Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Rouw onder de Joden
1Mordechai wist alles wat er was gedaan. Mordechai scheurde zijn kleren, trok rouwkleed en as aan en ging in het midden van de stad. Hij schreeuwde luid en bitter.
וּמָרְדֳּכַ֗י
(umardokhay)
en Mordechai
יָדַע֙
(yada)
wist
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
נַעֲשָׂ֔ה
(naasa)
was gedaan
וַיִּקְרַ֤ע
(vayiqra)
en scheurde
מָרְדֳּכַי֙
(mardokhay)
Mordechai
אֶת
(et)
(obj.)
בְּגָדָ֔יו
(begadav)
zijn kleren
וַיִּלְבַּ֥שׁ
(vayilbash)
en trok aan
שַׂ֖ק
(saq)
rouwkleed
וָאֵ֑פֶר
(vaefer)
en as
וַיֵּצֵא֙
(vayetse)
en ging uit
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הָעִ֔יר
(hair)
de stad
וַיִּזְעַ֛ק
(vayizaq)
en schreeuwde
זְעָקָ֥ה
(zeaqa)
een kreet
גְדֹלָ֖ה
(gedola)
groot
וּמָרָֽה
(umara)
en bitter
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
שַׂק (saq), ‘rouwkleed’: een grof kleed van geitenhaar dat bij rouw of boete werd gedragen, samen met as.
2Hij kwam tot vlak voor de poort van de koning. Want niemand mocht in een rouwkleed de poort van de koning binnengaan.
וַיָּב֕וֹא
(vayavo)
en kwam
עַ֖ד
(ad)
tot
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
שַֽׁעַר
(shaar)
de poort van
הַמֶּ֑לֶךְ
(hamelekh)
de koning
כִּ֣י
(ki)
want
אֵ֥ין
(ein)
niet
לָב֛וֹא
(lavo)
te komen
אֶל
(el)
naar
שַׁ֥עַר
(shaar)
de poort van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בִּלְב֥וּשׁ
(bilvush)
in kleding van
שָֽׂק
(saq)
rouwkleed
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt dat niemand in rouwkleed de poort van de koning mocht binnengaan.
Mordechai blijft daarom buiten de poort.
3In elke provincie, overal waar het woord van de koning en zijn besluit aankwamen, was grote rouw bij de Joden. Er was vasten, wenen en klagen. Velen lagen in rouwkleed en as.
וּבְכָל
(uvekhal)
en in elke
מְדִינָ֣ה
(medina)
provincie
וּמְדִינָ֗ה
(umedina)
en provincie
מְקוֹם֙
(meqom)
plaats
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waar
דְּבַר
(devar)
het woord van
הַמֶּ֤לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְדָתוֹ֙
(vedato)
en zijn besluit
מַגִּ֔יעַ
(magia)
aankwam
אֵ֤בֶל
(evel)
rouw
גָּדוֹל֙
(gadol)
groot
לַיְּהוּדִ֔ים
(layehudim)
bij de Joden
וְצ֥וֹם
(vetsom)
en vasten
וּבְכִ֖י
(uvekhi)
en wenen
וּמִסְפֵּ֑ד
(umisped)
en klagen
שַׂ֣ק
(saq)
rouwkleed
וָאֵ֔פֶר
(vaefer)
en as
יֻצַּ֖ע
(yutsa)
lag
לָֽרַבִּֽים
(larabim)
voor velen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De tekst noemt het vasten van de Joden hier zonder Yahweh of Elohim te noemen.
4De meisjes van Ester en haar hovelingen kwamen en vertelden het haar. De koningin schrok zeer. Zij stuurde kleren om Mordechai te kleden en zijn rouwkleed van hem weg te nemen, maar hij nam ze niet aan.
וַ֠תָּבוֹאינָה
(vatavoyna)
en kwamen
נַעֲר֨וֹת
(naarot)
meisjes van
אֶסְתֵּ֤ר
(ester)
Ester
וְסָרִיסֶ֨יהָ֙
(vesariseiha)
en haar hovelingen
וַיַּגִּ֣ידוּ
(vayagidu)
en vertelden
לָ֔הּ
(lah)
haar
וַתִּתְחַלְחַ֥ל
(vatitchalchal)
en werd zeer bang
הַמַּלְכָּ֖ה
(hamalka)
de koningin
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַתִּשְׁלַ֨ח
(vatishlach)
en zond
בְּגָדִ֜ים
(begadim)
kleren
לְהַלְבִּ֣ישׁ
(lehalbish)
om te kleden
אֶֽת
(et)
(obj.)
מָרְדֳּכַ֗י
(mardokhay)
Mordechai
וּלְהָסִ֥יר
(ulehasir)
en om weg te nemen
שַׂקּ֛וֹ
(saqo)
zijn rouwkleed
מֵעָלָ֖יו
(mealav)
van hem
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
קִבֵּֽל
(qibel)
nam aan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
סָרִיס (saris), ‘hoveling’: zie de voetnoot bij 1:10.
5Ester riep Hatach, een van de hovelingen van de koning, die hij voor haar had aangesteld. Zij gaf hem bevel naar Mordechai te gaan, om te weten wat dit was en waarom.
וַתִּקְרָא֩
(vatiqra)
en riep
אֶסְתֵּ֨ר
(ester)
Ester
לַהֲתָ֜ךְ
(lahatakh)
Hatach
מִסָּרִיסֵ֤י
(misarisei)
van de hovelingen van
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֶעֱמִ֣יד
(heemid)
had aangesteld
לְפָנֶ֔יהָ
(lefaneiha)
voor haar
וַתְּצַוֵּ֖הוּ
(vatetsavehu)
en gaf hem bevel
עַֽל
(al)
over
מָרְדֳּכָ֑י
(mardokhay)
Mordechai
לָדַ֥עַת
(ladaat)
om te weten
מַה
(ma)
wat
זֶּ֖ה
(ze)
dit
וְעַל
(veal)
en over
מַה
(ma)
wat
זֶּֽה
(ze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hatach (הֲתָךְ) is een hoveling van de koning.
Hij wordt alleen in dit hoofdstuk genoemd (vers 5, 6, 9 en 10).
7Mordechai vertelde hem alles wat hem was overkomen. Hij vertelde ook het bedrag aan zilver dat Haman had beloofd te wegen in de schatkamers van de koning. Dat was voor de Joden, om hen te vernietigen.
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en vertelde
ל֣וֹ
(lo)
hem
מָרְדֳּכַ֔י
(mardokhay)
Mordechai
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
קָרָ֑הוּ
(qarahu)
hem was overkomen
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
פָּרָשַׁ֣ת
(parashat)
het bedrag van
הַכֶּ֗סֶף
(hakesef)
het zilver
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
אָמַ֤ר
(amar)
zei
הָמָן֙
(haman)
Haman
לִ֠שְׁקוֹל
(lishqol)
te wegen
עַל
(al)
op
גִּנְזֵ֥י
(ginzei)
de schatkamers van
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
בַּיְּהוּדִ֖ים
(bayehudim)
voor de Joden
לְאַבְּדָֽם
(leabedam)
om hen te vernietigen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּרָשַׁת הַכֶּסֶף (parashat hakesef), ‘het bedrag van het zilver’: de precieze som die Haman had genoemd (3:9).
8Ook gaf hij hem een afschrift van het geschreven besluit dat in Sjoesjan was gegeven om hen te vernietigen. Hatach moest het aan Ester laten zien en haar alles vertellen. Hij moest haar bevelen naar de koning te gaan, hem om genade te smeken en bij hem te pleiten voor haar volk.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פַּתְשֶׁ֣גֶן
(patshegen)
afschrift van
כְּתָֽב
(ketav)
geschrift
הַ֠דָּת
(hadat)
het besluit
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִתַּ֨ן
(nitan)
was gegeven
בְּשׁוּשָׁ֤ן
(beshushan)
in Sjoesjan
לְהַשְׁמִידָם֙
(lehashmidam)
om hen te vernietigen
נָ֣תַן
(natan)
gaf
ל֔וֹ
(lo)
hem
לְהַרְא֥וֹת
(leharot)
om te laten zien
אֶת
(et)
(obj.)
אֶסְתֵּ֖ר
(ester)
Ester
וּלְהַגִּ֣יד
(ulehagid)
en om te vertellen
לָ֑הּ
(lah)
haar
וּלְצַוּ֣וֹת
(uletsauot)
en om te bevelen
עָלֶ֗יהָ
(aleiha)
haar
לָב֨וֹא
(lavo)
om te komen
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֧לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְהִֽתְחַנֶּן
(lehitchanen)
om genade te smeken
ל֛וֹ
(lo)
hem
וּלְבַקֵּ֥שׁ
(ulevaqesh)
en om te vragen
מִלְּפָנָ֖יו
(milefanav)
van voor hem
עַל
(al)
voor
עַמָּֽהּ
(amah)
haar volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Uitleg
Het ‘besluit’ (דָּת, dat) is het geschrift van 3:12–14, dat in Sjoesjan was gegeven.
9Hatach kwam en vertelde Ester de woorden van Mordechai.
וַיָּב֖וֹא
(vayavo)
en kwam
הֲתָ֑ךְ
(hatakh)
Hatach
וַיַּגֵּ֣ד
(vayaged)
en vertelde
לְאֶסְתֵּ֔ר
(leester)
aan Ester
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
דִּבְרֵ֥י
(divrei)
de woorden van
מָרְדֳּכָֽי
(mardokhay)
Mordechai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Ester aarzelt
10Ester zei tegen Hatach en gaf hem een boodschap voor Mordechai:
וַתֹּ֤אמֶר
(vatomer)
en zei
אֶסְתֵּר֙
(ester)
Ester
לַהֲתָ֔ךְ
(lahatakh)
tegen Hatach
וַתְּצַוֵּ֖הוּ
(vatetsavehu)
en gaf hem bevel
אֶֽל
(el)
naar
מָרְדֳּכָֽי
(mardokhay)
Mordechai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11„Alle dienaren van de koning en het volk van de provincies van de koning weten dit. Voor elke man of vrouw die ongeroepen bij de koning komt in de binnenste voorhof, geldt één wet: de dood. Alleen wie de koning de gouden scepter toesteekt, blijft leven. Ik ben al dertig dagen niet geroepen om bij de koning te komen.”
כָּל
(kal)
alle
עַבְדֵ֣י
(avdei)
dienaren van
הַמֶּ֡לֶךְ
(hamelekh)
de koning
וְעַם
(veam)
en het volk van
מְדִינ֨וֹת
(medinot)
provincies van
הַמֶּ֜לֶךְ
(hamelekh)
de koning
יֽוֹדְעִ֗ים
(yodeim)
weten
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
כָּל
(kal)
elke
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וְאִשָּׁ֡ה
(veisha)
en vrouw
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
יָבֽוֹא
(yavo)
komt
אֶל
(el)
naar
הַמֶּלֶךְ֩
(hamelekh)
de koning
אֶל
(el)
naar
הֶחָצֵ֨ר
(hechatser)
de voorhof
הַפְּנִימִ֜ית
(hapenimit)
de binnenste
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
יִקָּרֵ֗א
(yiqare)
wordt geroepen
אַחַ֤ת
(achat)
één
דָּתוֹ֙
(dato)
is zijn wet
לְהָמִ֔ית
(lehamit)
om te doden
לְ֠בַד
(levad)
behalve
מֵאֲשֶׁ֨ר
(measher)
van wie
יֽוֹשִׁיט
(yoshit)
uitsteekt
ל֥וֹ
(lo)
naar hem
הַמֶּ֛לֶךְ
(hamelekh)
de koning
אֶת
(et)
(obj.)
שַׁרְבִ֥יט
(sharvit)
scepter van
הַזָּהָ֖ב
(hazahav)
het goud
וְחָיָ֑ה
(vechaya)
dat hij leeft
וַאֲנִ֗י
(vaani)
en ik
לֹ֤א
(lo)
niet
נִקְרֵ֨אתי֙
(niqrety)
ben geroepen
לָב֣וֹא
(lavo)
om te komen
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
זֶ֖ה
(ze)
dit
שְׁלוֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
יֽוֹם
(yom)
dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De ‘gouden scepter’ (שַׁרְבִיט הַזָּהָב) is het teken dat de koning iemand ontvangt.
Zie 5:2.
De ‘binnenste voorhof’ is het deel van het paleis waar de koning zit. De tekst zegt niet waarom Ester dertig dagen niet was geroepen.
14Want als je in deze tijd volkomen zwijgt, zal er van een andere plaats verlichting en redding voor de Joden opstaan. Maar jij en het huis van je vader zullen omkomen. Wie weet of je niet voor een tijd als deze tot het koningschap bent gekomen?”
כִּ֣י
(ki)
want
אִם
(im)
indien
הַחֲרֵ֣שׁ
(hacharesh)
zwijgen
תַּחֲרִישִׁי֮
(tacharishi)
je zwijgt
בָּעֵ֣ת
(baet)
in tijd
הַזֹּאת֒
(hazot)
deze
רֶ֣וַח
(revach)
verlichting
וְהַצָּלָ֞ה
(vehatsala)
en redding
יַעֲמ֤וֹד
(yaamod)
zal opstaan
לַיְּהוּדִים֙
(layehudim)
voor de Joden
מִמָּק֣וֹם
(mimaqom)
van plaats
אַחֵ֔ר
(acher)
andere
וְאַ֥תְּ
(veat)
en jij
וּבֵית
(uveit)
en het huis van
אָבִ֖יךְ
(avikh)
je vader
תֹּאבֵ֑דוּ
(tovedu)
zullen omkomen
וּמִ֣י
(umi)
en wie
יוֹדֵ֔עַ
(yodea)
weet
אִם
(im)
of
לְעֵ֣ת
(leet)
voor tijd
כָּזֹ֔את
(kazot)
zoals deze
הִגַּ֖עַתְּ
(higaat)
je bent gekomen
לַמַּלְכֽוּת
(lamalkhut)
tot het koningschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֶוַח (revach), ‘verlichting’: letterlijk ‘ruimte’, het opluchten van de nood.
מִמָּקוֹם אַחֵר (mimmakom acher), ‘van een andere plaats’: de tekst zegt niet van welke plaats of van wie.
לְעֵת כָּזֹאת (le'et kazot), ‘voor een tijd als deze’: voor deze tijd van nood.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16„Ga, verzamel alle Joden die in Sjoesjan zijn, en vast voor mij. Eet niet en drink niet, drie dagen lang, nacht en dag. Ook ik en mijn meisjes zullen zo vasten. Daarna ga ik naar de koning, hoewel het niet volgens de wet is. En als ik omkom, dan kom ik om.”
לֵךְ֩
(lekh)
ga
כְּנ֨וֹס
(kenos)
verzamel
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַיְּהוּדִ֜ים
(hayehudim)
de Joden
הַֽנִּמְצְאִ֣ים
(hanimtseim)
die zich bevinden
בְּשׁוּשָׁ֗ן
(beshushan)
in Sjoesjan
וְצ֣וּמוּ
(vetsumu)
en vast
עָ֠לַי
(alay)
voor mij
וְאַל
(veal)
en niet
תֹּאכְל֨וּ
(tokhlu)
eet
וְאַל
(veal)
en niet
תִּשְׁתּ֜וּ
(tishtu)
drink
שְׁלֹ֤שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִים֙
(yamim)
dagen
לַ֣יְלָה
(layla)
nacht
וָי֔וֹם
(vayom)
en dag
גַּם
(gam)
ook
אֲנִ֥י
(ani)
ik
וְנַעֲרֹתַ֖י
(venaarotay)
en mijn meisjes
אָצ֣וּם
(atsum)
zal vasten
כֵּ֑ן
(ken)
zo
וּבְכֵ֞ן
(uvekhen)
en dan
אָב֤וֹא
(avo)
zal ik komen
אֶל
(el)
naar
הַמֶּ֨לֶךְ֙
(hamelekh)
de koning
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
לֹֽא
(lo)
niet
כַדָּ֔ת
(kadat)
volgens de wet
וְכַאֲשֶׁ֥ר
(vekhaasher)
en zoals
אָבַ֖דְתִּי
(avadti)
ik ben omgekomen
אָבָֽדְתִּי
(avadti)
ik ben omgekomen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Susa (Sjoesjan): Susa (Sjoesjan) was een van de hoofdsteden van Elam en later van het Perzische rijk, in het zuidwesten van het huidige Iran.
Uitleg
שְׁלֹשֶׁת יָמִים לַיְלָה וָיוֹם (sheloshet yamim laylah vayom), ‘drie dagen, nacht en dag’: drie dagen en drie nachten.
Het vasten betekent hier niet eten en niet drinken.
אָבַדְתִּי אָבַדְתִּי (avadti avadti), ‘als ik omkom, dan kom ik om’: Ester aanvaardt het gevaar.