inwoners van
הָעַ֜י
(haay)
Ai
בַּשָּׂדֶ֗ה
(basade)
in het veld
בַּמִּדְבָּר֙
(bamidbar)
in de woestijn
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
waar
רְדָפ֣וּם
(redafum)
zij hen achtervolgd hadden
בּ֔וֹ
(bo)
daarin
וַֽיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en vielen
כֻלָּ֛ם
(kulam)
allen
לְפִי
(lefi)
door de scherpte van
חֶ֖רֶב
(cherev)
het zwaard
עַד
(ad)
tot
תֻּמָּ֑ם
(tumam)
hun einde
וַיָּשֻׁ֤בוּ
(vayashuvu)
en keerden terug
כָל
(kal)
heel
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
הָעַ֔י
(haay)
naar Ai
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en sloegen
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
לְפִי
(lefi)
door de scherpte van
חָֽרֶב
(charev)
het zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Aanvullend

Jasher 88:38–48 bevestigt dit verhaal van de verovering van Ai, met de hinderlaag en de 12.000 gevallenen.

25Alle gevallenen op die dag, man en vrouw, waren 12.000: alle mannen van Ai.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en het waren
כָל
(kal)
alle
הַנֹּ֨פְלִ֜ים
(hanofelim)
gevallenen
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
מֵאִ֣ישׁ
(meish)
van man
וְעַד
(vead)
tot
אִשָּׁ֔ה
(isha)
vrouw
שְׁנֵ֥ים
(sheneim)
twee
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
אָ֑לֶף
(alef)
duizend
כֹּ֖ל
(kol)
alle
אַנְשֵׁ֥י
(anshei)
mannen van
הָעָֽי
(haay)
Ai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

אַנְשֵׁי (anshei), ‘mannen van’: hier de inwoners van Ai, want er staat ‘man en vrouw’.

26Jozua trok zijn hand niet terug, waarmee hij de speer had uitgestoken, tot hij alle inwoners van Ai met de ban had geslagen.
וִיהוֹשֻׁ֨עַ֙
(vihoshua)
en Jozua
לֹֽא
(lo)
niet
הֵשִׁ֣יב
(heshiv)
trok terug
יָד֔וֹ
(yado)
zijn hand
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נָטָ֖ה
(nata)
hij had uitgestoken
בַּכִּיד֑וֹן
(bakidon)
met de speer
עַ֚ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
הֶחֱרִ֔ים
(hecherim)
hij met de ban sloeg
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
inwoners van
הָעָֽי
(haay)
Ai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

הֶחֱרִים (hecherim), ‘met de ban slaan’: alles wordt aan Yahweh toegewijd.

Zie Deut. 7:2 en Joz. 6:17.

27Alleen het vee en de buit van die stad plunderde Israël voor zichzelf, naar het woord van Yahweh dat Hij Jozua had geboden.
רַ֣ק
(raq)
alleen
הַבְּהֵמָ֗ה
(habehema)
het vee
וּשְׁלַל֙
(ushelal)
en de buit van
הָעִ֣יר
(hair)
de stad
הַהִ֔יא
(hahi)
die
בָּזְז֥וּ
(bazezu)
plunderden
לָהֶ֖ם
(lahem)
voor zich
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּדְבַ֣ר
(kidvar)
naar het woord van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
צִוָּ֖ה
(tsiva)
Hij had geboden
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשֻֽׁעַ
(yehoshua)
Jozua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Jozua verbrandde Ai en maakte er een eeuwige ruïneheuvel van, een woestenij, tot op deze dag.
וַיִּשְׂרֹ֥ף
(vayisrof)
en verbrandde
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֑י
(haay)
Ai
וַיְשִׂימֶ֤הָ
(vaysimeha)
en maakte haar
תֵּל
(tel)
tot een ruïneheuvel van
עוֹלָם֙
(olam)
eeuwigheid
שְׁמָמָ֔ה
(shemama)
woestenij
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

תֵּל עוֹלָם (tel olam), ‘eeuwige ruïneheuvel’: een heuvel van puin van een verwoeste stad.

29De koning van Ai hing hij aan een boom tot de avond. Bij zonsondergang gaf Jozua bevel, en zij haalden zijn lijk van de boom. Zij wierpen het neer bij de ingang van de stadspoort. Daarboven richtten zij een grote hoop stenen op, tot op deze dag.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מֶ֧לֶךְ
(melekh)
de koning van
הָעַ֛י
(haay)
Ai
תָּלָ֥ה
(tala)
hing hij op
עַל
(al)
aan
הָעֵ֖ץ
(haets)
de boom
עַד
(ad)
tot
עֵ֣ת
(et)
de tijd van
הָעָ֑רֶב
(haarev)
de avond
וּכְב֣וֹא
(ukhevo)
en bij het ondergaan van
הַשֶּׁמֶשׁ֩
(hashemesh)
de zon
צִוָּ֨ה
(tsiva)
gebood
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיֹּרִ֧ידוּ
(vayoridu)
en zij haalden neer
אֶת
(et)
(obj.)
נִבְלָת֣וֹ
(nivlato)
zijn lijk
מִן
(min)
van
הָעֵ֗ץ
(haets)
de boom
וַיַּשְׁלִ֤יכוּ
(vayashlikhu)
en wierpen
אוֹתָהּ֙
(otah)
het
אֶל
(el)
naar
פֶּ֨תַח֙
(petach)
de ingang van
שַׁ֣עַר
(shaar)
de poort van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיָּקִ֤ימוּ
(vayaqimu)
en richtten op
עָלָיו֙
(alav)
boven hem
גַּל
(gal)
een hoop
אֲבָנִ֣ים
(avanim)
stenen
גָּד֔וֹל
(gadol)
grote
עַ֖ד
(ad)
tot
הַיּ֥וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

Het lijk wordt voor de avond van de boom gehaald, zoals Deut. 21:22–23 voorschrijft.

Het altaar en de wet op de berg Ebal

30Toen bouwde Jozua een altaar voor Yahweh, de Elohim van Israël, op de berg Ebal.
אָ֣ז
(az)
toen
יִבְנֶ֤ה
(yivne)
bouwde
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
מִזְבֵּ֔חַ
(mizbeach)
een altaar
לַֽיהוָ֖ה
(laYahweh)
voor Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
בְּהַ֖ר
(behar)
op de berg
עֵיבָֽל
(eival)
Ebal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De berg Ebal ligt bij het huidige Nabloes (Sichem) op de Westelijke Jordaanoever.

Tegenover de Ebal ligt de berg Gerizim.

Zie ook Deut. 11:29 en Deut. 27:4–8.

31Het was zoals Mozes, de dienaar van Yahweh, de zonen van Israël had geboden. Zo staat het geschreven in het boek van de wet van Mozes: een altaar van hele stenen, waarover niemand ijzer had geheven. Zij brachten daarop brandoffers aan Yahweh en slachtten vredeoffers.
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
zoals
צִוָּה֩
(tsiva)
had geboden
מֹשֶׁ֨ה
(moshe)
Mozes
עֶֽבֶד
(eved)
de dienaar van
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
כַּכָּתוּב֙
(kakatuv)
zoals geschreven staat
בְּסֵ֨פֶר֙
(besefer)
in het boek van
תּוֹרַ֣ת
(torat)
de wet van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
מִזְבַּח֙
(mizbach)
een altaar van
אֲבָנִ֣ים
(avanim)
stenen
שְׁלֵמ֔וֹת
(shelemot)
hele
אֲשֶׁ֛ר
(asher)
waarover
לֹֽא
(lo)
niet
הֵנִ֥יף
(henif)
had geheven
עֲלֵיהֶ֖ן
(aleihen)
over hen
בַּרְזֶ֑ל
(barzel)
ijzer
וַיַּעֲל֨וּ
(vayaalu)
en zij brachten omhoog
עָלָ֤יו
(alav)
daarop
עֹלוֹת֙
(olot)
brandoffers
לַֽיהוָ֔ה
(laYahweh)
voor Yahweh
וַֽיִּזְבְּח֖וּ
(vayizbechu)
en zij slachtten
שְׁלָמִֽים
(shelamim)
vredeoffers
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אֲבָנִים שְׁלֵמוֹת (avanim shelemot), ‘hele stenen’: stenen die niet met ijzer zijn bewerkt.

Zie Exod. 20:25 en Deut. 27:5–6.

32Daar schreef hij op de stenen een afschrift van de wet van Mozes, die hij in het bijzijn van de zonen van Israël had geschreven.
וַיִּכְתָּב
(vayikhtav)
en schreef
שָׁ֖ם
(sham)
daar
עַל
(al)
op
הָאֲבָנִ֑ים
(haavanim)
de stenen
אֵ֗ת
(et)
(obj.)
מִשְׁנֵה֙
(mishne)
een afschrift van
תּוֹרַ֣ת
(torat)
de wet van
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
כָּתַ֔ב
(katav)
hij had geschreven
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
in het bijzijn van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁנֵה תּוֹרַת מֹשֶׁה (mishneh torat Mosheh), ‘afschrift van de wet van Mozes’: ook te lezen als ‘herhaling van de wet’.

Zie Deut. 17:18.

Lezing

Wie in het bijzijn van Israël heeft geschreven, zegt de tekst niet.

Het kan Mozes zijn (Deut. 31:9) of Jozua.

33Heel Israël stond aan weerszijden van de ark, met zijn oudsten, opzichters en rechters. Zij stonden tegenover de priesters, de Levieten, die de ark van het verbond van Yahweh droegen. Zowel de vreemdeling als de inheemse was erbij. De ene helft stond tegenover de berg Gerizim, de andere helft tegenover de berg Ebal. Zo had Mozes, de dienaar van Yahweh, geboden: eerst het volk Israël te zegenen.
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֡ל
(yisrael)
Israël
וּזְקֵנָ֡יו
(uzeqenav)
met zijn oudsten
וְשֹׁטְרִ֣ים
(veshoterim)
en opzichters
וְשֹׁפְטָ֡יו
(veshofetav)
en zijn rechters
עֹמְדִ֣ים
(omedim)
stonden
מִזֶּ֣ה
(mize)
aan deze kant
וּמִזֶּ֣ה
(umize)
en aan gene kant
לָאָר֡וֹן
(laaron)
van de ark
נֶגֶד֩
(neged)
tegenover
הַכֹּהֲנִ֨ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּ֜ם
(halviyim)
de Levieten
נֹשְׂאֵ֣י
(noseei)
die droegen
אֲר֣וֹן
(aron)
de ark van
בְּרִית
(berit)
het verbond van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּגֵּר֙
(kager)
zowel de vreemdeling
כָּֽאֶזְרָ֔ח
(kaezrach)
als de inheemse
חֶצְיוֹ֙
(chetsyo)
de helft ervan
אֶל
(el)
naar
מ֣וּל
(mul)
tegenover
הַר
(har)
de berg
גְּרִזִ֔ים
(gerizim)
Gerizim
וְהַֽחֶצְי֖וֹ
(vehachetsyo)
en de helft
אֶל
(el)
naar
מ֣וּל
(mul)
tegenover
הַר
(har)
de berg
עֵיבָ֑ל
(eival)
Ebal
כַּאֲשֶׁ֨ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֜ה
(tsiva)
had geboden
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עֶֽבֶד
(eved)
de dienaar van
יְהוָ֗ה
(Yahweh)
Yahweh
לְבָרֵ֛ךְ
(levarekh)
om te zegenen
אֶת
(et)
(obj.)
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בָּרִאשֹׁנָֽה
(barishona)
eerst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gerizim: De Gerizim is een berg bij Sichem, bij het huidige Nablus.

Hier werd de zegen uitgesproken.

Zie Ebal: De Ebal is een berg bij Sichem, bij het huidige Nablus, tegenover de Gerizim.

Hier werd de vloek uitgesproken.

Uitleg

Zegen en vloek horen bij de opdracht die Mozes gaf: zie Deut. 11:29 en Deut. 27:11–26.

34Daarna las hij alle woorden van de wet voor: de zegen en de vloek, volgens alles wat in het boek van de wet geschreven staat.
וְאַֽחֲרֵי
(veacharei)
en na
כֵ֗ן
(ken)
dit
קָרָא֙
(qara)
las hij voor
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
דִּבְרֵ֣י
(divrei)
woorden van
הַתּוֹרָ֔ה
(hatora)
de wet
הַבְּרָכָ֖ה
(haberakha)
de zegen
וְהַקְּלָלָ֑ה
(vehaqelala)
en de vloek
כְּכָל
(kekhal)
volgens alles
הַכָּת֖וּב
(hakatuv)
wat geschreven staat
בְּסֵ֥פֶר
(besefer)
in het boek van
הַתּוֹרָֽה
(hatora)
de wet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35Er was geen woord van alles wat Mozes had geboden dat Jozua niet voorlas tegenover heel de vergadering van Israël. Hij las voor tegenover de vrouwen, de kleine kinderen en de vreemdeling die in hun midden liep.
לֹֽא
(lo)
niet
הָיָ֣ה
(haya)
was
דָבָ֔ר
(davar)
woord
מִכֹּ֖ל
(mikol)
van alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֣ה
(tsiva)
had geboden
מֹשֶׁ֑ה
(moshe)
Mozes
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
לֹֽא
(lo)
niet
קָרָ֜א
(qara)
voorlas
יְהוֹשֻׁ֗עַ
(yehoshua)
Jozua
נֶ֣גֶד
(neged)
tegenover
כָּל
(kal)
heel
קְהַ֤ל
(qehal)
de vergadering van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
וְהַנָּשִׁ֣ים
(vehanashim)
en de vrouwen
וְהַטַּ֔ף
(vehataf)
en de kleine kinderen
וְהַגֵּ֖ר
(vehager)
en de vreemdeling
הַהֹלֵ֥ךְ
(haholekh)
die liep
בְּקִרְבָּֽם
(beqirbam)
in hun midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָהָל (qahal), ‘vergadering’: de hele bijeenroeping van het volk, ook de vrouwen, de kleine kinderen en de vreemdeling.