Elohim Bijbel

Jasher 41

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

Lea sterft; Jozef in de put

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Terug in Hebron

1Bij de wending van het jaar braken de zonen van Jakob op uit Sichem en keerden terug en kwamen naar Hebron, naar hun vader Isaak, en zij bleven daar wonen. Maar hun kleinvee en hun rundvee en alles wat hun toebehoorde, werd dag na dag in Sichem geweid, want er was in die dagen goede en vette weide in Sichem. Jakob en zijn zonen en heel hun huis woonden in het dal van Hebron.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
לתקופת
(litqufat)
bij de wending van
השנה
(hashanah)
het jaar
ויסעו
(vayis'u)
en zij braken op
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
משכם
(mishekhem)
uit Sichem
וישובו
(vayashuvu)
en zij keerden terug
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
חברונה
(chevronah)
naar Hebron
אל
(el)
tot
יצחק
(Yitschaq)
Isaak
אביהם
(avihem)
hun vader
וישבו
(vayeshvu)
en zij bleven wonen
שם
(shem)
daar
אך
(akh)
maar
צאנם
(tso'nam)
hun kleinvee
ובקרם
(uvqaram)
en hun rundvee
וכל
(vekhol)
en alles
אשר
(asher)
wat
להם
(lahem)
hen toebehoorde
רועים
(ro'im)
werden geweid
בשכם
(bishkhem)
in Sichem
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
כי
(ki)
want
מרעה
(mir'eh)
weide
טוב
(tov)
goed
ושמן
(veshamen)
en vet
היה
(hayah)
was
בשכם
(bishkhem)
in Sichem
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
וישב
(vayyashev)
en woonde
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
וכל
(vekhol)
en alle
ביתם
(beytam)
hun huis
בעמק
(ba'emeq)
in het dal
חברון
(Chevron)
Hebron
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie ookGen 37:1
2In die dagen, in dat jaar, het honderdzesde jaar van het leven van Jakob, in het tiende jaar sinds Jakob uit Paddan-Aram was gekomen, stierf Lea, de vrouw van Jakob, in datzelfde jaar; zij was eenenvijftig jaar oud toen zij in Hebron stierf.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
בשנה
(bashanah)
in het jaar
ההיא
(hahi)
die
שנת
(shenat)
het jaar van
מאה
(me'ah)
honderd
ושש
(veshesh)
en zes
שנים
(shanim)
jaren
לחיי
(lechayyei)
van het leven van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בשנה
(bashanah)
in het jaar
העשירית
(ha'asirit)
de tiende
לבוא
(lavo)
van de komst van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מפדן
(mipadan)
uit Paddan
ארם
(Aram)
Aram
ותמת
(vatamot)
en stierf
לאה
(Le'ah)
Lea
אשת
(eshet)
vrouw van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בשנה
(bashanah)
in het jaar
ההיא
(hahi)
die
בת
(bat)
dochter van
אחת
(achat)
één
וחמישים
(vachamishim)
en vijftig
שנה
(shanah)
jaar
במותה
(bemotah)
bij haar sterven
בחברון
(bechevron)
in Hebron
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Mesopotamië: Aram-Naharaim (Mesopotamië, ‘Aram van de twee rivieren’) is het gebied rond de bovenloop van de Eufraat en de Tigris; Paddan-Aram ligt daar, bij Charan.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

3Jakob en zijn zonen begroeven haar in de grot van het veld van Machpela, die in Hebron is, die Abraham van de zonen van Het had gekocht als bezit voor een graf.
ויקברו
(vayiqberu)
en zij begroeven
אותה
(otah)
haar
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
במערת
(bime'arat)
in de grot van
שדה
(sedeh)
het veld van
המכפלה
(hammakhpelah)
Machpela
אשר
(asher)
die
בחברון
(bechevron)
in Hebron
אשר
(asher)
die
קנה
(qoneh)
had gekocht
אברהם
(avraham)
Abraham
מאת
(me'et)
van
בני
(bnei)
zonen van
חת
(Chet)
Chet
לאחוזת
(la'achuzzat)
tot een bezit van
קבר
(qever)
een graf
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 49:31 (‘en daar heb ik Lea begraven’) en Gen. 23 (de grot van Machpela).

Zie Mamre: Mamre en de grot van Machpela liggen bij Hebron, in het bergland van Juda.

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Zie ookGen 49:31
4De zonen van Jakob woonden bij hun vader in het dal van Hebron, en alle bewoners van het land kenden hun kracht, en hun faam ging door heel het land.
ובני
(uvnei)
en de zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ישבו
(yashvu)
zij woonden
עם
(im)
met
אביהם
(avihem)
hun vader
בעמק
(ba'emeq)
in het dal
חברון
(Chevron)
Hebron
וידעו
(vayede'u)
en zij wisten
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
הארץ
(ha'arets)
het land
את
(et)
(lijdend voorwerp)
גבורתם
(gevuratam)
hun kracht
ויהי
(vayehi)
en ging
שנים
(shanim)
hun faam
בכל
(bekhol)
in heel
הארץ
(ha'arets)
het land
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Lezing

ויהי שנים (‘en er waren twee/jaren’) staat er; gelezen als ויהי שמעם, ‘en hun faam ging’, zoals de Engelse vertaling heeft (‘their fame went throughout the land’).

Jozef en zijn broers

5Jozef, de zoon van Jakob, en zijn broer Benjamin, de zonen van Rachel, de vrouw van Jakob, waren in die dagen nog klein, en zij gingen niet met hun broers mee in hun oorlogen in alle steden van de Amorieten.
ויוסף
(vayosef)
en Jozef
בן
(ben)
zoon van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ובנימין
(uvinyamin)
en Benjamin
אחיו
(achiv)
zijn broer
בני
(bnei)
zonen van
רחל
(Rachel)
Rachel
אשת
(eshet)
vrouw van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
עודם
(odam)
nog
קטנים
(qetannim)
klein
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
ולא
(velo)
en niet
יצאו
(yatse'u)
zij gingen uit
עם
(im)
met
אחיהם
(achihem)
hun broers
במלחמותם
(bemilchamotam)
in hun oorlogen
בכל
(bekhol)
in alle
ערי
('eri)
steden van
האמורי
(ha'emori)
de Amorieten
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 37:2
6Jozef zag de kracht van zijn broers en hun grootheid, en hij prees hen en loofde hen; maar hij verhief zichzelf boven hen en voelde zich in zijn hart boven hen verheven. En ook zijn vader Jakob had hem meer lief dan al zijn zonen, want hij was een zoon van zijn ouderdom; en uit liefde voor hem maakte hij hem een jas met lange mouwen.
ירא
(yere)
zag
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
גבורת
(gevurat)
de kracht van
אחיו
(achiv)
zijn broers
וגדולתם
(ugdulatam)
en hun grootheid
וישבח
(vayeshabeach)
en hij prees
אותם
(otam)
hen
ויהללם
(vayehalelem)
en hij loofde hen
אך
(akh)
maar
גדל
(gadal)
verhief
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשו
(nafsho)
zichzelf
עליהם
(aleihem)
boven hen
ויתנשא
(vayitnase)
en hij verhoogde zich
בנפשו
(benafsho)
in zichzelf
אליהם
(aleihem)
boven hen
וגם
(vegam)
en ook
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אביו
(aviv)
zijn vader
אהב
(ahav)
liefhad
אותם
(otam)
hem
מכל
(mikkol)
meer dan
בניו
(banav)
alle
כי
(ki)
want
בן
(ben)
een zoon van
זקונים
(zequnim)
zijn ouderdom
הוא
(hu)
hij was
לו
(lo)
voor hem
ויעש
(vayya'as)
en hij maakte
לו
(lo)
voor hem
כתונת
(ketonet)
jas van
פסים
(passim)
lange mouwen
באהבתו
(be'ahavato)
in zijn liefde voor
אותו
(oto)
hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

ירא (‘hij vreesde’) staat er; gelezen als וירא, ‘en hij zag’, zoals de Engelse vertaling heeft.

Verder staat er אותם (‘hen’), ook in v. 7 en 8 אותן; gelezen als אותו, ‘hem’, dus Jozef.

Zie Gen. 37:3 (‘een jas met lange mouwen’).

Zie ookGen 37:3
7Jozef zag dat zijn vader hem meer liefhad dan al zijn broers, en hij bleef zich nog meer boven zijn broers verheffen, en hij bracht een kwaad gerucht over hen bij zijn vader.
וירא
(vayyera)
en hij zag
יוסף
(Yosef)
Jozef
כי
(ki)
dat
אותן
(otan)
hem
אהב
(ahav)
liefhad
אביו
(aviv)
zijn vader
מכל
(mikkol)
meer dan
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויוסף
(vayosef)
en hij ging voort
עוד
(od)
nog
ויתנשא
(vayitnase)
zich te verheffen
יוסף
(Yosef)
Jozef
על
(al)
boven
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויבא
(vayavo)
en hij bracht
לאחיו
(le'achiv)
aan zijn vader
דיבה
(dibba)
een gerucht
רעה
(ra'ah)
kwaad
עליהם
(aleihem)
over hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

ויבא לאחיו דיבה רעה עליהם (‘en hij bracht aan zijn broers een kwaad gerucht over hen’) staat er; gelezen als לאביו, ‘aan zijn vader’, zoals Gen. 37:2 en de Engelse vertaling hebben.

אותן (‘hen’): zie de noot bij v. 6.

Zie ookGen 37:2
8De zonen van Jakob zagen heel de handelwijze van hun broer Jozef jegens hen, en dat hun vader hem meer liefhad dan hen allen, en zij haatten hem en konden al die dagen niet in vrede met hem spreken.
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מעשה
(ma'aseh)
de handelwijze van
יוסף
(Yosef)
Jozef
אחיהם
(achihem)
hun broer
איתם
(ittam)
jegens hen
וכי
(vekhi)
en dat
אהב
(ahav)
liefhad
אותו
(oto)
hem
אביהם
(avihem)
hun vader
מכולם
(mikulam)
meer dan hen allen
וישנאו
(vayisne'u)
en zij haatten
אותן
(otan)
hem
ולא
(velo)
en niet
יכלו
(yakhelu)
zij konden
דברו
(dabberu)
te spreken met hem
לשלום
(leshalom)
in vrede
כל
(kol)
al
הימים
(hayyamim)
de dagen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

וישנאו אותן (‘en zij haatten hen’): gelezen als אותו, ‘hem’; zie de noot bij v. 6.

Zie ookGen 37:4
9Jozef was zeventien jaar oud, en hij verhief zichzelf nog steeds boven zijn broers, en hij nam zich voor zich boven hen te verheffen.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
יוסף
(Yosef)
Jozef
בן
(ben)
zoon van
שבע
(sheva)
zeven
עשרה
(esreh)
tien
שנה
(shanah)
jaar
והוא
(vehu)
en hij
עודנו
(odenu)
nog
גדל
(gadal)
verhief
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשו
(nafsho)
zichzelf
על
(al)
boven
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויאמר
(vayomer)
en hij nam zich voor
להתנשא
(lehitnase)
zich te verheffen
עליהם
(aleihem)
over hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De dromen

10In die tijd droomde hij een droom, en hij kwam bij zijn broers en vertelde hun zijn droom. Hij zei tegen hen: „Ik heb een droom gedroomd, en zie, wij waren allen schoven aan het binden in het veld, en mijn schoof stond op en bleef op de grond staan, en jullie schoven omringden haar en bogen zich voor haar neer.”
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
חלם
(chalam)
droomde
חלום
(chalom)
een droom
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
אל
(el)
bij
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויגד
(vayyaged)
en hij vertelde
להם
(lahem)
hun
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חלומו
(chalomo)
zijn droom
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
חלום
(chalom)
een droom
חלמתי
(chalamti)
ik heb gedroomd
והנה
(vehinneh)
en zie
כולנו
(kulanu)
wij allen
מאלמים
(me'almim)
bindend
אלומות
(alumot)
schoven
בשדה
(bassadeh)
in het veld
ותקם
(vataqom)
en zij stond op
אלומתי
(alumati)
mijn schoof
ותתייצב
(vatityatsev)
en zij bleef staan
בארץ
(ba'arets)
op de grond
ויסבבוה
(vayesobevuha)
en zij omringden haar
אלומותיכם
(alumoteykhem)
jullie schoven
וישתחו
(vayishtachu)
en zij bogen zich neer
לה
(lah)
voor haar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:5–7 (de eerste droom, van de schoven).

11Zijn broers antwoordden hem en zeiden tegen hem: „Wat is deze droom die je gedroomd hebt? Denk je in je hart over ons te regeren of over ons te heersen?”
ויענו
(vaya'anu)
en zij antwoordden
אותו
(oto)
hem
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
לו
(lo)
voor hem
מה
(mah)
wat
החלום
(hachalom)
de droom
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
die
חלמת
(chalamta)
je hebt gedroomd
התאמר
(hatomar)
denk je
בללבך
(beleivkha)
in je hart
למלוך
(limloch)
te regeren
או
(o)
of
למשול
(limshol)
te heersen
עלינו
(aleinu)
over ons
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
12Hij kwam weer en vertelde de zaak aan zijn vader Jakob, en Jakob kuste Jozef toen hij deze woorden uit zijn mond hoorde, en Jakob zegende Jozef.
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
עוד
(od)
weer
ויגד
(vayyaged)
en hij vertelde
הדבר
(haddavar)
de zaak
ליעקב
(leya'aqov)
aan Jakob
אביו
(aviv)
zijn vader
וינשק
(vayinasheq)
en kuste
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
כשמעו
(keshom'o)
toen hij hoorde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדברים
(haddevarim)
de woorden
מפיו
(mipiv)
uit zijn mond
ויברך
(vayevarekh)
en zegende
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
13Toen de zonen van Jakob zagen dat hun vader Jozef gezegend en gekust had en hem zeer liefhad, werden zij zeer afgunstig op hem en haatten hem nog meer.
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
dat
ברך
(berakh)
had gezegend
אביהם
(avihem)
hun vader
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
וינשק
(vayinasheq)
en had gekust
אותו
(oto)
hem
ויאהבהו
(vaye'ehaveyhu)
en hem liefhad
מאוד
(me'od)
zeer
ויקנאו
(vayqanu)
en zij waren afgunstig
בו
(bo)
op hem
מאוד
(me'od)
zeer
וישנאו
(vayisne'u)
en zij haatten
אותו
(oto)
hem
עוד
(od)
nog
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
14Daarna droomde Jozef weer een andere droom, en hij vertelde de droom aan zijn vader, ten overstaan van zijn broers. Jozef zei tegen zijn vader en zijn broers: „Zie, ik heb weer een droom gedroomd, en zie, de zon en de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer.”
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
אחרי
(acharei)
na
כן
(ken)
dit
ויחלום
(vayachalom)
en hij droomde
עוד
(od)
weer
יוסף
(Yosef)
Jozef
חלום
(chalom)
een droom
אחר
(acher)
een andere
ויספר
(vayesaper)
en hij vertelde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
החלום
(hachalom)
de droom
לאביו
(le'aviv)
aan zijn vader
לעיני
(le'einei)
ten overstaan van
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
tot
אביו
(aviv)
zijn vader
ואל
(ve'el)
en tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
הנה
(hinneh)
zie
חלמתי
(chalamti)
ik heb gedroomd
חלום
(chalom)
een droom
עוד
(od)
weer
והנה
(vehinneh)
en zie
השמש
(hashemesh)
de zon
והירח
(vehayare'ach)
en de maan
ואחד
(ve'echad)
en één
עשר
(esar)
tien
כוכבים
(kokhavim)
sterren
משתחווים
(mishtachavim)
zich neerbuigend
לי
(li)
voor mij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:9–10 (de tweede droom, van de zon, de maan en de elf sterren).

15Zijn vader hoorde de woorden van Jozef en zijn droom, en hij zag dat zijn broers Jozef om deze zaak haatten. Jakob berispte Jozef voor de ogen van zijn broers om deze zaak en zei: „Wat is deze droom die je gedroomd hebt, dat je jezelf verheft boven je broers, die ouder zijn dan jij?
וישמע
(vayishma)
en hij hoorde
אביו
(aviv)
zijn vader
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
חלומו
(chalomo)
zijn droom
וירא
(vayyera)
en hij zag
כי
(ki)
dat
אחיו
(achiv)
zijn broers
שונאים
(son'im)
haatten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
בדבר
(bedabber)
om de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויגער
(vayig'ar)
en berispte
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ביוסף
(beyosef)
Jozef
לפני
(lifnei)
voor
אחיו
(achiv)
zijn broers
על
(al)
om
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לאמור
(lemor)
zeggende
מה
(mah)
wat
החלום
(hachalom)
de droom
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
die
חלמת
(chalamta)
je hebt gedroomd
ותגדל
(vattigdal)
dat je verheft
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשך
(nafshekha)
jezelf
על
(al)
boven
אחיך
(achikha)
je broers
הגדולים
(haggedolim)
de oudere
ממך
(mimmekha)
dan jij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 37:10
16Denk je in je hart dat wij zullen komen, ik en je moeder en je elf broers, om ons voor je neer te buigen, dat je zulke woorden spreekt?”
התחשוב
(hatachshov)
denk je dan
בלבבך
(bilvavekha)
in je hart
אשר
(asher)
dat
בוא
(bo)
komen
נבוא
(navo)
zullen wij komen
אני
(ani)
ik
ואמך
(ve'imekha)
en je moeder
ואחד
(ve'echad)
en één
עשר
(esar)
tien
אחיך
(achikha)
je broers
להשתחוות
(lehishtachavot)
om je neer te buigen
אליך
(elekha)
voor je
כי
(ki)
dat
תדבר
(tedabber)
je spreekt
כדברים
(kadevarim)
zoals woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
17Zijn broers waren afgunstig op hem om al zijn woorden en dromen en haatten hem nog meer, maar Jakob bewaarde de dromen in zijn hart.
ויקנאו
(vayqanu)
en zij waren afgunstig
בו
(bo)
op hem
אחיו
(achiv)
zijn broers
על
(al)
om
כל
(kol)
alle
דבריו
(devarav)
zijn woorden
וחלומותיו
(vachalomotav)
en zijn dromen
ויוסיפו
(vayosifu)
en zij gingen voort
עוד
(od)
nog
שנוא
(sno)
te haten
אותו
(oto)
hem
ויעקב
(veya'aqov)
en Jakob
שמר
(shamar)
bewaarde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
החלומות
(hachalomot)
de dromen
בלבו
(belibbo)
in zijn hart
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 37:11

Jozef naar Sichem

18Op een dag gingen de zonen van Jakob de kudde van hun vader weiden in Sichem, want zij waren in die dagen nog herders in Sichem. Terwijl de zonen van Jakob die dag bij Sichem weidden, treuzelden zij, en de tijd om al het vee binnen te halen ging voorbij, en zij kwamen niet.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
היום
(hayyom)
op een dag
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
לרעות
(lir'ot)
om te weiden
צאן
(tson)
het kleinvee van
אביהם
(avihem)
hun vader
בשכם
(bishkhem)
in Sichem
כי
(ki)
want
עודם
(odam)
nog
רועים
(ro'im)
herders
בשכם
(bishkhem)
in Sichem
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בהיות
(bihyot)
terwijl
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
רועים
(ro'im)
weidend
בשכמה
(bishkhema)
bij Sichem
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
ויתמהמהו
(vayitmahmehu)
en zij draalden
ויעבור
(vaya'avor)
en ging voorbij
עת
(et)
de tijd van
האסף
(he'asef)
te verzamelen
כל
(kol)
alle
המקנה
(hammiqneh)
het vee
ולא
(velo)
en niet
באו
(ba'u)
zij kwamen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Zie ookGen 37:12
19Jakob zag dat zijn zonen in Sichem treuzelden, en Jakob zei in zijn hart: „Misschien zijn de mannen van Sichem tegen hen opgestaan om tegen hen te strijden; daarom is hun komst vandaag vertraagd.”
וירא
(vayyera)
en hij zag
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
dat
התמהמהו
(hitmahmehu)
zij draalden
בניו
(banav)
zijn zonen
בשכם
(bishkhem)
in Sichem
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בלבו
(belibbo)
in zijn hart
פן
(pen)
misschien
יקומו
(yaqumu)
opgestaan zijn
עליהם
(aleihem)
tegen hen
אנשי
(anshei)
mannen van
שכם
(Shekhem)
Sichem
להלחם
(lehilachem)
om te strijden
בם
(vam)
tegen hen
על
(al)
daarom
כן
(ken)
—
התאחר
(hit'achher)
is vertraagd
בואם
(bo'am)
hun komst
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

20Jakob riep zijn zoon Jozef en droeg hem op: „Weiden je broers vandaag niet in Sichem? En zie, zij zijn tot nu toe niet gekomen. Ga toch en kijk waar zij zijn, en breng mij bericht terug over het welzijn van je broers en het welzijn van het kleinvee.”
ויקרא
(vayikra)
en riep
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
בנו
(beno)
zijn zoon
ויצוהו
(vayetsavvehu)
en droeg hem op
לאמור
(lemor)
zeggende
הלא
(halo)
immers
אחיך
(achikha)
je broers
רועים
(ro'im)
weidend
בשכם
(bishkhem)
in Sichem
היום
(hayyom)
vandaag
והנה
(vehinneh)
en zie
לא
(lo)
niet
באו
(ba'u)
kwamen
עד
(ad)
tot
עתה
(attah)
nu
לך
(lekha)
ga
נא
(na)
toch
וראה
(veraah)
en kijk
איפה
(eifoh)
waar
הם
(hem)
zij
והשיבני
(vehashiveni)
en breng mij terug
דבר
(davar)
bericht
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שלום
(shalom)
het welzijn van
אחיך
(achikha)
je broers
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
שלום
(shalom)
het welzijn van
הצאן
(hatson)
het kleinvee
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Zie ookGen 37:14
21Jakob zond zijn zoon Jozef uit het dal van Hebron, en Jozef kwam bij zijn broers in Sichem en vond hen niet. Jozef ging door het veld bij Sichem om te zien waarheen zijn broers zich gewend hadden, en hij ging en dwaalde onderweg in de woestijn en wist niet waarheen hij moest gaan.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
בנו
(beno)
zijn zoon
מעמק
(me'emeq)
uit het dal van
חברון
(Chevron)
Hebron
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
bij
אחיו
(achiv)
zijn broers
שכמה
(shekhemah)
naar Sichem
ולא
(velo)
en niet
מצאם
(metsa'am)
hen vond
וילך
(vayelekh)
en hij ging
יוסף
(Yosef)
Jozef
בשדה
(bassadeh)
in het veld
אשר
(asher)
die
אצל
(etsel)
bij
שכם
(Shekhem)
Sichem
לראות
(lir'ot)
om te zien
אנה
(anah)
waarheen
פנו
(panu)
zich hadden gewend
אחיו
(achiv)
zijn broers
וילך
(vayelekh)
en hij ging
ויתעה
(vayet'e)
en dwaalde
בדרך
(baderekh)
onderweg
במדבר
(bammidbar)
in de woestijn
ולא
(velo)
en niet
ידע
(yada)
wist
אנה
(anah)
waarheen
ילך
(yelekh)
hij moest gaan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:13–14 (Jakob zendt Jozef uit het dal van Hebron naar Sichem).

De engel van Yahweh

22Een engel van Yahweh vond hem dwalend onderweg in het veld. Hij zei tegen hem: „Jozef, Jozef! Waarheen ga je en wat zoek je?” Jozef zei tegen de engel van Yahweh: „Mijn broers zoek ik. Heb je niet gehoord waar zij weiden?” De engel van Yahweh zei tegen Jozef: „Ik heb je broers hier zien weiden, en ik heb hen horen zeggen dat zij naar Dotan zouden gaan.”
וימצאהו
(vayimtsa'ehu)
en vond hem
מלאך
(mal'akh)
engel van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
תועה
(to'e)
dwalend
בדרך
(baderekh)
onderweg
בשדה
(bassadeh)
in het veld
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליו
(elav)
tegen hem
יוסף
(Yosef)
Jozef
יוסף
(Yosef)
Jozef
אנה
(anah)
waarheen
תלך
(telekh)
je gaat
ומה
(umah)
en wat
תבקש
(tevaqesh)
zoek je
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
tot
מלאך
(mal'akh)
engel van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיי
(achai)
mijn broers
אנוכי
(anokhi)
ik
מבקש
(mevaqesh)
zoek
הלא
(halo)
immers
שמעת
(shamata)
je hebt gehoord
איפה
(eifoh)
waar
הם
(hem)
zij
רועים
(ro'im)
weidend
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
מלאך
(mal'akh)
engel van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
ראיתי
(ra'iti)
ik heb gezien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיך
(achikha)
je broers
רועים
(ro'im)
weidend
פה
(peh)
hier
ושמעתי
(veshamati)
en ik heb gehoord
אומרים
(omerim)
zeggend
ללכת
(lalekhet)
om te gaan
להם
(lahem)
(zich)
בדותן
(bedotan)
in Dotan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:15–17.

Daar is het ‘een man’ die Jozef op het veld vindt; in Jasher is dat een engel van Yahweh.

Zie Dotan: Dotan ligt in het noorden van het bergland van Samaria, ongeveer 20 km ten noorden van Sichem.

23Jozef luisterde naar de stem van de engel van Yahweh en ging naar Dotan, naar zijn broers, en hij vond hen in Dotan de kudde weiden.
וישמע
(vayishma)
en luisterde
יוסף
(Yosef)
Jozef
בקול
(bekol)
naar de stem van
מלאך
(mal'akh)
engel van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
וילך
(vayelekh)
en hij ging
דותינה
(dotena)
naar Dotan
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
וימצאם
(vayimtsa'em)
en hij vond hen
בדותן
(bedotan)
in Dotan
רועים
(ro'im)
weidend
הצאן
(hatson)
het kleinvee
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Dotan: Dotan ligt in het noorden van het bergland van Samaria, ongeveer 20 km ten noorden van Sichem.

24Jozef kwam bij zijn broers, en voordat hij dicht bij hen kwam, zagen zijn broers hem van ver en smeedden zij een plan tegen hem om hem te doden.
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
ובטרם
(uvetérem)
en voordat
יקרב
(yiqrav)
hij naderde
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
ויראוהו
(vayir'uhu)
en zij zagen hem
אחיו
(achiv)
zijn broers
מרחוק
(merachoq)
van veraf
ויתיעצו
(vayityatsu)
en zij beraadslaagden
עליו
(alav)
tegen hem
להמיתו
(lehamito)
om hem te doden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 37:18
25Simeon zei tegen zijn broers: „Zie, de meester van de dromen komt vandaag naar ons toe. Kom nu, laten wij hem doden en in een van de putten in deze woestijn werpen; en wanneer onze vader hem bij ons zoekt, zullen wij zeggen: een wild dier heeft hem opgegeten.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
שמעון
(Shim'on)
Simeon
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
הנה
(hinneh)
zie
בעל
(ba'al)
de meester van
החלומות
(hachalomot)
de dromen
בא
(ba)
komt
אלינו
(elenu)
tot ons
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
ועתה
(ve'attah)
en nu
לכו
(lekhu)
komt
ונהרגהו
(venahargehu)
en laten wij hem doden
ונשליכהו
(venashlikhehu)
en laten wij hem werpen
באחד
(be'achad)
in een van
הבורות
(haborot)
de putten
אשר
(asher)
die
במדבר
(bammidbar)
in de woestijn
הזה
(hazzeh)
deze
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
בבקשו
(bevaqasho)
wanneer hij zoekt
אותו
(oto)
hem
אבינו
(avinu)
onze vader
ממנו
(mimmennu)
van ons
ואמרנו
(ve'amarnu)
dan zullen wij zeggen
חיה
(chayyah)
een dier
רעה
(ra'ah)
wild
אכלתהו
(achalatu)
heeft hem opgegeten
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:18–20 (‘de meester van de dromen’, בעל החלומות).

26Ruben hoorde de woorden van zijn broers over Jozef en zei tegen hen: „Doe dit niet, want hoe zullen wij ons gezicht opheffen voor onze vader Jakob? Werp hem in deze put om daar te sterven, maar steek de hand niet naar hem uit om zijn bloed te vergieten.” Ruben zei dit om hem uit hun hand te redden en hem terug te brengen naar zijn vader.
וישמע
(vayishma)
en hij hoorde
ראובן
(Re'uven)
Ruben
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
אחיו
(achiv)
zijn broers
על
(al)
over
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
אל
(el)
niet
תעשו
(ta'asu)
doe
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ואיך
(ve'ekh)
en hoe
נשא
(nasa)
zullen wij opheffen
פנינו
(panenu)
ons gezicht
לפני
(lifnei)
voor
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אבינו
(avinu)
onze vader
אך
(akh)
maar
השליכו
(hishlikhu)
werp
אותו
(oto)
hem
אל
(el)
in
הבור
(habor)
de put
הזה
(hazzeh)
deze
למות
(lamut)
te sterven
שם
(shem)
daar
ויד
(vayad)
en de hand
אל
(el)
niet
תשלחו
(tishlechu)
steekt uit
בו
(bo)
naar hem
לשפוך
(lishpoch)
te vergieten
דמו
(damo)
zijn bloed
וראובן
(vera'uven)
en Ruben
אמר
(amar)
zei
כן
(ken)
zo
למען
(lema'an)
om
הצילהו
(hatsilo)
hem te redden
מידם
(miyyadam)
uit hun hand
להשיבו
(lehashivo)
hem terug te brengen
אל
(el)
tot
אביו
(aviv)
zijn vader
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:21–22.

De put

27Toen Jozef bij zijn broers kwam, ging hij voor hen zitten; zij stonden tegen hem op, grepen hem vast, sloegen hem ter aarde en trokken hem de jas met lange mouwen uit die hij aanhad.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כאשר
(ka'asher)
toen
בא
(ba)
kwam
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
וישב
(vayyashev)
en ging zitten
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
ויקומו
(vayaqumu)
en zij stonden op
עליו
(alav)
tegen hem
ויחזיקו
(vayachaziqu)
en zij grepen vast
בו
(bo)
hem
ויכוהו
(vayakuhu)
en zij sloegen hem
לארץ
(la'arets)
ter aarde
ויפשיטוהו
(vayafshituhu)
en zij ontkleedden hem
מכתונת
(miketonet)
van de jas van
הפסים
(hapassim)
de lange mouwen
אשר
(asher)
die
עליו
(alav)
op hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:23.

Zie ookGen 37:23
28Zij namen hem en wierpen hem in de put; de put was leeg, er was geen water in, maar alleen slangen en schorpioenen. Jozef was bang voor de slangen en de schorpioenen die in de put waren, en Jozef schreeuwde met luide stem, en Yahweh verborg de slangen en de schorpioenen in de wanden van de put, en zij deden Jozef geen kwaad.
ויקחוהו
(vayiqachuhu)
en zij namen hem
וישליכו
(vayashlikhu)
en zij wierpen
אותו
(oto)
hem
הבורה
(habora)
naar de put
והבור
(vehabor)
en de put
ריק
(req)
leeg
אין
(ein)
er is niet
בו
(bo)
daarin
מים
(mayim)
water
כי
(ki)
maar
אם
(em)
alleen
נחשים
(nechashim)
slangen
ועקרבים
(ve'aqravim)
en schorpioenen
ויירא
(vayira)
en hij vreesde
יוסף
(Yosef)
Jozef
מפני
(mippenei)
voor
הנחשים
(hanechashim)
de slangen
והעקרבים
(veha'aqravim)
en de schorpioenen
אשר
(asher)
die
בבור
(babor)
in de put
ויצעק
(vayits'aq)
en hij schreeuwde
יוסף
(Yosef)
Jozef
בקול
(bekol)
met een
גדול
(gadol)
luide
ויסתר
(vayyaster)
en hij verborg
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנחשים
(hanechashim)
de slangen
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
העקרבים
(ha'aqravim)
de schorpioenen
בקירות
(bequrot)
in de wanden van
הבור
(habor)
de put
ולא
(velo)
en niet
הרעו
(hera'u)
zij deden kwaad
ליוסף
(leyosef)
aan Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:24 (de put was leeg, er was geen water in).

Jasher voegt slangen en schorpioenen toe.

Zie ookGen 37:24

Jozefs smeekbede

29Jozef riep vanuit de put tot zijn broers en zei tegen hen: „Wat heb ik jullie gedaan, en waarin heb ik gezondigd? Waarom vrezen jullie Yahweh niet omwille van mij? Ben ik niet jullie gebeente en jullie vlees, en is Jakob, jullie vader, niet mijn vader? Waarom doen jullie mij dit vandaag aan, en hoe zullen jullie je gezicht opheffen voor Jakob, mijn vader?”
ויקרא
(vayikra)
en riep
יוסף
(Yosef)
Jozef
מתוך
(mitokh)
uit het midden van
הבור
(habor)
de put
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
מה
(mah)
wat
עשיתי
(asiti)
heb ik gedaan
לכם
(lakhem)
aan jullie
ומה
(umah)
en wat
חטאתי
(chatati)
heb ik gezondigd
למה
(lammah)
waarom
לא
(lo)
niet
תראו
(tir'u)
vrezen jullie
מפני
(mippenei)
voor
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בעדי
(ba'adi)
om mijnentwil
הלא
(halo)
immers
אנוכי
(anokhi)
ik
עצמכם
(atsmekhem)
jullie gebeente
ובשרכם
(uvsarkhem)
en jullie vlees
ויעקב
(veya'aqov)
en Jakob
אביכם
(avikhem)
jullie vader
אבי
(avi)
mijn vader
הוא
(hu)
is
ולמה
(velamah)
en waarom
תעשו
(ta'asu)
doen jullie
לי
(li)
voor mij
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
היום
(hayyom)
vandaag
ואיך
(ve'ekh)
en hoe
תשאו
(tis'u)
jullie zullen opheffen
פניכם
(peneykhem)
jullie gezicht
לפני
(lifnei)
voor
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אבי
(avi)
mijn vader
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 42:21 (‘wij zagen de nood van zijn ziel toen hij ons om genade smeekte, en wij hoorden niet’).

30Hij bleef schreeuwen en tot zijn broers roepen vanuit de put, en hij zei: „Juda, Ruben, Simeon en Levi, mijn broers, haal mij omhoog uit de duisternis waarin jullie mij hebben gezet, en zie vandaag het aangezicht van Yahweh en het aangezicht van Jakob, mijn vader. En als ik tegen jullie gezondigd heb, zijn jullie dan niet zonen van Abraham, Isaak en Jakob? Als zij een wees zagen, hadden zij medelijden met hem; als iemand hongerig was, gaven zij hem brood te eten; als iemand dorstig was, gaven zij hem water te drinken; en als iemand naakt was, bedekten zij hem.
ויהי
(vayehi)
en hij bleef
צועק
(tso'eq)
schreeuwend
וקורא
(veqore)
en roepend
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
מתוך
(mitokh)
uit het midden van
הבור
(habor)
de put
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
ראובן
(Re'uven)
Ruben
שמעון
(Shim'on)
Simeon
ולוי
(uLevi)
en Levi
אחיי
(achai)
mijn broers
שאוני
(sa'uni)
haal mij omhoog
ממחשכים
(mimachashakim)
uit de duisternis
אשר
(asher)
waarin
שמתם
(samtem)
jullie hebben gezet
אותי
(oti)
mij
בו
(bo)
daarin
וראו
(ure'u)
en aanschouw
היום
(hayyom)
vandaag
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פני
(pnei)
aangezicht van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
פני
(pnei)
aangezicht van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אבי
(avi)
mijn vader
ואם
(ve'im)
en als
אני
(ani)
ik
חטאתי
(chatati)
heb ik gezondigd
לכם
(lakhem)
tegen jullie
הלא
(halo)
immers
בני
(bnei)
zonen van
אברהם
(avraham)
Abraham
יצחק
(Yitschaq)
Isaak
ויעקב
(veya'aqov)
en Jakob
אתם
(ittam)
jullie
אשר
(asher)
die
אם
(em)
als
ראו
(ra'u)
zij zagen
יתום
(yatom)
een wees
עליו
(alav)
over hem
ירחמו
(yerachamu)
zij hadden medelijden
ואם
(ve'im)
en als
רעב
(ra'av)
hongerig
יאכילוהו
(ya'akhiluhu)
zij gaven hem te eten
לחם
(lechem)
brood
ואם
(ve'im)
en als
צמא
(tsame)
dorstig
ישקוהו
(yashquhu)
zij gaven hem te drinken
מים
(mayim)
water
ואם
(ve'im)
en als
ערום
(arom)
naakt
יכסוהו
(yekhasuhu)
zij bedekten hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

וראו היום את פני ה׳ ואת פני יעקב אבי (‘en zie vandaag het aangezicht van Yahweh en het aangezicht van Jakob, mijn vader’) staat er.

De Engelse vertaling heeft in plaats daarvan: ‘en kom vandaag om u over mij te ontfermen, gij kinderen van de Heer en zonen van mijn vader Jakob’, en noemt alleen Juda, Simeon en Levi (het Hebreeuws ook Ruben).

31En hoe zullen jullie je dan niet ontfermen over jullie broer, want ik ben jullie gebeente en jullie vlees? En als ik tegen jullie gezondigd heb, zullen jullie het dan niet doen omwille van mijn vader?”
ואיך
(ve'ekh)
en hoe
אתם
(ittam)
jullie
לא
(lo)
niet
תרחמו
(terachamu)
zullen jullie je ontfermen
על
(al)
op
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
כי
(ki)
want
עצמכם
(atsmekhem)
jullie gebeente
ובשרכם
(uvsarkhem)
en jullie vlees
אני
(ani)
ik
ואם
(ve'im)
en als
חטאתי
(chatati)
heb ik gezondigd
אליכם
(aleikhem)
tegen jullie
הלא
(halo)
immers
תעשו
(ta'asu)
zullen jullie doen
בעבור
(ba'avur)
omwille van
אבי
(avi)
mijn vader
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
32Jozef sprak al deze woorden vanuit de put, maar zijn broers luisterden niet naar hem en schonken geen gehoor aan alle woorden van Jozef, en hij bleef schreeuwen en wenen in de put.
ויוסף
(vayosef)
en Jozef
מדבר
(medabber)
sprekend
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הדברים
(haddevarim)
de dingen
האלה
(ha'elleh)
deze
מתוך
(mitokh)
uit het midden van
הבור
(habor)
de put
ולא
(velo)
en niet
שמעו
(shame'u)
zij luisterden
אחיו
(achiv)
zijn broers
אליו
(elav)
naar hem
ולא
(velo)
en niet
הטו
(hittu)
zij neigden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אזניהם
(oznehem)
hun oren
לכל
(lekhol)
aan alle
דברי
(divrei)
woorden van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויהי
(vayehi)
en hij bleef
צועק
(tso'eq)
schreeuwend
ובוכה
(uvokheh)
en wenend
בתוך
(betokh)
midden in
הבור
(habor)
de put
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
33Jozef zei: „Wist mijn vader maar vandaag wat mijn broers mij hebben aangedaan en de woorden die zij vandaag tot mij hebben gesproken!”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יוסף
(Yosef)
Jozef
מי
(mi)
wie
יתן
(yitten)
zou geven
וידע
(vayyeda)
dat wist
אבי
(avi)
mijn vader
היום
(hayyom)
vandaag
את
(et)
(lijdend voorwerp)
המעשה
(hamma'aseh)
de daad
אשר
(asher)
die
עשו
(asu)
hebben gedaan
לי
(li)
voor mij
אחיי
(achai)
mijn broers
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
הדברים
(haddevarim)
de woorden
אשר
(asher)
die
דיברו
(dibberu)
spraken
אליי
(elai)
tot mij
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
34Al zijn broers hoorden zijn geschreeuw en zijn geween in de put, en zijn broers gingen en trokken zich ver terug van de put, opdat zij het geschreeuw van Jozef en zijn geween in de put niet zouden horen.
וישמעו
(vayishme'u)
en zij hoorden
כל
(kol)
alle
אחיו
(achiv)
zijn broers
את
(et)
(lijdend voorwerp)
צעקתו
(tse'aqato)
zijn geschreeuw
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
בכייתו
(bekhiyato)
zijn geween
בתוך
(betokh)
midden in
הבור
(habor)
de put
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
אחיו
(achiv)
zijn broers
ויתרחקו
(vayitrachaqu)
en zij trokken zich ver terug
מן
(min)
van
הבור
(habor)
de put
למען
(lema'an)
opdat
לא
(lo)
niet
ישמעו
(yishme'u)
zij zouden horen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
צעקת
(tsa'aqat)
het geschreeuw van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
בכייתו
(bekhiyato)
zijn geween
בבור
(babor)
in de put
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)