Elohim Bijbel

Jasher 42

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

Jozef verkocht

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De Ismaëlieten

1Zij gingen heen en gingen zitten aan de overkant, ver weg, op een boogschot afstand. Zij zaten daar om brood te eten, en terwijl zij aten, beraadslaagden zij samen wat zij met hem zouden doen: hem doden, of hem terugbrengen naar zijn vader.
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
וישבו
(vayeshvu)
en zij gingen zitten
מנגד
(minneged)
tegenover
הרחק
(harchek)
ver weg
כמטחוי
(kimtachavei)
op een afstand van
קשת
(qeshet)
boog
וישבו
(vayeshvu)
en zij zaten
שם
(shem)
daar
לאכול
(le'ekhol)
om te eten
לחם
(lechem)
brood
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
המה
(hemmah)
zij
אוכלים
(ochelim)
etend
ויתיעצו
(vayityatsu)
en zij beraadslaagden
יחד
(yachad)
samen
מה
(mah)
wat
לעשות
(la'asot)
om te doen
לו
(lo)
voor hem
אם
(em)
of
להמיתו
(lehamito)
om hem te doden
ואם
(ve'im)
of
להשיבו
(lehashivo)
hem terug te brengen
אל
(el)
tot
אביו
(aviv)
zijn vader
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:25 (zij gingen zitten om brood te eten en zagen een karavaan van Ismaëlieten uit Gilead komen).

Zie ookGen 37:25
2Terwijl zij zo beraadslaagden, sloegen zij hun ogen op en zagen een karavaan van Ismaëlieten die van ver kwam, over de weg van Gilead; zij gingen af naar Egypte.
המה
(hemmah)
zij
מתיעצים
(mityatsim)
beraadslagend
וישאו
(vayis'u)
en zij hieven op
עיניהם
(eineihem)
hun ogen
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
והנה
(vehinneh)
en zie
ארחת
(orchat)
karavaan van
ישמעאלים
(yishme'elim)
Ismaëlieten
באה
(ba'ah)
komend
מרחוק
(merachoq)
van ver
מדרך
(middarekh)
van de weg van
גלעד
(Gil'ad)
Gilead
הולכים
(holekhim)
gaande
לרדת
(laredet)
om af te dalen
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

3Juda zei tegen hen: „Wat voor winst is het dat wij onze broer doden? Misschien eist Elohim hem van ons op. Dit is het plan dat over hem is beraamd, dat jullie met hem moeten doen: zie, die karavaan van Ismaëlieten komt hierheen en gaat de weg naar Egypte.
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
יהודה
(Yehudah)
Juda
מה
(mah)
wat
בצע
(betsa)
winst
כי
(ki)
dat
נהרוג
(naharog)
wij doden
אנחנו
(anachnu)
wij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
פן
(pen)
misschien
ידרשהו
(yidreshehu)
zal hem opeisen
אלוקים
(Elohim)
Elohim
ממנו
(mimmennu)
van ons
זאת
(zot)
deze
היא
(hi)
is
העצה
(ha'etsah)
de raad
היעוצה
(hayeutsa)
die beraamd is
עליו
(alav)
omtrent hem
אשר
(asher)
die
תעשו
(ta'asu)
jullie zullen doen
לו
(lo)
voor hem
והנה
(vehinneh)
en zie
ארחת
(orchat)
karavaan van
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
הזאת
(hazzo't)
deze
הבאה
(habba'ah)
die komt
אלינו
(elenu)
naar ons toe
הולכת
(holekhet)
gaande
דרך
(derekh)
de weg van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookGen 37:26
4Kom nu, laten wij hem aan hen overleveren, en laat onze hand niet aan hem zijn. Zij zullen hem met zich meevoeren en hij zal verloren gaan tussen de mensen van het hele land, en wij zullen hem niet met onze eigen handen doden.” Dit voorstel was goed in de ogen van zijn broers, en zij deden wat Juda gezegd had.
עתה
(attah)
nu
לכו
(lekhu)
kom
ונמסרהו
(venimserehu)
en laten wij hem overleveren
אליהם
(aleihem)
tot hen
וידינו
(veyadenu)
en onze hand
אל
(el)
niet
תהי
(tehi)
zij
בו
(bo)
aan hem
והם
(vehem)
en zij
יוליכוהו
(yolikhuhu)
zij zullen hem meevoeren
אל
(el)
naar
דרכם
(darkham)
hun weg
ואבד
(ve'avad)
en hij zal verloren gaan
בין
(bein)
tussen
אנשי
(anshei)
mensen van
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
het land
והמת
(vehamet)
en wat het doden betreft
לא
(lo)
niet
נמיתהו
(nemitehu)
zullen wij hem doden
אנחנו
(anachnu)
wij
בידינו
(beyadenu)
met onze handen
וייטב
(vayyitav)
en het was goed
הדבר
(haddavar)
de zaak
בעיני
(be'einei)
in de ogen van
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
כדבר
(kidvar)
volgens het woord van
יהודה
(Yehudah)
Juda
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:26–27 (Juda: ‘kom, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen, en laat onze hand niet aan hem zijn’).

De Midianieten bij de put

5Terwijl zij over deze zaak spraken en voordat de karavaan van Ismaëlieten bij hen was gekomen, gingen zeven Midianitische kooplieden langs hen voorbij. Toen zij voorbijtrokken, kregen zij dorst naar water, en zij sloegen hun ogen op en zagen de put waarin Jozef zat; en zij zagen dat er vogels van alle soorten boven hem waren.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
הם
(hem)
zij
מדברים
(medabberim)
sprekend
בדבר
(bedabber)
over de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ובטרם
(uvetérem)
en voordat
באה
(ba'ah)
kwam
נגדם
(neggedam)
tegenover hen
ארחת
(orchat)
karavaan van
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
ויעברו
(vaya'avru)
en zij gingen voorbij
מאצלם
(me'etslam)
langs hen
שבעה
(shiv'ah)
zeven
אנשים
(anashim)
mannen
מדינים
(midyanim)
Midianitische
סוחרים
(sochrim)
kooplieden
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בעברם
(be'avram)
toen zij voorbijtrokken
ויצמאו
(vayitsme'u)
en zij kregen dorst
למים
(lamayim)
naar water
וישאו
(vayis'u)
en zij hieven op
עיניהם
(eineihem)
hun ogen
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הבור
(habor)
de put
אשר
(asher)
die
יוסף
(Yosef)
Jozef
שם
(shem)
daar
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
והנה
(vehinneh)
en zie
עליו
(alav)
boven hem
כל
(kol)
alle
עוף
(of)
vogels
למינהו
(leminehu)
naar zijn soort
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

אשר יוסף שם (‘waar Jozef daar [was]’) staat er, zonder werkwoord; gelezen als ‘waarin Jozef zat’.

Zie ookGen 37:28
6Die Midianitische mannen renden naar de put om water te drinken, want zij dachten dat er water in was. Zij kwamen voor de put en hoorden de stem van Jozef die in de put schreeuwde en weende. Zij keken in de put en zagen een jongen, mooi van gestalte en zeer mooi van aanzien.
וירוצו
(vayarutsu)
en zij renden
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
ההם
(hahem)
die
אל
(el)
naar
הבור
(habor)
de put
לשתות
(lishtot)
om te drinken
מים
(mayim)
water
כי
(ki)
want
חשבו
(chashvu)
zij dachten
כי
(ki)
dat
מים
(mayim)
water
בו
(bo)
daarin
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
לפני
(lifnei)
voor
הבור
(habor)
de put
וישמעו
(vayishme'u)
en zij hoorden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
קול
(qol)
stem van
יוסף
(Yosef)
Jozef
צועק
(tso'eq)
schreeuwend
ובוכה
(uvokheh)
en wenend
בבור
(babor)
in de put
וישקיפו
(vayashqifu)
en zij keken omlaag
אל
(el)
in
הבור
(habor)
de put
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
והנה
(vehinneh)
en zie
נער
(na'ar)
jongen
יפה
(yafah)
mooi
תואר
(to'ar)
van gestalte
ויפה
(veyefeh)
en mooi
מראה
(mar'eh)
van aanzien
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
7Zij riepen naar hem en zeiden tegen hem: „Wie ben je, en wie heeft je hierheen gebracht, en wie heeft je in deze put in de woestijn gezet?” Zij reikten allen de hand en tilden Jozef op, trokken hem omhoog uit de put, namen hem mee en gingen hun weg; zij gingen langs zijn broers, en zijn broers zagen Jozef in de hand van de Midianieten.
ויקראו
(vayiqre'u)
en zij riepen
לו
(lo)
naar hem
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
לו
(lo)
naar hem
מי
(mi)
wie
אתה
(attah)
jij
ומי
(umei)
en wie
הביאך
(hevi'ekh)
heeft je gebracht
הלום
(halom)
hierheen
ומי
(umei)
en wie
שמך
(shemekha)
heeft je gezet
בבור
(babor)
in de put
הזה
(hazzeh)
deze
במדבר
(bammidbar)
in de woestijn
ויתנו
(vayittenu)
en zij reikten
כולם
(kullam)
allen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ידם
(yadam)
hun hand
וישאו
(vayis'u)
en zij tilden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
וימשכו
(vayimshekhu)
en zij trokken
ויעלוהו
(vaya'aluhu)
en zij haalden hem omhoog
מן
(min)
uit
הבור
(habor)
de put
ויקחוהו
(vayiqachuhu)
en zij namen hem
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
להם
(lahem)
(zich)
לדרכם
(ledarkam)
op hun weg
ויעברו
(vaya'avru)
en zij gingen voorbij
מאצל
(me'etsel)
langs
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
אחיו
(achiv)
zijn broers
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
ביד
(beyad)
in de hand van
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
8Zij zeiden tegen hen: „Waarom doen jullie dit, onze slaaf van ons afnemen en weggaan? Wij hebben die jongen toch in de put gezet, omdat hij tegen ons in opstand is gekomen. Jullie komen, halen hem omhoog en voeren hem mee. Geef ons nu onze slaaf terug.”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליהם
(aleihem)
tot hen
למה
(lammah)
waarom
תעשו
(ta'asu)
doen jullie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לקחת
(laqachat)
om te nemen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עבדנו
(avdenu)
onze slaaf
מאיתנו
(me'itanu)
van ons
ותלכו
(vetelkhu)
en gaan jullie weg
לכם
(lakhem)
weg
הלא
(halo)
immers
אנחנו
(anachnu)
wij
אשר
(asher)
die
שמנו
(samnu)
wij hebben gezet
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנער
(hanna'ar)
de jongen
הזה
(hazzeh)
deze
בבור
(babor)
in de put
כי
(ki)
want
מרד
(Mered)
is hij in opstand gekomen
בנו
(beno)
tegen ons
ותבואו
(vatavo'u)
en jullie komen
אתם
(ittam)
jullie
ותעלו
(vete'alu)
en jullie halen omhoog
אותו
(oto)
hem
ותוליכו
(vetolikhu)
en jullie voeren mee
אותו
(oto)
hem
ועתה
(ve'attah)
en nu
תנו
(tenu)
geef
לנו
(lanu)
ons
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עבדנו
(avdenu)
onze slaaf
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
9De Midianieten antwoordden de zonen van Jakob: „Is dit jullie slaaf, of dient deze man jullie? Misschien zijn jullie allemaal slaven van hem, want hij is mooi van gestalte, mooi van aanzien en beter om te zien dan jullie allen. En waarom spreken jullie allemaal leugens tegen ons?
ויענו
(vaya'anu)
en zij antwoordden
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
הזה
(hazzeh)
is deze
הוא
(hu)
hij
עבדכם
(avdekhem)
jullie slaaf
או
(o)
of
הזה
(hazzeh)
is deze man
ישרת
(yesharet)
dient
אתכם
(etkhem)
jullie
אולי
(ulai)
misschien
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
עבדים
(avadim)
slaven
לו
(lo)
van hem
כי
(ki)
want
הוא
(hu)
hij
יפה
(yafah)
mooi
תואר
(to'ar)
van gestalte
ויפה
(veyefeh)
en mooi
מראה
(mar'eh)
van aanzien
וטוב
(vetov)
en goed
רואי
(ro'i)
van aanblik
הוא
(hu)
hij
מכולכם
(mikulkhem)
dan jullie allen
ולמה
(velamah)
en waarom
תדברו
(tedaberu)
spreken jullie
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
אלינו
(elenu)
tegen ons
כזבים
(kezavim)
leugens
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
10Nu dan, wij zullen niet naar jullie woorden luisteren en jullie geen gehoor geven, want wij hebben de jongen in de put in de woestijn gevonden, en wij hebben hem genomen en gaan verder.”
ועתה
(ve'attah)
en nu
לא
(lo)
niet
נשמע
(nishma)
zullen wij luisteren
לדבריכם
(leDivrekhem)
naar jullie woorden
ולא
(velo)
en niet
נאזין
(na'azin)
zullen wij gehoor geven
אליכם
(aleikhem)
tot jullie
כי
(ki)
want
אנחנו
(anachnu)
wij
מצאנו
(matsanu)
hebben wij gevonden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנער
(hanna'ar)
de jongen
בבור
(babor)
in de put
במדבר
(bammidbar)
in de woestijn
ונקחהו
(venikachehu)
en wij hebben hem genomen
ונלך
(venelekh)
en gaan wij verder
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Simeon

11Alle zonen van Jakob kwamen naar hen toe, stonden tegen hen op en zeiden tegen hen: „Geef ons onze slaaf terug! Waarom zouden jullie allemaal door het zwaard sterven?” De Midianieten schreeuwden tegen hen, en zij trokken allen hun zwaarden en kwamen naderbij om tegen de zonen van Jakob te strijden.
ויגשו
(vayiggeshu)
en zij kwamen naderbij
אליהם
(aleihem)
tot hen
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויקומו
(vayaqumu)
en zij stonden op
עליהם
(aleihem)
tegen hen
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליהם
(aleihem)
tot hen
תנו
(tenu)
geef
לנו
(lanu)
voor ons
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עבדינו
(avdenu)
onze slaaf
ולמה
(velamah)
en waarom
תמותו
(tamutu)
zullen jullie sterven
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
לפי
(lefi)
met de scherpte van
חרב
(charev)
zwaard
ויצעקו
(vayits'aqu)
en zij schreeuwden
עליהם
(aleihem)
tegen hen
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
וישלפו
(vayishlefu)
en zij trokken
כולם
(kullam)
allen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חרבותיהם
(charvoteihem)
hun zwaarden
ויגשו
(vayiggeshu)
en zij kwamen naderbij
להלחם
(lehilachem)
om te strijden
בבני
(bivnei)
tegen de zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
12Maar Simeon stond op van zijn plaats tegen hen en sprong op de grond, trok zijn zwaard, ging naar de Midianieten toe en slaakte een luide kreet voor hen; zijn kreet werd tot ver weg gehoord, en de aarde beefde door het geschreeuw van Simeon.
והנה
(vehinneh)
en zie
שמעון
(Shim'on)
Simeon
קם
(qam)
stond op
ממושבו
(mimoshavo)
van zijn plaats
עליהם
(aleihem)
tegen hen
וידלג
(vayedalleg)
en hij sprong
בארץ
(ba'arets)
op de grond
וישלוף
(vayishlof)
en hij trok
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חרבו
(charvu)
zijn zwaard
ויגש
(vayyigash)
en hij naderde
אל
(el)
tot
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
ויצעק
(vayits'aq)
en hij slaakte
צעקה
(tse'aqah)
geschreeuw
גדולה
(gedolah)
grote
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
ותשמע
(vattishma)
en werd gehoord
צעקתו
(tse'aqato)
zijn geschreeuw
למרחוק
(lemerachoq)
tot ver weg
ותרעש
(vatir'ash)
en beefde
הארץ
(ha'arets)
de aarde
מצעקת
(mitse'akat)
door het geschreeuw van
שמעון
(Shim'on)
Simeon
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
13De Midianieten werden bang voor Simeon en voor het geluid van zijn geschreeuw, zij vielen op hun gezicht en waren zeer verschrikt.
וייראו
(vayyir'u)
en zij vreesden
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
מפני
(mippenei)
voor
שמעון
(Shim'on)
Simeon
ומקול
(umikol)
en door het geluid van
צעקתו
(tse'aqato)
zijn geschreeuw
ויפלו
(vayippelu)
en zij vielen
על
(al)
op
פניהם
(penehem)
hun gezichten
ויבהלו
(vayibbahalu)
en zij schrokken
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
14Simeon zei tegen hen: „Ben ik niet Simeon, de zoon van Jakob de Hebreeër, die heel de stad Sichem alleen heb verwoest, en met mijn broers de steden van de Amorieten? Zo moge Elohim mij doen, en nog meer: al kwamen alle mannen van Midian, jullie broers, en ook de koningen van Kanaän met jullie mee, zij zouden niet tegen mij kunnen strijden.
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
שמעון
(Shim'on)
Simeon
הלא
(halo)
immers
אנוכי
(anokhi)
ik
שמעון
(Shim'on)
Simeon
בן
(ben)
zoon van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
העברי
(ha'ivri)
de Hebreeër
אשר
(asher)
die
החרבתי
(hecheravti)
heb ik verwoest
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
heel
עיר
(ir)
stad
שכם
(Shekhem)
Sichem
לבדי
(levadi)
alleen
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
ערי
('eri)
steden van
האמורי
(ha'emori)
de Amorieten
עם
(im)
met
אחיי
(achai)
mijn broers
כה
(koh)
zo
יעשה
(ya'aseh)
moge Hij doen
לי
(li)
voor mij
אלוקים
(Elohim)
Elohim
וכה
(vekho)
en zo
יוסיף
(yosif)
moge Hij toevoegen
כי
(ki)
dat
אם
(em)
als
באו
(ba'u)
kwamen
אתכם
(etkhem)
met jullie
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mannen van
מדין
(Midyan)
Midian
אחיכם
(acheikhem)
jullie broers
וגם
(vegam)
en ook
מלכי
(malkhei)
koningen van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
איתכם
(ittekhem)
met jullie
לא
(lo)
niet
יוכלו
(yukhlu)
zullen zij kunnen
להלחם
(lehilachem)
om te strijden
בי
(bi)
tegen mij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

15Geef nu de jongen terug die jullie hebben genomen, anders geef ik jullie vlees aan het gevogelte van de hemel en aan het gedierte van de aarde.”
ועתה
(ve'attah)
en nu
תנו
(tenu)
geef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנער
(hanna'ar)
de jongen
אשר
(asher)
die
לקחתם
(lekachtem)
jullie hebben genomen
פן
(pen)
anders
אתן
(etten)
zal ik geven
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בשרכם
(besarkhem)
jullie vlees
לעוף
(le'of)
aan het gevogelte van
השמים
(hashamayim)
de hemel
ולבהמת
(ulvehemat)
en aan het gedierte van
הארץ
(ha'arets)
de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
16De Midianieten werden nog banger voor Simeon en kwamen vol schrik en angst naar de zonen van Jakob toe, en zij zeiden met zachte woorden:
וייראו
(vayyir'u)
en zij vreesden
עוד
(od)
nog
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
מפני
(mippenei)
vanwege
שמעון
(Shim'on)
Simeon
ויגשו
(vayiggeshu)
en zij kwamen naderbij
אל
(el)
tot
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בפחד
(bepachad)
in schrik
ואימה
(ve'ema)
en angst
ובדברי
(uvedivrei)
en met woorden van
רכה
(rakka)
zachte
לאמור
(lemor)
zeggende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De verkoop

17„Hebben jullie niet gezegd dat die jongen jullie slaaf is, en dat hij tegen jullie in opstand is gekomen en jullie hem daarom in de put hebben gezet? Wat kunnen jullie met een slaaf doen die tegen zijn heer in opstand komt? Verkoop hem nu aan ons, en wij zullen jullie geven wat jullie ervoor willen.” En Yahweh wilde dit doen, opdat de zonen van Jakob hun broer niet zouden doden.
הלא
(halo)
immers
כי
(ki)
dat
אמרתם
(amartem)
jullie hebben gezegd
עבדכם
(avdekhem)
jullie slaaf
הוא
(hu)
hij
הנער
(hanna'ar)
de jongen
הזה
(hazzeh)
deze
וימרוד
(vayimrod)
en hij kwam in opstand
בכם
(bakhem)
tegen jullie
על
(al)
daarom
כן
(ken)
—
שמתם
(samtem)
jullie hebben gezet
אותו
(oto)
hem
בבור
(babor)
in de put
ומה
(umah)
en wat
תעשו
(ta'asu)
doen jullie
לכם
(lakhem)
ermee
בעבד
(be'eved)
met een slaaf
אשר
(asher)
die
ימרוד
(yimrod)
in opstand komt
באדוניו
(be'adonav)
tegen zijn heer
עתה
(attah)
nu
מכרו
(mikhru)
verkoop
אותו
(oto)
hem
לנו
(lanu)
aan ons
ונתנה
(venitna)
en wij zullen geven
לכם
(lakhem)
aan jullie
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
wat
תחפצו
(tachpetsu)
jullie willen
בו
(bo)
voor hem
ויהוה
(vaYahweh)
en Yahweh
חפץ
(chafets)
wilde
לעשות
(la'asot)
om te doen
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לבלתי
(levilti)
opdat niet
המית
(hemit)
zouden doden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיהם
(achihem)
hun broer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
18De Midianieten zagen dat Jozef mooi van gestalte en mooi van aanzien was, en zij begeerden hem in hun hart en drongen er sterk op aan hem van zijn broers te kopen.
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
יפה
(yafah)
mooi
תואר
(to'ar)
van gestalte
ויפה
(veyefeh)
en mooi
מראה
(mar'eh)
van aanzien
ויחמדו
(vayachmedu)
en zij begeerden
אותו
(oto)
hem
בלבם
(belibbam)
in hun hart
ויתחזקו
(vayitchazqu)
en zij drongen aan
לקנות
(liknot)
te kopen
אותו
(oto)
hem
מאת
(me'et)
van
אחיו
(achiv)
zijn broers
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
19De zonen van Jakob luisterden naar de Midianieten en verkochten hun broer Jozef aan hen voor twintig zilverstukken; Ruben, hun broer, was niet bij hen. De Midianieten namen Jozef mee en gingen hun weg naar Gilead.
וישמעו
(vayishme'u)
en zij luisterden
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אל
(el)
naar
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
וימכרו
(veyimkeru)
en zij verkochten
אליהם
(aleihem)
aan hen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
אחיהם
(achihem)
hun broer
בעשרים
(be'esrim)
voor twintig
כסף
(kesef)
zilver
וראובן
(vera'uven)
en Ruben
אחיהם
(achihem)
hun broer
אין
(ein)
er is niet
איתם
(ittam)
bij hen
ויקחו
(vayyiqchu)
en zij namen
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
להם
(lahem)
(zich)
לדרכם
(ledarkam)
op hun weg
גלעדה
(gil'ada)
naar Gilead
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:28 (zij verkochten Jozef voor twintig zilverstukken).

Daar blijft onduidelijk wie hem verkoopt; Jasher laat de broers hem aan de Midianieten verkopen (v. 19) en de Midianieten hem aan de Ismaëlieten (v. 24).

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie ookGen 37:28

Berouw

20Terwijl zij op weg waren, kregen de Midianieten berouw over wat zij hadden gedaan, dat zij de jongen hadden gekocht, en zij zeiden tegen elkaar: „Wat hebben wij gedaan, dat wij deze jongen van de Hebreeën hebben genomen, die zo mooi van gestalte en mooi van aanzien is?
המה
(hemmah)
zij
הולכים
(holekhim)
gaande
בדרך
(baderekh)
onderweg
וינחמו
(vayenachamu)
en zij kregen berouw
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
על
(al)
over
אשר
(asher)
wat
עשו
(asu)
zij hadden gedaan
אשר
(asher)
dat
קנו
(kanu)
zij hadden gekocht
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנער
(hanna'ar)
de jongen
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
מה
(mah)
wat
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
wat
עשינו
(asinu)
wij hebben gedaan
אשר
(asher)
dat
לקחנו
(lakachnu)
wij hebben genomen
מאת
(me'et)
van
העברים
(ha'ivrim)
de Hebreeën
הנער
(hanna'ar)
de jongen
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
die
הוא
(hu)
hij
יפה
(yafah)
mooi
תואר
(to'ar)
van gestalte
ויפה
(veyefeh)
en mooi
מראה
(mar'eh)
van aanzien
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
21Misschien is deze wel gestolen uit het land van de Hebreeën. Waarom hebben wij dit gedaan? En als hij gezocht wordt en bij ons wordt gevonden, zullen wij om hem sterven.
אולי
(ulai)
misschien
כי
(ki)
dat
גנוב
(ganov)
waarlijk
גונב
(gunav)
gestolen
זה
(ze)
deze
מארץ
(me'erets)
uit het land
העברים
(ha'ivrim)
de Hebreeën
למה
(lammah)
waarom
עשינו
(asinu)
wij hebben gedaan
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
אם
(em)
als
יבוקש
(yevukash)
hij gezocht wordt
ונמצא
(venimtsa)
en hij gevonden wordt
בידינו
(beyadenu)
in onze hand
ומתנו
(umetnu)
dan zullen wij sterven
בו
(bo)
om hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
22Zijn dit niet harde en sterke mannen? Jullie hebben vandaag de kracht van een van hen gezien. Zij hebben hem aan ons verkocht; misschien hebben zij hem met hun kracht en hun harde arm uit zijn land gestolen, en hebben zij hem daarom voor een geringe prijs aan ons verkocht, die jullie hun gaven.”
והלא
(vehalo)
zijn dit niet
אנשים
(anashim)
mannen
קשים
(kashim)
hard
וחזקים
(vachazaqim)
en sterk
כאשר
(ka'asher)
zoals
ראיתם
(re'item)
jullie hebben gezien
היום
(hayyom)
vandaag
את
(et)
(lijdend voorwerp)
גבורת
(gevurat)
de kracht van
אחד
(echad)
één
מהם
(mehem)
van hen
מכרו
(mikhru)
zij hebben verkocht
אותו
(oto)
hem
אלינו
(elenu)
aan ons
אולי
(ulai)
misschien
כי
(ki)
dat
בכוחם
(bekocham)
door hun kracht
ובזרועם
(uvizro'am)
en met hun arm
הקשה
(haqasha)
de harde
גנבוהו
(genavuhu)
zij hebben hem gestolen
מארצו
(me'artso)
uit zijn land
על
(al)
daarom
כן
(ken)
—
מכרו
(mikhru)
zij hebben verkocht
אותו
(oto)
hem
במחיר
(bimchir)
voor een prijs
מועט
(mu'at)
gering
אשר
(asher)
die
נתתם
(nattem)
jullie gaven
להם
(lahem)
aan hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
23Terwijl zij zo spraken, zagen zij dat de karavaan van Ismaëlieten die eerst was gekomen, die de zonen van Jakob hadden gezien, steeds dichterbij kwam, de Midianieten tegemoet. De Midianieten zeiden tegen elkaar: „Kom, laten wij deze jongen verkopen aan de karavaan van Ismaëlieten die ons tegemoet komt; laten wij er ook het beetje prijs voor nemen dat wij ervoor gaven, en laten wij van zijn kwaad gered worden.” En zij deden zo.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בדברם
(bedabram)
terwijl zij spraken
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
והנה
(vehinneh)
en zie
ארחת
(orchat)
karavaan van
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
הבאה
(habba'ah)
die kwam
בתחילה
(battechillah)
in het begin
אשר
(asher)
die
ראו
(ra'u)
zij zagen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
הולכת
(holekhet)
gaande
ובאה
(uva'a)
en komende
לקראת
(liqrat)
tegemoet
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
לכו
(lekhu)
kom
ונמכור
(venimkor)
laten wij verkopen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנער
(hanna'ar)
de jongen
הזה
(hazzeh)
deze
לארחת
(le'orchat)
aan de karavaan van
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
הבאים
(habba'im)
die komen
לקראתנו
(likratenu)
ons tegemoet
וניקח
(vanniqach)
en laten wij nemen
בו
(bo)
voor hem
אף
(af)
zelfs
את
(et)
(lijdend voorwerp)
המחיר
(hamechir)
de prijs
המעט
(hame'at)
het beetje
אשר
(asher)
die
נתנו
(netano)
wij gaven
בו
(bo)
voor hem
ונוצל
(venivatsel)
en laten wij gered worden
מרעתו
(mera'ato)
van zijn kwaad
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
כן
(ken)
zo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 37:28
24Zij bereikten die Ismaëlieten, en de Midianieten verkochten Jozef aan de Ismaëlieten voor twintig zilverstukken, die zij aan zijn broers voor hem hadden gegeven.
ויגיעו
(vayagi'u)
en zij bereikten
עד
(ad)
tot
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
ההם
(hahem)
die
וימכרו
(veyimkeru)
en zij verkochten
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
לישמעאלים
(layishme'elim)
aan de Ismaëlieten
בעשרים
(be'esrim)
voor twintig
כסף
(kesef)
zilver
אשר
(asher)
die
נתנו
(netano)
zij gaven
בו
(bo)
voor hem
לאחיו
(le'achiv)
aan zijn broers
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
25De Midianieten gingen hun weg naar Gilead, en de Ismaëlieten namen Jozef mee, lieten hem op de kamelen rijden en voerden hem naar Egypte.
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
לדרכם
(ledarkam)
op hun weg
גלעדה
(gil'ada)
naar Gilead
ויקחו
(vayyiqchu)
en zij namen
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
וירכיבוהו
(vayarkivuhu)
en zij lieten hem rijden
על
(al)
op
הגמלים
(haggemalim)
de kamelen
ויוליכוהו
(vayolikhuhu)
en zij voerden hem mee
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Op weg naar Egypte

26Jozef hoorde dat de Ismaëlieten naar Egypte gingen, en hij schreeuwde en weende om deze zaak, omdat hij ver weg was van het land Kanaän, van zijn vader. Jozef weende zeer op de kameel waarop hij reed, en een van hun mannen zag hem, liet hem van de kameel afstappen en liet hem te voet gaan; maar toch bleef Jozef schreeuwen en wenen, en hij zei: „Mijn vader, mijn vader!”
וישמע
(vayishma)
en hoorde
יוסף
(Yosef)
Jozef
כי
(ki)
dat
הולכים
(holekhim)
gaande
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
ויצעק
(vayits'aq)
en hij schreeuwde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויבכה
(vayevke)
en hij weende
על
(al)
op
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
כי
(ki)
want
התרחק
(hitrachek)
hij ver weg was
מארץ
(me'erets)
van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
מאביו
(me'aviv)
van zijn vader
ויבך
(vayevk)
en weende
יוסף
(Yosef)
Jozef
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
op
הגמל
(higgamel)
de kameel
אשר
(asher)
die
רכב
(rekhev)
hij reed
עליו
(alav)
erop
וירא
(vayyera)
en hij zag
אותו
(oto)
hem
איש
(ish)
een man
אחד
(echad)
één
מהם
(mehem)
van hen
ויורידהו
(vayoridehu)
en liet hem afdalen
מעל
(me'al)
van
הגמל
(higgamel)
de kameel
וילך
(vayelekh)
en hij ging
ברגליו
(beraglav)
op zijn voeten
ובכל
(uvkhol)
en ondanks
זאת
(zot)
dit
היה
(hayah)
hij was
יוסף
(Yosef)
Jozef
צועק
(tso'eq)
schreeuwend
ובוכה
(uvokheh)
en wenend
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אבי
(avi)
mijn vader
אבי
(avi)
mijn vader
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

27Een van die Ismaëlieten stond tegen hem op en sloeg Jozef op de wang, maar Jozef bleef nog wenen. Jozef werd moe onderweg en kon van de bitterheid van zijn ziel niet verder lopen, en zij sloegen hem allemaal en vernederden hem onderweg en joegen hem schrik aan, opdat hij zou ophouden met wenen.
ויקם
(vayyaqom)
en hij stond op
עליו
(alav)
tegen hem
איש
(ish)
een man
אחד
(echad)
één
מהישמעאלים
(mehayishme'elim)
van de Ismaëlieten
ההם
(hahem)
die
ויכה
(vayyakh)
en hij sloeg
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
על
(al)
op
הלחי
(halechi)
de wang
ויוסף
(vayosef)
en hij ging voort
עוד
(od)
nog
יוסף
(Yosef)
Jozef
לבכות
(livkot)
te wenen
וילאה
(vayele)
en werd moe
יוסף
(Yosef)
Jozef
בדרך
(baderekh)
onderweg
ולא
(velo)
en niet
יכול
(yakhol)
hij kon
ללכת
(lalekhet)
te lopen
ממר
(mimar)
van de bitterheid van
נפשו
(nafsho)
zijn ziel
ויכוהו
(vayakuhu)
en zij sloegen hem
כולם
(kullam)
allen
ויענוהו
(vaya'anuhu)
en zij vernederden hem
בדרך
(baderekh)
onderweg
ויפחידו
(vayafchidu)
en zij joegen hem schrik aan
אותו
(oto)
hem
למען
(lema'an)
opdat
יחריש
(yacharish)
hij zou zwijgen
מהבכי
(mehabekhi)
van het wenen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
28Yahweh zag de ellende van Jozef en zijn moeite, en Yahweh liet duisternis en paniek neerkomen over die mannen, en de hand van ieder die hem sloeg, verdorde.
וירא
(vayyera)
en hij zag
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עוני
(oni)
de ellende van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
עמלו
(amalo)
zijn moeite
ויורד
(vayored)
en liet neerkomen
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
על
(al)
op
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
ההם
(hahem)
die
חושך
(choshekh)
duisternis
ובהלה
(uvehala)
en paniek
ותיבש
(vatevash)
en verdorde
יד
(yad)
hand van
כל
(kol)
ieder
מכהו
(makehu)
die hem sloeg
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Bij Rachels graf

29Zij zeiden tegen elkaar: „Wat is dit dat Elohim ons onderweg heeft aangedaan?” Maar zij wisten niet dat dit hun vanwege Jozef overkwam. De mannen gingen verder over de weg en kwamen langs de weg naar Efrata, waar Rachel begraven ligt.
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
מה
(mah)
wat
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
die
עשה
(asah)
heeft gedaan
אלוקים
(Elohim)
Elohim
לנו
(lanu)
voor ons
בדרך
(baderekh)
onderweg
הזאת
(hazzo't)
deze
והם
(vehem)
en zij
לא
(lo)
niet
ידעו
(yade'u)
zij wisten
כי
(ki)
dat
בעבור
(ba'avur)
vanwege
יוסף
(Yosef)
Jozef
קרה
(qarah)
overkwam
להם
(lahem)
hun
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
בדרך
(baderekh)
onderweg
ויעברו
(vaya'avru)
en zij kwamen langs
מדרך
(middarekh)
langs de weg van
אפרת
(efrat)
Efrata
אשר
(asher)
die is
עם
(im)
bij
קבורת
(qevurat)
het graf van
רחל
(Rachel)
Rachel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 35:19–20 (Rachel stierf en werd begraven langs de weg naar Efrata).

Zie Betlehem: Betlehem (Efrata) ligt ongeveer 9 km ten zuiden van Jeruzalem.

30Jozef kwam bij het graf van zijn moeder; hij haastte zich en rende naar het graf van zijn moeder.
ויגיע
(vayagia)
en bereikte
יוסף
(Yosef)
Jozef
עד
(ad)
tot aan
קבר
(qever)
het graf van
אמו
(immo)
zijn moeder
וימהר
(vayemaher)
en hij haastte zich
וירץ
(vayyarots)
en hij rende
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
naar
קבר
(qever)
het graf van
אמו
(immo)
zijn moeder
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
31Hij zei: „Mijn moeder, mijn moeder, die mij gebaard hebt, word wakker, sta op en zie je zoon, hoe hij als slaaf verkocht is, en er is niemand die medelijden heeft.
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אמי
(immi)
mijn moeder
אמי
(immi)
mijn moeder
יולדתני
(yoladetni)
die mij gebaard hebt
עורי
(uri)
word wakker
וקומי
(vequmi)
en sta op
וראי
(ur'i)
en zie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בנך
(bincha)
je zoon
איך
(ekh)
hoe
נמכר
(nimkar)
hij verkocht is
לעבד
(le'eved)
als slaaf
ואין
(veein)
en er is niemand
מרחם
(merachem)
die medelijden heeft
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
32Sta op, zie je zoon en kijk naar hem, en zie de tranen van mijn ogen die over mijn wangen stromen. Mijn moeder, mijn moeder, word wakker en ontwaak, sta op en zie je zoon, je zoon, en ween met hem om zijn nood, en zie het hart van mijn broers, hoe wreed het is.
קומי
(qumi)
sta op
וראי
(ur'i)
en zie
בנך
(bincha)
je zoon
והביטי
(vehabiti)
en kijk
אליו
(elav)
naar hem
וראי
(ur'i)
en zie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דמעות
(dim'ot)
tranen van
עיני
(eni)
mijn ogen
הנוזלות
(hanozlot)
die stromen
על
(al)
over
לחיי
(lechayyei)
mijn wangen
אמי
(immi)
mijn moeder
אמי
(immi)
mijn moeder
עורי
(uri)
word wakker
והקיצי
(vehaqitsi)
en ontwaak
קומי
(qumi)
sta op
וראי
(ur'i)
en zie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בנך
(bincha)
je zoon
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בנך
(bincha)
je zoon
ובכי
(uvekhi)
en ween
עמו
(immo)
met hem
על
(al)
op
צרתו
(tsarato)
zijn nood
וראי
(ur'i)
en zie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
לב
(lev)
het hart van
אחיי
(achai)
mijn broers
האכזרי
(ha'akhzari)
het wrede
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
33Word wakker, mijn moeder, word wakker en ontwaak uit je slaap, sta op en voer je strijd tegen mijn broers. Hoe hebben zij mij mijn kleed uitgetrokken en mij al tweemaal als slaaf verkocht, en mij van mijn vader gescheiden, en er is niemand die medelijden heeft!
עורי
(uri)
word wakker
אמי
(immi)
mijn moeder
עורי
(uri)
word wakker
והקיצי
(vehaqitsi)
en ontwaak
משנתיך
(mishenatekh)
uit je slaap
עמדי
(ami)
sta op
וערכי
(va'arkhi)
en voer
מלחמותייך
(milchamotayikh)
je strijd
נגד
(neged)
tegenover
אחי
(echi)
mijn broers
איכה
(eikhah)
hoe
הפשיטו
(hifshitu)
zij hebben ontkleed
אותי
(oti)
mij
מכתנתי
(mikutanti)
van mijn kleed
וימכרו
(veyimkeru)
en zij verkochten
איתי
(itti)
mij
לעבד
(le'eved)
tot slaaf
זה
(ze)
al
פעמים
(pe'amim)
tweemaal
ויפרידו
(vayafridu)
en zij hebben gescheiden
אותי
(oti)
mij
מאבי
(me'avi)
van mijn vader
ואין
(veein)
en er is niemand
מרחם
(merachem)
die medelijden heeft
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

זה פעמים (‘al tweemaal’): Jozef is dan twee keer verkocht, door zijn broers aan de Midianieten (v. 19) en door de Midianieten aan de Ismaëlieten (v. 24).

34Word wakker en breng je zaak tegen hen voor Elohim, en zie wie Elohim in het gericht gelijk zal geven en wie Hij schuldig zal verklaren.
עורי
(uri)
word wakker
וערכי
(va'arkhi)
en leg voor
את
(et)
(lijdend voorwerp)
טענותייך
(ta'anotayikh)
je pleidooi
נגדם
(neggedam)
tegenover hen
לפני
(lifnei)
voor
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
וראי
(ur'i)
en zie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מי
(mi)
wie
יצדיק
(yatsdiq)
gelijk zal geven
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
במשפט
(bamishpat)
in het gericht
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
מי
(mi)
wie
ירשיע
(yarshi'a)
schuldig zal verklaren
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
35Sta op, mijn moeder, sta op en ontwaak uit je slaap, en zie mijn vader, hoe zijn ziel en zijn hart vandaag bij mij zijn; sta op, troost hem en spreek tot zijn hart.”
קומי
(qumi)
sta op
אמי
(immi)
mijn moeder
קומי
(qumi)
sta op
והקיצי
(vehaqitsi)
en ontwaak
משנתיך
(mishenatekh)
uit je slaap
וראי
(ur'i)
en zie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אבי
(avi)
mijn vader
איכה
(eikhah)
hoe
נפשו
(nafsho)
zijn ziel
ולבו
(velibo)
en zijn hart
עלי
(alay)
om mij
ביום
(beyom)
op de dag
הזה
(hazzeh)
deze
עמדי
(ami)
sta op
ונחמיהו
(venachamihu)
en troost hem
ודברי
(udavri)
en spreek
על
(al)
tot
לבו
(libbo)
zijn hart
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
36Jozef bleef nog meer van deze woorden spreken; hij schreeuwde en weende luid op het graf van zijn moeder. Toen hield hij op met spreken en werd stil als een steen op het graf, van de bitterheid van zijn hart.
ויוסף
(vayosef)
en hij bleef
עוד
(od)
nog
לדבר
(laddavar)
om te spreken
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
ויצעק
(vayits'aq)
en hij schreeuwde
ויבך
(vayevk)
en weende
יוסף
(Yosef)
Jozef
בכי
(bekhi)
geween
גדול
(gadol)
grote
על
(al)
op
קבר
(qever)
het graf van
אמו
(immo)
zijn moeder
ויכל
(vayekhal)
en hij hield op
לדבר
(laddavar)
om te spreken
וידום
(vayidom)
en hij werd stil
כאבן
(ke'even)
als een steen
על
(al)
op
הקבר
(haqever)
het graf
ממר
(mimar)
van de bitterheid van
לבו
(libbo)
zijn hart
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
37Jozef hoorde de stem van iemand die van onder de grond tot hem sprak; die antwoordde hem met bitter hart, met de stem van geween en smeking, met deze woorden:
וישמע
(vayishma)
en hoorde
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
קול
(qol)
stem van
מדבר
(medabber)
sprekend
אליו
(elav)
tegen hem
מתחת
(mittachat)
van onder
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ויענהו
(vaya'anehu)
en antwoordde hem
במר
(bemar)
in bitterheid van
לב
(lev)
hart
ובקול
(uvekol)
en met de stem van
בכי
(bekhi)
geween
ותחינה
(vetachina)
en smeking
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
38„Mijn zoon, mijn zoon Jozef, mijn zoon, ik heb de stem van je geween gehoord en de stem van je geschreeuw; ik heb je tranen gezien, ik ken je nood, mijn zoon, en het benauwt mij om jou, en er komt verdriet bij mijn verdriet.
בני
(bnei)
mijn zoon
בני
(bnei)
mijn zoon
יוסף
(Yosef)
Jozef
בני
(bnei)
mijn zoon
שמעתי
(shamati)
ik heb gehoord
את
(et)
(lijdend voorwerp)
קול
(qol)
stem van
בכייתך
(bekhiyatekh)
je geween
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
קול
(qol)
stem van
צעקותיך
(tse'aqotekh)
je geschreeuw
ראיתי
(ra'iti)
ik heb gezien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דמעותיך
(dim'otekh)
je tranen
ידעתי
(yada'ti)
ik ken
את
(et)
(lijdend voorwerp)
צרתך
(tsaratekh)
je nood
בני
(bnei)
mijn zoon
ויצר
(veyetser)
en het benauwt
לי
(li)
mij
עליך
(aleikha)
om jou
ותוסף
(vattosef)
en er komt bij
לי
(li)
voor mij
יגון
(yagon)
verdriet
על
(al)
op
יגוני
(yegoni)
mijn verdriet
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
39Nu dan, mijn zoon Jozef, mijn zoon, wacht op Yahweh en verwacht Hem, en wees niet bang, want Yahweh is met je; Hij zal je redden uit alle nood.
ועתה
(ve'attah)
en nu
בני
(bnei)
mijn zoon
יוסף
(Yosef)
Jozef
בני
(bnei)
mijn zoon
חכה
(chakke)
wacht
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
והתחולל
(vehitcholel)
en verwacht
לו
(lo)
Hem
ואל
(ve'el)
en wees niet
תירא
(tira)
bang
כי
(ki)
want
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
עמך
(immekha)
met je
הוא
(hu)
Hij
יציל
(yatsil)
zal redden
אותך
(otekha)
jou
מכל
(mikkol)
van elke
צרה
(tsarah)
nood
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
40Sta op, mijn zoon, en ga naar Egypte met je heren, en wees niet bang, want Elohim is met je, mijn zoon.” En zij bleef nog meer van deze woorden tot Jozef spreken, en toen zweeg zij.
קום
(qum)
sta op
בני
(bnei)
mijn zoon
ולך
(ulekha)
en ga
לך
(lekha)
heen
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
עם
(im)
met
אדוניך
(adonekha)
je heren
ואל
(ve'el)
en wees niet
תירא
(tira)
bang
כי
(ki)
want
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
עמך
(immekha)
met je
בני
(bnei)
mijn zoon
ותוסף
(vattosef)
en zij vervolgde
לדבר
(laddavar)
om te spreken
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
ותדום
(vatiddom)
en zweeg
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

ותוסף … ותדום (‘en zij bleef spreken … en zij zweeg’): de werkwoordsvormen zijn vrouwelijk.

In v. 37 wordt de spreker niet genoemd; bij Rachels graf wijst dit op Rachel zelf.

41Jozef hoorde dit en verbaasde zich daar zeer over, en hij bleef wenen. Daarna zag een van die Ismaëlieten hem schreeuwen en wenen op het graf, en zijn toorn laaide tegen hem op; hij joeg hem daarvandaan weg, sloeg hem en vervloekte hem.
וישמע
(vayishma)
en hoorde
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויתמה
(vayitmah)
en hij verbaasde zich
מאוד
(me'od)
zeer
מזה
(mizzeh)
hierover
ויוסף
(vayosef)
en hij bleef
עוד
(od)
nog
לבכות
(livkot)
te wenen
וירא
(vayyera)
en hij zag
אותו
(oto)
hem
אחרי
(acharei)
na
כן
(ken)
dit
אחד
(echad)
één
מהישמעאלים
(mehayishme'elim)
van de Ismaëlieten
ההם
(hahem)
die
צועק
(tso'eq)
schreeuwend
ובוכה
(uvokheh)
en wenend
על
(al)
op
הקבר
(haqever)
het graf
ויחר
(vayyichar)
en laaide op
אפו
(appo)
zijn toorn
עליו
(alav)
tegen hem
ויגרשהו
(vayegarshehu)
en hij verjoeg hem
משם
(misham)
vandaar
ויכהו
(vayakehu)
en hij sloeg hem
ויקללהו
(vaykalelehu)
en hij vervloekte hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
42Jozef zei tegen de mannen: „Laat mij gunst vinden in jullie ogen, en breng mij terug naar het huis van mijn vader, dan zal hij jullie rijk maken met grote rijkdom.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
tot
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
אמצא
(emtsa)
laat mij vinden
חן
(chen)
gunst
בעיניכם
(be'eineikhem)
in jullie ogen
אשר
(asher)
opdat
תשיבוני
(tashivuni)
jullie mij terugbrengen
בית
(bet)
het huis van
אבי
(avi)
mijn vader
והוא
(vehu)
en hij
יעשיר
(ya'ashir)
zal verrijken
אתכם
(etkhem)
jullie
עושר
(osher)
rijkdom
רב
(rav)
groot
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
43Zij antwoordden hem: „Ben je niet een slaaf? Waar is je vader? En als je een vader had, zou je niet al tweemaal voor weinig geld als slaaf verkocht zijn.” Hun toorn laaide zeer tegen hem op en zij bleven hem slaan en kastijden, en Jozef weende luid.
ויענוהו
(vaya'anuhu)
en zij antwoordden hem
לאמור
(lemor)
zeggende
הלא
(halo)
immers
עבד
(eved)
slaaf
אתה
(attah)
jij
איפה
(eifoh)
waar
אביך
(avikha)
je vader
ואם
(ve'im)
en als
יש
(yesh)
is er
לך
(lekha)
aan jou
אביך
(avikha)
je vader
לא
(lo)
niet
תמכר
(timmakher)
je zou verkocht zijn
לעבד
(le'eved)
tot slaaf
במעט
(bime'at)
voor weinig
מחיר
(mechir)
een prijs
זה
(ze)
al
פעמים
(pe'amim)
tweemaal
ויחר
(vayyichar)
en laaide op
אפם
(appam)
hun toorn
עליו
(alav)
tegen hem
מאוד
(me'od)
zeer
ויוסיפו
(vayosifu)
en zij gingen voort
להכותו
(lehakkoto)
om hem te slaan
ולייסרו
(uleyasro)
en hem te kastijden
עוד
(od)
nog
ויבך
(vayevk)
en weende
יוסף
(Yosef)
Jozef
בכי
(bekhi)
geween
גדול
(gadol)
grote
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De storm

44Yahweh zag de ellende van Jozef, en opnieuw trof Yahweh die mannen en tuchtigde hen; Yahweh zond een zeer sterke wind over hen, en de aarde werd donker boven hen, er flitsten bliksems en er donderden donderslagen, en de aarde beefde door het geluid van de donder en de sterke wind. De mannen werden verschrikt en wisten niet waarheen zij gingen.
וירא
(vayyera)
en hij zag
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עוני
(oni)
de ellende van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויוסף
(vayosef)
en opnieuw
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויך
(vayyakh)
en hij trof
את
(et)
(lijdend voorwerp)
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
וייסרם
(vayyasserem)
en tuchtigde hen
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
עליהם
(aleihem)
over hen
רוח
(ruach)
wind
חזק
(chazaq)
sterk
מאוד
(me'od)
zeer
ותחשך
(vattechshakh)
en werd donker
עליהם
(aleihem)
over hen
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ויברקו
(vayivrequ)
en er flitsten
ברקים
(beraqim)
bliksems
וירעמו
(vayir'amu)
en er donderden
רעמים
(re'amim)
donderslagen
ותרעש
(vatir'ash)
en beefde
הארץ
(ha'arets)
de aarde
מקול
(miqqol)
door het geluid van
הרעם
(hara'am)
de donder
והרוח
(veharuach)
en de wind
החזק
(hechazaq)
sterke
ויבהלו
(vayibbahalu)
en zij schrokken
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
ולא
(velo)
en niet
ידעו
(yade'u)
zij wisten
אנה
(anah)
waarheen
הלכו
(halekhu)
zij gingen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
45De dieren en alle kamelen bleven staan; zij dreven ze voort, maar ze konden niet lopen; zij sloegen ze, en ze gingen op de grond liggen. De mannen zeiden tegen elkaar: „Wat heeft Elohim ons aangedaan? Wat is onze overtreding en wat zijn onze zonden, dat ons dit vandaag overkomt?”
ויעמדו
(vaya'amdu)
en bleven staan
הבהמות
(habbehemot)
het vee
וכל
(vekhol)
en alle
הגמלים
(haggemalim)
de kamelen
וינהגום
(vayinhagum)
en zij dreven hen
ולא
(velo)
en niet
יכלו
(yakhelu)
zij konden
ללכת
(lalekhet)
te lopen
ויכו
(vayakku)
en zij sloegen
אותם
(otam)
hen
וירבצו
(vayirbetsu)
en zij gingen liggen
לארץ
(la'arets)
op de grond
ויאמר
(vayomer)
en zei
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
מה
(mah)
wat
זאת
(zot)
deze
עשה
(asah)
heeft gedaan
אלוקים
(Elohim)
Elohim
לנו
(lanu)
voor ons
מה
(mah)
wat
פשעינו
(pish'enu)
onze overtreding
ומה
(umah)
en wat
חטאתינו
(chatoteinu)
onze zonden
כי
(ki)
dat
קרה
(qarah)
overkwam
לנו
(lanu)
voor ons
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
46Een van hen antwoordde en zei tegen hen: „Misschien is het vanwege de schuld van deze arme slaaf dat ons dit vandaag is overkomen. Zoek nu zijn gunst en dring bij hem aan dat hij ons vergeeft; dan zullen wij weten ter wille van wie dit kwaad ons treft. En als Elohim zich over ons ontfermt, dan weten wij dat dit alles ons overkwam vanwege de schuld van deze slaaf.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
האחד
(ha'echad)
de een
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
אולי
(ulai)
misschien
מעון
(me'on)
vanwege de schuld van
העבד
(ha'eved)
slaaf
העני
(ha'ani)
de arme
הזה
(hazzeh)
deze
קרה
(qarah)
overkwam
לנו
(lanu)
voor ons
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
היום
(hayyom)
vandaag
ועתה
(ve'attah)
en nu
חלו
(chalu)
zoek de gunst van
נא
(na)
toch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פניו
(panav)
zijn aangezicht
ופצרו
(ufitsru)
en dring aan
בו
(bo)
bij hem
וימחול
(vayimchol)
dat hij vergeeft
לנו
(lanu)
voor ons
ואז
(ve'az)
en dan
נדע
(neda)
zullen wij weten
באשר
(ba'asher)
ter wille van
למי
(lemi)
wie
הרעה
(hara'ah)
het kwaad
הזאת
(hazzo't)
deze
לנו
(lanu)
voor ons
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
אם
(em)
als
רחם
(racham)
erbarmen
ירחמנו
(yerachamenu)
zal hebben met ons
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
וידענו
(vediy'anu)
dan weten wij
כי
(ki)
dat
מעון
(me'on)
vanwege de schuld van
העבד
(ha'eved)
slaaf
הזה
(hazzeh)
deze
היה
(hayah)
is geweest
לנו
(lanu)
ons
כל
(kol)
alle
זה
(ze)
dit
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

מעון (‘woonplaats’) staat er, ook verderop in dit vers; gelezen als מעוון, ‘vanwege de schuld van’.

47De mannen deden zo, smeekten Jozef en drongen bij hem aan hen te vergeven. Zij zeiden: „Wij hebben gezondigd tegen Yahweh en tegen jou. Wees nu zo goed en vraag aan je Elohim dat Hij deze dood van ons wegneemt, want wij hebben tegen Hem gezondigd.”
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
כן
(ken)
zo
ויתחננו
(vayitchannenu)
en zij smeekten
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויפצרו
(vayiftsaru)
en zij drongen aan
בו
(bo)
bij hem
למחול
(limchol)
te vergeven
להם
(lahem)
hun
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
חטאנו
(chatanu)
wij hebben gezondigd
ליהוה
(laYahweh)
tegen Yahweh
ולך
(ulekha)
en tegen jou
עתה
(attah)
nu
הואל
(ho'el)
wees zo goed
ובקש
(uvaqesh)
en vraag
נא
(na)
toch
מאלוקיך
(me'elohekha)
aan je Elohim
ויסר
(vayyaser)
dat Hij wegneemt
מעלינו
(me'aleinu)
van ons af
המות
(hammavet)
de dood
הזה
(hazzeh)
deze
כי
(ki)
want
חטאנו
(chatanu)
wij hebben gezondigd
לו
(lo)
tegen Hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
48Jozef deed wat zij vroegen, en Yahweh luisterde naar Jozef en nam de slag weg die Hij die mannen vanwege Jozef had toegebracht. De dieren stonden op van de grond en zij dreven ze voort en gingen verder; de wind hield op met zijn woede en de aarde kwam tot rust. De mannen gingen hun weg om af te dalen naar Egypte, en de mannen wisten dat dit ongeluk hun vanwege Jozef was overkomen.
ויעש
(vayya'as)
en hij deed
יוסף
(Yosef)
Jozef
כדבריהם
(kidvareihem)
overeenkomstig hun woorden
וישמע
(vayishma)
en luisterde
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אל
(el)
naar
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויסר
(vayyaser)
en Hij nam weg
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
מעל
(me'al)
van
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
ההם
(hahem)
die
את
(et)
(lijdend voorwerp)
המכה
(hamakka)
de slag
אשר
(asher)
die
הכה
(hikkah)
trof
אותם
(otam)
hen
בעבור
(ba'avur)
vanwege
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויקומו
(vayaqumu)
en zij stonden op
הבהמות
(habbehemot)
het vee
מהארץ
(mehaarets)
van de grond
וינהגום
(vayinhagum)
en zij dreven hen
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
ויעמוד
(vaya'amod)
en hield op
הרוח
(haruach)
de wind
מזעפו
(mizi'po)
van zijn woede
ותנח
(vatanach)
en zij kwam tot rust
הארץ
(ha'arets)
het land
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
לדרכם
(ledarkam)
op hun weg
לרדת
(laredet)
om af te dalen
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
וידעו
(vayede'u)
en zij wisten
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
כי
(ki)
dat
בעבור
(ba'avur)
vanwege
יוסף
(Yosef)
Jozef
היה
(hayah)
was
להם
(lahem)
hen
המקרה
(hamiqre)
het ongeluk
ההוא
(hahu)
die
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

49Zij zeiden tegen elkaar: „Zie, wij weten dat dit kwaad ons door deze slaaf is overkomen. Wat brengen wij dan nog deze dood over ons? Bedenk een plan, wat wij met deze slaaf moeten doen.”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
הנה
(hinneh)
zie
ידענו
(yada'nu)
wij weten
כי
(ki)
dat
מאת
(me'et)
door
העבד
(ha'eved)
de dienaar
הזה
(hazzeh)
deze
היתה
(hayetah)
was
לנו
(lanu)
voor ons
הרעה
(hara'ah)
het kwaad
הזאת
(hazzo't)
deze
ועתה
(ve'attah)
en nu
מה
(mah)
wat
לנו
(lanu)
voor ons
להביא
(lehavi)
te brengen
על
(al)
op
נפשותינו
(nafshotenu)
onze zielen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
המות
(hammavet)
dit sterven
הזה
(hazzeh)
deze
עוצו
(utsu)
geef raad
לנו
(lanu)
voor ons
עצה
(etsah)
een plan
מה
(mah)
wat
לעשות
(la'asot)
om te doen
לעבד
(le'eved)
met de slaaf
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Hun raad

50Een van hen antwoordde en zei: „Heeft hij ons niet gezegd dat wij hem naar zijn vader moeten terugbrengen? Kom, laten wij met hem terugkeren en laten wij komen naar de plaats die hij zal noemen, en laten wij uit zijn huis de prijs nemen die wij voor hem gaven, en dan gaan wij verder.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
האחד
(ha'echad)
de een
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
הלא
(halo)
immers
כי
(ki)
dat
אמר
(amar)
zei
לנו
(lanu)
voor ons
להשיבו
(lehashivo)
hem terug te brengen
אל
(el)
tot
אביו
(aviv)
zijn vader
עתה
(attah)
nu
לכו
(lekhu)
kom
ונשובה
(venashuvah)
en laten wij terugkeren
איתו
(ito)
met hem
ונבואה
(venavo'ah)
en laten wij komen
אל
(el)
tot
המקום
(hammaqom)
de plaats
אשר
(asher)
die
יאמר
(yomar)
hij zal noemen
ולקחנו
(velaqachnu)
en laten wij nemen
מביתו
(mibbeto)
uit zijn huis
את
(et)
(lijdend voorwerp)
המחיר
(hamechir)
de prijs
אשר
(asher)
die
נתנו
(netano)
wij gaven
בו
(bo)
voor hem
ונלכה
(venelkhah)
en laten wij gaan
לנו
(lanu)
(zich)
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
51Een ander antwoordde en zei: „Zie, dit plan is zeer goed, maar wij kunnen het niet doen, want de weg is zeer ver van ons en wij kunnen niet van onze weg terugkeren.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
האחד
(ha'echad)
de ene
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
הנה
(hinneh)
zie
כן
(ken)
inderdaad
העצה
(ha'etsah)
de raad
הזאת
(hazzo't)
deze
טובה
(tovah)
goed
מאוד
(me'od)
zeer
אך
(akh)
maar
לא
(lo)
niet
נוכל
(nukhal)
kunnen wij
לעשות
(la'asot)
om te doen
כן
(ken)
zo
כי
(ki)
want
רחק
(rachaq)
ver
ממנו
(mimmennu)
van ons
הדרך
(haderekh)
de weg
מאוד
(me'od)
zeer
ולא
(velo)
en niet
נוכל
(nukhal)
kunnen wij
לשוב
(lashuv)
terug te keren
מדרכינו
(midarkhenu)
van onze weg
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
52Nog een ander antwoordde en zei tegen hen: „Dit is het plan dat hierin is beraamd, en daarvan wijken wij niet af: zie, wij komen vandaag in Egypte, en wanneer wij in Egypte zijn gekomen, zullen wij hem daar voor een hoge prijs verkopen en van zijn kwaad gered worden.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
האחד
(ha'echad)
de ene
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
זאת
(zot)
deze
העצה
(ha'etsah)
de raad
היעוצה
(hayeutsa)
die beraamd is
בזה
(bazeh)
hier
וממנה
(umimena)
en daarvan
לא
(lo)
niet
נסור
(nasur)
zullen wij afwijken
הנה
(hinneh)
zie
אנחנו
(anachnu)
wij
באים
(va'im)
komen
היום
(hayyom)
vandaag
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
בבואנו
(bevo'enu)
bij ons komen in
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ומכרנו
(umekharnu)
en wij zullen verkopen
אותו
(oto)
hem
שם
(shem)
daar
במחיר
(bimchir)
voor een prijs
רב
(rav)
groot
ונוצל
(venivatsel)
en laten wij gered worden
מרעתו
(mera'ato)
van zijn kwaad
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

53Dit voorstel was goed in de ogen van de mannen, en zij deden zo en gingen hun weg naar Egypte met Jozef.
וייטב
(vayyitav)
en het was goed
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
בעיני
(be'einei)
in de ogen van
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
כן
(ken)
zo
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
לדרכם
(ledarkam)
op hun weg
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
עם
(im)
met
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookGen 37:36