Elohim Bijbel

Jozua 9

123456789101112131415161718192021222324

De list van de Gibeonieten

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De koningen verbinden zich tegen Israël

1Alle koningen die aan de overkant van de Jordaan waren, hoorden het. Zij waren in het bergland, in de Sefela en langs heel de kust van de grote zee, tot tegenover de Libanon. Dat waren de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Perizzieten, de Chiwwieten en de Jebusieten.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כִשְׁמֹ֣עַ
(kishmoa)
bij het horen van
כָּֽל
(kal)
alle
הַמְּלָכִ֡ים
(hamelakhim)
de koningen
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
בְּעֵ֨בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֜ן
(hayarden)
de Jordaan
בָּהָ֣ר
(bahar)
in het bergland
וּבַשְּׁפֵלָ֗ה
(uvashefela)
en in de Sefela
וּבְכֹל֙
(uvekhol)
en aan heel
ח֚וֹף
(chof)
de kust van
הַיָּ֣ם
(hayam)
de zee
הַגָּד֔וֹל
(hagadol)
de grote
אֶל
(el)
tot
מ֖וּל
(mul)
tegenover
הַלְּבָנ֑וֹן
(halevanon)
de Libanon
הַֽחִתִּי֙
(hachiti)
de Hethiet
וְהָ֣אֱמֹרִ֔י
(vehaemori)
en de Amoriet
הַֽכְּנַעֲנִי֙
(hakenaani)
de Kanaäniet
הַפְּרִזִּ֔י
(haperizi)
de Perizziet
הַחִוִּ֖י
(hachivi)
de Chiwwiet
וְהַיְבוּסִֽי
(vehayvusi)
en de Jebusiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Sefela: De Sefela is het heuvelland tussen de kustvlakte en het bergland van Juda.

Zie Libanon: Libanon is het bergland ten noorden van het land van Israël, langs de oostkust van de Middellandse Zee.

Uitleg

עֵבֶר הַיַּרְדֵּן (ever hajarden), ‘de overkant van de Jordaan’: de schrijver kijkt vanuit het oosten, dus hier is het de westkant (vergelijk Joz. 12:7).

In vers 10 is de oostkant bedoeld.

2Zij kwamen eensgezind bijeen om tegen Jozua en Israël te strijden.
וַיִּֽתְקַבְּצ֣וּ
(vayitqabetsu)
en zij verzamelden zich
יַחְדָּ֔ו
(yachdav)
samen
לְהִלָּחֵ֥ם
(lehilachem)
om te strijden
עִם
(im)
met
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
וְעִם
(veim)
en met
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
פֶּ֖ה
(pe)
mond
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּה אֶחָד (peh echad), ‘één mond’: eensgezind, met één stem.

Aanvullend

Jasher 88:49 bevestigt dat de koningen zich samen verzamelden om tegen Israël te strijden.

De list van de Gibeonieten

3De inwoners van Gibeon hoorden wat Jozua met Jericho en Ai had gedaan.
וְיֹשְׁבֵ֨י
(veyoshevei)
en de inwoners van
גִבְע֜וֹן
(givon)
Gibeon
שָׁמְע֗וּ
(shameu)
hoorden
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
עָשָׂ֧ה
(asa)
had gedaan
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
לִֽירִיח֖וֹ
(liricho)
met Jericho
וְלָעָֽי
(velaay)
en met Ai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gibeon ligt waarschijnlijk bij het huidige el-Jib, ongeveer 9 km ten noordwesten van Jeruzalem, in de Westelijke Jordaanoever.

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Zie Ai (ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Aanvullend

Jasher 88:50–51 bevestigt de list van de inwoners van Gibeon.

4Ook zij handelden met list. Zij gingen op pad en gaven zich uit voor gezanten. Zij namen oude zakken voor hun ezels mee en oude wijnzakken, gescheurd en weer dichtgebonden.
וַיַּעֲשׂ֤וּ
(vayaasu)
en zij handelden
גַם
(gam)
ook
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
בְּעָרְמָ֔ה
(bearema)
met list
וַיֵּלְכ֖וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
וַיִּצְטַיָּ֑רוּ
(vayitstayaru)
en zij gaven zich uit voor gezanten
וַיִּקְח֞וּ
(vayiqchu)
en zij namen
שַׂקִּ֤ים
(saqim)
zakken
בָּלִים֙
(balim)
oude
לַחֲמ֣וֹרֵיהֶ֔ם
(lachamoreihem)
voor hun ezels
וְנֹאד֥וֹת
(venodot)
en wijnzakken van
יַ֨יִן֙
(yayin)
wijn
בָּלִ֔ים
(balim)
oude
וּמְבֻקָּעִ֖ים
(umevuqaim)
en gescheurde
וּמְצֹרָרִֽים
(umetsorarim)
en dichtgebonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

De Masoretische tekst heeft וַיִּצְטַיָּרוּ (vajjitstajjaru), van צִיר (tsir), ‘gezant’: zij gaven zich uit voor gezanten.

Sommige Hebreeuwse handschriften en de Septuaginta lezen ‘zij voorzagen zich van proviand’.

Wij volgen de Masoretische tekst.

5Zij hadden oude, gelapte sandalen aan hun voeten en oude kleren aan. Al het brood van hun proviand was droog en brokkelig.
וּנְעָל֨וֹת
(unealot)
en sandalen
בָּל֤וֹת
(balot)
oude
וּמְטֻלָּאוֹת֙
(umetulaot)
en gelapte
בְּרַגְלֵיהֶ֔ם
(beragleihem)
aan hun voeten
וּשְׂלָמ֥וֹת
(uselamot)
en kleren
בָּל֖וֹת
(balot)
oude
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
aan hen
וְכֹל֙
(vekhol)
en al
לֶ֣חֶם
(lechem)
het brood van
צֵידָ֔ם
(tseidam)
hun proviand
יָבֵ֖שׁ
(yavesh)
droog
הָיָ֥ה
(haya)
was
נִקֻּדִֽים
(niqudim)
brokkelig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נִקֻּדִים (niqqudim), ‘brokkelig’: een zeldzaam woord.

Het kan ook ‘beschimmeld’ betekenen.

Wij vertalen in dit hoofdstuk steeds ‘brokkelig’ (zie ook vers 12).

De Gibeonieten bij Jozua in Gilgal

6Zij gingen naar Jozua in het kamp bij Gilgal. Zij zeiden tegen hem en tegen de mannen van Israël: „Wij komen uit een ver land. Sluit nu een verbond met ons.”
וַיֵּלְכ֧וּ
(vayelekhu)
en zij gingen
אֶל
(el)
naar
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
אֶל
(el)
naar
הַֽמַּחֲנֶ֖ה
(hamachane)
het kamp
הַגִּלְגָּ֑ל
(hagilgal)
Gilgal
וַיֹּאמְר֨וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלָ֜יו
(elav)
tegen hem
וְאֶל
(veel)
en tegen
אִ֣ישׁ
(ish)
de man van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
מֵאֶ֤רֶץ
(meerets)
uit het land
רְחוֹקָה֙
(rechoqa)
ver
בָּ֔אנוּ
(banu)
wij zijn gekomen
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
כִּרְתוּ
(kirtu)
sluit
לָ֥נוּ
(lanu)
met ons
בְרִֽית
(berit)
een verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Gilgal was het kamp van Israël, tussen de Jordaan en Jericho, in de Westelijke Jordaanoever.

De exacte ligging is onzeker.

7De mannen van Israël zeiden tegen de Chiwwieten: „Misschien wonen jullie wel in ons midden. Hoe kunnen wij dan een verbond met jullie sluiten?”
וַיֹּ֥אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אִֽישׁ
(ish)
de man van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
אֶל
(el)
tegen
הַחִוִּ֑י
(hachivi)
de Chiwwiet
אוּלַ֗י
(ulay)
misschien
בְּקִרְבִּי֙
(beqirbi)
in mijn midden
אַתָּ֣ה
(ata)
jij
יוֹשֵׁ֔ב
(yoshev)
woont
וְאֵ֖יךְ
(veeikh)
en hoe
אֶֽכְרָת
(ekhrat)
zal ik sluiten
לְךָ֥
(lekha)
met jou
בְרִֽית
(berit)
een verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws gebruikt hier het enkelvoud: ‘de man van Israël zei tegen de Chiwwiet: misschien woon je in mijn midden’.

Het gaat om heel het volk.

Wij vertalen in het meervoud.

8Zij zeiden tegen Jozua: „Wij zijn uw dienaren.” Jozua zei tegen hen: „Wie zijn jullie en waar komen jullie vandaan?”
וַיֹּאמְר֥וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֶל
(el)
tegen
יְהוֹשֻׁ֖עַ
(yehoshua)
Jozua
עֲבָדֶ֣יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
אֲנָ֑חְנוּ
(anachenu)
wij
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en hij zei
אֲלֵהֶ֧ם
(alehem)
tegen hen
יְהוֹשֻׁ֛עַ
(yehoshua)
Jozua
מִ֥י
(mi)
wie
אַתֶּ֖ם
(atem)
jullie
וּמֵאַ֥יִן
(umeayin)
en vanwaar
תָּבֹֽאוּ
(tavou)
komen jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Zij zeiden tegen hem: „Uw dienaren komen uit een zeer ver land, vanwege de naam van Yahweh, uw Elohim. Want wij hebben Zijn faam gehoord, en alles wat Hij in Egypte heeft gedaan.
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלָ֗יו
(elav)
tegen hem
מֵאֶ֨רֶץ
(meerets)
uit het land
רְחוֹקָ֤ה
(rechoqa)
ver
מְאֹד֙
(meod)
zeer
בָּ֣אוּ
(bau)
zijn gekomen
עֲבָדֶ֔יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
לְשֵׁ֖ם
(leshem)
vanwege de naam van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֑יךָ
(eloheikha)
uw Elohim
כִּֽי
(ki)
want
שָׁמַ֣עְנוּ
(shamanu)
wij hebben gehoord
שָׁמְע֔וֹ
(shameo)
Zijn faam
וְאֵ֛ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
wat
עָשָׂ֖ה
(asa)
Hij heeft gedaan
בְּמִצְרָֽיִם
(bemitsrayim)
in Egypte
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שָׁמְעוֹ (shom'o), ‘Zijn faam’: wat men over Hem hoort.

10Ook alles wat Hij heeft gedaan met de twee koningen van de Amorieten aan de overkant van de Jordaan, hebben wij gehoord. Dat waren Sichon, de koning van Chesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astarot was.
וְאֵ֣ת
(veet)
en (obj.)
כָּל
(kal)
alles
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wat
עָשָׂ֗ה
(asa)
Hij heeft gedaan
לִשְׁנֵי֙
(lishnei)
met twee
מַלְכֵ֣י
(malkhei)
koningen van
הָאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amoriet
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
die
בְּעֵ֣בֶר
(beever)
aan de overkant van
הַיַּרְדֵּ֑ן
(hayarden)
de Jordaan
לְסִיחוֹן֙
(lesichon)
met Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
חֶשְׁבּ֔וֹן
(cheshbon)
Chesbon
וּלְע֥וֹג
(uleog)
en met Og
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
הַבָּשָׁ֖ן
(habashan)
Basan
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בְּעַשְׁתָּרֽוֹת
(beashtarot)
in Astarot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

Zie Basan: Basan ligt ten oosten van het meer van Galilea en de Jordaan, in het zuidwesten van het huidige Syrië en het noorden van Jordanië.

Zie Astarot: Astarot wordt gezocht bij Tell Ashtara, in het zuiden van Syrië.

11Onze oudsten en alle inwoners van ons land zeiden tegen ons: ‘Neem proviand mee voor de reis en ga hen tegemoet. Zeg tegen hen: Wij zijn uw dienaren. Sluit nu een verbond met ons.’
וַיֹּאמְר֣וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֵלֵ֡ינוּ
(eleinu)
tegen ons
זְֽקֵינֵינוּ֩
(zeqeineinu)
onze oudsten
וְכָל
(vekhal)
en alle
יֹשְׁבֵ֨י
(yoshevei)
inwoners van
אַרְצֵ֜נוּ
(artsenu)
ons land
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
קְח֨וּ
(qechu)
neem
בְיֶדְכֶ֤ם
(beyedkhem)
in uw hand
צֵידָה֙
(tseida)
proviand
לַדֶּ֔רֶךְ
(laderekh)
voor de reis
וּלְכ֖וּ
(ulekhu)
en ga
לִקְרָאתָ֑ם
(liqratam)
hen tegemoet
וַאֲמַרְתֶּ֤ם
(vaamartem)
en zeg
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tegen hen
עַבְדֵיכֶ֣ם
(avdeikhem)
uw dienaren
אֲנַ֔חְנוּ
(anachnu)
wij
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
כִּרְתוּ
(kirtu)
sluit
לָ֥נוּ
(lanu)
met ons
בְרִֽית
(berit)
een verbond
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Dit brood van ons was warm toen wij het uit onze huizen als proviand meenamen, op de dag dat wij naar u toe vertrokken. Nu, zie, het is droog en brokkelig geworden.
זֶ֣ה
(ze)
dit
לַחְמֵ֗נוּ
(lachmenu)
ons brood
חָ֞ם
(cham)
warm
הִצְטַיַּ֤דְנוּ
(hitstayadnu)
wij namen als proviand mee
אֹתוֹ֙
(oto)
het
מִבָּ֣תֵּ֔ינוּ
(mibateinu)
uit onze huizen
בְּי֥וֹם
(beyom)
op de dag
צֵאתֵ֖נוּ
(tsetenu)
van ons vertrek
לָלֶ֣כֶת
(lalekhet)
om te gaan
אֲלֵיכֶ֑ם
(aleikhem)
naar u
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
הִנֵּ֣ה
(hine)
zie
יָבֵ֔שׁ
(yavesh)
het is droog
וְהָיָ֖ה
(vehaya)
en het is geworden
נִקֻּדִֽים
(niqudim)
brokkelig
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Deze wijnzakken waren nieuw toen wij ze vulden. Zie, ze zijn gescheurd. En dit zijn onze kleren en onze sandalen: zij zijn versleten door de zeer lange reis.”
וְאֵ֨לֶּה
(veele)
en deze
נֹאד֤וֹת
(nodot)
wijnzakken van
הַיַּ֨יִן֙
(hayayin)
de wijn
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
מִלֵּ֣אנוּ
(milenu)
wij hebben gevuld
חֲדָשִׁ֔ים
(chadashim)
nieuw
וְהִנֵּ֖ה
(vehine)
en zie
הִתְבַּקָּ֑עוּ
(hitbaqau)
zij zijn gescheurd
וְאֵ֤לֶּה
(veele)
en deze
שַׂלְמוֹתֵ֨ינוּ֙
(salmoteinu)
onze kleren
וּנְעָלֵ֔ינוּ
(unealeinu)
en onze sandalen
בָּל֕וּ
(balu)
zijn versleten
מֵרֹ֥ב
(merov)
door de lengte van
הַדֶּ֖רֶךְ
(haderekh)
de reis
מְאֹֽד
(meod)
zeer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14De mannen van Israël namen van hun proviand. Maar zij raadpleegden Yahweh niet.
וַיִּקְח֥וּ
(vayiqchu)
en zij namen
הָֽאֲנָשִׁ֖ים
(haanashim)
de mannen
מִצֵּידָ֑ם
(mitseidam)
van hun proviand
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לֹ֥א
(lo)
niet
שָׁאָֽלוּ
(shaalu)
zij vroegen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּי יְהוָה (pi Yahweh), ‘de mond van Yahweh’: vragen naar de mond van Yahweh is Hem raadplegen, bijvoorbeeld door een priester of door het lot (Num. 27:21).

Het Hebreeuws heeft alleen ‘de mannen’. Het zijn de mannen van Israël, de leiders.

Het verbond met Gibeon

15Jozua sloot vrede met hen. Hij sloot een verbond met hen om hen in leven te laten. De leiders van de gemeenschap zwoeren het hun.
וַיַּ֨עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
לָהֶ֤ם
(lahem)
met hen
יְהוֹשֻׁ֨עַ֙
(yehoshua)
Jozua
שָׁל֔וֹם
(shalom)
vrede
וַיִּכְרֹ֥ת
(vayikhrot)
en hij sloot
לָהֶ֛ם
(lahem)
met hen
בְּרִ֖ית
(berit)
een verbond
לְחַיּוֹתָ֑ם
(lechayotam)
om hen in leven te laten
וַיִּשָּׁבְע֣וּ
(vayishaveu)
en zij zwoeren
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
נְשִׂיאֵ֖י
(nesiei)
de leiders van
הָעֵדָֽה
(haeda)
de gemeenschap
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְשִׂיאֵי הָעֵדָה (nesi'ei ha'edah), ‘de leiders van de gemeenschap’: de hoofden van de stammen (vergelijk Num. 1:16).

Aanvullend

Jasher 88:51 bevestigt dat de leiders het verbond bezworen.

De list komt uit

16Drie dagen nadat zij het verbond met hen hadden gesloten, hoorden zij dat de Gibeonieten dichtbij waren. Ze woonden zelfs midden onder hen.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
מִקְצֵה֙
(miqtse)
aan het einde van
שְׁלֹ֣שֶׁת
(sheloshet)
drie
יָמִ֔ים
(yamim)
dagen
אַחֲרֵ֕י
(acharei)
na
אֲשֶׁר
(asher)
dat
כָּרְת֥וּ
(karetu)
zij hadden gesloten
לָהֶ֖ם
(lahem)
met hen
בְּרִ֑ית
(berit)
een verbond
וַֽיִּשְׁמְע֗וּ
(vayishmeu)
en zij hoorden
כִּי
(ki)
dat
קְרֹבִ֥ים
(qerovim)
dichtbij
הֵם֙
(hem)
zij
אֵלָ֔יו
(elav)
bij hen
וּבְקִרְבּ֖וֹ
(uveqirbo)
en in hun midden
הֵ֥ם
(hem)
zij
יֹשְׁבִֽים
(yoshevim)
woonden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt alleen ‘zij’.

Het gaat om de inwoners van Gibeon (vers 3).

17De zonen van Israël braken op en kwamen op de derde dag bij hun steden. Hun steden waren Gibeon, Kefira, Beërot en Kirjat-Jearim.
וַיִּסְע֣וּ
(vayisu)
en zij braken op
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
וַיָּבֹ֛אוּ
(vayavou)
en zij kwamen
אֶל
(el)
naar
עָרֵיהֶ֖ם
(areihem)
hun steden
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַשְּׁלִישִׁ֑י
(hashelishi)
derde
וְעָרֵיהֶם֙
(veareihem)
en hun steden
גִּבְע֣וֹן
(givon)
Gibeon
וְהַכְּפִירָ֔ה
(vehakefira)
en Kefira
וּבְאֵר֖וֹת
(uveerot)
en Beërot
וְקִרְיַ֥ת
(veqiryat)
en Kirjat
יְעָרִֽים
(yearim)
Jearim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kefira ligt waarschijnlijk bij Khirbet Kefire, Beërot is onzeker (misschien el-Bireh) en Kirjat-Jearim ligt waarschijnlijk bij Deir el-Azhar, bij Abu Gosh.

Al deze plaatsen liggen in het bergland ten westen en noordwesten van Jeruzalem (Westelijke Jordaanoever en Israël).

Zie Gibeon: Gibeon (el-Jib) lag ongeveer 10 km ten noordwesten van Jeruzalem.

18De zonen van Israël versloegen hen niet, omdat de leiders van de gemeenschap hun bij Yahweh, de Elohim van Israël, hadden gezworen. Maar heel de gemeenschap morde tegen de leiders.
וְלֹ֤א
(velo)
en niet
הִכּוּם֙
(hikum)
versloegen hen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
כִּֽי
(ki)
omdat
נִשְׁבְּע֤וּ
(nishbeu)
zij hadden gezworen
לָהֶם֙
(lahem)
hun
נְשִׂיאֵ֣י
(nesiei)
de leiders van
הָֽעֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
בַּֽיהוָ֖ה
(baYahweh)
bij Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וַיִּלֹּ֥נוּ
(vayilonu)
en morde
כָל
(kal)
heel
הָעֵדָ֖ה
(haeda)
de gemeenschap
עַל
(al)
tegen
הַנְּשִׂיאִֽים
(hanesiim)
de leiders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Aanvullend

Jasher 88:52 bevestigt dat de zonen van Israël hen niet doodden vanwege de eed bij Yahweh.

19Alle leiders zeiden tegen heel de gemeenschap: „Wij hebben hun bij Yahweh, de Elohim van Israël, gezworen. Nu kunnen wij hen niet aanraken.
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zij zeiden
כָל
(kal)
alle
הַנְּשִׂיאִים֙
(hanesiim)
de leiders
אֶל
(el)
tegen
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
אֲנַ֨חְנוּ֙
(anachnu)
wij
נִשְׁבַּ֣עְנוּ
(nishbanu)
wij hebben gezworen
לָהֶ֔ם
(lahem)
hun
בַּֽיהוָ֖ה
(baYahweh)
bij Yahweh
אֱלֹהֵ֣י
(elohei)
de Elohim van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְעַתָּ֕ה
(veata)
en nu
לֹ֥א
(lo)
niet
נוּכַ֖ל
(nukhal)
wij kunnen
לִנְגֹּ֥עַ
(lingoa)
aanraken
בָּהֶֽם
(bahem)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Dit zullen wij met hen doen: wij laten hen in leven. Dan komt er geen toorn over ons vanwege de eed die wij hun hebben gezworen.”
זֹ֛את
(zot)
dit
נַעֲשֶׂ֥ה
(naase)
wij zullen doen
לָהֶ֖ם
(lahem)
met hen
וְהַחֲיֵ֣ה
(vehachaye)
en laten leven
אוֹתָ֑ם
(otam)
hen
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִֽהְיֶ֤ה
(yihye)
zal komen
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
over ons
קֶ֔צֶף
(qetsef)
toorn
עַל
(al)
vanwege
הַשְּׁבוּעָ֖ה
(hashevua)
de eed
אֲשֶׁר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֥עְנוּ
(nishbanu)
wij hebben gezworen
לָהֶֽם
(lahem)
hun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21De leiders zeiden tegen hen: „Laat hen leven.” Zij werden houthakkers en waterputters voor heel de gemeenschap, zoals de leiders hun hadden gezegd.
וַיֹּאמְר֧וּ
(vayomru)
en zij zeiden
אֲלֵיהֶ֛ם
(aleihem)
tegen hen
הַנְּשִׂיאִ֖ים
(hanesiim)
de leiders
יִֽחְי֑וּ
(yichyu)
laat hen leven
וַ֠יִּֽהְיוּ
(vayihyu)
en zij werden
חֹטְבֵ֨י
(chotevei)
houthakkers van
עֵצִ֤ים
(etsim)
hout
וְשֹֽׁאֲבֵי
(veshoavei)
en waterputters van
מַ֨יִם֙
(mayim)
water
לְכָל
(lekhal)
voor heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
דִּבְּר֥וּ
(diberu)
hadden gezegd
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
הַנְּשִׂיאִֽים
(hanesiim)
de leiders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֹטְבֵי עֵצִים (chotevei etsim), ‘houthakkers’, en שֹׁאֲבֵי מַיִם (sho'avei mayim), ‘waterputters’: mensen die hout hakken en water scheppen.

Het is zwaar werk voor de gemeenschap.

Aanvullend

Jasher 88:52–54 bevestigt dit.

Jozua ondervraagt de Gibeonieten

22Jozua riep hen bij zich en zei tegen hen: „Waarom hebben jullie ons bedrogen? Jullie zeiden: ‘Wij wonen zeer ver bij jullie vandaan’, terwijl jullie in ons midden wonen.
וַיִּקְרָ֤א
(vayiqra)
en riep
לָהֶם֙
(lahem)
hen
יְהוֹשֻׁ֔עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
אֲלֵיהֶ֖ם
(aleihem)
tot hen
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
zeggende
לָמָּה֩
(lama)
waarom
רִמִּיתֶ֨ם
(rimitem)
hebben jullie bedrogen
אֹתָ֜נוּ
(otanu)
ons
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
רְחוֹקִ֨ים
(rechoqim)
ver
אֲנַ֤חְנוּ
(anachnu)
wij
מִכֶּם֙
(mikem)
van jullie
מְאֹ֔ד
(meod)
zeer
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
בְּקִרְבֵּ֥נוּ
(beqirbenu)
in ons midden
יֹשְׁבִֽים
(yoshevim)
wonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Nu zijn jullie vervloekt. Jullie zullen altijd slaven blijven: houthakkers en waterputters voor het huis van mijn Elohim.”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
אֲרוּרִ֣ים
(arurim)
vervloekt
אַתֶּ֑ם
(atem)
jullie
וְלֹֽא
(velo)
en niet
יִכָּרֵ֨ת
(yikaret)
zal worden afgesneden
מִכֶּ֜ם
(mikem)
van jullie
עֶ֗בֶד
(eved)
slaaf
וְחֹטְבֵ֥י
(vechotevei)
en houthakkers van
עֵצִ֛ים
(etsim)
hout
וְשֹֽׁאֲבֵי
(veshoavei)
en waterputters van
מַ֖יִם
(mayim)
water
לְבֵ֥ית
(leveit)
voor het huis van
אֱלֹהָֽי
(elohay)
mijn Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws zegt letterlijk: ‘er wordt van jullie geen slaaf afgesneden’, dat wil zeggen: er zullen altijd slaven onder jullie zijn.

Wij vertalen עֶבֶד (eved) hier met ‘slaaf’, omdat het om een vloek gaat (vergelijk Gen. 9:25).

Het antwoord van de Gibeonieten

24Zij antwoordden Jozua: „Aan uw dienaren is zeker verteld wat Yahweh, uw Elohim, aan Zijn dienaar Mozes heeft geboden. Hij heeft geboden u het hele land te geven en alle inwoners van het land voor u uit te vernietigen. Wij werden zeer bang voor ons leven vanwege u. Zo hebben wij dit gedaan.
וַיַּעֲנ֨וּ
(vayaanu)
en zij antwoordden
אֶת
(et)
(obj.)
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zij zeiden
כִּי֩
(ki)
want
הֻגֵּ֨ד
(huged)
het is verteld
הֻגַּ֤ד
(hugad)
stellig
לַעֲבָדֶ֨יךָ֙
(laavadeikha)
aan uw dienaren
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
צִוָּ֜ה
(tsiva)
heeft geboden
יְהוָ֤ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֶ֨יךָ֙
(eloheikha)
uw Elohim
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עַבְדּ֔וֹ
(avdo)
Zijn dienaar
לָתֵ֤ת
(latet)
om te geven
לָכֶם֙
(lakhem)
aan u
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
heel
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וּלְהַשְׁמִ֛יד
(ulehashmid)
en te vernietigen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
inwoners van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
מִפְּנֵיכֶ֑ם
(mipeneikhem)
voor u uit
וַנִּירָ֨א
(vanira)
en wij werden bang
מְאֹ֤ד
(meod)
zeer
לְנַפְשֹׁתֵ֨ינוּ֙
(lenafshoteinu)
voor ons leven
מִפְּנֵיכֶ֔ם
(mipeneikhem)
vanwege u
וַֽנַּעֲשֵׂ֖ה
(vanaase)
en wij hebben gedaan
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֥ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּֽה
(haze)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Nu zijn wij in uw hand. Doe met ons wat u goed en juist lijkt.”
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
הִנְנ֣וּ
(hinnu)
zie ons
בְיָדֶ֑ךָ
(beyadekha)
in uw hand
כַּטּ֨וֹב
(katov)
zoals goed
וְכַיָּשָׁ֧ר
(vekhayashar)
en zoals recht
בְּעֵינֶ֛יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
לַעֲשׂ֥וֹת
(laasot)
om te doen
לָ֖נוּ
(lanu)
met ons
עֲשֵֽׂה
(ase)
doe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Zo deed hij met hen. Hij redde hen uit de hand van de zonen van Israël. Zij doodden hen niet.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij deed
לָהֶ֖ם
(lahem)
met hen
כֵּ֑ן
(ken)
zo
וַיַּצֵּ֥ל
(vayatsel)
en hij redde
אוֹתָ֛ם
(otam)
hen
מִיַּ֥ד
(miyad)
uit de hand van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
הֲרָגֽוּם
(haragum)
zij doodden hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Op die dag maakte Jozua hen tot houthakkers en waterputters voor de gemeenschap en voor het altaar van Yahweh. Zo is het tot op de dag van vandaag, op de plaats die Hij zou kiezen.
וַיִּתְּנֵ֨ם
(vayitenem)
en hij maakte hen
יְהוֹשֻׁ֜עַ
(yehoshua)
Jozua
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op de dag
הַה֗וּא
(hahu)
die
חֹטְבֵ֥י
(chotevei)
houthakkers van
עֵצִ֛ים
(etsim)
hout
וְשֹׁ֥אֲבֵי
(veshoavei)
en waterputters van
מַ֖יִם
(mayim)
water
לָֽעֵדָ֑ה
(laeda)
voor de gemeenschap
וּלְמִזְבַּ֤ח
(ulemizbach)
en voor het altaar van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
עַד
(ad)
tot
הַיּ֣וֹם
(hayom)
de dag
הַזֶּ֔ה
(haze)
deze
אֶל
(el)
naar
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יִבְחָֽר
(yivchar)
Hij zou kiezen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘Tot op de dag van vandaag’ is de tijd van de schrijver.

De plaats die Yahweh zou kiezen, is de plaats van Zijn altaar (Deut. 12:5).

Zie ookDeut 12:5