Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Michaël zal opstaan
1In die tijd zal Michaël opstaan, de grote overste die staat voor de zonen van jouw volk. Het zal een tijd van nood zijn, zoals er nog niet geweest is sinds er een volk bestaat, tot op die tijd. In die tijd zal jouw volk ontkomen, ieder die in het boek opgeschreven staat.
וּבָעֵ֣ת
(uvaet)
en in de tijd
הַהִיא֩
(hahi)
die
יַעֲמֹ֨ד
(yaamod)
zal opstaan
מִֽיכָאֵ֜ל
(mikhael)
Michaël
הַשַּׂ֣ר
(hasar)
de overste
הַגָּד֗וֹל
(hagadol)
de grote
הָעֹמֵד֮
(haomed)
die staat
עַל
(al)
over
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
עַמֶּךָ֒
(amekha)
jouw volk
וְהָיְתָה֙
(vehayeta)
en zal zijn
עֵ֣ת
(et)
een tijd van
צָרָ֔ה
(tsara)
nood
אֲשֶׁ֤ר
(asher)
die
לֹֽא
(lo)
niet
נִהְיְתָה֙
(nihyeta)
is geweest
מִֽהְי֣וֹת
(mihyot)
sinds het bestaan van
גּ֔וֹי
(goy)
een volk
עַ֖ד
(ad)
tot
הָעֵ֣ת
(haet)
de tijd
הַהִ֑יא
(hahi)
die
וּבָעֵ֤ת
(uvaet)
en in de tijd
הַהִיא֙
(hahi)
die
יִמָּלֵ֣ט
(yimalet)
zal ontkomen
עַמְּךָ֔
(amekha)
jouw volk
כָּל
(kal)
ieder
הַנִּמְצָ֖א
(hanimtsa)
die gevonden wordt
כָּת֥וּב
(katuv)
opgeschreven
בַּסֵּֽפֶר
(basefer)
in het boek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers hoort nog bij de toespraak die in 10:20 begint.
מִיכָאֵל (Mikha’el), ‘Michaël’: zie 10:13 en 10:21.
הַשַּׂר הַגָּדוֹל (hasar hagadol), ‘de grote overste’: Michaël staat voor het volk van Daniël.
כָּתוּב בַּסֵּפֶר (katuv basefer), ‘opgeschreven in het boek’: letterlijk ‘gevonden, geschreven in het boek’. Vergelijk Exod. 32:32–33 en Ps. 69:29.
3De verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel. Zij die de velen rechtvaardig maken, zullen schitteren als de sterren, voor eeuwig en altijd.
וְהַ֨מַּשְׂכִּלִ֔ים
(vehamaskilim)
en de verstandigen
יַזְהִ֖רוּ
(yazhiru)
zullen stralen
כְּזֹ֣הַר
(kezohar)
als de glans van
הָרָקִ֑יעַ
(haraqia)
het uitspansel
וּמַצְדִּיקֵי֙
(umatsdiqei)
en zij die rechtvaardig maken
הָֽרַבִּ֔ים
(harabim)
de velen
כַּכּוֹכָבִ֖ים
(kakokhavim)
als de sterren
לְעוֹלָ֥ם
(leolam)
voor eeuwig
וָעֶֽד
(vaed)
en altijd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Een van hen zei tegen de man die in linnen gekleed was. Hij stond boven het water van de rivier: „Hoelang duurt het tot het einde van deze wonderlijke dingen?”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
לָאִישׁ֙
(laish)
tegen de man
לְב֣וּשׁ
(levush)
gekleed in
הַבַּדִּ֔ים
(habadim)
het linnen
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
מִמַּ֖עַל
(mimaal)
boven
לְמֵימֵ֣י
(lemeimei)
het water van
הַיְאֹ֑ר
(hayor)
de rivier
עַד
(ad)
tot
מָתַ֖י
(matay)
wanneer
קֵ֥ץ
(qets)
het einde van
הַפְּלָאֽוֹת
(hapelaot)
de wonderlijke dingen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het Hebreeuws zegt alleen ‘hij’.
Wij nemen aan dat een van de twee anderen uit vers 5 bedoeld wordt.
הַפְּלָאוֹת (happela’ot), ‘de wonderlijke dingen’: van hetzelfde werkwoord als ‘ongehoorde dingen’ in 11:36.
7Ik hoorde de man die in linnen gekleed was en boven het water van de rivier stond. Hij hief zijn rechterhand en zijn linkerhand op naar de hemel. Hij zwoer bij Hem die leeft voor eeuwig: „Het is voor een tijd, tijden en een halve tijd. En zodra het verbrijzelen van de macht van het heilige volk voltooid is, zal dit alles voltooid zijn.”
וָאֶשְׁמַ֞ע
(vaeshma)
en ik hoorde
אֶת
(et)
(obj.)
הָאִ֣ישׁ
(haish)
de man
לְב֣וּשׁ
(levush)
gekleed in
הַבַּדִּ֗ים
(habadim)
het linnen
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מִמַּעַל֮
(mimaal)
boven
לְמֵימֵ֣י
(lemeimei)
het water van
הַיְאֹר֒
(hayor)
de rivier
וַיָּ֨רֶם
(vayarem)
en hij hief op
יְמִינ֤וֹ
(yemino)
zijn rechterhand
וּשְׂמֹאלוֹ֙
(usemolo)
en zijn linkerhand
אֶל
(el)
naar
הַשָּׁמַ֔יִם
(hashamayim)
de hemel
וַיִּשָּׁבַ֖ע
(vayishava)
en hij zwoer
בְּחֵ֣י
(bechei)
bij de levende van
הָעוֹלָ֑ם
(haolam)
de eeuwigheid
כִּי֩
(ki)
dat
לְמוֹעֵ֨ד
(lemoed)
voor een tijd
מֽוֹעֲדִ֜ים
(moadim)
tijden
וָחֵ֗צִי
(vachetsi)
en een helft
וּכְכַלּ֛וֹת
(ukhekhalot)
en zodra zal zijn voltooid
נַפֵּ֥ץ
(napets)
het verbrijzelen van
יַד
(yad)
de hand van
עַם
(am)
het volk van
קֹ֖דֶשׁ
(qodesh)
heiligheid
תִּכְלֶ֥ינָה
(tikhleina)
zullen worden voltooid
כָל
(kal)
al
אֵֽלֶּה
(ele)
dezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּחֵי הָעוֹלָם (bechei ha’olam), ‘bij Hem die leeft voor eeuwig’: letterlijk ‘bij het leven van de eeuwigheid’.
Vergelijk Deut. 32:40.
מוֹעֵד מוֹעֲדִים וָחֵצִי (mo’ed mo’adim vachetsi), ‘een tijd, tijden en een halve tijd’: dezelfde uitdrukking staat in het Aramees in Dan. 7:25.
נַפֵּץ יַד (nappets yad), ‘het verbrijzelen van de macht’: letterlijk ‘het verbrijzelen van de hand’.
10Velen zullen zich reinigen, zich wit maken en gelouterd worden. De goddelozen zullen goddeloos handelen en geen van de goddelozen zal het begrijpen. Maar de verstandigen zullen het begrijpen.
יִ֠תְבָּֽרֲרוּ
(yitbararu)
zullen zich reinigen
וְיִֽתְלַבְּנ֤וּ
(veyitlabenu)
en zich wit maken
וְיִצָּֽרְפוּ֙
(veyitsarefu)
en gelouterd worden
רַבִּ֔ים
(rabim)
velen
וְהִרְשִׁ֣יעוּ
(vehirshiu)
en zullen goddeloos handelen
רְשָׁעִ֔ים
(reshaim)
goddelozen
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָבִ֖ינוּ
(yavinu)
zullen begrijpen
כָּל
(kal)
geen
רְשָׁעִ֑ים
(reshaim)
goddelozen
וְהַמַּשְׂכִּלִ֖ים
(vehamaskilim)
maar de verstandigen
יָבִֽינוּ
(yavinu)
zullen begrijpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
יִתְבָּרְרוּ וְיִתְלַבְּנוּ וְיִצָּרְפוּ (yitbarru veyitlabbenu veyitsarfu): drie werkwoorden die horen bij het zuiveren van metaal en kleding: zuiveren, wit maken, louteren.