Elisa: de olie van de weduwe, de zoon van de Sunemitische en het gerecht in de pot
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De olie van de weduwe
1Een vrouw, een van de vrouwen van de zonen van de profeten, riep om hulp tot Elisa. Zij zei: „Mijn man, uw dienaar, is gestorven. U weet dat uw dienaar Yahweh vreesde. Nu is de schuldeiser gekomen om mijn twee kinderen als slaven voor zichzelf te nemen.”
וְאִשָּׁ֣ה
(veisha)
en een vrouw
אַחַ֣ת
(achat)
een
מִנְּשֵׁ֣י
(mineshei)
van de vrouwen van
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
הַ֠נְּבִיאִים
(haneviim)
de profeten
צָעֲקָ֨ה
(tsaaqa)
riep om hulp
אֶל
(el)
tot
אֱלִישָׁ֜ע
(elisha)
Elisa
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
עַבְדְּךָ֤
(avdekha)
uw dienaar
אִישִׁי֙
(ishi)
mijn man
מֵ֔ת
(met)
is gestorven
וְאַתָּ֣ה
(veata)
en u
יָדַ֔עְתָּ
(yadata)
weet
כִּ֣י
(ki)
dat
עַבְדְּךָ֔
(avdekha)
uw dienaar
הָיָ֥ה
(haya)
was
יָרֵ֖א
(yare)
vrezend
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
וְהַ֨נֹּשֶׁ֔ה
(vehanoshe)
en de schuldeiser
בָּ֗א
(ba)
is gekomen
לָקַ֜חַת
(laqachat)
om te nemen
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁנֵ֧י
(shenei)
twee van
יְלָדַ֛י
(yeladay)
mijn kinderen
ל֖וֹ
(lo)
voor zich
לַעֲבָדִֽים
(laavadim)
tot slaven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בְּנֵי הַנְּבִיאִים (benei hanneviim), ‘zonen van de profeten’: leerlingen of leden van een profetengroep.
נֹשֶׁה (noshe), ‘schuldeiser’: iemand aan wie je geld schuldig bent. Wie zijn schuld niet kon betalen, kon zijn kinderen als slaven kwijtraken. Vergelijk de wetten over een verarmde of verkochte broer: Exod. 21:2; Lev. 25:39–41; Deut. 15:12.
יָרֵא אֶת־יְהוָה (yare et Yahweh), ‘Yahweh vrezen’: ontzag hebben voor Yahweh.
2Elisa zei tegen haar: „Wat kan ik voor je doen? Vertel mij, wat heb je in huis?” Zij zei: „Uw dienares heeft niets in huis, behalve een kruikje olie.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
אֵלֶ֤יהָ
(eleiha)
tot haar
אֱלִישָׁע֙
(elisha)
Elisa
מָ֣ה
(ma)
wat
אֶֽעֱשֶׂה
(eese)
zal ik doen
לָּ֔ךְ
(lakh)
voor je
הַגִּ֣ידִי
(hagidi)
vertel
לִ֔י
(li)
mij
מַה
(ma)
wat
יֶּשׁ
(yesh)
is er
לָ֖ךְ
(lakh)
voor jou
בַּבָּ֑יִת
(babayit)
in het huis
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אֵ֣ין
(ein)
er is niet
לְשִׁפְחָתְךָ֥
(leshifchatekha)
voor uw dienares
כֹל֙
(kol)
enig ding
בַּבַּ֔יִת
(babayit)
in het huis
כִּ֖י
(ki)
behalve
אִם
(im)
als
אָס֥וּךְ
(asukh)
een kruikje
שָֽׁמֶן
(shamen)
olie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אָסוּךְ (asukh), ‘kruikje’: dit woord komt alleen hier voor.
Het gaat om een klein vat of een kleine hoeveelheid olie.
De precieze betekenis is onzeker.
Lezing
In dit hoofdstuk heeft de geschreven tekst (ketiv) meerdere keren een oude vorm van ‘je’ of ‘jou’ bij een vrouw, met een extra letter yod (verzen 2, 3, 7, 16 en 23).
8Op een dag ging Elisa naar Sunem. Daar woonde een vooraanstaande vrouw. Zij drong bij hem aan om brood te eten. Telkens als hij langskwam, ging hij daar binnen om brood te eten.
וַיְהִ֨י
(vayhi)
en het was
הַיּ֜וֹם
(hayom)
de dag
וַיַּעֲבֹ֧ר
(vayaavor)
en ging
אֱלִישָׁ֣ע
(elisha)
Elisa
אֶל
(el)
naar
שׁוּנֵ֗ם
(shunem)
Sunem
וְשָׁם֙
(vesham)
en daar
אִשָּׁ֣ה
(isha)
een vrouw
גְדוֹלָ֔ה
(gedola)
groot
וַתַּחֲזֶק
(vatachazeq)
en zij drong aan
בּ֖וֹ
(bo)
bij hem
לֶאֱכָל
(leekhal)
om te eten
לָ֑חֶם
(lachem)
brood
וַֽיְהִי֙
(vayhi)
en het was
מִדֵּ֣י
(midei)
telkens als
עָבְר֔וֹ
(avero)
hij langskwam
יָסֻ֥ר
(yasur)
keerde hij in
שָׁ֖מָּה
(shama)
daarheen
לֶאֱכָל
(leekhal)
om te eten
לָֽחֶם
(lachem)
brood
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Sunem: Sunem (Solem) lag aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël.
Uitleg
Sunem (שׁוּנֵם, Shunem; huidig Solem) lag aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël, in het noorden van het huidige Israël.
Dat is waarschijnlijk.
Zie ook 1 Kon. 1:3.
גְדוֹלָה (gedolah), ‘groot’: een vrouw van aanzien, waarschijnlijk rijk.
וַתַּחֲזֶק־בּוֹ (vattachazeq bo), ‘zij drong bij hem aan’: letterlijk ‘zij hield hem vast’.
10Laten wij toch een kleine bovenkamer met muren maken. Laten wij daar voor hem een bed neerzetten, een tafel, een stoel en een kandelaar. Als hij bij ons komt, kan hij daar binnengaan.”
נַֽעֲשֶׂה
(naase)
laten wij maken
נָּ֤א
(na)
toch
עֲלִיַּת
(aliyat)
een bovenkamer van
קִיר֙
(qir)
muur
קְטַנָּ֔ה
(qetana)
kleine
וְנָשִׂ֨ים
(venasim)
en laten wij zetten
ל֥וֹ
(lo)
voor hem
שָׁ֛ם
(sham)
daar
מִטָּ֥ה
(mita)
een bed
וְשֻׁלְחָ֖ן
(veshulchan)
en tafel
וְכִסֵּ֣א
(vekhise)
en stoel
וּמְנוֹרָ֑ה
(umenora)
en kandelaar
וְהָיָ֛ה
(vehaya)
en het zal zijn
בְּבֹא֥וֹ
(bevoo)
als hij komt
אֵלֵ֖ינוּ
(eleinu)
naar ons
יָס֥וּר
(yasur)
kan hij binnengaan
שָֽׁמָּה
(shama)
daarheen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עֲלִיַּת קִיר (aliyyat qir), ‘bovenkamer met muren’: letterlijk ‘bovenkamer van een muur’.
Wij begrijpen: een apart kamertje boven het huis, met eigen muren.
De betekenis is niet helemaal zeker.
מְנוֹרָה (menorah), ‘kandelaar’: een standaard voor een lamp. Het is hetzelfde woord als in Exod. 25:31, maar hier gaat het om een gewoon voorwerp in een kamer.
13Hij zei tegen hem: „Zeg toch tegen haar: ‘Zie, je hebt je met al deze zorg om ons bekommerd. Wat kan er voor je gedaan worden? Moet er voor je gesproken worden bij de koning of bij de bevelhebber van het leger?’” Zij zei: „Ik woon te midden van mijn volk.”
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
ל֗וֹ
(lo)
tot hem
אֱמָר
(emar)
zeg
נָ֣א
(na)
toch
אֵלֶיהָ֮
(eleiha)
tot haar
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
חָרַ֣דְתְּ
(charadt)
je hebt je bekommerd
אֵלֵינוּ֮
(eleinu)
om ons
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
הַחֲרָדָ֣ה
(hacharada)
de bezorgdheid
הַזֹּאת֒
(hazot)
deze
מֶ֚ה
(me)
wat
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
te doen
לָ֔ךְ
(lakh)
voor jou
הֲיֵ֤שׁ
(hayesh)
is er
לְדַבֶּר
(ledaber)
om te spreken
לָךְ֙
(lakh)
voor jou
אֶל
(el)
tot
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
א֖וֹ
(o)
of
אֶל
(el)
tot
שַׂ֣ר
(sar)
bevelhebber van
הַצָּבָ֑א
(hatsava)
het leger
וַתֹּ֕אמֶר
(vatomer)
en zij zei
בְּת֥וֹךְ
(betokh)
te midden van
עַמִּ֖י
(ami)
mijn volk
אָנֹכִ֥י
(anokhi)
ik
יֹשָֽׁבֶת
(yoshavet)
woon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חָרַדְתְּ (charadt), ‘je hebt je bekommerd’: het werkwoord betekent eigenlijk ‘beven, bezorgd zijn’.
De vrouw heeft zich veel zorgen om hen gemaakt.
שַׂר הַצָּבָא (sar hatsava), ‘bevelhebber van het leger’: de hoogste legerleider van de koning.
Haar antwoord ‘Ik woon te midden van mijn volk’ betekent waarschijnlijk dat zij niets nodig heeft. Zij leeft veilig bij haar eigen mensen.
15Hij zei: „Roep haar.” Hij riep haar en zij ging in de deuropening staan.
וַיֹּ֖אמֶר
(vayomer)
en zei
קְרָא
(qera)
roep
לָ֑הּ
(lah)
haar
וַיִּקְרָא
(vayiqra)
en hij riep
לָ֔הּ
(lah)
haar
וַֽתַּעֲמֹ֖ד
(vataamod)
en zij ging staan
בַּפָּֽתַח
(bapatach)
in de deuropening
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Hij zei: „Op deze vastgestelde tijd, wanneer de tijd van het leven aanbreekt, zul jij een zoon omarmen.” Zij zei: „Nee, mijn heer, man van Elohim! Lieg niet tegen uw dienares.”
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en zei
לַמּוֹעֵ֤ד
(lamoed)
op de vastgestelde tijd
הַזֶּה֙
(haze)
deze
כָּעֵ֣ת
(kaet)
als de tijd van
חַיָּ֔ה
(chaya)
het leven
אַ֖תְּ
(at)
jij
חֹבֶ֣קֶת
(choveqet)
omarmend
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
וַתֹּ֗אמֶר
(vatomer)
en zij zei
אַל
(al)
nee
אֲדֹנִי֙
(adoni)
mijn heer
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אַל
(al)
niet
תְּכַזֵּ֖ב
(tekhazev)
lieg
בְּשִׁפְחָתֶֽךָ
(beshifchatekha)
tegen uw dienares
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לַמּוֹעֵד הַזֶּה כָּעֵת חַיָּה (lamo’ed hazzeh ka’et chayah), ‘op deze vastgestelde tijd, wanneer de tijd van het leven aanbreekt’: dezelfde uitdrukking als in Gen. 18:10, 14.
Zij betekent waarschijnlijk: over een jaar, rond deze tijd.
Vergelijk Gen. 17:21.
אֲדֹנִי (adoni), ‘mijn heer’: aanspreking van een man.
Lezing
Het geschreven woord (ketiv) heeft bij ‘jij’ de oude vorm אתי (atti).
17De vrouw werd zwanger. Zij beviel van een zoon, op die vastgestelde tijd, wanneer de tijd van het leven aanbrak, zoals Elisa tegen haar gesproken had.
וַתַּ֥הַר
(vatahar)
en werd zwanger
הָאִשָּׁ֖ה
(haisha)
de vrouw
וַתֵּ֣לֶד
(vateled)
en beviel van
בֵּ֑ן
(ben)
een zoon
לַמּוֹעֵ֤ד
(lamoed)
op de vastgestelde tijd
הַזֶּה֙
(haze)
deze
כָּעֵ֣ת
(kaet)
als de tijd van
חַיָּ֔ה
(chaya)
het leven
אֲשֶׁר
(asher)
zoals
דִּבֶּ֥ר
(diber)
had gesproken
אֵלֶ֖יהָ
(eleiha)
tot haar
אֱלִישָֽׁע
(elisha)
Elisa
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Zij ging en kwam bij de man van Elohim, bij de berg Karmel. Toen de man van Elohim haar van een afstand zag, zei hij tegen Gechazi, zijn jongen: „Zie, daar is die Sunemitische.
וַתֵּ֗לֶךְ
(vatelekh)
en zij ging
וַתָּב֛וֹא
(vatavo)
en kwam
אֶל
(el)
tot
אִ֥ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
הַ֣ר
(har)
de berg
הַכַּרְמֶ֑ל
(hakarmel)
Karmel
וַ֠יְהִי
(vayhi)
en het was
כִּרְא֨וֹת
(kirot)
toen zag
אִישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֤ים
(haElohim)
Elohim
אֹתָהּ֙
(otah)
haar
מִנֶּ֔גֶד
(mineged)
van een afstand
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
אֶל
(el)
tot
גֵּיחֲזִ֣י
(geichazi)
Gechazi
נַעֲר֔וֹ
(naaro)
zijn jongen
הִנֵּ֖ה
(hine)
zie
הַשּׁוּנַמִּ֥ית
(hashunamit)
de Sunemitische
הַלָּֽז
(halaz)
die daar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Karmel: De Karmel is een bergrug aan de kust, bij het huidige Haifa.
De traditionele plek van de ontmoeting van Elia met de profeten van de Baäl is Muhraqa, aan de zuidoostkant.
Zie Sunem: Abisag, de Sunemitische, kwam uit Sunem (Solem), aan de zuidkant van de Kleine Hermon, in de vallei van Jizreël.
Uitleg
De berg Karmel (הַר הַכַּרְמֶל, har haKarmel) ligt aan de kust van het huidige Israël, bij Haifa.
27Zij kwam bij de man van Elohim op de berg en greep zijn voeten. Gechazi kwam dichterbij om haar weg te duwen. De man van Elohim zei: „Laat haar met rust, want haar ziel is bitter. Yahweh heeft het voor mij verborgen en het mij niet verteld.”
וַתָּבֹ֞א
(vatavo)
en zij kwam
אֶל
(el)
tot
אִ֤ישׁ
(ish)
de man van
הָֽאֱלֹהִים֙
(haElohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
הָהָ֔ר
(hahar)
de berg
וַֽתַּחֲזֵ֖ק
(vatachazeq)
en greep
בְּרַגְלָ֑יו
(beraglav)
zijn voeten
וַיִּגַּ֨שׁ
(vayigash)
en kwam dichterbij
גֵּֽיחֲזִ֜י
(geichazi)
Gechazi
לְהָדְפָ֗הּ
(lehadefah)
om haar weg te duwen
וַיֹּאמֶר֩
(vayomer)
en zei
אִ֨ישׁ
(ish)
de man van
הָאֱלֹהִ֤ים
(haElohim)
Elohim
הַרְפֵּֽה
(harpe)
laat met rust
לָהּ֙
(lah)
haar
כִּֽי
(ki)
want
נַפְשָׁ֣הּ
(nafshah)
haar ziel
מָֽרָה
(mara)
bitter
לָ֔הּ
(lah)
voor haar
וַֽיהוָה֙
(vaYahweh)
en Yahweh
הֶעְלִ֣ים
(helim)
heeft verborgen
מִמֶּ֔נִּי
(mimeni)
voor mij
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הִגִּ֖יד
(higid)
heeft verteld
לִֽי
(li)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נֶפֶשׁ (nefesh), ‘ziel’: het innerlijk leven van een mens.
‘Haar ziel is bitter’ betekent: zij is diep bedroefd.
Zij grijpt zijn voeten: een gebaar van smeken. Elisa zegt dat Yahweh het voor hem verborgen heeft. Hij weet dus niet waarom zij komt.
29Hij zei tegen Gechazi: „Gord je lendenen, neem mijn staf in je hand en ga. Als je iemand ontmoet, groet hem niet. Als iemand jou groet, antwoord hem niet. Leg mijn staf op het gezicht van de jongen.”
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
לְגֵיחֲזִ֜י
(legeichazi)
tot Gechazi
חֲגֹ֣ר
(chagor)
gord
מָתְנֶ֗יךָ
(mateneikha)
je lendenen
וְקַ֨ח
(veqach)
en neem
מִשְׁעַנְתִּ֣י
(mishanti)
mijn staf
בְיָדְךָ֮
(beyadekha)
in je hand
וָלֵךְ֒
(valekh)
en ga
כִּֽי
(ki)
als
תִמְצָ֥א
(timtsa)
je ontmoet
אִישׁ֙
(ish)
iemand
לֹ֣א
(lo)
niet
תְבָרְכֶ֔נּוּ
(tevarekhenu)
groet hem
וְכִֽי
(vekhi)
en als
יְבָרֶכְךָ֥
(yevarekhkha)
groet jou
אִ֖ישׁ
(ish)
iemand
לֹ֣א
(lo)
niet
תַעֲנֶנּ֑וּ
(taanenu)
antwoord hem
וְשַׂמְתָּ֥
(vesamta)
en leg
מִשְׁעַנְתִּ֖י
(mishanti)
mijn staf
עַל
(al)
op
פְּנֵ֥י
(penei)
het gezicht van
הַנָּֽעַר
(hanaar)
de jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֲגֹר מָתְנֶיךָ (chagor motenekha), ‘gord je lendenen’: bind je kleed op om snel te kunnen lopen (zoals 1 Kon. 18:46).
תְבָרְכֶנּוּ (tevarekhennu), ‘groet hem’: letterlijk ‘zegen hem’. Een zegenwens was ook een groet. Gechazi mag onderweg niet ophouden.
31Gechazi was hen vooruitgegaan. Hij legde de staf op het gezicht van de jongen, maar er was geen geluid en geen reactie. Hij keerde terug, hem tegemoet, en meldde hem: „De jongen is niet wakker geworden.”
וְגֵחֲזִ֞י
(vegechazi)
en Gechazi
עָבַ֣ר
(avar)
ging voorbij
לִפְנֵיהֶ֗ם
(lifneihem)
voor hen uit
וַיָּ֤שֶׂם
(vayasem)
en legde
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּשְׁעֶ֨נֶת֙
(hamishenet)
de staf
עַל
(al)
op
פְּנֵ֣י
(penei)
het gezicht van
הַנַּ֔עַר
(hanaar)
de jongen
וְאֵ֥ין
(veein)
en er was niet
ק֖וֹל
(qol)
geluid
וְאֵ֣ין
(veein)
en er was niet
קָ֑שֶׁב
(qashev)
aandacht
וַיָּ֤שָׁב
(vayashav)
en hij keerde terug
לִקְרָאתוֹ֙
(liqrato)
hem tegemoet
וַיַּגֶּד
(vayaged)
en vertelde
ל֣וֹ
(lo)
hem
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
לֹ֥א
(lo)
niet
הֵקִ֖יץ
(heqits)
is wakker geworden
הַנָּֽעַר
(hanaar)
de jongen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
קָשֶׁב (qashev), ‘aandacht’: een teken dat de jongen luistert of reageert.
הֵקִיץ (heqits), ‘is wakker geworden’: het werkwoord voor ontwaken uit de slaap.
34Hij ging naar boven en ging op het kind liggen. Hij legde zijn mond op zijn mond, zijn ogen op zijn ogen en zijn handpalmen op zijn handpalmen. Hij boog zich over hem heen en het vlees van het kind werd warm.
וַיַּ֜עַל
(vayaal)
en ging omhoog
וַיִּשְׁכַּ֣ב
(vayishkav)
en lag
עַל
(al)
op
הַיֶּ֗לֶד
(hayeled)
het kind
וַיָּשֶׂם֩
(vayasem)
en legde
פִּ֨יו
(piv)
zijn mond
עַל
(al)
op
פִּ֜יו
(piv)
zijn mond
וְעֵינָ֤יו
(veeinav)
en zijn ogen
עַל
(al)
op
עֵינָיו֙
(einav)
zijn ogen
וְכַפָּ֣יו
(vekhapav)
en zijn handpalmen
עַל
(al)
op
כַּפָּ֔יו
(kapav)
zijn handpalmen
וַיִּגְהַ֖ר
(vayighar)
en boog zich
עָלָ֑יו
(alav)
over hem
וַיָּ֖חָם
(vayacham)
en werd warm
בְּשַׂ֥ר
(besar)
het vlees van
הַיָּֽלֶד
(hayaled)
het kind
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּגְהַר (vayyigehar), ‘hij boog zich’: dit werkwoord komt weinig voor (ook in 1 Kon. 18:42).
Hier legt Elisa zich met zijn hele lichaam op het kind.
Vergelijk 1 Kon. 17:21–22, waar Elia hetzelfde doet.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft bij ‘zijn handpalmen’ een enkelvoud (‘zijn hand’).
De voorgelezen tekst (qere) heeft het meervoud כַּפָּיו (kappav).
35Hij keerde terug en liep in het huis eenmaal heen en eenmaal weer. Hij ging omhoog en boog zich over hem heen. De jongen niesde zeven keer. Toen opende de jongen zijn ogen.
וַיָּ֜שָׁב
(vayashav)
en keerde terug
וַיֵּ֣לֶךְ
(vayelekh)
en liep
בַּבַּ֗יִת
(babayit)
in het huis
אַחַ֥ת
(achat)
eenmaal
הֵ֨נָּה֙
(hena)
hierheen
וְאַחַ֣ת
(veachat)
en eenmaal
הֵ֔נָּה
(hena)
daarheen
וַיַּ֖עַל
(vayaal)
en ging omhoog
וַיִּגְהַ֣ר
(vayighar)
en boog zich
עָלָ֑יו
(alav)
over hem
וַיְזוֹרֵ֤ר
(vayzorer)
en niesde
הַנַּ֨עַר֙
(hanaar)
de jongen
עַד
(ad)
tot
שֶׁ֣בַע
(sheva)
zeven
פְּעָמִ֔ים
(peamim)
keer
וַיִּפְקַ֥ח
(vayifqach)
en opende
הַנַּ֖עַר
(hanaar)
de jongen
אֶת
(et)
(obj.)
עֵינָֽיו
(einav)
zijn ogen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיְזוֹרֵר (vayzorer), ‘hij niesde’: dit werkwoord komt alleen hier voor.
38Elisa keerde terug naar Gilgal. Er was hongersnood in het land. De zonen van de profeten zaten voor hem. Hij zei tegen zijn jongen: „Zet de grote pot op en kook een gerecht voor de zonen van de profeten.”
וֶאֱלִישָׁ֞ע
(veelisha)
en Elisa
שָׁ֤ב
(shav)
keerde terug
הַגִּלְגָּ֨לָה֙
(hagilgala)
naar Gilgal
וְהָרָעָ֣ב
(veharaav)
en de hongersnood
בָּאָ֔רֶץ
(baarets)
in het land
וּבְנֵי֙
(uvenei)
en de zonen van
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
יֹשְׁבִ֖ים
(yoshevim)
zittend
לְפָנָ֑יו
(lefanav)
voor hem
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
לְנַעֲר֗וֹ
(lenaaro)
tot zijn jongen
שְׁפֹת֙
(shefot)
zet op
הַסִּ֣יר
(hasir)
de pot
הַגְּדוֹלָ֔ה
(hagedola)
de grote
וּבַשֵּׁ֥ל
(uvashel)
en kook
נָזִ֖יד
(nazid)
een gerecht
לִבְנֵ֥י
(livnei)
voor de zonen van
הַנְּבִיאִֽים
(haneviim)
de profeten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Gilgal (bij Jericho?; ligging onzeker): Het is niet zeker welk Gilgal hier bedoeld is.
Een mogelijkheid is het Gilgal bij Jericho (Jozua 4:19).
Dit is niet zeker.
Zie Gilgal (bij Betel?; ligging onzeker): Een andere mogelijkheid is een Gilgal in het bergland bij Betel, vermoedelijk bij het huidige Jiljilya.
Dit is niet zeker.
Uitleg
Gilgal: de ligging is onzeker.
Er waren meer plaatsen met deze naam.
Zie ook 2 Kon. 2:1.
נָזִיד (nazid), ‘gerecht’: iets wat gekookt wordt, zoals in Gen. 25:29.
39Een van hen ging naar het veld om kruiden te plukken. Hij vond een wilde wijnrank en plukte daarvan wilde kalebassen, zijn kleed vol. Hij kwam terug en sneed ze in de pot met het gerecht, want zij kenden ze niet.
וַיֵּצֵ֨א
(vayetse)
en ging naar buiten
אֶחָ֣ד
(echad)
een
אֶל
(el)
naar
הַשָּׂדֶה֮
(hasade)
het veld
לְלַקֵּ֣ט
(lelaqet)
om te plukken
אֹרֹת֒
(orot)
kruiden
וַיִּמְצָא֙
(vayimtsa)
en vond
גֶּ֣פֶן
(gefen)
een wijnrank van
שָׂדֶ֔ה
(sade)
veld
וַיְלַקֵּ֥ט
(vaylaqet)
en plukte
מִמֶּ֛נּוּ
(mimenu)
daarvan
פַּקֻּעֹ֥ת
(paquot)
kalebassen van
שָׂדֶ֖ה
(sade)
veld
מְלֹ֣א
(melo)
vol
בִגְד֑וֹ
(bigdo)
zijn kleed
וַיָּבֹ֗א
(vayavo)
en kwam
וַיְפַלַּ֛ח
(vayfalach)
en sneed in stukken
אֶל
(el)
in
סִ֥יר
(sir)
de pot van
הַנָּזִ֖יד
(hanazid)
het gerecht
כִּֽי
(ki)
want
לֹ֥א
(lo)
niet
יָדָֽעוּ
(yadau)
kenden zij ze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
אֹרֹת (orot), ‘kruiden’: een zeldzaam woord.
Het gaat om eetbare planten.
De soort is onzeker.
פַּקֻּעֹת שָׂדֶה (paqqu’ot sadeh), ‘wilde kalebassen’: vruchten van een klimplant. De soort is onzeker; het verhaal laat zien dat ze giftig waren.
40Zij schepten op voor de mannen om te eten. Terwijl zij van het gerecht aten, riepen zij het uit. Zij zeiden: „De dood is in de pot, man van Elohim!” En zij konden het niet eten.
וַיִּֽצְק֥וּ
(vayitsqu)
en zij schepten op
לַאֲנָשִׁ֖ים
(laanashim)
voor de mannen
לֶאֱכ֑וֹל
(leekhol)
om te eten
וַ֠יְהִי
(vayhi)
en het was
כְּאָכְלָ֨ם
(keakhelam)
toen zij aten
מֵהַנָּזִ֜יד
(mehanazid)
van het gerecht
וְהֵ֣מָּה
(vehema)
en zij
צָעָ֗קוּ
(tsaaqu)
riepen uit
וַיֹּֽאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
מָ֤וֶת
(mavet)
de dood
בַּסִּיר֙
(basir)
in de pot
אִ֣ישׁ
(ish)
man van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
יָכְל֖וּ
(yakhelu)
konden zij
לֶאֱכֹֽל
(leekhol)
eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מָוֶת בַּסִּיר (mavet bassir), ‘de dood is in de pot’: het gerecht is giftig geworden.
42Een man kwam uit Baäl-Salisa. Hij bracht de man van Elohim brood van de eerstelingen: twintig gerstebroden en vers graan in zijn zak. Elisa zei: „Geef het aan het volk, laat hen eten.”
וְאִ֨ישׁ
(veish)
en een man
בָּ֜א
(ba)
kwam
מִבַּ֣עַל
(mibaal)
uit Baäl
שָׁלִ֗שָׁה
(shalisha)
Salisa
וַיָּבֵא֩
(vayave)
en bracht
לְאִ֨ישׁ
(leish)
aan de man van
הָאֱלֹהִ֜ים
(haElohim)
Elohim
לֶ֤חֶם
(lechem)
brood van
בִּכּוּרִים֙
(bikurim)
de eerstelingen
עֶשְׂרִֽים
(esrim)
twintig
לֶ֣חֶם
(lechem)
broden
שְׂעֹרִ֔ים
(seorim)
gerst
וְכַרְמֶ֖ל
(vekharmel)
en vers graan
בְּצִקְלֹנ֑וֹ
(betsiqlono)
in zijn zak
וַיֹּ֕אמֶר
(vayomer)
en zei
תֵּ֥ן
(ten)
geef
לָעָ֖ם
(laam)
aan het volk
וְיֹאכֵֽלוּ
(veyokhelu)
en laat hen eten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Baäl-Salisa (ligging onzeker): Baäl-Salisa lag vermoedelijk in het bergland van Efraïm, bij het land Salisa (1 Samuël 9:4).
Kafr Thilth is voorgesteld.
Dit is niet zeker.
Uitleg
Baäl-Salisa (בַּעַל שָׁלִשָׁה, Baal-Shalishah): de ligging is onzeker.
De plaats lag waarschijnlijk in het bergland van Efraïm, bij het ‘land Salisa’ (1 Sam. 9:4).
בִּכּוּרִים (bikkurim), ‘eerstelingen’: de eerste opbrengst van de oogst. Volgens de wet kwamen de eerstelingen aan de priester (Num. 18:13). Deze man brengt ze aan de man van Elohim.
כַּרְמֶל (karmel), ‘vers graan’: hier gaat het niet om de berg Karmel (zoals Lev. 2:14).
בְּצִקְלֹנוֹ (betsiqlono), ‘in zijn zak’: dit woord komt alleen hier voor.
Lezing
Het Hebreeuws heeft alleen ‘hij zei’.
Om duidelijk te maken wie spreekt, schrijven wij ‘Elisa’.
43Zijn bediende zei: „Hoe kan ik dit voor honderd mannen neerzetten?” Hij zei: „Geef het aan het volk, laat hen eten. Want zo zegt Yahweh: ‘Men zal eten en er zal overblijven.’”
וַיֹּ֨אמֶר֙
(vayomer)
en zei
מְשָׁ֣רְת֔וֹ
(meshareto)
zijn bediende
מָ֚ה
(ma)
wat
אֶתֵּ֣ן
(eten)
zal ik geven
זֶ֔ה
(ze)
dit
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor
מֵ֣אָה
(mea)
honderd
אִ֑ישׁ
(ish)
man
וַיֹּ֗אמֶר
(vayomer)
en hij zei
תֵּ֤ן
(ten)
geef
לָעָם֙
(laam)
aan het volk
וְיֹאכֵ֔לוּ
(veyokhelu)
en laat hen eten
כִּ֣י
(ki)
want
כֹ֥ה
(ko)
zo
אָמַ֛ר
(amar)
zegt
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אָכֹ֥ל
(akhol)
eten
וְהוֹתֵֽר
(vehoter)
en overblijven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מְשָׁרֵת (mesharet), ‘bediende’: iemand die dient.
Hier is het de dienaar van Elisa.
Elisa’s woorden ‘Zo zegt Yahweh’ staan zwart, tussen enkele aanhalingstekens. Elisa citeert Yahweh; het zijn geen woorden van Yahweh in het verhaal zelf (zoals 1 Kon. 17:14).