Elohim Bijbel

Numeri 32

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

Gad, Ruben en de helft van Manasse blijven ten oosten van de Jordaan

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het verzoek van Gad en Ruben

1De zonen van Ruben en de zonen van Gad hadden veel kudden, een zeer grote menigte. Zij zagen het land Jaëzer en het land Gilead. En zie, die streek was een streek voor kudden.
וּמִקְנֶ֣ה
(umiqne)
en kudden
רַ֗ב
(rav)
veel
הָיָ֞ה
(haya)
waren
לִבְנֵ֧י
(livnei)
voor de zonen van
רְאוּבֵ֛ן
(reuven)
Ruben
וְלִבְנֵי
(velivnei)
en voor de zonen van
גָ֖ד
(gad)
Gad
עָצ֣וּם
(atsum)
talrijk
מְאֹ֑ד
(meod)
zeer
וַיִּרְא֞וּ
(vayiru)
en zij zagen
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֤רֶץ
(erets)
land van
יַעְזֵר֙
(yazer)
Jaëzer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
גִּלְעָ֔ד
(gilad)
Gilead
וְהִנֵּ֥ה
(vehine)
en zie
הַמָּק֖וֹם
(hamaqom)
de plaats
מְק֥וֹם
(meqom)
plaats van
מִקְנֶֽה
(miqne)
kudden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Jaëzer en Gilead liggen ten oosten van de Jordaan, in het noorden van het huidige Jordanië.

De ligging van Jaëzer is onzeker; wij denken aan een plaats in de buurt van het huidige As-Salt of Amman.

Gilead is het bergland ten zuiden van de Jabbok.

Uitleg

מִקְנֶה (miqneh), ‘kudden’: wij vertalen dit woord in heel dit hoofdstuk zo.

בְּהֵמָה (behemah) is ‘vee’ (vers 26).

2De zonen van Gad en de zonen van Ruben kwamen en zeiden tegen Mozes, tegen Eleazar, de priester, en tegen de leiders van de gemeenschap:
וַיָּבֹ֥אוּ
(vayavou)
en kwamen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
גָ֖ד
(gad)
Gad
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵ֑ן
(reuven)
Ruben
וַיֹּאמְר֤וּ
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
וְאֶל
(veel)
en tot
אֶלְעָזָ֣ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְאֶל
(veel)
en tot
נְשִׂיאֵ֥י
(nesiei)
leiders van
הָעֵדָ֖ה
(haeda)
de gemeenschap
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3„Atarot, Dibon, Jaëzer, Nimra, Chesbon, Elale, Sebam, Nebo en Beon,
עֲטָר֤וֹת
(atarot)
Atarot
וְדִיבֹן֙
(vedivon)
en Dibon
וְיַעְזֵ֣ר
(veyazer)
en Jaëzer
וְנִמְרָ֔ה
(venimra)
en Nimra
וְחֶשְׁבּ֖וֹן
(vecheshbon)
en Chesbon
וְאֶלְעָלֵ֑ה
(veelale)
en Elale
וּשְׂבָ֥ם
(usevam)
en Sebam
וּנְב֖וֹ
(unevo)
en Nebo
וּבְעֹֽן
(uveon)
en Beon
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Dit zijn steden in het gebied ten oosten van de Jordaan, dat Israël net van Sichon en Og heeft veroverd (Num. 21:21–35).

Chesbon (vers 37) ligt bij het huidige Hesban in Jordanië.

Nebo ligt bij de berg Nebo (Num. 33:47).

De andere namen liggen vermoedelijk in hetzelfde gebied; de precieze plaats van sommige is onzeker.

Zie Atarot: Atarot wordt gezocht bij Khirbet Attarus, ten noorden van de Arnon.

Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië.

Zie Jaëzer: Jaëzer lag ten noorden van Chesbon, vermoedelijk in het gebied tussen Amman en As-Salt.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Nimra: Nimra (Bet-Nimra) wordt gezocht bij Tell Nimrin, in het Jordaandal.

Zie Elale: Elale (nu El-Al) lag ten noorden van Chesbon, in het huidige Jordanië.

4het land dat Yahweh voor de gemeenschap van Israël verslagen heeft, is een land voor kudden. En uw dienaren hebben kudden.”
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
dat
הִכָּ֤ה
(hika)
heeft verslagen
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
עֲדַ֣ת
(adat)
de gemeenschap van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
מִקְנֶ֖ה
(miqne)
kudden
הִ֑וא
(hi)
het is
וְלַֽעֲבָדֶ֖יךָ
(velaavadeikha)
en voor uw dienaren
מִקְנֶֽה
(miqne)
kudden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הִכָּה (hikkah), ‘slaan’: Yahweh heeft dit land ‘geslagen’, dat wil zeggen verslagen, voor Israël.

Het gaat om de overwinning op Sichon en Og (Num. 21:21–35).

5Zij zeiden: „Als wij gunst in uw ogen gevonden hebben, laat dan dit land aan uw dienaren in bezit gegeven worden. Laat ons niet de Jordaan oversteken.”
וַיֹּאמְר֗וּ
(vayomru)
en zeiden
אִם
(im)
als
מָצָ֤אנוּ
(matsanu)
wij hebben gevonden
חֵן֙
(chen)
gunst
בְּעֵינֶ֔יךָ
(beeineikha)
in uw ogen
יֻתַּ֞ן
(yutan)
laat gegeven worden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֧רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֛את
(hazot)
dit
לַעֲבָדֶ֖יךָ
(laavadeikha)
aan uw dienaren
לַאֲחֻזָּ֑ה
(laachuza)
in bezit
אַל
(al)
niet
תַּעֲבִרֵ֖נוּ
(taavirenu)
laat ons oversteken
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּֽן
(hayarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

Zij spreken Mozes met ‘u’ aan en noemen zichzelf ‘uw dienaren’: dat is de aanspreking tegenover een leider.

Het antwoord van Mozes

6Mozes zei tegen de zonen van Gad en de zonen van Ruben: „Moeten jullie broers naar de oorlog gaan, terwijl jullie hier blijven zitten?
וַיֹּ֣אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
לִבְנֵי
(livnei)
tegen de zonen van
גָ֖ד
(gad)
Gad
וְלִבְנֵ֣י
(velivnei)
en tegen de zonen van
רְאוּבֵ֑ן
(reuven)
Ruben
הַאַֽחֵיכֶ֗ם
(haacheikhem)
zullen jullie broers
יָבֹ֨אוּ֙
(yavou)
gaan
לַמִּלְחָמָ֔ה
(lamilchama)
naar de oorlog
וְאַתֶּ֖ם
(veatem)
en jullie
תֵּ֥שְׁבוּ
(teshevu)
blijven zitten
פֹֽה
(po)
hier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Waarom nemen jullie de zonen van Israël de moed om over te steken naar het land dat Yahweh hun gegeven heeft?
וְלָ֣מָּה
(velama)
en waarom
תְנִיא֔וּן
(teniun)
nemen jullie de moed
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֖ב
(lev)
hart van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
מֵֽעֲבֹר֙
(meavor)
om over te steken
אֶל
(el)
naar
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
heeft gegeven
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הֵנִיא (henia), ‘de moed ontnemen’: letterlijk ‘het hart afbrengen’.

Wij vertalen: ‘de moed nemen’.

8Zo deden jullie vaders toen ik hen uit Kades-Barnea stuurde om het land te zien.
כֹּ֥ה
(ko)
zo
עָשׂ֖וּ
(asu)
deden
אֲבֹתֵיכֶ֑ם
(avoteikhem)
jullie vaders
בְּשָׁלְחִ֥י
(beshalechi)
toen ik stuurde
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
מִקָּדֵ֥שׁ
(miqadesh)
uit Kades
בַּרְנֵ֖עַ
(barnea)
Barnea
לִרְא֥וֹת
(lirot)
om te zien
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Kades-Barnea ligt in de woestijn Zin, in het zuiden van Kanaän, bij het huidige Ain Qudeirat in de Sinaï (Egypte/Israël).

Het verhaal staat in Num. 13–14.

9Zij trokken omhoog tot het dal Eskol en zagen het land. Toen namen zij de zonen van Israël de moed om naar het land te gaan dat Yahweh hun gegeven had.
וַֽיַּעֲל֞וּ
(vayaalu)
en zij trokken omhoog
עַד
(ad)
tot
נַ֣חַל
(nachal)
dal van
אֶשְׁכּ֗וֹל
(eshkol)
Eskol
וַיִּרְאוּ֙
(vayiru)
en zagen
אֶת
(et)
(obj.)
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
וַיָּנִ֕יאוּ
(vayaniu)
en namen de moed
אֶת
(et)
(obj.)
לֵ֖ב
(lev)
hart van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לְבִלְתִּי
(levilti)
opdat niet
בֹא֙
(bo)
zij zouden komen
אֶל
(el)
naar
הָאָ֔רֶץ
(haarets)
het land
אֲשֶׁר
(asher)
dat
נָתַ֥ן
(natan)
heeft gegeven
לָהֶ֖ם
(lahem)
hun
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het dal Eskol: zie Num. 13:23–24.

De ligging is waarschijnlijk in de buurt van Hebron, in de Westelijke Jordaanoever; zeker is dat niet.

10Op die dag laaide de toorn van Yahweh op en Hij zwoer:
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en laaide op
אַ֥ף
(af)
toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
בַּיּ֣וֹם
(bayom)
op dag
הַה֑וּא
(hahu)
die
וַיִּשָּׁבַ֖ע
(vayishava)
en Hij zwoer
לֵאמֹֽר
(lemor)
om te zeggen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11‘De mannen die uit Egypte zijn opgetrokken, van 20 jaar en ouder, zullen het land niet zien. Dat is het land dat Ik aan Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb. Want zij zijn Mij niet volledig gevolgd,
אִם
(im)
als
יִרְא֨וּ
(yiru)
zullen zien
הָאֲנָשִׁ֜ים
(haanashim)
de mannen
הָעֹלִ֣ים
(haolim)
die opgetrokken zijn
מִמִּצְרַ֗יִם
(mimitsrayim)
uit Egypte
מִבֶּ֨ן
(miben)
van
עֶשְׂרִ֤ים
(esrim)
20
שָׁנָה֙
(shana)
jaar
וָמַ֔עְלָה
(vamala)
en ouder
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
הָאֲדָמָ֔ה
(haadama)
de grond
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
נִשְׁבַּ֛עְתִּי
(nishbati)
Ik heb gezworen
לְאַבְרָהָ֥ם
(leavraham)
aan Abraham
לְיִצְחָ֖ק
(leyitschaq)
aan Isaak
וּֽלְיַעֲקֹ֑ב
(uleyaaqov)
en aan Jakob
כִּ֥י
(ki)
want
לֹא
(lo)
niet
מִלְא֖וּ
(milu)
zij zijn volledig geweest
אַחֲרָֽי
(acharay)
achter Mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

Dit is de eed van Yahweh na de terugkeer van de verspieders; zie Num. 14:21–24 en 14:28–35.

Mozes haalt hem hier aan.

Wij zetten de woorden van Yahweh rood, tussen enkele aanhalingstekens.

אִם (im), ‘als’: in een eed betekent dit ‘zeker niet’. Wij vertalen: ‘zullen niet zien’.

12behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Kenizziet, en Jozua, de zoon van Nun. Want zij hebben Yahweh volledig gevolgd.’
בִּלְתִּ֞י
(bilti)
behalve
כָּלֵ֤ב
(kalev)
Kaleb
בֶּן
(ben)
zoon van
יְפֻנֶּה֙
(yefune)
Jefunne
הַקְּנִזִּ֔י
(haqenizi)
de Kenizziet
וִיהוֹשֻׁ֖עַ
(vihoshua)
en Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֑וּן
(nun)
Nun
כִּ֥י
(ki)
want
מִלְא֖וּ
(milu)
zij zijn volledig geweest
אַחֲרֵ֥י
(acharei)
achter
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

In het Hebreeuws staat hier ‘Yahweh’ in de derde persoon.

Wij lezen dat als een deel van de eed.

Kaleb en Jozua volgden Yahweh volledig (Num. 14:24; 14:30).

13De toorn van Yahweh laaide op tegen Israël. Hij liet hen 40 jaar in de woestijn rondzwerven, tot heel de generatie die kwaad deed in de ogen van Yahweh, vergaan was.
וַיִּֽחַר
(vayichar)
en laaide op
אַ֤ף
(af)
toorn van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
tegen Israël
וַיְנִעֵם֙
(vayniem)
en liet rondzwerven hen
בַּמִּדְבָּ֔ר
(bamidbar)
in de woestijn
אַרְבָּעִ֖ים
(arbaim)
40
שָׁנָ֑ה
(shana)
jaar
עַד
(ad)
tot
תֹּם֙
(tom)
was vergaan
כָּל
(kal)
heel
הַדּ֔וֹר
(hador)
de generatie
הָעֹשֶׂ֥ה
(haose)
die doet
הָרַ֖ע
(hara)
het kwaad
בְּעֵינֵ֥י
(beeinei)
in de ogen van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

וַיְנִעֵם (vaynieem), ‘Hij liet hen rondzwerven’: veertig jaar in de woestijn; zie Num. 14:33–34 en 14:29.

Zo gaat de hele generatie van de verspieders in de woestijn dood.

14En zie, nu zijn jullie opgestaan in de plaats van jullie vaders, een gebroed van zondige mannen. Jullie maken zo de brandende toorn van Yahweh tegen Israël nog groter.
וְהִנֵּ֣ה
(vehine)
en zie
קַמְתֶּ֗ם
(qamtem)
jullie zijn opgestaan
תַּ֚חַת
(tachat)
in de plaats van
אֲבֹ֣תֵיכֶ֔ם
(avoteikhem)
jullie vaders
תַּרְבּ֖וּת
(tarbut)
gebroed van
אֲנָשִׁ֣ים
(anashim)
mannen
חַטָּאִ֑ים
(chataim)
zondige
לִסְפּ֣וֹת
(lispot)
om toe te voegen
ע֗וֹד
(od)
nog
עַ֛ל
(al)
aan
חֲר֥וֹן
(charon)
brandende
אַף
(af)
toorn van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tegen
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּרְבּוּת (tarbut), ‘gebroed’: het woord komt alleen hier voor en hangt samen met het werkwoord ‘groeien’ (רָבָה, ravah).

Mozes noemt de nieuwe generatie een ‘groei’ of ‘gebroed’ van zondaars.

15Want als jullie je van Hem afkeren, laat Hij hen nog langer in de woestijn achter en richten jullie dit hele volk te gronde.”
כִּ֤י
(ki)
want
תְשׁוּבֻן֙
(teshuvun)
jullie keren je af
מֵֽאַחֲרָ֔יו
(meacharav)
van achter Hem
וְיָסַ֣ף
(veyasaf)
en Hij zal doorgaan
ע֔וֹד
(od)
nog
לְהַנִּיח֖וֹ
(lehanicho)
hen te laten
בַּמִּדְבָּ֑ר
(bamidbar)
in de woestijn
וְשִֽׁחַתֶּ֖ם
(veshichatem)
en jullie zullen te gronde richten
לְכָל
(lekhal)
heel
הָעָ֥ם
(haam)
het volk
הַזֶּֽה
(haze)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het voorstel van Gad en Ruben

16Zij kwamen naar hem toe en zeiden: „Omheiningen voor het kleinvee willen wij hier bouwen voor onze kudden, en steden voor onze kleine kinderen.
וַיִּגְּשׁ֤וּ
(vayigeshu)
en zij kwamen dichtbij
אֵלָיו֙
(elav)
tot hem
וַ֣יֹּאמְר֔וּ
(vayomru)
en zeiden
גִּדְרֹ֥ת
(gidrot)
omheiningen van
צֹ֛אן
(tson)
kleinvee
נִבְנֶ֥ה
(nivne)
wij zullen bouwen
לְמִקְנֵ֖נוּ
(lemiqnenu)
voor onze kudden
פֹּ֑ה
(po)
hier
וְעָרִ֖ים
(vearim)
en steden
לְטַפֵּֽנוּ
(letapenu)
voor onze kleine kinderen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גִּדְרֹת צֹאן (gidrot tson), ‘omheiningen voor het kleinvee’: stenen omheiningen waarin de kudden ’s nachts staan.

17Wij zelf zullen ons gewapend uitrusten voor de zonen van Israël uit, tot wij hen naar hun plaats hebben gebracht. Onze kleine kinderen blijven in de versterkte steden, vanwege de bewoners van het land.
וַאֲנַ֜חְנוּ
(vaanachnu)
en wij
נֵחָלֵ֣ץ
(nechalets)
zullen ons uitrusten
חֻשִׁ֗ים
(chushim)
gewapend
לִפְנֵי֙
(lifnei)
voor
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
עַ֛ד
(ad)
tot
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
dat
אִם
(im)
als
הֲבִֽיאֹנֻ֖ם
(havionum)
wij hen hebben gebracht
אֶל
(el)
naar
מְקוֹמָ֑ם
(meqomam)
hun plaats
וְיָשַׁ֤ב
(veyashav)
en zullen blijven
טַפֵּ֨נוּ֙
(tapenu)
onze kleine kinderen
בְּעָרֵ֣י
(bearei)
in de steden van
הַמִּבְצָ֔ר
(hamivtsar)
de versterking
מִפְּנֵ֖י
(mipenei)
vanwege
יֹשְׁבֵ֥י
(yoshevei)
de bewoners van
הָאָֽרֶץ
(haarets)
het land
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חֻשִׁים (chushim) komt alleen hier voor; de betekenis is onzeker.

Wij vertalen ‘gewapend’ (zoals in vers 21 en 29 ‘uitgerust’).

Het kan ook ‘haastig’ betekenen.

עָרֵי הַמִּבְצָר (arei hamivtsar), ‘versterkte steden’: ook in vers 36.

18Wij keren niet terug naar ons huis, tot ieder van de zonen van Israël zijn erfdeel ontvangen heeft.
לֹ֥א
(lo)
niet
נָשׁ֖וּב
(nashuv)
wij keren terug
אֶל
(el)
naar
בָּתֵּ֑ינוּ
(bateinu)
onze huizen
עַ֗ד
(ad)
tot
הִתְנַחֵל֙
(hitnachel)
ontvangen als erfdeel
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
נַחֲלָתֽוֹ
(nachalato)
zijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Want wij ontvangen geen erfdeel met hen aan de overkant van de Jordaan en verder. Ons erfdeel is ons immers toegevallen ons toegevallen aan de oostkant van de Jordaan.”
כִּ֣י
(ki)
want
לֹ֤א
(lo)
niet
נִנְחַל֙
(ninchal)
wij ontvangen erfdeel
אִתָּ֔ם
(itam)
met hen
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
van de overkant
לַיַּרְדֵּ֖ן
(layarden)
van de Jordaan
וָהָ֑לְאָה
(vahalea)
en verder
כִּ֣י
(ki)
want
בָ֤אָה
(baa)
is gekomen
נַחֲלָתֵ֨נוּ֙
(nachalatenu)
ons erfdeel
אֵלֵ֔ינוּ
(eleinu)
naar ons
מֵעֵ֥בֶר
(meever)
van de overkant van
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
מִזְרָֽחָה
(mizracha)
oostwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

מֵעֵבֶר (me’ever), ‘aan de overkant’ of ‘aan de zijde van’: de sprekers staan ten oosten van de Jordaan.

‘Aan de overkant en verder’ is het land ten westen ervan, Kanaän.

Hun eigen erfdeel ligt aan de oostkant (mizrachah).

De voorwaarde van Mozes

20Mozes zei tegen hen: „Als jullie dit doen, als jullie je voor het aangezicht van Yahweh voor de oorlog uitrusten,
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zei
אֲלֵיהֶם֙
(aleihem)
tot hen
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אִֽם
(im)
als
תַּעֲשׂ֖וּן
(taasun)
jullie doen
אֶת
(et)
(obj.)
הַדָּבָ֣ר
(hadavar)
de zaak
הַזֶּ֑ה
(haze)
deze
אִם
(im)
als
תֵּחָֽלְצ֛וּ
(techaletsu)
jullie zullen uitrusten
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַמִּלְחָמָֽה
(lamilchama)
voor de oorlog
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21en ieder van jullie die uitgerust is, voor het aangezicht van Yahweh de Jordaan oversteekt, tot Hij Zijn vijanden voor Zijn aangezicht verdreven heeft,
וְעָבַ֨ר
(veavar)
en zal oversteken
לָכֶ֧ם
(lakhem)
van jullie
כָּל
(kal)
ieder
חָל֛וּץ
(chaluts)
uitgeruste
אֶת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֖ן
(hayarden)
de Jordaan
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
עַ֧ד
(ad)
tot
הוֹרִישׁ֛וֹ
(horisho)
Hij verdrijft
אֶת
(et)
(obj.)
אֹיְבָ֖יו
(oyevav)
Zijn vijanden
מִפָּנָֽיו
(mipanav)
voor Zijn aangezicht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

22en het land onderworpen is voor het aangezicht van Yahweh, en jullie daarna terugkeren, dan zijn jullie vrij van schuld tegenover Yahweh en tegenover Israël. Dan is dit land voor het aangezicht van Yahweh jullie bezit.
וְנִכְבְּשָׁ֨ה
(venikhbesha)
en is onderworpen
הָאָ֜רֶץ
(haarets)
het land
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
וְאַחַ֣ר
(veachar)
en daarna
תָּשֻׁ֔בוּ
(tashuvu)
jullie zullen terugkeren
וִהְיִיתֶ֧ם
(vihyitem)
en jullie zullen zijn
נְקִיִּ֛ים
(neqiyim)
vrij van schuld
מֵיְהוָ֖ה
(meYahweh)
tegenover Yahweh
וּמִיִּשְׂרָאֵ֑ל
(umiyisrael)
en tegenover Israël
וְ֠הָיְתָה
(vehayeta)
en zal zijn
הָאָ֨רֶץ
(haarets)
het land
הַזֹּ֥את
(hazot)
dit
לָכֶ֛ם
(lakhem)
voor jullie
לַאֲחֻזָּ֖ה
(laachuza)
als bezit
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְקִיִּם (neqiyyim), ‘vrij van schuld’: zij hebben dan niets meer te verwijten tegenover Yahweh en Israël.

לַאֲחֻזָּה (la’achuzzah), ‘als bezit’: het land is hun bezit, niet het erfdeel dat aan de stammen in Kanaän wordt toegewezen.

23Maar als jullie dit niet doen, zie, dan hebben jullie gezondigd tegen Yahweh. Weet dat jullie zonde jullie zal achterhalen.
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֤א
(lo)
niet
תַעֲשׂוּן֙
(taasun)
jullie doen
כֵּ֔ן
(ken)
zo
הִנֵּ֥ה
(hine)
zie
חֲטָאתֶ֖ם
(chatatem)
jullie hebben gezondigd
לַיהוָ֑ה
(laYahweh)
tegen Yahweh
וּדְעוּ֙
(udeu)
en weet
חַטַּאתְכֶ֔ם
(chatatkhem)
jullie zonde
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
תִּמְצָ֖א
(timtsa)
zal vinden
אֶתְכֶֽם
(etkhem)
jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַטַּאתְכֶם אֲשֶׁר תִּמְצָא אֶתְכֶם (chattatkhem asher timtsa etkhem), ‘jullie zonde zal jullie vinden’: de gevolgen van de zonde halen hen in.

24Bouw steden voor jullie kleine kinderen en omheiningen voor jullie kleinvee. Wat uit jullie mond is gekomen, moeten jullie doen.”
בְּנֽוּ
(benu)
bouw
לָכֶ֤ם
(lakhem)
voor jullie
עָרִים֙
(arim)
steden
לְטַפְּכֶ֔ם
(letapekhem)
voor jullie kleine kinderen
וּגְדֵרֹ֖ת
(ugederot)
en omheiningen
לְצֹנַאֲכֶ֑ם
(letsonaakhem)
voor jullie kleinvee
וְהַיֹּצֵ֥א
(vehayotse)
en wat uitgaat
מִפִּיכֶ֖ם
(mipikhem)
uit jullie mond
תַּעֲשֽׂוּ
(taasu)
doe
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mozes herhaalt hun eigen voorstel (vers 16), maar zet de steden voor de kleine kinderen eerst.

Ook ‘wat uit jullie mond is gekomen’ houdt hen aan hun eigen woorden.

De overeenkomst

25De zonen van Gad en de zonen van Ruben zeiden tegen Mozes: „Uw dienaren zullen doen wat mijn heer gebiedt.
וַיֹּ֤אמֶר
(vayomer)
en zeiden
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
גָד֙
(gad)
Gad
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵ֔ן
(reuven)
Ruben
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
om te zeggen
עֲבָדֶ֣יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
יַעֲשׂ֔וּ
(yaasu)
zullen doen
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
מְצַוֶּֽה
(metsave)
gebiedt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Onze kleine kinderen, onze vrouwen, onze kudden en al ons vee zullen daar blijven, in de steden van Gilead.
טַפֵּ֣נוּ
(tapenu)
onze kleine kinderen
נָשֵׁ֔ינוּ
(nasheinu)
onze vrouwen
מִקְנֵ֖נוּ
(miqnenu)
onze kudden
וְכָל
(vekhal)
en al
בְּהֶמְתֵּ֑נוּ
(behemtenu)
ons vee
יִֽהְיוּ
(yihyu)
zullen zijn
שָׁ֖ם
(sham)
daar
בְּעָרֵ֥י
(bearei)
in de steden van
הַגִּלְעָֽד
(hagilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Zie ookJoz 1:14
27Maar uw dienaren zullen oversteken, ieder die voor het leger uitgerust is, voor het aangezicht van Yahweh, naar de oorlog, zoals mijn heer gesproken heeft.”
וַעֲבָדֶ֨יךָ
(vaavadeikha)
en uw dienaren
יַֽעַבְר֜וּ
(yaavru)
zullen oversteken
כָּל
(kal)
ieder
חֲל֥וּץ
(chaluts)
uitgeruste van
צָבָ֛א
(tsava)
het leger
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַמִּלְחָמָ֑ה
(lamilchama)
naar de oorlog
כַּאֲשֶׁ֥ר
(kaasher)
zoals
אֲדֹנִ֖י
(adoni)
mijn heer
דֹּבֵֽר
(dover)
spreekt
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Zij zeggen ‘mijn heer’ tegen Mozes.

Dat is de aanspreking van een leider, geen aanspreking van Yahweh.

28Mozes gaf bevel over hen aan Eleazar, de priester, en aan Jozua, de zoon van Nun. Hij gaf het ook aan de familiehoofden van de stammen van de zonen van Israël.
וַיְצַ֤ו
(vaytsav)
en gebood
לָהֶם֙
(lahem)
hun
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֵ֚ת
(et)
(obj.)
אֶלְעָזָ֣ר
(elazar)
Eleazar
הַכֹּהֵ֔ן
(hakohen)
de priester
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
יְהוֹשֻׁ֣עַ
(yehoshua)
Jozua
בִּן
(bin)
zoon van
נ֑וּן
(nun)
Nun
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רָאשֵׁ֛י
(rashei)
hoofden van
אֲב֥וֹת
(avot)
families van
הַמַּטּ֖וֹת
(hamatot)
de stammen
לִבְנֵ֥י
(livnei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJoz 1:13
29Mozes zei tegen hen: „Stel dat de zonen van Gad en de zonen van Ruben met jullie de Jordaan oversteken. Ieder is uitgerust voor de oorlog, voor het aangezicht van Yahweh. Is het land voor jullie onderworpen, dan moeten jullie hun het land Gilead als bezit geven.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֲלֵהֶ֗ם
(alehem)
tot hen
אִם
(im)
als
יַעַבְר֣וּ
(yaavru)
zullen oversteken
בְנֵי
(benei)
de zonen van
גָ֣ד
(gad)
Gad
וּבְנֵי
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵ֣ן
(reuven)
Ruben
אִ֠תְּכֶם
(itekhem)
met jullie
אֶֽת
(et)
(obj.)
הַיַּרְדֵּ֞ן
(hayarden)
de Jordaan
כָּל
(kal)
ieder
חָל֤וּץ
(chaluts)
uitgerust
לַמִּלְחָמָה֙
(lamilchama)
voor de oorlog
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
וְנִכְבְּשָׁ֥ה
(venikhbesha)
en is onderworpen
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
לִפְנֵיכֶ֑ם
(lifneikhem)
voor jullie
וּנְתַתֶּ֥ם
(unetatem)
en jullie zullen geven
לָהֶ֛ם
(lahem)
hun
אֶת
(et)
(obj.)
אֶ֥רֶץ
(erets)
land van
הַגִּלְעָ֖ד
(hagilad)
Gilead
לַאֲחֻזָּֽה
(laachuza)
als bezit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

Wij vertalen וְנִכְבְּשָׁה (venikbeshah), ‘en het is onderworpen’, in vers 22 en 29 hetzelfde.

Zie ookNum 32:22
30Maar als zij niet uitgerust met jullie oversteken, dan krijgen zij hun bezit te midden van jullie, in het land Kanaän.”
וְאִם
(veim)
en als
לֹ֧א
(lo)
niet
יַֽעַבְר֛וּ
(yaavru)
zullen oversteken
חֲלוּצִ֖ים
(chalutsim)
uitgerusten
אִתְּכֶ֑ם
(itekhem)
met jullie
וְנֹֽאחֲז֥וּ
(venochazu)
en zij zullen bezit krijgen
בְתֹכְכֶ֖ם
(betokhekhem)
te midden van jullie
בְּאֶ֥רֶץ
(beerets)
in het land van
כְּנָֽעַן
(kenaan)
Kanaän
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie ookJoz 22:19
31De zonen van Gad en de zonen van Ruben antwoordden: „Wat Yahweh tegen uw dienaren gesproken heeft, zo zullen wij doen.
וַיַּֽעֲנ֧וּ
(vayaanu)
en antwoordden
בְנֵי
(benei)
de zonen van
גָ֛ד
(gad)
Gad
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵ֖ן
(reuven)
Ruben
לֵאמֹ֑ר
(lemor)
om te zeggen
אֵת֩
(et)
(obj.)
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
wat
דִּבֶּ֧ר
(diber)
heeft gesproken
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
עֲבָדֶ֖יךָ
(avadeikha)
uw dienaren
כֵּ֥ן
(ken)
zo
נַעֲשֶֽׂה
(naase)
zullen wij doen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32Wij zelf zullen uitgerust voor het aangezicht van Yahweh oversteken naar het land Kanaän. Maar het bezit van ons erfdeel blijft bij ons, aan de oostkant van de Jordaan.”
נַ֣חְנוּ
(nachnu)
wij
נַעֲבֹ֧ר
(naavor)
zullen oversteken
חֲלוּצִ֛ים
(chalutsim)
uitgerusten
לִפְנֵ֥י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶ֣רֶץ
(erets)
land van
כְּנָ֑עַן
(kenaan)
Kanaän
וְאִתָּ֨נוּ֙
(veitanu)
en met ons
אֲחֻזַּ֣ת
(achuzat)
bezit van
נַחֲלָתֵ֔נוּ
(nachalatenu)
ons erfdeel
מֵעֵ֖בֶר
(meever)
van de overkant van
לַיַּרְדֵּֽן
(layarden)
de Jordaan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Het land ten oosten van de Jordaan

33Mozes gaf het koninkrijk van Sichon, de koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan. Hij gaf het hun, de zonen van Gad, de zonen van Ruben en de helft van de stam van Manasse, de zoon van Jozef. Dat is het land met zijn steden, binnen de grenzen, en de steden van het land rondom.
וַיִּתֵּ֣ן
(vayiten)
en gaf
לָהֶ֣ם
(lahem)
hun
מֹשֶׁ֡ה
(moshe)
Mozes
לִבְנֵי
(livnei)
aan de zonen van
גָד֩
(gad)
Gad
וְלִבְנֵ֨י
(velivnei)
en aan de zonen van
רְאוּבֵ֜ן
(reuven)
Ruben
וְלַחֲצִ֣י
(velachatsi)
en aan de helft van
שֵׁ֣בֶט
(shevet)
stam van
מְנַשֶּׁ֣ה
(menashe)
Manasse
בֶן
(ben)
zoon van
יוֹסֵ֗ף
(yosef)
Jozef
אֶת
(et)
(obj.)
מַמְלֶ֨כֶת֙
(mamlekhet)
koninkrijk van
סִיחֹן֙
(sichon)
Sichon
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הָֽאֱמֹרִ֔י
(haemori)
de Amorieten
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מַמְלֶ֔כֶת
(mamlekhet)
koninkrijk van
ע֖וֹג
(og)
Og
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
הַבָּשָׁ֑ן
(habashan)
Basan
הָאָ֗רֶץ
(haarets)
het land
לְעָרֶ֨יהָ֙
(leareiha)
met zijn steden
בִּגְבֻלֹ֔ת
(bigvulot)
binnen de grenzen van
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
הָאָ֖רֶץ
(haarets)
het land
סָבִֽיב
(saviv)
rondom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Het koninkrijk van Sichon, koning van de Amorieten, lag rond Chesbon; het koninkrijk van Og, koning van Basan, noordelijker, tot aan de berg Hermon (Num. 21:21–35; Deut. 3:1–11).

Samen is dit het gebied ten oosten van de Jordaan, nu in Jordanië en Syrië.

Uitleg

Mozes geeft het land ook aan de helft van de stam Manasse, die in vers 1–32 nog niet genoemd werd.

Over wat er verder met de helft van Manasse gebeurt, zie vers 39–42 en Num. 34:14–15.

De steden van Gad en Ruben

34De zonen van Gad bouwden Dibon, Atarot en Aroër,
וַיִּבְנ֣וּ
(vayivnu)
en bouwden
בְנֵי
(benei)
de zonen van
גָ֔ד
(gad)
Gad
אֶת
(et)
(obj.)
דִּיבֹ֖ן
(divon)
Dibon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עֲטָרֹ֑ת
(atarot)
Atarot
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
עֲרֹעֵֽר
(aroer)
Aroër
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Dibon: Dibon (nu Dhiban) lag ten noorden van de Arnon, in het huidige Jordanië.

Zie Atarot: Atarot wordt gezocht bij Khirbet Attarus, ten noorden van de Arnon.

Zie Aroër: Aroër lag aan de rand van de Arnonkloof, bij het huidige Khirbet Arair in Jordanië.

Uitleg

בָּנוּ (banu), ‘bouwen’: de stammen bouwen de steden opnieuw op of versterken ze.

Zij krijgen ze van Mozes als bezit; vergelijk vers 33.

35Atrot-Sofan, Jaëzer en Jogbeha,
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַטְרֹ֥ת
(atrot)
Atrot
שׁוֹפָ֛ן
(shofan)
Sofan
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
יַעְזֵ֖ר
(yazer)
Jaëzer
וְיָגְבֳּהָֽה
(veyagboha)
en Jogbeha
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jaëzer: Jaëzer lag ten noorden van Chesbon, vermoedelijk in het gebied tussen Amman en As-Salt.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Jogbeha: Jogbeha wordt gezocht bij Khirbet el-Jubeihat, in de buurt van Amman.

36Bet-Nimra en Bet-Haran, versterkte steden, en omheiningen voor kleinvee.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
Bet
נִמְרָ֖ה
(nimra)
Nimra
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֵּ֣ית
(beit)
Bet
הָרָ֑ן
(haran)
Haran
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
מִבְצָ֖ר
(mivtsar)
versterking
וְגִדְרֹ֥ת
(vegidrot)
en omheiningen van
צֹֽאן
(tson)
kleinvee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nimra: Nimra (Bet-Nimra) wordt gezocht bij Tell Nimrin, in het Jordaandal.

Zie Bet-Haran: Bet-Haran wordt gezocht bij Tell Iktanu, in het Jordaandal ten oosten van de Jordaan.

Uitleg

גִּדְרֹת צֹאן (gidrot tson), ‘omheiningen voor kleinvee’: zie vers 16.

37De zonen van Ruben bouwden Chesbon, Elale en Kirjatajim,
וּבְנֵ֤י
(uvenei)
en de zonen van
רְאוּבֵן֙
(reuven)
Ruben
בָּנ֔וּ
(banu)
bouwden
אֶת
(et)
(obj.)
חֶשְׁבּ֖וֹן
(cheshbon)
Chesbon
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אֶלְעָלֵ֑א
(elale)
Elale
וְאֵ֖ת
(veet)
en (obj.)
קִרְיָתָֽיִם
(qiryatayim)
Kirjatajim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chesbon: Chesbon (Tel Hesban) ligt in het huidige Jordanië, ten zuidwesten van Amman.

Zie Elale: Elale (nu El-Al) lag ten noorden van Chesbon, in het huidige Jordanië.

38Nebo en Baäl-Meon, waarvan de namen veranderd werden, en Sibma. Zij gaven namen aan de steden die zij gebouwd hadden.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
נְב֞וֹ
(nevo)
Nebo
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בַּ֧עַל
(baal)
Baäl
מְע֛וֹן
(meon)
Meon
מֽוּסַבֹּ֥ת
(musabot)
veranderd
שֵׁ֖ם
(shem)
naam
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שִׂבְמָ֑ה
(sivma)
Sibma
וַיִּקְרְא֣וּ
(vayiqreu)
en zij gaven namen
בְשֵׁמֹ֔ת
(beshemot)
namen van
אֶת
(et)
(obj.)
שְׁמ֥וֹת
(shemot)
de namen van
הֶעָרִ֖ים
(hearim)
de steden
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
בָּנֽוּ
(banu)
zij bouwden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Nebo en Pisga: De Nebo en de Pisga liggen in het gebergte Abarim, ten oosten van de Dode Zee, ten westen van Madaba in Jordanië.

Zie Baäl-Meon: Baäl-Meon (Beon) wordt gezocht bij het huidige Main, ten zuidwesten van Madaba.

Uitleg

מוּסַבֹּת שֵׁם (musabbot shem), ‘waarvan de namen veranderd werden’: Beide namen bevatten de naam van een god (Nebo, Baäl).

Wij nemen aan dat de stammen daarom andere namen gaven; de nieuwe namen worden niet genoemd.

Machir, Jaïr en Nobach

39De zonen van Machir, de zoon van Manasse, trokken naar Gilead, namen het in en verdreven de Amorieten die daar woonden.
וַיֵּ֨לְכ֜וּ
(vayelekhu)
en gingen
בְּנֵ֨י
(benei)
de zonen van
מָכִ֧יר
(makhir)
Machir
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁ֛ה
(menashe)
Manasse
גִּלְעָ֖דָה
(gilada)
naar Gilead
וַֽיִּלְכְּדֻ֑הָ
(vayilkeduha)
en namen haar in
וַיּ֖וֹרֶשׁ
(vayoresh)
en verdreven
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱמֹרִ֥י
(haemori)
de Amorieten
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

Machir is de zoon van Manasse (Gen. 50:23).

Zijn nakomelingen veroveren Gilead.

40Mozes gaf Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en hij ging daar wonen.
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en gaf
מֹשֶׁה֙
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
הַגִּלְעָ֔ד
(hagilad)
Gilead
לְמָכִ֖יר
(lemakhir)
aan Machir
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁ֑ה
(menashe)
Manasse
וַיֵּ֖שֶׁב
(vayeshev)
en hij woonde
בָּֽהּ
(bah)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

41Jaïr, de zoon van Manasse, trok erheen en nam hun dorpen in. Hij noemde ze Chavvot-Jaïr.
וְיָאִ֤יר
(veyair)
en Jaïr
בֶּן
(ben)
zoon van
מְנַשֶּׁה֙
(menashe)
Manasse
הָלַ֔ךְ
(halakh)
ging
וַיִּלְכֹּ֖ד
(vayilkod)
en nam in
אֶת
(et)
(obj.)
חַוֺּתֵיהֶ֑ם
(chavoteihem)
hun dorpen
וַיִּקְרָ֥א
(vayiqra)
en noemde
אֶתְהֶ֖ן
(ethen)
hen
חַוֺּ֥ת
(chavot)
Chavvot
יָאִֽיר
(yair)
Jaïr
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

חַוֹּת יָאִיר (Chavvot Jaïr), ‘dorpen van Jaïr’: חַוָּה (chavvah) is een tentdorp.

42Nobach trok erheen en nam Kenat in, met de dorpen eromheen. Hij noemde het Nobach, naar zijn eigen naam.
וְנֹ֣בַח
(venovach)
en Nobach
הָלַ֔ךְ
(halakh)
ging
וַיִּלְכֹּ֥ד
(vayilkod)
en nam in
אֶת
(et)
(obj.)
קְנָ֖ת
(qenat)
Kenat
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹתֶ֑יהָ
(benoteiha)
haar dorpen
וַיִּקְרָ֧א
(vayiqra)
en noemde
לָ֦ה
(la)
haar
נֹ֖בַח
(novach)
Nobach
בִּשְׁמֽוֹ
(bishmo)
naar zijn naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Kenat: Kenat wordt gezocht bij het huidige Qanawat, in het zuiden van Syrië.

Dit is niet zeker.

Uitleg

Nobach noemt de stad Kenat naar zijn eigen naam; later heet de plaats weer Nobach (Richt. 8:11).