Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Israël komt bijeen in Mizpa
1Alle zonen van Israël trokken uit, van Dan tot Beër-Sjeba en het land Gilead. De gemeenschap kwam als één man samen bij Yahweh, in Mizpa.
וַיֵּצְאוּ֮
(vayetseu)
en gingen uit
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וַתִּקָּהֵ֨ל
(vatiqahel)
en werd verzameld
הָעֵדָ֜ה
(haeda)
de gemeenschap
כְּאִ֣ישׁ
(keish)
als een man
אֶחָ֗ד
(echad)
één
לְמִדָּן֙
(lemidan)
van Dan
וְעַד
(vead)
en tot
בְּאֵ֣ר
(beer)
Beër
שֶׁ֔בַע
(sheva)
Sjeba
וְאֶ֖רֶץ
(veerets)
en het land
הַגִּלְעָ֑ד
(hagilad)
Gilead
אֶל
(el)
tot
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
הַמִּצְפָּֽה
(hamitspa)
in Mizpa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Mizpa ligt waarschijnlijk bij Tell en-Nasbeh, ongeveer 13 kilometer ten noorden van Jeruzalem, in het gebied van Benjamin (Westelijke Jordaanoever).
Dat is waarschijnlijk, niet zeker.
Dan ligt in het uiterste noorden van Israël, Beër-Sjeba in het uiterste zuiden, en het land Gilead ten oosten van de Jordaan.
Zo komt heel Israël samen.
Uitleg
כְּאִישׁ אֶחָד (ke’ish echad), ‘als één man’: eensgezind.
2De leiders van heel het volk, van alle stammen van Israël, namen plaats in de vergadering van het volk van Elohim. Zij waren 400.000 man te voet die het zwaard trokken.
וַיִּֽתְיַצְּב֞וּ
(vayityatsevu)
en namen plaats
פִּנּ֣וֹת
(pinot)
de leiders van
כָּל
(kal)
heel
הָעָ֗ם
(haam)
het volk
כֹּ֚ל
(kol)
alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
בִּקְהַ֖ל
(biqhal)
in de vergadering van
עַ֣ם
(am)
het volk van
הָאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
אַרְבַּ֨ע
(arba)
vier
מֵא֥וֹת
(meot)
honderd
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֥ישׁ
(ish)
man
רַגְלִ֖י
(ragli)
voetvolk
שֹׁ֥לֵֽף
(sholef)
trekkend
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פִּנּוֹת (pinnot), ‘hoeken’: de hoeksteen van een gebouw.
Dat zijn hier de leiders van het volk.
Wij vertalen ‘leiders’.
שֹׁלֵף חֶרֶב (shalef cherev), ‘het zwaard trekkend’: mannen die het zwaard kunnen trekken, dus krijgers.
De getallen in dit hoofdstuk staan zoals in de Masoretische tekst; de som van de gevallenen van Benjamin staat bij vers 46.
4De man, de Leviet, de man van de vrouw die was vermoord, antwoordde en zei: „Ik kwam met mijn bijvrouw naar Gibea, dat bij Benjamin hoort, om te overnachten.
וַיַּ֜עַן
(vayaan)
en antwoordde
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
הַלֵּוִ֗י
(halevi)
de Leviet
אִ֛ישׁ
(ish)
man van
הָאִשָּׁ֥ה
(haisha)
de vrouw
הַנִּרְצָחָ֖ה
(hanirtsacha)
de vermoorde
וַיֹּאמַ֑ר
(vayomar)
en zei
הַגִּבְעָ֨תָה֙
(hagivata)
naar Gibea
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
לְבִנְיָמִ֔ן
(levinyamin)
van Benjamin
בָּ֛אתִי
(bati)
kwam
אֲנִ֥י
(ani)
ik
וּפִֽילַגְשִׁ֖י
(ufilagshi)
en mijn bijvrouw
לָלֽוּן
(lalun)
om te overnachten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
5De heren van Gibea stonden tegen mij op. Zij omsingelden ’s nachts het huis tegen mij. Mij wilden zij doden. Mijn bijvrouw vernederden zij, en zij stierf.
וַיָּקֻ֤מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
עָלַי֙
(alay)
tegen mij
בַּעֲלֵ֣י
(baalei)
de burgers van
הַגִּבְעָ֔ה
(hagiva)
Gibea
וַיָּסֹ֧בּוּ
(vayasobu)
en omringden
עָלַ֛י
(alay)
tegen mij
אֶת
(et)
(obj.)
הַבַּ֖יִת
(habayit)
het huis
לָ֑יְלָה
(layela)
’s nachts
אוֹתִי֙
(oti)
mij
דִּמּ֣וּ
(dimu)
zij dachten
לַהֲרֹ֔ג
(laharog)
te doden
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פִּילַגְשִׁ֥י
(pilagshi)
mijn bijvrouw
עִנּ֖וּ
(inu)
zij vernederden
וַתָּמֹֽת
(vatamot)
en zij stierf
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.
Uitleg
De Leviet vertelt kort wat in hoofdstuk 19 gebeurde.
Wat hij zegt komt overeen met dat hoofdstuk, maar is niet hetzelfde: hij zegt dat de heren van Gibea hem wilden doden, en hij zwijgt over dat hij zijn bijvrouw zelf naar buiten bracht (19:25).
Wij vertalen wat er staat.
בַּעֲלֵי הַגִּבְעָה (ba’alei haggiv’ah), ‘heren van Gibea’: dezelfde uitdrukking als ‘heren van Sichem’ in Richt. 9:2. עִנּוּ (innu), ‘zij vernederden’: zoals in 19:24.
6Ik greep mijn bijvrouw, sneed haar uiteen en stuurde haar naar elk veld van het erfdeel van Israël. Want zij hebben een schandelijke misdaad en een schanddaad in Israël begaan.
וָֽאֹחֵ֤ז
(vaochez)
en ik greep
בְּפִֽילַגְשִׁי֙
(befilagshi)
mijn bijvrouw
וָֽאֲנַתְּחֶ֔הָ
(vaanatecheha)
en ik sneed haar uiteen
וָֽאֲשַׁלְּחֶ֔הָ
(vaashalecheha)
en ik stuurde haar
בְּכָל
(bekhal)
in elk
שְׂדֵ֖ה
(sede)
veld van
נַחֲלַ֣ת
(nachalat)
het erfdeel van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
כִּ֥י
(ki)
want
עָשׂ֛וּ
(asu)
zij hebben gedaan
זִמָּ֥ה
(zima)
een schandelijke misdaad
וּנְבָלָ֖ה
(unevala)
en een schanddaad
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זִמָּה (zimmah) en נְבָלָה (nevalah): wij vertalen zimmah hier met ‘schandelijke misdaad’ en nevalah met ‘schanddaad’, zoals in 19:23.
In Leviticus staat zimmah ook voor een zware schande (zie Lev. 18:17).
10Wij nemen uit alle stammen van Israël tien man per honderd, honderd per duizend en duizend per tienduizend. Zij moeten proviand voor het volk halen. Dan kan het volk, wanneer het in Geba in Benjamin komt, doen wat past bij alle schanddaad die men in Israël heeft begaan.”
וְלָקַ֣חְנוּ
(velaqachnu)
en wij zullen nemen
עֲשָׂרָה֩
(asara)
tien
אֲנָשִׁ֨ים
(anashim)
mannen
לַמֵּאָ֜ה
(lamea)
per honderd
לְכֹ֣ל
(lekhol)
uit alle
שִׁבְטֵ֣י
(shivtei)
stammen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וּמֵאָ֤ה
(umea)
en honderd
לָאֶ֨לֶף֙
(laelef)
per duizend
וְאֶ֣לֶף
(veelef)
en duizend
לָרְבָבָ֔ה
(larevava)
per tienduizend
לָקַ֥חַת
(laqachat)
om te halen
צֵדָ֖ה
(tseda)
proviand
לָעָ֑ם
(laam)
voor het volk
לַעֲשׂ֗וֹת
(laasot)
om te doen
לְבוֹאָם֙
(levoam)
bij hun komst
לְגֶ֣בַע
(legeva)
naar Geba
בִּנְיָמִ֔ן
(binyamin)
Benjamin
כְּכָל
(kekhal)
overeenkomstig alle
הַ֨נְּבָלָ֔ה
(hanevala)
de schanddaad
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
עָשָׂ֖ה
(asa)
men deed
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.
Uitleg
צֵדָה (tsedah), ‘proviand’: eten voor onderweg.
Lezing
Er staat ‘Geba van Benjamin’ (גֶּבַע), niet ‘Gibea’ (גִּבְעָה).
Geba en Gibea zijn twee verschillende plaatsen in Benjamin met bijna dezelfde naam.
13Lever nu de mannen uit, de zonen van Belial die in Gibea zijn. Dan doden wij hen en doen wij het kwaad weg uit Israël.” Maar Benjamin wilde niet luisteren naar de stem van zijn broeders, de zonen van Israël.
וְעַתָּ֡ה
(veata)
en nu
תְּנוּ֩
(tenu)
geeft
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֲנָשִׁ֨ים
(haanashim)
de mannen
בְּנֵֽי
(benei)
zonen van
בְלִיַּ֜עַל
(beliyaal)
Belial
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
בַּגִּבְעָה֙
(bagiva)
in Gibea
וּנְמִיתֵ֔ם
(unemitem)
en wij zullen hen doden
וּנְבַעֲרָ֥ה
(unevaara)
en wij zullen wegdoen
רָעָ֖ה
(raa)
het kwaad
מִיִּשְׂרָאֵ֑ל
(miyisrael)
uit Israël
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
אָבוּ֙
(avu)
wilden
בִּנְיָמִ֔ן
(binyamin)
Benjamin
לִשְׁמֹ֕עַ
(lishmoa)
luisteren
בְּק֖וֹל
(beqol)
naar de stem van
אֲחֵיהֶ֥ם
(acheihem)
hun broeders
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.
Uitleg
בְּנֵי בְלִיַּעַל (bene beliyya’al), ‘zonen van Belial’: zie de Uitleg bij 19:22.
וּבִעַרְנוּ רָעָה (uvi’arnu ra’ah), ‘wij doen het kwaad weg’: zo staat het ook in Deut. 17:7; 19:19.
15Op die dag werden de zonen van Benjamin geteld uit de steden: 26.000 man die het zwaard trokken. Daarnaast werden de inwoners van Gibea geteld: 700 uitgelezen mannen.
וַיִּתְפָּֽקְדוּ֩
(vayitpaqedu)
en werden geteld
בְנֵ֨י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֜ן
(binyamin)
Benjamin
בַּיּ֤וֹם
(bayom)
op de dag
הַהוּא֙
(hahu)
die
מֵהֶ֣עָרִ֔ים
(mehearim)
uit de steden
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וְשִׁשָּׁ֥ה
(veshisha)
en zes
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
שֹׁ֣לֵֽף
(sholef)
trekkend
חָ֑רֶב
(charev)
zwaard
לְ֠בַד
(levad)
afgezien van
מִיֹּשְׁבֵ֤י
(miyoshevei)
de inwoners van
הַגִּבְעָה֙
(hagiva)
Gibea
הִתְפָּ֣קְד֔וּ
(hitpaqedu)
werden geteld
שְׁבַ֥ע
(sheva)
zeven
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
אִ֥ישׁ
(ish)
man
בָּחֽוּר
(bachur)
uitgelezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.
Uitleg
De zonen van Benjamin hebben samen 26.000 man uit de steden en 700 uitgelezen mannen uit Gibea.
Het getal 26.700 is niet gelijk aan de som van de gevallenen en de overlevenden hierna (25.100 in vers 35 en 25.000 in vers 46, plus 600 in vers 47); het Hebreeuws zegt dat zelf niet.
18Zij stonden op en trokken op naar Betel. Zij raadpleegden Elohim en de zonen van Israël zeiden: „Wie van ons trekt als eerste op naar de oorlog tegen de zonen van Benjamin?” Yahweh zei: „Juda als eerste.”
וַיָּקֻ֜מוּ
(vayaqumu)
en stonden op
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en trokken op
בֵֽית
(beit)
naar Bet
אֵל֮
(el)
El
וַיִּשְׁאֲל֣וּ
(vayishalu)
en vroegen
בֵאלֹהִים֒
(bElohim)
Elohim
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִ֚י
(mi)
wie
יַעֲלֶה
(yaale)
zal optrekken
לָּ֣נוּ
(lanu)
voor ons
בַתְּחִלָּ֔ה
(batechila)
als eerste
לַמִּלְחָמָ֖ה
(lamilchama)
naar de oorlog
עִם
(im)
met
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
יְהוּדָ֥ה
(yehuda)
Juda
בַתְּחִלָּֽה
(batechila)
als eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Betel (Hebreeuws: Bet-El, ‘huis van El’) ligt waarschijnlijk bij het huidige Beitin, ongeveer 17 kilometer ten noorden van Jeruzalem, in het gebied van Efraïm (Westelijke Jordaanoever).
Dat is waarschijnlijk, niet zeker.
Uitleg
שָׁאַל בֵּאלֹהִים (shaal be-Elohim), ‘Elohim raadplegen’: zoals in 18:5.
Het antwoord ‘Juda als eerste’ is een woord van Yahweh; wij zetten het rood.
22Het volk, de mannen van Israël, moedigde zichzelf aan. Zij stelden zich opnieuw in slagorde op, op de plaats waar zij zich de eerste dag hadden opgesteld.
וַיִּתְחַזֵּ֥ק
(vayitchazeq)
en sterkte zich
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
אִ֣ישׁ
(ish)
de mannen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיֹּסִ֨פוּ֙
(vayosifu)
en zij gingen voort
לַעֲרֹ֣ךְ
(laarokh)
om op te stellen
מִלְחָמָ֔ה
(milchama)
oorlog
בַּמָּק֕וֹם
(bamaqom)
op de plaats
אֲשֶׁר
(asher)
waar
עָ֥רְכוּ
(arekhu)
zij hadden opgesteld
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הָרִאשֽׁוֹן
(harishon)
de eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23De zonen van Israël trokken op en huilden voor het aangezicht van Yahweh tot de avond. Zij raadpleegden Yahweh en zeiden: „Moeten wij opnieuw ten strijde trekken tegen de zonen van Benjamin, onze broer?” Yahweh zei: „Trek tegen hem op.”
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en trokken op
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַיִּבְכּ֣וּ
(vayivku)
en huilden
לִפְנֵֽי
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֮
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
tot
הָעֶרֶב֒
(haerev)
de avond
וַיִּשְׁאֲל֤וּ
(vayishalu)
en raadpleegden
בַֽיהוָה֙
(baYahweh)
Yahweh
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
הַאוֹסִ֗יף
(haosif)
zal ik doorgaan
לָגֶ֨שֶׁת֙
(lageshet)
om te naderen
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
tot de oorlog
עִם
(im)
met
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
אָחִ֑י
(achi)
mijn broer
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
עֲל֥וּ
(alu)
trekt op
אֵלָֽיו
(elav)
naar hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zonen van Israël spreken als één persoon: ‘zal ik doorgaan ... mijn broer’.
24Op de tweede dag naderden de zonen van Israël de zonen van Benjamin.
וַיִּקְרְב֧וּ
(vayiqrevu)
en naderden
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tot
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
בַּיּ֥וֹם
(bayom)
op de dag
הַשֵּׁנִֽי
(hasheni)
de tweede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Op de tweede dag kwam Benjamin vanuit Gibea hen tegemoet. Zij vernietigden opnieuw 18.000 man van de zonen van Israël, tot op de grond. Al deze mannen trokken het zwaard.
וַיֵּצֵא֩
(vayetse)
en trok uit
בִנְיָמִ֨ן
(binyamin)
Benjamin
לִקְרָאתָ֥ם
(liqratam)
hen tegemoet
מִֽן
(min)
uit
הַגִּבְעָה֮
(hagiva)
Gibea
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשֵּׁנִי֒
(hasheni)
de tweede
וַיַּשְׁחִיתוּ֩
(vayashchitu)
en vernietigden
בִבְנֵ֨י
(bivnei)
onder de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
ע֗וֹד
(od)
nog
שְׁמֹנַ֨ת
(shemonat)
acht
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
אִ֖ישׁ
(ish)
man
אָ֑רְצָה
(aretsa)
ter aarde
כָּל
(kal)
allen
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
שֹׁ֥לְפֵי
(sholefei)
trekkers van
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
26Alle zonen van Israël en heel het volk trokken op en kwamen in Betel. Zij huilden en bleven daar zitten voor het aangezicht van Yahweh. Zij vastten die dag tot de avond. Zij brachten brandoffers en vredeoffers voor het aangezicht van Yahweh.
וַיַּעֲל֣וּ
(vayaalu)
en trokken op
כָל
(kal)
alle
בְּנֵי֩
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֨ל
(yisrael)
Israël
וְכָל
(vekhal)
en heel
הָעָ֜ם
(haam)
het volk
וַיָּבֹ֣אוּ
(vayavou)
en kwamen
בֵֽית
(beit)
naar Bet
אֵ֗ל
(el)
El
וַיִּבְכּוּ֙
(vayivku)
en huilden
וַיֵּ֤שְׁבוּ
(vayeshevu)
en zaten
שָׁם֙
(sham)
daar
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וַיָּצ֥וּמוּ
(vayatsumu)
en vastten
בַיּוֹם
(bayom)
op de dag
הַה֖וּא
(hahu)
die
עַד
(ad)
tot
הָעָ֑רֶב
(haarev)
de avond
וַֽיַּעֲל֛וּ
(vayaalu)
en brachten op
עֹל֥וֹת
(olot)
brandoffers
וּשְׁלָמִ֖ים
(ushelamim)
en vredeoffers
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.
Uitleg
עֹלוֹת (olot), ‘brandoffers’, en שְׁלָמִים (shelamim), ‘vredeoffers’.
28Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, stond in die dagen voor Hem. Hij zei: „Moeten wij opnieuw uittrekken ten strijde tegen de zonen van Benjamin, onze broer, of moeten wij ophouden?” Yahweh zei: „Trek op, want morgen geef Ik hem in je hand.”
וּ֠פִינְחָס
(ufinechas)
en Pinechas
בֶּן
(ben)
zoon van
אֶלְעָזָ֨ר
(elazar)
Eleazar
בֶּֽן
(ben)
zoon van
אַהֲרֹ֜ן
(aharon)
Aäron
עֹמֵ֣ד
(omed)
stond
לְפָנָ֗יו
(lefanav)
voor Hem
בַּיָּמִ֣ים
(bayamim)
in de dagen
הָהֵם֮
(hahem)
die
לֵאמֹר֒
(lemor)
zeggende
הַאוֹסִ֨ף
(haosif)
zal ik doorgaan
ע֜וֹד
(od)
nog
לָצֵ֧את
(latset)
om uit te trekken
לַמִּלְחָמָ֛ה
(lamilchama)
naar de oorlog
עִם
(im)
met
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֥ן
(binyamin)
Benjamin
אָחִ֖י
(achi)
mijn broer
אִם
(im)
of
אֶחְדָּ֑ל
(echdal)
zal ik ophouden
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עֲל֔וּ
(alu)
trekt op
כִּ֥י
(ki)
want
מָחָ֖ר
(machar)
morgen
אֶתְּנֶ֥נּוּ
(etenenu)
zal Ik hem geven
בְיָדֶֽךָ
(beyadekha)
in je hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֶתְּנֶנּוּ (ettennennu), ‘Ik geef hem’: Yahweh spreekt over Benjamin als over één man.
30Op de derde dag trokken de zonen van Israël op tegen de zonen van Benjamin. Zij stelden zich op tegenover Gibea, zoals de andere keren.
וַיַּעֲל֧וּ
(vayaalu)
en trokken op
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tegen
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
de derde
וַיַּעַרְכ֥וּ
(vayaarkhu)
en stelden op
אֶל
(el)
tegen
הַגִּבְעָ֖ה
(hagiva)
Gibea
כְּפַ֥עַם
(kefaam)
als keer
בְּפָֽעַם
(befaam)
op keer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
In Jozua 15:57 gaat het om een Gibea in Juda.
31De zonen van Benjamin kwamen het volk tegemoet. Zij werden van de stad weggelokt. Zij begonnen onder het volk gesneuvelden te slaan, zoals de andere keren, op de wegen. De ene gaat omhoog naar Betel, de andere naar Gibea. Het was in het veld: ongeveer dertig man van Israël.
וַיֵּצְא֤וּ
(vayetseu)
en trokken uit
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
לִקְרַ֣את
(liqrat)
tegemoet
הָעָ֔ם
(haam)
het volk
הָנְתְּק֖וּ
(hantequ)
werden weggelokt
מִן
(min)
van
הָעִ֑יר
(hair)
de stad
וַיָּחֵ֡לּוּ
(vayachelu)
en begonnen
לְהַכּוֹת֩
(lehakot)
te slaan
מֵהָעָ֨ם
(mehaam)
van het volk
חֲלָלִ֜ים
(chalalim)
gesneuvelden
כְּפַ֣עַם
(kefaam)
als keer
בְּפַ֗עַם
(befaam)
op keer
בַּֽמְסִלּוֹת֙
(bamsilot)
op de wegen
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
waarvan
אַחַ֜ת
(achat)
de ene
עֹלָ֣ה
(ola)
opgaat
בֵֽית
(beit)
naar Bet
אֵ֗ל
(el)
El
וְאַחַ֤ת
(veachat)
en de ene
גִּבְעָ֨תָה֙
(givata)
naar Gibea
בַּשָּׂדֶ֔ה
(basade)
in het veld
כִּשְׁלֹשִׁ֥ים
(kishloshim)
ongeveer dertig
אִ֖ישׁ
(ish)
man
בְּיִשְׂרָאֵֽל
(beyisrael)
in Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Gibea is het huidige Tell el-Ful (zie 19:13).
Betel: zie vers 18.
De twee wegen zijn de wegen die in die streek naar Betel en naar Gibea leiden.
32De zonen van Benjamin zeiden: „Zij zijn voor ons verslagen, zoals de eerste keer.” Maar de zonen van Israël hadden gezegd: „Laten wij vluchten en hem van de stad weglokken naar de wegen.”
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֔ן
(binyamin)
Benjamin
נִגָּפִ֥ים
(nigafim)
verslagen
הֵ֛ם
(hem)
zij
לְפָנֵ֖ינוּ
(lefaneinu)
voor ons
כְּבָרִאשֹׁנָ֑ה
(kevarishona)
als de eerste keer
וּבְנֵ֧י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֣ל
(yisrael)
Israël
אָמְר֗וּ
(ameru)
hadden gezegd
נָנ֨וּסָה֙
(nanusa)
laten wij vluchten
וּֽנְתַקְּנֻ֔הוּ
(unetaqenuhu)
en laten wij hem wegtrekken
מִן
(min)
van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
אֶל
(el)
naar
הַֽמְסִלּֽוֹת
(hamsilot)
de wegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
33Alle mannen van Israël stonden op van hun plaats en stelden zich op bij Baäl-Tamar. De hinderlaag van Israël brak los van zijn plaats, uit de open ruimte bij Geba.
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en alle
אִ֣ישׁ
(ish)
mannen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
קָ֚מוּ
(qamu)
stonden op
מִמְּקוֹמ֔וֹ
(mimeqomo)
van hun plaats
וַיַּעַרְכ֖וּ
(vayaarkhu)
en stelden zich op
בְּבַ֣עַל
(bevaal)
in Baäl
תָּמָ֑ר
(tamar)
Tamar
וְאֹרֵ֧ב
(veorev)
en de hinderlaag van
יִשְׂרָאֵ֛ל
(yisrael)
Israël
מֵגִ֥יחַ
(megiach)
brak los
מִמְּקֹמ֖וֹ
(mimeqomo)
van zijn plaats
מִמַּֽעֲרֵה
(mimaare)
uit de open ruimte van
גָֽבַע
(gava)
Geba
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Baäl-Tamar was een plaats bij Gibea.
Zijn ligging is onzeker.
Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.
Lezing
מַעֲרֵה־גָבַע (ma’areh Gava), ‘de open ruimte van Geba’: het woord is onzeker.
Het betekent mogelijk ‘de open ruimte’ of ‘de kale plek’.
Er zijn andere lezingen: de Septuaginta en de Vulgaat lijken te lezen ‘ten westen van Gibea’.
35Yahweh sloeg Benjamin voor het aangezicht van Israël. De zonen van Israël vernietigden die dag 25.100 man van Benjamin. Zij allen trokken het zwaard.
וַיִּגֹּ֨ף
(vayigof)
en sloeg
יְהוָ֥ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶֽת
(et)
(obj.)
בִּנְיָמִן֮
(binyamin)
Benjamin
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יִשְׂרָאֵל֒
(yisrael)
Israël
וַיַּשְׁחִיתוּ֩
(vayashchitu)
en vernietigden
בְנֵ֨י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
בְּבִנְיָמִן֙
(bevinyamin)
onder Benjamin
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֔וּא
(hahu)
die
עֶשְׂרִ֨ים
(esrim)
twintig
וַחֲמִשָּׁ֥ה
(vachamisha)
en vijf
אֶ֛לֶף
(elef)
duizend
וּמֵאָ֖ה
(umea)
en honderd
אִ֑ישׁ
(ish)
man
כָּל
(kal)
allen
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
שֹׁ֥לֵף
(sholef)
trekkend
חָֽרֶב
(charev)
zwaard
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het getal 25.100 hier past niet bij vers 46 (25.000).
36De zonen van Benjamin zagen dat zij verslagen waren. De mannen van Israël gaven Benjamin ruimte, want zij vertrouwden op de hinderlaag die zij bij Gibea hadden gesteld.
וַיִּרְא֥וּ
(vayiru)
en zagen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
כִּ֣י
(ki)
dat
נִגָּ֑פוּ
(nigafu)
zij waren verslagen
וַיִּתְּנ֨וּ
(vayitenu)
en gaven
אִֽישׁ
(ish)
de mannen van
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
מָקוֹם֙
(maqom)
plaats
לְבִנְיָמִ֔ן
(levinyamin)
aan Benjamin
כִּ֤י
(ki)
want
בָֽטְחוּ֙
(batechu)
zij vertrouwden
אֶל
(el)
op
הָ֣אֹרֵ֔ב
(haorev)
de hinderlaag
אֲשֶׁר
(asher)
die
שָׂ֖מוּ
(samu)
zij hadden gesteld
אֶל
(el)
bij
הַגִּבְעָֽה
(hagiva)
Gibea
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gibea (Tell el-Ful): Gibea wordt gezocht bij Tell el-Ful, ongeveer 5 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.
39De mannen van Israël keerden zich om in de strijd. Benjamin was begonnen gesneuvelden te slaan onder de mannen van Israël, ongeveer dertig man. Want zij zeiden: „Zeker, hij is voor ons verslagen, zoals in de eerste oorlog.”
וַיַּהֲפֹ֥ךְ
(vayahafokh)
en keerden zich om
אִֽישׁ
(ish)
de mannen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בַּמִּלְחָמָ֑ה
(bamilchama)
in de oorlog
וּבִנְיָמִ֡ן
(uvinyamin)
en Benjamin
הֵחֵל֩
(hechel)
was begonnen
לְהַכּ֨וֹת
(lehakot)
te slaan
חֲלָלִ֤ים
(chalalim)
gesneuvelden
בְּאִֽישׁ
(beish)
onder de mannen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
כִּשְׁלֹשִׁ֣ים
(kishloshim)
ongeveer dertig
אִ֔ישׁ
(ish)
man
כִּ֣י
(ki)
want
אָמְר֔וּ
(ameru)
zij zeiden
אַךְ֩
(akh)
zeker
נִגּ֨וֹף
(nigof)
geslagen
נִגָּ֥ף
(nigaf)
is geslagen
הוּא֙
(hu)
hij
לְפָנֵ֔ינוּ
(lefaneinu)
voor ons
כַּמִּלְחָמָ֖ה
(kamilchama)
zoals de oorlog
הָרִאשֹׁנָֽה
(harishona)
de eerste
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
40Maar de rookwolk begon uit de stad op te stijgen, een zuil van rook. Benjamin keerde zich om en zag achter zich: zie, de hele stad steeg omhoog naar de hemel.
וְהַמַּשְׂאֵ֗ת
(vehamaset)
en de opstijging
הֵחֵ֛לָּה
(hechela)
begon
לַעֲל֥וֹת
(laalot)
op te stijgen
מִן
(min)
uit
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
עַמּ֣וּד
(amud)
een zuil van
עָשָׁ֑ן
(ashan)
rook
וַיִּ֤פֶן
(vayifen)
en keerde zich
בִּנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
אַחֲרָ֔יו
(acharav)
achter zich
וְהִנֵּ֛ה
(vehine)
en zie
עָלָ֥ה
(ala)
steeg op
כְלִיל
(kelil)
het geheel van
הָעִ֖יר
(hair)
de stad
הַשָּׁמָֽיְמָה
(hashamayema)
naar de hemel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
42Zij weken voor de mannen van Israël uit, naar de weg van de woestijn. Maar de strijd haalde hen in. Zij die uit de steden kwamen, vernietigden hen in hun midden.
וַיִּפְנ֞וּ
(vayifnu)
en keerden zich
לִפְנֵ֨י
(lifnei)
voor
אִ֤ישׁ
(ish)
de mannen van
יִשְׂרָאֵל֙
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
naar
דֶּ֣רֶךְ
(derekh)
de weg van
הַמִּדְבָּ֔ר
(hamidbar)
de woestijn
וְהַמִּלְחָמָ֖ה
(vehamilchama)
en de oorlog
הִדְבִּיקָ֑תְהוּ
(hidbiqatehu)
haalde hem in
וַאֲשֶׁר֙
(vaasher)
en degenen die
מֵהֶ֣עָרִ֔ים
(mehearim)
uit de steden
מַשְׁחִיתִ֥ים
(mashchitim)
vernietigden
אוֹת֖וֹ
(oto)
hem
בְּתוֹכֽוֹ
(betokho)
in zijn midden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
44Van Benjamin vielen 18.000 man. Al deze mannen waren dappere mannen.
וַֽיִּפְּלוּ֙
(vayipelu)
en vielen
מִבִּנְיָמִ֔ן
(mibinyamin)
van Benjamin
שְׁמֹנָֽה
(shemona)
acht
עָשָׂ֥ר
(asar)
tien
אֶ֖לֶף
(elef)
duizend
אִ֑ישׁ
(ish)
man
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
allen
אֵ֖לֶּה
(ele)
dezen
אַנְשֵׁי
(anshei)
mannen van
חָֽיִל
(chayil)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45Zij keerden zich om en vluchtten naar de woestijn, naar de rots van Rimmon. Zij lazen hen na op de wegen: 5.000 man. Zij zetten hen achterna tot Gidom en sloegen 2.000 man van hen neer.
וַיִּפְנ֞וּ
(vayifnu)
en keerden zich
וַיָּנֻ֤סוּ
(vayanusu)
en vluchtten
הַמִּדְבָּ֨רָה֙
(hamidbara)
naar de woestijn
אֶל
(el)
naar
סֶ֣לַע
(sela)
de rots van
הָֽרִמּ֔וֹן
(harimon)
Rimmon
וַיְעֹֽלְלֻ֨הוּ֙
(vayoleluhu)
en lazen hem na
בַּֽמְסִלּ֔וֹת
(bamsilot)
op de wegen
חֲמֵ֥שֶׁת
(chameshet)
vijf
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וַיַּדְבִּ֤יקוּ
(vayadbiqu)
en zetten achterna
אַחֲרָיו֙
(acharav)
achter hem
עַד
(ad)
tot
גִּדְעֹ֔ם
(gidom)
Gidom
וַיַּכּ֥וּ
(vayaku)
en sloegen
מִמֶּ֖נּוּ
(mimenu)
van hem
אַלְפַּ֥יִם
(alpayim)
twee duizend
אִֽישׁ
(ish)
man
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
De rots van Rimmon ligt waarschijnlijk bij het huidige Rammun, ongeveer 6 kilometer ten oosten van Betel, aan de rand van de woestijn.
Gidom is onbekend.
Zie Rots van Rimmon: De rots van Rimmon wordt gezocht bij Rammun, ten oosten van Betel.
Uitleg
וַיְעֹלְלֻהוּ (vay’olelluhu), ‘zij lazen hem na’: een beeld uit de oogst.
Wat bij het maaien blijft liggen, wordt nagelezen.
Zo werden ook de overgebleven vluchters ‘nagelezen’.
48De mannen van Israël keerden terug naar de zonen van Benjamin. Zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard: de mensen uit de stad, tot en met het vee, tot alles wat werd gevonden. Ook alle steden die werden gevonden, staken zij in brand.
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en de mannen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
שָׁ֣בוּ
(shavu)
keerden terug
אֶל
(el)
naar
בְּנֵ֤י
(benei)
de zonen van
בִנְיָמִן֙
(binyamin)
Benjamin
וַיַּכּ֣וּם
(vayakum)
en sloegen hen
לְפִי
(lefi)
met de scherpte van
חֶ֔רֶב
(cherev)
zwaard
מֵעִ֤יר
(meir)
uit de stad
מְתֹם֙
(metom)
van mensen
עַד
(ad)
tot
בְּהֵמָ֔ה
(behema)
vee
עַ֖ד
(ad)
tot
כָּל
(kal)
alles
הַנִּמְצָ֑א
(hanimtsa)
wat gevonden werd
גַּ֛ם
(gam)
ook
כָּל
(kal)
alle
הֶעָרִ֥ים
(hearim)
de steden
הַנִּמְצָא֖וֹת
(hanimtsaot)
die gevonden werden
שִׁלְּח֥וּ
(shilechu)
zij zonden
בָאֵֽשׁ
(baesh)
in vuur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מֵעִיר מְתֹם עַד בְּהֵמָה (me’ir metom ad behemah), ‘uit de stad, mensen tot vee’: het zwaard trof de mensen van de stad en ook het vee.