Filemon 1
Aanhef en dank, een verzoek voor Onesimus, opgenomen als broer, en de groeten
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
δέσμιος (desmios), ‘gevangene’: iemand die in boeien zit; zo ook in vers 9.
Paulus noemt zich ‘gevangene van Yeshua de Messias’.
Over de boeien (δεσμοί, desmoi) spreekt hij ook in de verzen 10 en 13.
Timoteüs (Τιμόθεος) is de medewerker uit Hand. 16:1–3 en uit de brieven; hij heet hier ‘de broer’. ἀδελφός (adelfos), ‘broer’: het Griekse woord omvat in de gemeente ook de zusters; hier is Timoteüs een broer in het geloof.
Filemon (Φιλήμων) is een gelovige uit de gemeente in zijn huis (vers 2). συνεργός (synergos), ‘medewerker’; ἀγαπητός (agapetos), ‘geliefd’.
Zie ook Hand. 16:1–3; Fil. 1:1; Kol. 1:1; Kol. 4:7–17.
Apfia (Ἀπφία) wordt in deze brief genoemd; Archippus (Ἄρχιππος) ook in Kol. 4:17.
Het Grieks zegt niet of Apfia de vrouw van Filemon is. συστρατιώτης (systratiotes), ‘medestrijder’: letterlijk ‘medesoldaat’. ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: de gemeente die bij Filemon thuis samenkwam.
Zie Kol. 4:15, waar de gemeente in het huis van Nymfa wordt genoemd, en Rom. 16:5.
Zie ook Kol. 4:15; Kol. 4:17; Rom. 16:5.
Bij ‘zuster’ (ἀδελφῇ) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
χάρις (charis), ‘genade’, en εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: de groet van de brieven van Paulus.
De groet staat in het meervoud (‘jullie’); zo ook in vers 22 en 25: de brief richt zich ook tot de anderen uit vers 2.
In de verzen 4–21 spreekt Paulus Filemon met ‘je’ aan (enkelvoud).
Zie ook Gal. 1:3; Kol. 1:2.
Dank en gebed
ἀκούω (akouo), ‘horen’: Paulus heeft over Filemon gehoord; van wie, zegt de tekst niet. ἅγιοι (hagioi), ‘heiligen’: de toegewijden, de gelovigen die voor Elohim apart gezet zijn; zo ook in vers 7.
In het Grieks staan ‘de liefde en het geloof’ voorop en daarna ‘jegens de Heer Yeshua en jegens alle heiligen’; mogelijk hoort de liefde bij de heiligen en het geloof bij de Heer.
Wij vertalen ‘jegens’ voor beide.
Zie ook Kol. 1:4; Ef. 1:15.
Bij ‘jegens’ (πρός) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’: het delen met elkaar; het kan ook ‘deelname’ of ‘bijdrage’ zijn; het Grieks zegt niet in welke zin. ἐνεργής (energes), ‘werkzaam’. ἐπίγνωσις (epignosis), ‘volle kennis’. εἰς Χριστόν (eis Christon), ‘met het oog op de Messias’: tot Hem, ten behoeve van Hem.
Het vers is moeilijk; wij vertalen zo letterlijk als het Nederlands toelaat.
De SBLGNT markeert twee varianten: bij ‘dat’ (τοῦ) en bij ‘de Messias’ (Χριστόν).
Wij volgen de SBLGNT.
σπλάγχνα (splanchna), ‘binnenste’: letterlijk de ingewanden, de plaats van gevoel en medelijden; ook ‘hart’. ἀναπαύω (anapauo), ‘verkwikken’: rust geven; zo ook in vers 20. παράκλησις (paraklesis), ‘vertroosting’. ἀδελφέ (adelfe), ‘broer’: aanspreking aan Filemon.
Zie ook 2 Kor. 7:13.
Bij het eerste woord, ‘vreugde’ (χαράν), en bij ‘grote … gehad’ (πολλὴν ἔσχον) markeert de SBLGNT varianten.
Wij volgen de SBLGNT.
Een verzoek voor Onesimus
παρρησία (parresia), ‘vrijmoedigheid’: het recht om vrij te spreken. ἐπιτάσσω (epitasso), ‘bevelen’: een bevel geven; het gaat om wat Paulus als apostel zou mogen vragen. τὸ ἀνῆκον (to anekon), ‘wat betamelijk is’: wat passend is.
πρεσβύτης (presbytes), ‘oude man’.
Het is een ander woord dan πρεσβύτερος (presbyteros), ‘oudere’, in 1 Tim. 5:1. τοιοῦτος ὢν ὡς Παῦλος (toioutos on hos Paulos), ‘zo iemand zijnde als Paulus’: het Grieks is kort; de zin laat open of Paulus zijn persoon, zijn leeftijd of zijn gezag noemt.
Wij vertalen letterlijk.
Zie ook 1 Tim. 5:1.
Bij ‘Yeshua de Messias’ markeert de SBLGNT een variant.
Wij vertalen steeds ‘Yeshua de Messias’.
Onesimus (Ὀνήσιμος) betekent ‘nuttig’; zie vers 11 en 20.
In Kol. 4:9 heet hij ‘de trouwe en geliefde broer, die een van jullie is’. τέκνον (teknon), ‘kind’: Paulus noemt Onesimus zijn kind, zoals hij ook Timoteüs noemt in 1 Tim. 1:2. γεννάω (gennao), ‘verwekken’: Onesimus is Paulus’ ‘kind’; de tekst zegt niet hoe en wanneer Onesimus bij Paulus kwam. δεσμοί (desmoi), ‘boeien’: ook ‘gevangenschap’.
Zie ook Kol. 4:9; 1 Tim. 1:2; 1 Kor. 4:15.
Bij ‘boeien’ (δεσμοῖς) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἄχρηστος (achrestos), ‘nutteloos’ en εὔχρηστος (euchrestos), ‘nuttig’: Paulus speelt met de naam Onesimus (‘nuttig’).
De tekst zegt niet wat Onesimus eerder deed.
In 2 Tim. 4:11 vertalen wij εὔχρηστος met ‘bruikbaar’.
Zie ook 2 Tim. 4:11.
Bij ‘maar’ (δέ) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἀναπέμπω (anapempo), ‘terugsturen’: het woord kan ook ‘opsturen’ betekenen.
Het Grieks heeft ‘ik stuur hem terug’ in de verleden tijd, zoals een brief die bij aankomst wordt gelezen; wij schrijven de tegenwoordige tijd. σπλάγχνα (splanchna), ‘binnenste’: zoals in vers 7; ‘mijn eigen binnenste’ is Onesimus zelf.
Bij de woorden van ‘aan jou’ (σοι) tot ‘binnenste’ (σπλάγχνα) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
κατέχω (katecho), ‘vasthouden, bij zich houden’. ὑπὲρ σοῦ (hyper sou), ‘in jouw plaats’: of ‘namens jou’; Onesimus zou Paulus dienen zoals Filemon zelf zou hebben gedaan. διακονέω (diakoneo), ‘dienen’. τὰ δεσμὰ τοῦ εὐαγγελίου (ta desma tou euangeliou), ‘de boeien van de goede boodschap’: de boeien die Paulus om de goede boodschap draagt.
Bij ‘mij dient’ (μοι διακονῇ) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
γνώμη (gnome), ‘instemming’: ook ‘mening, besluit’. ἀνάγκη (anagke), ‘dwang’; ἑκούσιος (hekousios), ‘uit vrije wil’.
Paulus wil dat het goede dat Filemon doet niet onder dwang geschiedt.
ἐχωρίσθη (echoristhe), ‘werd gescheiden’: het Griekse werkwoord staat in de lijdende vorm, zonder te noemen wie of wat hem scheidde. πρὸς ὥραν (pros horan), ‘voor een uur’: voor korte tijd. αἰώνιος (aionios), ‘blijvend’, hier ‘voor altijd’. ἀπέχω (apecho), ‘terugkrijgen, ontvangen’.
Wat de verzen 15–16 betekenen voor Onesimus’ status laat de brief open; zie ook vers 16.
δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’, iemand die eigendom is van een meester.
‘Niet meer als een knecht, maar meer dan een knecht’: het Grieks voegt toe ‘een geliefde broer’.
Het vers geeft geen oordeel over slavernij zelf en zegt niet wat Filemon moet doen; Paulus vraagt in vers 17 dat Filemon hem aanneemt. ἐν σαρκί (en sarki), ‘in het vlees’, en ἐν κυρίῳ (en kyrio), ‘in de Heer’: de tekst zegt niet uitdrukkelijk wat elk van beide inhoudt; ‘in het vlees’ kan het gewone leven bedoelen, ‘in de Heer’ de gemeenschap met Yeshua.
Zie ook 1 Tim. 6:1–2; Kol. 3:22–4:1; Gal. 3:28.
Neem hem aan
κοινωνός (koinonos), ‘deelgenoot’: iemand die samen met een ander deelt of een zaak deelt; verwant met κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’, in vers 6. προσλαμβάνομαι (proslambanomai), ‘aannemen’: zoals iemand in huis opgenomen wordt; hetzelfde werkwoord staat in Rom. 14:1 en 15:7.
Zie ook Rom. 14:1; Rom. 15:7.
ἀδικέω (adikeo), ‘onrecht doen’; ὀφείλω (ofeilo), ‘schuldig zijn’. ἐλλογέω (ellogeo), ‘op rekening zetten’: een bedrag in de boeken schrijven.
Het Grieks zegt niet wat Onesimus misdaan of verschuldigd was; het ‘onrecht’ en de ‘schuld’ worden alleen als mogelijkheid genoemd.
Bij ‘reken toe’ (ἐλλόγα) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ἔγραψα τῇ ἐμῇ χειρί (egrapsa te eme cheiri), ‘ik heb met mijn eigen hand geschreven’: Paulus neemt zelf de pen over, zoals hij ook doet in 1 Kor. 16:21, Gal. 6:11 en Kol. 4:18.
Het Grieks gebruikt de verleden tijd, zoals een briefschrijver doet. ἀποτίνω (apotino), ‘terugbetalen’. προσοφείλω (prosofeilo), ‘bovendien schuldig zijn’: het zegt dat Filemon zichzelf aan Paulus te danken heeft; hoe, zegt de tekst niet.
Zie ook 1 Kor. 16:21; Gal. 6:11; Kol. 4:18.
ὀναίμην (onaimen), ‘moge ik voordeel hebben’: een wens in de wensende wijs, met een woordspeling op Onesimus (‘nuttig’); zie vers 10–11. ἀναπαύω (anapauo), ‘verkwikken’: zoals in vers 7.
Dit vers sluit aan bij vers 7 (‘het binnenste van de heiligen is door jou verkwikt’).
Bij ‘in de Messias’ (ἐν Χριστῷ) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Vertrouwen en groeten
ὑπακοή (hypakoe), ‘gehoorzaamheid’. πεποιθώς (pepoithos), ‘overtuigd’: er zeker van.
‘Meer dan ik zeg’ (ὑπὲρ ἃ λέγω): Paulus noemt niet wat hij verwacht; het Grieks laat open waaraan hij denkt.
Bij ‘wat’ (ἃ) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
ξενία (xenia), ‘verblijf’: een gastenkamer, onderdak. χαρίζομαι (charizomai), ‘schenken’: in de lijdende vorm ‘geschonken worden’; Paulus hoopt door hun gebeden aan hen geschonken te worden; de tekst noemt de weg niet.
De woorden ‘jullie’ en ‘jullie gebeden’ staan weer in het meervoud (zie vers 3).
Zie ook Fil. 2:24.
Epafras (Ἐπαφρᾶς) is de man uit Kol. 1:7 en 4:12, niet Epafroditus uit Fil. 2:25. συναιχμάλωτος (synaichmalotos), ‘medegevangene’: letterlijk ‘medekrijgsgevangene’.
In Kol. 4:10 heet Aristarchus ‘mijn medegevangene’.
Zie ook Kol. 1:7; Kol. 4:12; Kol. 4:10; Fil. 2:25.
Bij ‘groet je’ (Ἀσπάζεταί) markeert de SBLGNT een variant.
Wij volgen de SBLGNT.
Markus (Μᾶρκος), Aristarchus (Ἀρίσταρχος), Demas (Δημᾶς) en Lucas (Λουκᾶς) staan ook in Kol. 4:10–14.
Hand. 12:12 noemt ‘Johannes die Markus genoemd wordt’; of dat dezelfde Markus is, zegt deze brief niet.
Aristarchus komt uit Tessalonica (Hand. 20:4; 27:2).
Demas wordt ook in 2 Tim. 4:10 genoemd.
Lucas heet in Kol. 4:14 ‘de geliefde arts’. συνεργός (synergos), ‘medewerker’: zoals in vers 1.
Zie ook Kol. 4:10; Kol. 4:14; Hand. 12:12; Hand. 20:4; Hand. 27:2; 2 Tim. 4:10.
De slotgroet gebruikt het meervoud ‘jullie’: de genade is voor de hele gemeente, zoals in de aanhef. πνεῦμα (pneuma), ‘geest’: hier de menselijke geest van de lezers, daarom met een kleine letter; vergelijk Gal. 6:18.
Zie ook Gal. 6:18; Fil. 4:23.
Bij ‘Heer’ (κυρίου) en bij ‘jullie’ (ὑμῶν) markeert de SBLGNT varianten.
Wij volgen de SBLGNT.