1 Tessalonicenzen 3
Timoteüs gestuurd en terug met goed nieuws; gebed om een weerzien
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Timoteüs naar Tessalonica gestuurd
Zie Athene: Athene was de grote cultuurstad van Griekenland, in de Romeinse provincie Achaje.
στέγω (stego), ‘verdragen’: eigenlijk ‘dichthouden, uithouden’. εὐδοκέω (eudokeo), ‘bereid zijn’: zie 2:8.
‘Alleen’: Paulus bleef alleen in Athene achter; Silvanus en Timoteüs waren in Beroea gebleven.
De Griekse zin loopt door in vers 2 (‘… en hebben Timoteüs gestuurd’); wij hebben hem gesplitst.
Zie ook Hand. 17:14–16.
συνεργός (synergos), ‘medewerker’: wie mee-werkt. στηρίζω (sterizo), ‘versterken’: stevig maken. παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’: zie 2:12.
Voor ‘medewerker van Elohim’ verschillen sommige oude handschriften; wij volgen de SBLGNT.
σαίνω (saino), ‘wankelen’: een zeldzaam woord, eigenlijk ‘kwispelen, vleien’; hier ‘door verdrukking aan het wankelen of meegesleept worden’. κεῖμαι εἰς (keimai eis), ‘bestemd zijn voor’: letterlijk ‘gelegd zijn tot’.
Zie ook Hand. 14:22.
προλέγω (prolego), ‘vooraf zeggen’. θλίβω (thlibo), ‘verdrukken’: bij θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking’.
Het Grieks heeft bij ἔπεμψα (epempsa), ‘ik heb gestuurd’, geen voorwerp; uit vers 2 en vers 6 blijkt dat Timoteüs bedoeld is. πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’; ὁ πειράζων (ho peirazon), ‘de verzoeker’: letterlijk ‘degene die op de proef stelt’.
In Matt. 4:3 vertalen wij hetzelfde Griekse woord met ‘degene die Hem op de proef stelde’; hier zonder voorwerp noemen wij hem ‘de verzoeker’.
De tekst noemt geen naam; vergelijk 2:18 (Satan). μή πως (me pos), ‘uit vrees dat’: de Griekse zin drukt een zorg uit. κενός (kenos), ‘vergeefs’: zie 2:1.
Zie ook Matt. 4:3.
Goed nieuws van Timoteüs
ἄρτι (arti), ‘zojuist’. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’: hier gaat het om goed nieuws over hun geloof en liefde. ἐπιποθέω (epipotheo), ‘verlangen’.
Zie ook Hand. 18:5.
παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’: hier lijdend, ‘bemoedigd worden’. ἀνάγκη (anagke), ‘nood’: dwang, benauwdheid.
ζῶμεν (zomen), ‘wij leven’: echt leven, kracht hebben. στήκω (steko), ‘vaststaan’: stevig blijven staan.
Dank en gebed om een weerzien
εὐχαριστία (eucharistia), ‘dank’. ἀνταποδίδωμι (antapodidomi), ‘teruggeven’: iets terugdoen voor wat ontvangen is.
De Griekse zin is een vraag en loopt door in vers 10.
ὑπερεκπερισσοῦ (hyperekperissou), ‘zeer dringend’: letterlijk ‘boven alle maat’. δέομαι (deomai), ‘bidden’: dringend vragen. καταρτίζω (katartizo), ‘aanvullen’: in orde brengen, herstellen. ὑστέρημα (hysterema), ‘tekort’: wat nog ontbreekt.
In het Grieks hoort dit vers bij vers 9; wij hebben de zin gesplitst.
κατευθύνω (kateuthyno), ‘richten’: recht maken, de weg vrijmaken.
De Griekse werkwoordsvorm κατευθύναι (kateuthynai) staat in het enkelvoud, hoewel er twee onderwerpen zijn: Elohim, onze Vader, en onze Heer Yeshua.
Wij laten dat zo staan.
‘Onze Elohim en Vader’: zie 1:3.
πλεονάζω (pleonazo), ‘laten toenemen’, περισσεύω (perisseuo), ‘overvloedig maken’: meer dan genoeg.
‘De Heer’: Yeshua; vergelijk vers 11 en 13.
ἁγιωσύνη (hagiosyne), ‘heiligheid’. παρουσία (parousia), ‘komst’: letterlijk ‘aanwezigheid’, zie 2:19. οἱ ἅγιοι (hoi hagioi), ‘de heiligen’: dit kan de gelovigen betreffen of de heilige engelen; het Grieks zegt het niet.
Vergelijk Zach. 14:5: ‘alle heiligen met U’ en Mark. 8:38: ‘met de heilige engelen’.
Zie ook Zach. 14:5; Mark. 8:38.