Gad, Ruben en de helft van Manasse blijven ten oosten van de Jordaan
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het verzoek van Gad en Ruben
1De zonen van Ruben en de zonen van Gad hadden veel kudden, een zeer grote menigte. Zij zagen het land Jaëzer en het land Gilead. En zie, die streek was een streek voor kudden.
וּמִקְנֶ֣ה
(umiqne)
en kudden
רַ֗ב
(rav)
veel
הָיָ֞ה
(haya)
waren
לִבְנֵ֧י
(livnei)
voor de zonen van
רְאוּבֵ֛ן
(reuven)
Ruben
וְלִבְנֵי
(velivnei)
en voor de zonen van
גָ֖ד
(gad)
Gad
עָצ֣וּם
(atsum)
talrijk
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיִּרְא֞וּ
(vayiru)
en zij zagen
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֤רֶץ
(erets)
land van
יַעְזֵר֙
(yazer)
Jaëzer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
גִּלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
מְק֥וֹם
(meqom)
plaats van
מִקְנֶֽה
(miqne)
kudden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Jaëzer en Gilead liggen ten oosten van de Jordaan, in het noorden van het huidige Jordanië.
De ligging van Jaëzer is onzeker; wij denken aan een plaats in de buurt van het huidige As-Salt of Amman.
Gilead is het bergland ten zuiden van de Jabbok.
Uitleg
מִקְנֶה (miqneh), ‘kudden’: wij vertalen dit woord in heel dit hoofdstuk zo.
5Zij zeiden: „Als wij gunst in uw ogen gevonden hebben, laat dan dit land aan uw dienaren in bezit gegeven worden. Laat ons niet de Jordaan oversteken.”
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
אִם
(im)
als
מָצָ֤אנוּ
(matsanu)
wij hebben gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
יֻתַּ֞ן
(yutan)
laat gegeven worden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֧רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֛את
(hazot)
dit
לַעֲבָדֶ֖יךָ
(laavadeikha)
aan uw dienaren
לַאֲחֻזָּ֑ה
(laachuza)
in bezit
אַל
(al)
niet
תַּעֲבִרֵ֖נוּ
(taavirenu)
laat ons oversteken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
Zij spreken Mozes met ‘u’ aan en noemen zichzelf ‘uw dienaren’: dat is de aanspreking tegenover een leider.
9Zij trokken omhoog tot het dal Eskol en zagen het land. Toen namen zij de zonen van Israël de moed om naar het land te gaan dat Yahweh hun gegeven had.
וַֽיַּעֲל֞וּ
(vayaalu)
en zij trokken omhoog
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
dal van
אֶשְׁכּ֗וֹל
(eshkol)
Eskol
וַיִּרְאוּ֙
(vayiru)
en zagen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּנִ֕יאוּ
(vayaniu)
en namen de moed
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֖ב
(lev)
hart van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לְבִלְתִּי
(levilti)
opdat niet
בֹא֙
(bo)
zij zouden komen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
heeft gegeven
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het dal Eskol: zie Num. 13:23–24.
De ligging is waarschijnlijk in de buurt van Hebron, in de Westelijke Jordaanoever; zeker is dat niet.
11‘De mannen die uit Egypte zijn opgetrokken, van 20 jaar en ouder, zullen het land niet zien. Dat is het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb. Want zij zijn Mij niet volledig gevolgd,
אִם
(im)
als
יִרְא֨וּ
(yiru)
zullen zien
הָאֲנָשִׁ֜ים
(haanashim)
de mannen
הָעֹלִ֣ים
(haolim)
die opgetrokken zijn
מִמִּצְרַ֗יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
מִבֶּ֨ן
(miben)
van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
20
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
וָמַ֔עְלָה
(vamala)
en ouder
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֛עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹ֑ב
(uleyaaqov)
en aan Jakob
כִּ֥י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
מִלְא֖וּ
(milu)
zij zijn volledig geweest
אַחֲרָֽי
(acharay)
achter Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.
Uitleg
Dit is de eed van Yahweh na de terugkeer van de verspieders; zie Num. 14:21–24 en 14:28–35.
Mozes haalt hem hier aan.
Wij zetten de woorden van Yahweh rood, tussen enkele aanhalingstekens.
אִם (im), ‘als’: in een eed betekent dit ‘zeker niet’. Wij vertalen: ‘zullen niet zien’.
13De toorn van Yahweh laaide op tegen Israël. Hij liet hen 40 jaar in de woestijn rondzwerven, tot heel de generatie die kwaad deed in de ogen van Yahweh, vergaan was.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en laaide op
אַ֤ף
(af)
toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיְנִעֵם֙
(vayniem)
en liet rondzwerven hen
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
40
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
עַד
(ad)
tot
תֹּם֙
(tom)
was vergaan
כָּל
(kal)
heel
הַדּ֔וֹר
(hador)
de generatie
הָעֹשֶׂ֥ה
(haose)
die doet
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיְנִעֵם (vaynieem), ‘Hij liet hen rondzwerven’: veertig jaar in de woestijn; zie Num. 14:33–34 en 14:29.
Zo gaat de hele generatie van de verspieders in de woestijn dood.
14En zie, nu zijn jullie opgestaan in de plaats van jullie vaders, een gebroed van zondige mannen. Jullie maken zo de brandende toorn van Yahweh tegen Israël nog groter.
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
קַמְתֶּ֗ם
(qamtem)
jullie zijn opgestaan
תַּ֚חַת
(tachat)
in de plaats van
אֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם
(avoteikhem)
jullie vaders
תַּרְבּ֖וּת
(tarbut)
gebroed van
אֲנָשִׁ֣ים
(anashim)
mannen
חַטָּאִ֑ים
(chataim)
zondige
לִסְפּ֣וֹת
(lispot)
om toe te voegen
ע֗וֹד
(od)
nog
עַ֛ל
(al)
aan
חֲר֥וֹן
(charon)
brandende
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּרְבּוּת (tarbut), ‘gebroed’: het woord komt alleen hier voor en hangt samen met het werkwoord ‘groeien’ (רָבָה, ravah).
Mozes noemt de nieuwe generatie een ‘groei’ of ‘gebroed’ van zondaars.
17Wij zelf zullen ons gewapend uitrusten voor de zonen van Israël uit, tot wij hen naar hun plaats hebben gebracht. Onze kleine kinderen blijven in de versterkte steden, vanwege de bewoners van het land.
וַאֲנַ֜חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
נֵחָלֵ֣ץ
(nechalets)
zullen ons uitrusten
חֻשִׁ֗ים
(chushim)
gewapend
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אִם
(im)
als
הֲבִֽיאֹנֻ֖ם
(havionum)
wij hen hebben gebracht
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמָ֑ם
(meqomam)
hun plaats
וְיָשַׁ֤ב
(veyashav)
en zullen blijven
טַפֵּ֨נוּ֙
(tapenu)
onze kleine kinderen
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
הַמִּבְצָ֔ר
(hamivtsar)
de versterking
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de bewoners van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
חֻשִׁים (chushim) komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.
Wij vertalen ‘gewapend’ (zoals in vers 21 en 29 ‘uitgerust’).
Het kan ook ‘haastig’ betekenen.
עָרֵי הַמִּבְצָר (arei hamivtsar), ‘versterkte steden’: ook in vers 36.
19Want wij ontvangen geen erfdeel met hen aan de overkant van de Jordaan en verder. Ons erfdeel is ons immers toegevallen ons toegevallen aan de oostkant van de Jordaan.”
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
נִנְחַל֙
(ninchal)
wij ontvangen erfdeel
אִתָּ֔ם
(itam)
met hen
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
van de overkant
לַיַּרְדֵּ֖ן
(layarden)
van de Jordaan
וָהָ֑לְאָה
(vahalea)
en verder
כִּ֣י
(ki)
want
בָ֤אָה
(baa)
is gekomen
נַחֲלָתֵ֨נוּ֙
(nachalatenu)
ons erfdeel
אֵלֵ֔ינוּ
(eleinu)
naar ons
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
van de overkant van
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
מִזְרָֽחָה
(mizracha)
oostwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Uitleg
מֵעֵבֶר (me’ever), ‘aan de overkant’ of ‘aan de zijde van’: de sprekers staan ten oosten van de Jordaan.
‘Aan de overkant en verder’ is het land ten westen ervan, Kanaän.
Hun eigen erfdeel ligt aan de oostkant (mizrachah).
21en ieder van jullie die uitgerust is, voor het aangezicht van Yahweh de Jordaan oversteekt, tot Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht verdreven heeft,
וְעָבַ֨ר
(veavar)
en zal oversteken
לָכֶ֧ם
(lakhem)
van jullie
כָּל
(kal)
ieder
חָל֛וּץ
(chaluts)
uitgeruste
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַ֧ד
(ad)
tot
הוֹרִישׁ֛וֹ
(horisho)
Hij verdrijft
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבָ֖יו
(oyevav)
Zijn vijanden
מִפָּנָֽיו
(mipanav)
voor Zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
22en het land onderworpen is voor het aangezicht van Yahweh, en jullie daarna terugkeren, dan zijn jullie vrij van schuld tegenover Yahweh en tegenover Israël. Dan is dit land voor het aangezicht van Yahweh jullie bezit.
וְנִכְבְּשָׁ֨ה
(venikhbesha)
en is onderworpen
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְאַחַ֣ר
(veachar)
en daarna
תָּשֻׁ֔בוּ
(tashuvu)
jullie zullen terugkeren
וִהְיִיתֶ֧ם
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
נְקִיִּ֛ים
(neqiyim)
vrij van schuld
מֵיְהוָ֖ה
(meYahweh)
tegenover Yahweh
וּמִיִּשְׂרָאֵ֑ל
(umiyisrael)
en tegenover Israël
וְ֠הָיְתָה
(vehayeta)
en zal zijn
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֥את
(hazot)
dit
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
לַאֲחֻזָּ֖ה
(laachuza)
als bezit
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
נְקִיִּם (neqiyyim), ‘vrij van schuld’: zij hebben dan niets meer te verwijten tegenover Yahweh en Israël.
לַאֲחֻזָּה (la’achuzzah), ‘als bezit’: het land is hun bezit, niet het erfdeel dat aan de stammen in Kanaän wordt toegewezen.
27Maar uw dienaren zullen oversteken, ieder die voor het leger uitgerust is, voor het aangezicht van Yahweh, naar de oorlog, zoals mijn heer gesproken heeft.”
וַעֲבָדֶ֨יךָ
(vaavadeikha)
en uw dienaren
יַֽעַבְר֜וּ
(yaavru)
zullen oversteken
כָּל
(kal)
ieder
חֲל֥וּץ
(chaluts)
uitgeruste van
צָבָ֛א
(tsava)
het leger
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
naar de oorlog
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
דֹּבֵֽר
(dover)
spreekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Zij zeggen ‘mijn heer’ tegen Mozes.
Dat is de aanspreking van een leider, geen aanspreking van Yahweh.
28Mozes gaf bevel over hen aan Eleazar, de priester, en aan Jozua, de zoon van Nun. Hij gaf het ook aan de familiehoofden van de stammen van de zonen van Israël.
וַיְצַ֤ו
(vaytsav)
en gebood
לָהֶם֙
(lahem)
hun
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֶלְעָזָ֣ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֑וּן
(nun)
Nun
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רָאשֵׁ֛י
(rashei)
hoofden van
אֲב֥וֹת
(avot)
families van
הַמַּטּ֖וֹת
(hamatot)
de stammen
לִבְנֵ֥י
(livnei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Mozes zei tegen hen: „Stel dat de zonen van Gad en de zonen van Ruben met jullie de Jordaan oversteken. Ieder is uitgerust voor de oorlog, voor het aangezicht van Yahweh. Is het land voor jullie onderworpen, dan moeten jullie hun het land Gilead als bezit geven.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
אִם
(im)
als
יַעַבְר֣וּ
(yaavru)
zullen oversteken
בְנֵי
(benei)
de zonen van
גָ֣ד
(gad)
Gad
וּבְנֵי
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵ֣ן
(reuven)
Ruben
אִ֠תְּכֶם
(itekhem)
met jullie
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֞ן
(hayarden)
de Jordaan
כָּל
(kal)
ieder
חָל֤וּץ
(chaluts)
uitgerust
לַמִּלְחָמָה֙
(lamilchama)
voor de oorlog
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנִכְבְּשָׁ֥ה
(venikhbesha)
en is onderworpen
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לִפְנֵיכֶ֑ם
(lifneikhem)
voor jullie
וּנְתַתֶּ֥ם
(unetatem)
en jullie zullen geven
לָהֶ֛ם
(lahem)
hun
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
הַגִּלְעָ֖ד
(hagilad)
Gilead
לַאֲחֻזָּֽה
(laachuza)
als bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.
Uitleg
Wij vertalen וְנִכְבְּשָׁה (venikbeshah), ‘en het is onderworpen’, in vers 22 en 29 hetzelfde.
30Maar als zij niet uitgerust met jullie oversteken, dan krijgen zij hun bezit te midden van jullie, in het land Kanaän.”
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֧א
(lo)
niet
יַֽעַבְר֛וּ
(yaavru)
zullen oversteken
חֲלוּצִ֖ים
(chalutsim)
uitgerusten
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
met jullie
וְנֹֽאחֲז֥וּ
(venochazu)
en zij zullen bezit krijgen
בְתֹכְכֶ֖ם
(betokhekhem)
te midden van jullie
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
31De zonen van Gad en de zonen van Ruben antwoordden: „Wat Yahweh tegen uw dienaren gesproken heeft, zo zullen wij doen.
וַיַּֽעֲנ֧וּ
(vayaanu)
en antwoordden
בְנֵי
(benei)
de zonen van
גָ֛ד
(gad)
Gad
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵ֖ן
(reuven)
Ruben
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
om te zeggen
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
דִּבֶּ֧ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
עֲבָדֶ֖יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
כֵּ֥ן
(ken)
zo
נַעֲשֶֽׂה
(naase)
zullen wij doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Wij zelf zullen uitgerust voor het aangezicht van Yahweh oversteken naar het land Kanaän. Maar het bezit van ons erfdeel blijft bij ons, aan de oostkant van de Jordaan.”
נַ֣חְנוּ
(nachnu)
wij
נַעֲבֹ֧ר
(naavor)
zullen oversteken
חֲלוּצִ֛ים
(chalutsim)
uitgerusten
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וְאִתָּ֨נוּ֙
(veitanu)
en met ons
אֲחֻזַּ֣ת
(achuzat)
bezit van
נַחֲלָתֵ֔נוּ
(nachalatenu)
ons erfdeel
מֵעֵ֖בֶר
(meever)
van de overkant van
לַיַּרְדֵּֽן
(layarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.
Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.
Het land ten oosten van de Jordaan
33Mozes gaf het koninkrijk van Sichon, de koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan. Hij gaf het hun, de zonen van Gad, de zonen van Ruben en de helft van de stam van Manasse, de zoon van Jozef. Dat is het land met zijn steden, binnen de grenzen, en de steden van het land rondom.
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en gaf
לָהֶ֣ם
(lahem)
hun
מֹשֶׁ֡ה
(moshe)
Mozes
לִבְנֵי
(livnei)
aan de zonen van
גָד֩
(gad)
Gad
וְלִבְנֵ֨י
(velivnei)
en aan de zonen van
רְאוּבֵ֜ן
(reuven)
Ruben
וְלַחֲצִ֣י
(velachatsi)
en aan de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam van
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
בֶן
(ben)
zoon van
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(obj.)
מַמְלֶ֨כֶת֙
(mamlekhet)
koninkrijk van
סִיחֹן֙
(sichon)
Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָֽאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amorieten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַמְלֶ֔כֶת
(mamlekhet)
koninkrijk van
ע֖וֹג
(og)
Og
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַבָּשָׁ֑ן
(habashan)
Basan
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
לְעָרֶ֨יהָ֙
(leareiha)
met zijn steden
בִּגְבֻלֹ֔ת
(bigvulot)
binnen de grenzen van
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Het koninkrijk van Sichon, koning van de Amorieten, lag rond Chesbon; het koninkrijk van Og, koning van Basan, noordelijker, tot aan de berg Hermon (Num. 21:21–35; Deut. 3:1–11).
Samen is dit het gebied ten oosten van de Jordaan, nu in Jordanië en Syrië.
Uitleg
Mozes geeft het land ook aan de helft van de stam Manasse, die in vers 1–32 nog niet genoemd werd.
Over wat er verder met de helft van Manasse gebeurt, zie vers 39–42 en Num. 34:14–15.