Handelingen 15
De vergadering in Jeruzalem: besnijdenis, het besluit en de scheiding van Paulus en Barnabas
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De vraag over de besnijdenis
Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.
Het komt overeen met het oude Juda.
περιτέμνω (peritemno), ‘besnijden’: het wegsnijden van de voorhuid, het teken van het verbond met Abraham (Gen. 17:10–12). ἔθος (ethos), ‘gebruik’: wat door traditie vastligt; hier de besnijdenis die Mozes voorschrijft. σῴζω (sozo), ‘redden’: zie Mark. 5:34.
Zie ook Gen. 17:10–12.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
στάσις (stasis), ‘onenigheid’: ook ‘opstand’ of ‘strijd’. ζήτησις (zetesis), ‘discussie’: een gesprek waarin men iets onderzoekt of er ruzie over heeft.
Het Grieks zegt niet wie bepaalde dat Paulus en Barnabas zouden opgaan; wij schrijven ‘men’. πρεσβύτερος (presbyteros), ‘ouderling’: zie 14:23.
Dit bezoek aan Jeruzalem komt waarschijnlijk overeen met wat Paulus in Gal. 2:1–10 beschrijft; of het hetzelfde bezoek is, zegt de tekst niet.
Zie ook Hand. 14:23; Gal. 2:1–10.
Zie Fenicië (kuststreek): Fenicië was de kuststrook aan de Middellandse Zee rond Tyrus en Sidon, nu vooral Libanon, met de aangrenzende kust van Israël en Syrië.
De grenzen zijn niet scherp.
Zie Samaria (streek): Samaria is hier de streek tussen Galilea en Judea, het noorden van de Westelijke Jordaanoever.
προπέμπω (propempo), ‘op weg helpen’: een samenstelling van πέμπω (pempo), ‘sturen’; iemand uitgeleide doen, met voorraad en begeleiding. ἐπιστροφή (epistrophe), ‘bekering’: letterlijk ‘omkering’; vergelijk 14:15.
Fenicië lag aan de kust ten noorden van Galilea; Samaria ligt tussen Galilea en Judea.
Zie ook Hand. 14:15.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
παραδέχομαι (paradechomai), ‘ontvangen’: gastvrij aannemen.
Opnieuw staan de apostelen en de ouderlingen naast de gemeente (vers 2).
αἵρεσις (hairesis), ‘richting’: een groep met een eigen leer; elders ook ‘sekte’ (Hand. 5:17).
Deze mannen zijn gelovig geworden (‘geloofd hebbend’) en zijn nog Farizeeën.
Zij eisen niet alleen besnijdenis maar ook het houden van de wet van Mozes.
Het Grieks heeft ‘het is nodig’; wij schrijven ‘men moet’.
Zie ook Hand. 5:17.
De vergadering in Jeruzalem
ἀφ᾽ ἡμερῶν ἀρχαίων (af hemeron archaion), letterlijk ‘van oude dagen af’: al lang geleden.
Het Grieks zegt niet wie er uitgekozen werd; het ‘mij’ in onze vertaling is aangevuld, omdat het Nederlands een lijdend voorwerp nodig heeft.
Petrus doelt op Cornelius (Hand. 10).
De toespraak van Petrus loopt tot en met vers 11.
Zie ook Hand. 10:44–47.
καρδιογνώστης (kardiognostes), ‘hartenkenner’: iemand die de harten kent.
Dat woord staat in het Nieuwe Testament alleen hier en in Hand. 1:24.
Elohim geeft de Heilige Geest ook aan mensen uit de volken, zoals aan de leerlingen op Pinksteren (Hand. 2:4).
Zie ook Hand. 1:24; Hand. 2:4.
διακρίνω (diakrino), ‘onderscheid maken’. καθαρίζω (katharizo), ‘reinigen’: wat rein maakt is het geloof, niet de besnijdenis.
πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’: ook ‘verzoeken’.
‘Elohim op de proef stellen’ is een uitdrukking uit het Oude Testament (Deut. 6:16). ζυγός (zygos), ‘juk’: een houten balk over de nek, hier een beeld voor een zware plicht; vergelijk Matt. 11:29–30 en Matt. 23:4.
Zie ook Deut. 6:16; Matt. 11:29–30; Matt. 23:4.
Het Grieks heeft ‘de Heer Jezus’; wij schrijven Yeshua.
Petrus draait de eis om: ook de Joden worden gered door genade, niet door de wet.
σημεῖα καὶ τέρατα (semeia kai terata), ‘tekenen en wonderen’: zie 14:3.
Zie ook Hand. 14:3.
De woorden van Jakobus
Ἰάκωβος (Iakobos), ‘Jakobus’: de leider van de gemeente in Jeruzalem; vergelijk Hand. 12:17.
Het Grieks heeft de vorm ‘Jakobus’ voor Hebreeuws Ja’akov.
De toespraak van Jakobus loopt tot en met vers 21.
Zie ook Hand. 12:17.
Συμεών (Symeon), ‘Simeon’: de Hebreeuwse vorm van de naam Simon; hier wordt Petrus bedoeld. ἐπισκέπτομαι (episkeptomai), ‘omzien naar’: zorgzaam naar iemand kijken, zoals in Luc. 1:68. λαός (laos), ‘volk’: het woord dat gewoonlijk voor Israël gebruikt wordt; hier ‘een volk uit de volken’.
‘Voor Zijn naam’: Zijn eigen volk.
Zie ook Luc. 1:68.
γέγραπται (gegraptai), ‘geschreven staat’: deze woorden worden ingeleid als wat de profeten schreven, niet als iets wat Elohim zelf zegt; daarom zetten wij ze zwart, zoals andere citaten in toespraken.
Het citaat is uit Amos 9:11–12.
Zie ook Amos 9:11–12.
Vergelijk Amos 9:11, waar in onze Hebreeuwse tekst staat: ‘Op die dag zal Ik de gevallen hut van David oprichten’.
De Griekse tekst heeft ‘Daarna zal Ik terugkeren en de hut van David weer opbouwen’. σκηνή (skene), ‘hut’: het verval van het huis van David.
Zie ook Amos 9:11.
De Hebreeuwse tekst van Amos 9:12 heeft ‘opdat zij de rest van Edom in bezit nemen’.
De Griekse tekst heeft ‘opdat de overigen van de mensen zoeken’.
Het verschil kan komen doordat ‘Edom’ (אֱדוֹם) en ‘mens’ (אָדָם) in het Hebreeuws bijna gelijk geschreven worden.
In de Griekse tekst staat κύριος (kyrios), ‘Heer’; omdat dit een citaat uit het Oude Testament is, schrijven wij Yahweh, zoals in 13:10.
De woorden ‘zegt Yahweh’ zijn onderdeel van het citaat; wij zetten ze zwart, omdat Jakobus ze aanhaalt als ‘geschreven’ (vers 15).
Zie ook Amos 9:12; Hand. 13:10.
γνωστὰ ἀπ᾽ αἰῶνος (gnosta ap aionos), ‘bekend van eeuwigheid af’: wat Elohim doet, ligt al lang vast.
Deze woorden staan niet in Amos 9:12 in onze Hebreeuwse tekst; zij sluiten bij het citaat aan.
Handschriften verschillen sterk in dit vers.
Sommige hebben ‘zegt Yahweh die dit doet; bekend aan Elohim zijn al Zijn werken van eeuwigheid af’.
Wij volgen de SBLGNT.
κρίνω (krino), ‘oordelen’: hier een voorstel dat Jakobus doet, geen uitspraak die alles beslist; de vergadering besluit in vers 22. παρενοχλέω (parenochleo), ‘lastigvallen’: iemand hinderen of een last bezorgen.
ἀλίσγημα (alisgema), ‘verontreiniging’: wat verontreinigt door afgoden, dus vlees dat aan afgoden is geofferd (vers 29). πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele zonde buiten het huwelijk; het woord omvat ook verboden verbindingen (Lev. 18). πνικτός (pniktos), ‘verstikt’: vlees van een dier dat niet geslacht is, waarvan het bloed er niet uit is. αἷμα (haima), ‘bloed’: het eten van bloed is in de wet verboden (Gen. 9:4; Lev. 17:10–14).
Dit zijn vier punten, de gebruiken die ook voor vreemdelingen in Israël golden (Lev. 17–18).
Sommige handschriften hebben de lijst iets anders: zonder ‘het verstikte’ of met een gouden regel erbij (‘wat jullie niet willen dat men jullie doet, doe dat ook anderen niet aan’).
Wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Gen. 9:4; Lev. 17:10–14; Lev. 18.
Jakobus zegt dat Mozes overal gehoord wordt: elke sabbat wordt de wet voorgelezen.
Het Grieks zegt niet nader hoe dit vers bij de vier punten aansluit.
De brief aan de gemeenten uit de volken
Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië.
Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd.
Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië.
ἔδοξε (edoxe), ‘besloot’: letterlijk ‘het leek goed’. Βαρσαββᾶς (Barsabbas), ‘Barsabbas’: waarschijnlijk ‘zoon van de sabbat’ of ‘zoon van de rustdag’; dezelfde naam staat in 1:23 bij Jozef. Σιλᾶς (Silas) is de Griekse vorm van Silvanus. ἡγούμενος (hegoumenos), ‘leider’: wie de leiding heeft.
Zie ook Hand. 1:23.
Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië.
Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd.
Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië.
Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad.
De grenzen waren niet scherp.
Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
διὰ χειρός (dia cheiros), letterlijk ‘door de hand’: de brief wordt door Judas en Silas bezorgd.
Het Grieks heeft ‘de apostelen en de ouderlingen, broers’: ofwel ‘de oudere broers’, ofwel ‘de ouderlingen, broers’; wij houden de apostelen en de ouderlingen bij elkaar. χαίρειν (chairein), ‘gegroet’: de gewone groet aan het begin van een Griekse brief; vergelijk Luc. 1:28.
Zie ook Luc. 1:28.
ἀνασκευάζω (anaskeuazo), ‘ontwrichten’: iets afbreken, ook ‘ontmantelen’. διαστέλλομαι (diastellomai), ‘opdracht geven’.
De verzen 24–26 zijn één lange zin; in het Nederlands splitsen wij ze niet verder.
ὁμοθυμαδόν (homothymadon), ‘eensgezind’: met één gemoed; zoals in Hand. 1:14.
De brief spreekt van ‘wij’: de apostelen en de ouderlingen.
Zie ook Hand. 1:14.
ψυχή (psyche), ‘ziel’: hier het leven. παραδίδωμι (paradidomi), ‘overgeven’: zie 14:26. Χριστός (Christos), ‘Messias’: wij vertalen dat zo.
Zie ook Hand. 14:26.
διὰ λόγου (dia logou), letterlijk ‘door het woord’: mondeling, in tegenstelling tot de brief.
ἔδοξεν γὰρ τῷ πνεύματι τῷ ἁγίῳ καὶ ἡμῖν (edoxen gar to pneumati to hagio kai hemin), ‘want het leek goed aan de Heilige Geest en aan ons’: de Heilige Geest wordt genoemd als mede-beslisser.
Het is geen directe rede van de Geest; daarom zetten wij het niet rood. βάρος (baros), ‘last’. ἐπάναγκες (epanankes), ‘noodzakelijk’: wat nodig is, niet wat wettisch is.
εἰδωλόθυτον (eidolothyton), ‘afgodenoffer’: vlees van een offerdier. πράσσω (prasso), ‘doen’ en ‘het maken’: εὖ πράξετε (eu praxete) kan zowel ‘jullie zullen goed handelen’ als ‘het zal jullie goed gaan’ betekenen. ἔρρωσθε (errosthe), ‘wees sterk’: een gewone afsluiting van een Griekse brief, ‘het ga jullie goed’.
Sommige handschriften laten ‘het verstikte’ weg of voegen een gouden regel toe; zie vers 20.
Wij volgen de SBLGNT.
In Antiochië
Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië.
Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd.
Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië.
ἀπολύω (apolyo), ‘laten gaan’. ἐπιδίδωμι (epididomi), ‘overhandigen’. ἐπιστολή (epistole), ‘brief’.
παράκλησις (paraklesis), ‘bemoediging’: ook ‘troost’ of ‘vermaning’; zie 13:15.
Zie ook Hand. 13:15.
προφήτης (profetes), ‘profeet’. παρακαλέω (parakaleo), ‘bemoedigen’. ἐπιστηρίζω (epistērizo), ‘versterken’: zie 14:22.
Zie ook Hand. 14:22.
In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) volgt hier een vers (15:34) dat in de oudste handschriften ontbreekt; wij vertalen het niet.
In onze nummering springt de telling daarom van vers 33 naar vers 35.
Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië.
Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd.
Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië.
διατρίβω (diatribo), ‘verblijven’: zich ergens ophouden. εὐαγγελίζομαι (euangelizomai), ‘de goede boodschap brengen’.
Paulus en Barnabas gaan uit elkaar
ἐπισκέπτομαι (episkeptomai), ‘bezoeken’: zie vers 14. πῶς ἔχουσιν (pos echousin), letterlijk ‘hoe zij het hebben’: hoe het met hen gaat.
Ἰωάννης ὁ καλούμενος Μᾶρκος (Ioannes ho kaloumenos Markos), ‘Johannes, genaamd Markus’: Johannes Markus, die vroeger met Paulus en Barnabas meeging (12:25; 13:5) en toen terugkeerde (13:13).
Hij is ook de neef van Barnabas (Kol. 4:10).
Zie ook Hand. 12:25; Hand. 13:5; Hand. 13:13; Kol. 4:10.
Zie Pamfylië (ongeveer): Pamfylië was de kuststreek in het zuiden van het huidige Turkije, rond de baai van Antalya.
De grenzen zijn bij benadering.
ἀξιόω (axioo), ‘goed vinden’: ook ‘eisen’ of ‘achten’. ἀφίστημι (afistemi), ‘afvallen’: zich terugtrekken; zie 13:13.
Zie ook Hand. 13:13.
Zie Cyprus: Cyprus is een eiland in het oosten van de Middellandse Zee, voor de kust van Syrië en Zuid-Turkije.
Barnabas kwam er vandaan.
παροξυσμός (paroxysmos), ‘hevige twist’: een woord voor een scherpe verbolgenheid; ons woord ‘paroxysme’ komt ervan. ἀποχωρίζομαι (apochorizomai), ‘zich afscheiden’.
De tekst oordeelt niet wie gelijk heeft.
Barnabas komt van Cyprus (4:36); hij gaat naar zijn eigen eiland.
Zie ook Hand. 4:36.
παραδίδωμι (paradidomi), ‘toevertrouwen’: zie 14:26.
Voor Barnabas wordt dit niet gezegd.
Zie ook Hand. 14:26.
Zie Syrië (Romeinse provincie; ongeveer): Syrië was een Romeinse provincie ten noorden van Galilea, met Antiochië als hoofdstad.
De grenzen waren niet scherp.
Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
ἐκκλησία (ekklesia), ‘gemeente’: wij vertalen overal ‘gemeente’.