Elohim Bijbel

Numeri 3

123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536

De Levieten nemen de plaats van de eerstgeborenen in

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De zonen van Aäron

1Dit is de geschiedenis van Aäron en Mozes, op de dag dat Yahweh op de berg Sinaï tot Mozes sprak.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
תּוֹלְדֹ֥ת
(toledot)
geschiedenis van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
וּמֹשֶׁ֑ה
(umoshe)
en Mozes
בְּי֗וֹם
(beyom)
op de dag
דִּבֶּ֧ר
(diber)
sprak
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
בְּהַ֥ר
(behar)
op de berg
סִינָֽי
(sinay)
Sinaï
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

De berg Sinaï: zie de voetnoot bij Num. 1:1.

Uitleg

תּוֹלְדֹת (toledot), ‘geschiedenis’: wat uit iemand voortkomt.

Hier volgen alleen de zonen van Aäron; de zonen van Mozes staan in Exod. 18:3–4.

2Dit zijn de namen van de zonen van Aäron: Nadab, de eerstgeborene, en Abihu, Eleazar en Itamar.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
שְׁמ֥וֹת
(shemot)
namen van
בְּֽנֵי
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֖ן
(aharon)
Aäron
הַבְּכ֣וֹר
(habekhor)
de eerstgeborene
נָדָ֑ב
(nadav)
Nadab
וַאֲבִיה֕וּא
(vaavihu)
en Abihu
אֶלְעָזָ֖ר
(elazar)
Eleazar
וְאִיתָמָֽר
(veitamar)
en Itamar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Dit zijn de namen van de zonen van Aäron, de gezalfde priesters, die ingewijd zijn om priester te zijn.
אֵ֗לֶּה
(ele)
dit
שְׁמוֹת֙
(shemot)
namen van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
אַהֲרֹ֔ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֲנִ֖ים
(hakohanim)
de priesters
הַמְּשֻׁחִ֑ים
(hameshuchim)
de gezalfden
אֲשֶׁר
(asher)
die
מִלֵּ֥א
(mile)
vulde
יָדָ֖ם
(yadam)
hun hand
לְכַהֵֽן
(lekhahen)
om priester te zijn
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִלֵּא יָדָם (mille jadam), letterlijk ‘hun hand vullen’: inwijden tot priester.

Zie Exod. 29:9 en Lev. 8.

4Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht van Yahweh toen zij in de woestijn van Sinaï vreemd vuur voor het aangezicht van Yahweh brachten. Zij hadden geen zonen. Eleazar en Itamar dienden als priester in het bijzijn van Aäron, hun vader.
וַיָּ֣מָת
(vayamat)
en stierf
נָדָ֣ב
(nadav)
Nadab
וַאֲבִיה֣וּא
(vaavihu)
en Abihu
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָ֡ה
(Yahweh)
Yahweh
בְּֽהַקְרִבָם֩
(behaqrivam)
bij hun brengen van
אֵ֨שׁ
(esh)
vuur
זָרָ֜ה
(zara)
vreemd
לִפְנֵ֤י
(lifnei)
voor het aangezicht van
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
בְּמִדְבַּ֣ר
(bemidbar)
in de woestijn van
סִינַ֔י
(sinay)
Sinaï
וּבָנִ֖ים
(uvanim)
en zonen
לֹא
(lo)
niet
הָי֣וּ
(hayu)
waren
לָהֶ֑ם
(lahem)
voor hen
וַיְכַהֵ֤ן
(vaykhahen)
en deed priesterdienst
אֶלְעָזָר֙
(elazar)
Eleazar
וְאִ֣יתָמָ֔ר
(veitamar)
en Itamar
עַל
(al)
op
פְּנֵ֖י
(penei)
het aangezicht van
אַהֲרֹ֥ן
(aharon)
Aäron
אֲבִיהֶֽם
(avihem)
hun vader
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

Uitleg

De dood van Nadab en Abihu staat in Lev. 10:1–7.

Dat zij geen zonen hadden, staat ook in 1 Kron. 24:2.

De Levieten worden aan Aäron gegeven

5Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6„Laat de stam Levi naderen en stel hem op voor het aangezicht van de priester Aäron. Zij moeten hem dienen.
הַקְרֵב֙
(haqrev)
laat naderen
אֶת
(et)
(obj.)
מַטֵּ֣ה
(mate)
de stam van
לֵוִ֔י
(levi)
Levi
וְֽהַעֲמַדְתָּ֣
(vehaamadta)
en stel op
אֹת֔וֹ
(oto)
hem
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
וְשֵׁרְת֖וּ
(vesheretu)
en zij zullen dienen
אֹתֽוֹ
(oto)
hem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Zij moeten zijn wacht houden en de wacht van heel de gemeenschap, voor de tent van samenkomst, om de dienst van de tabernakel te doen.
וְשָׁמְר֣וּ
(veshameru)
en zij zullen bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
מִשְׁמַרְתּ֗וֹ
(mishmarto)
zijn wacht
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁמֶ֨רֶת֙
(mishmeret)
de wacht van
כָּל
(kal)
heel
הָ֣עֵדָ֔ה
(haeda)
de gemeenschap
לִפְנֵ֖י
(lifnei)
voor het aangezicht van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֑ד
(moed)
samenkomst
לַעֲבֹ֖ד
(laavod)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבֹדַ֥ת
(avodat)
de dienst van
הַמִּשְׁכָּֽן
(hamishkan)
de tabernakel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִשְׁמֶרֶת (mishmeret), ‘wacht’: wat iemand te bewaken en te verzorgen is opgedragen.

Zo ook in Lev. 8:35.

Wij houden dit woord in heel dit boek gelijk.

8Zij moeten de wacht houden over alle voorwerpen van de tent van samenkomst. En zij moeten de wacht van de zonen van Israël houden, om de dienst van de tabernakel te doen.
וְשָׁמְר֗וּ
(veshameru)
en zij zullen bewaren
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
כְּלֵי֙
(kelei)
voorwerpen van
אֹ֣הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מִשְׁמֶ֖רֶת
(mishmeret)
de wacht van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
לַעֲבֹ֖ד
(laavod)
om te doen
אֶת
(et)
(obj.)
עֲבֹדַ֥ת
(avodat)
de dienst van
הַמִּשְׁכָּֽן
(hamishkan)
de tabernakel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

‘De wacht van de zonen van Israël’: wat de zonen van Israël zelf aan de tabernakel zouden moeten doen, doen de Levieten in hun plaats (vers 12 en 38).

9Geef de Levieten aan Aäron en zijn zonen. Zij zijn helemaal aan hem gegeven, uit de zonen van Israël.
וְנָתַתָּה֙
(venatata)
en jij zult geven
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
לְאַהֲרֹ֖ן
(leaharon)
aan Aäron
וּלְבָנָ֑יו
(ulevanav)
en aan zijn zonen
נְתוּנִ֨ם
(netunim)
gegeven
נְתוּנִ֥ם
(netunim)
gegeven
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
מֵאֵ֖ת
(meet)
van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

נְתוּנִם נְתוּנִם (netunim netunim), ‘gegeven, gegeven’: de herhaling versterkt het woord, ‘helemaal gegeven’.

Zie ook Num. 8:16.

10Stel Aäron en zijn zonen aan, zodat zij hun priesterschap bewaren. Een vreemde die dichtbij komt, moet gedood worden.”
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
אַהֲרֹ֤ן
(aharon)
Aäron
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בָּנָיו֙
(banav)
zijn zonen
תִּפְקֹ֔ד
(tifqod)
jij zult aanstellen
וְשָׁמְר֖וּ
(veshameru)
en zij zullen bewaren
אֶת
(et)
(obj.)
כְּהֻנָּתָ֑ם
(kehunatam)
hun priesterschap
וְהַזָּ֥ר
(vehazar)
en de vreemde
הַקָּרֵ֖ב
(haqarev)
die nadert
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Levieten in de plaats van de eerstgeborenen

11Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12„Zie, Ik heb de Levieten genomen uit de zonen van Israël. Zij komen in de plaats van elke eerstgeborene die de moederschoot opent onder de zonen van Israël. De Levieten zijn van Mij.
וַאֲנִ֞י
(vaani)
en Ik
הִנֵּ֧ה
(hine)
zie
לָקַ֣חְתִּי
(laqachti)
ik heb genomen
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
מִתּוֹךְ֙
(mitokh)
uit het midden van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
תַּ֧חַת
(tachat)
in de plaats van
כָּל
(kal)
elke
בְּכ֛וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
פֶּ֥טֶר
(peter)
opener van
רֶ֖חֶם
(rechem)
moederschoot
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
uit de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְהָ֥יוּ
(vehayu)
en zullen zijn
לִ֖י
(li)
voor Mij
הַלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פֶּטֶר רֶחֶם (peter rechem), ‘opener van de moederschoot’: de eerstgeborene van een moeder.

Zie Exod. 13:2 en 13:12–15.

13Want elke eerstgeborene is van Mij. Op de dag dat Ik elke eerstgeborene in het land Egypte sloeg, heb Ik elke eerstgeborene in Israël voor Mij geheiligd, van mens tot dier. Zij zijn van Mij. Ik ben Yahweh.”
כִּ֣י
(ki)
want
לִי֮
(li)
voor Mij
כָּל
(kal)
elke
בְּכוֹר֒
(bekhor)
eerstgeborene
בְּיוֹם֩
(beyom)
op de dag
הַכֹּתִ֨י
(hakoti)
dat Ik sloeg
כָל
(kal)
elke
בְּכ֜וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
בְּאֶ֣רֶץ
(beerets)
in het land van
מִצְרַ֗יִם
(mitsrayim)
Egypte
הִקְדַּ֨שְׁתִּי
(hiqdashti)
heb Ik geheiligd
לִ֤י
(li)
voor Mij
כָל
(kal)
elke
בְּכוֹר֙
(bekhor)
eerstgeborene
בְּיִשְׂרָאֵ֔ל
(beyisrael)
in Israël
מֵאָדָ֖ם
(meadam)
van mens
עַד
(ad)
tot
בְּהֵמָ֑ה
(behema)
dier
לִ֥י
(li)
voor Mij
יִהְי֖וּ
(yihyu)
zullen zijn
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

De eerstgeborenen van Israël zijn van Yahweh sinds de nacht dat Hij de eerstgeborenen van Egypte sloeg (Exod. 12:29; 13:2).

De Levieten komen daar nu voor in de plaats.

De telling van de Levieten

14Yahweh sprak tot Mozes in de woestijn van Sinaï:
וַיְדַבֵּ֤ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָה֙
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
בְּמִדְבַּ֥ר
(bemidbar)
in de woestijn van
סִינַ֖י
(sinay)
Sinaï
לֵאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Sinaï: De berg Sinaï wordt van oudsher gezocht bij de Gebel Musa, in het zuiden van het schiereiland Sinaï.

15„Tel de zonen van Levi, naar hun vaderhuizen en hun families. Tel alle mannen van een maand oud en ouder.”
פְּקֹד֙
(peqod)
tel
אֶת
(et)
(obj.)
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
לֵוִ֔י
(levi)
Levi
לְבֵ֥ית
(leveit)
naar het vaderhuis van
אֲבֹתָ֖ם
(avotam)
hun vaders
לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם
(lemishpechotam)
naar hun families
כָּל
(kal)
alle
זָכָ֛ר
(zakhar)
mannen
מִבֶּן
(miben)
vanaf de zoon van
חֹ֥דֶשׁ
(chodesh)
een maand
וָמַ֖עְלָה
(vamala)
en ouder
תִּפְקְדֵֽם
(tifqedem)
jij zult hen tellen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Mozes telde hen op bevel van Yahweh, zoals hem geboden was.
וַיִּפְקֹ֥ד
(vayifqod)
en telde
אֹתָ֛ם
(otam)
hen
מֹשֶׁ֖ה
(moshe)
Mozes
עַל
(al)
naar
פִּ֣י
(pi)
de mond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֖ר
(kaasher)
zoals
צֻוָּֽה
(tsuva)
hem was geboden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Dit waren de zonen van Levi, met hun namen: Gersjon, Kehat en Merari.
וַיִּֽהְיוּ
(vayihyu)
en waren
אֵ֥לֶּה
(ele)
dezen
בְנֵֽי
(benei)
de zonen van
לֵוִ֖י
(levi)
Levi
בִּשְׁמֹתָ֑ם
(bishmotam)
met hun namen
גֵּרְשׁ֕וֹן
(gereshon)
Gersjon
וּקְהָ֖ת
(uqehat)
en Kehat
וּמְרָרִֽי
(umerari)
en Merari
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Dit zijn de namen van de zonen van Gersjon, naar hun families: Libni en Simi.
וְאֵ֛לֶּה
(veele)
en dit
שְׁמ֥וֹת
(shemot)
namen van
בְּֽנֵי
(benei)
de zonen van
גֵרְשׁ֖וֹן
(gereshon)
Gersjon
לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם
(lemishpechotam)
naar hun families
לִבְנִ֖י
(livni)
Libni
וְשִׁמְעִֽי
(veshimi)
en Simi
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19De zonen van Kehat, naar hun families: Amram, Jishar, Hebron en Uzziël.
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
קְהָ֖ת
(qehat)
Kehat
לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם
(lemishpechotam)
naar hun families
עַמְרָ֣ם
(amram)
Amram
וְיִצְהָ֔ר
(veyitshar)
en Jishar
חֶבְר֖וֹן
(chevron)
Hebron
וְעֻזִּיאֵֽל
(veuziel)
en Uzziël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20De zonen van Merari, naar hun families: Machli en Musi. Dit zijn de families van de Levieten, naar hun vaderhuizen.
וּבְנֵ֧י
(uvenei)
en de zonen van
מְרָרִ֛י
(merari)
Merari
לְמִשְׁפְּחֹתָ֖ם
(lemishpechotam)
naar hun families
מַחְלִ֣י
(machli)
Machli
וּמוּשִׁ֑י
(umushi)
en Musi
אֵ֥לֶּה
(ele)
dezen
הֵ֛ם
(hem)
zij
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
families van
הַלֵּוִ֖י
(halevi)
de Leviet
לְבֵ֥ית
(leveit)
naar het vaderhuis van
אֲבֹתָֽם
(avotam)
hun vaders
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Gersjonieten

21Van Gersjon: de familie van de Libnieten en de familie van de Simieten. Dit zijn de families van de Gersjonieten.
לְגֵ֣רְשׁ֔וֹן
(legereshon)
voor Gersjon
מִשְׁפַּ֨חַת֙
(mishpachat)
familie van
הַלִּבְנִ֔י
(halivni)
de Libniet
וּמִשְׁפַּ֖חַת
(umishpachat)
en familie van
הַשִּׁמְעִ֑י
(hashimi)
de Simiet
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
הֵ֔ם
(hem)
zij
מִשְׁפְּחֹ֖ת
(mishpechot)
families van
הַגֵּרְשֻׁנִּֽי
(hagereshuni)
de Gersjoniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Hun getelden, naar het aantal van alle mannen van een maand oud en ouder: hun getelden waren 7.500.
פְּקֻדֵיהֶם֙
(pequdeihem)
hun getelden
בְּמִסְפַּ֣ר
(bemispar)
in het aantal van
כָּל
(kal)
alle
זָכָ֔ר
(zakhar)
mannen
מִבֶּן
(miben)
vanaf de zoon van
חֹ֖דֶשׁ
(chodesh)
een maand
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en ouder
פְּקֻ֣דֵיהֶ֔ם
(pequdeihem)
hun getelden
שִׁבְעַ֥ת
(shivat)
zeven
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וַחֲמֵ֥שׁ
(vachamesh)
en vijf
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De drie aantallen (7.500, 8.600 en 6.200) staan in de verzen 22, 28 en 34.

Zie de voetnoot bij vers 39.

23De families van de Gersjonieten moeten achter de tabernakel, aan de westkant, hun kamp opslaan.
מִשְׁפְּחֹ֖ת
(mishpechot)
families van
הַגֵּרְשֻׁנִּ֑י
(hagereshuni)
de Gersjoniet
אַחֲרֵ֧י
(acharei)
achter
הַמִּשְׁכָּ֛ן
(hamishkan)
de tabernakel
יַחֲנ֖וּ
(yachanu)
zullen kamperen
יָֽמָּה
(yama)
westwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24De leider van het vaderhuis van de Gersjonieten was Eljasaf, de zoon van Lael.
וּנְשִׂ֥יא
(unesi)
en de leider van
בֵֽית
(beit)
het huis van
אָ֖ב
(av)
de vader
לַגֵּרְשֻׁנִּ֑י
(lagereshuni)
voor de Gersjoniet
אֶלְיָסָ֖ף
(elyasaf)
Eljasaf
בֶּן
(ben)
zoon van
לָאֵֽל
(lael)
Lael
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25De zonen van Gersjon moeten in de tent van samenkomst de wacht houden over de tabernakel en de tent, zijn dekking. Zij moeten ook de wacht houden over het gordijn voor de ingang van de tent van samenkomst.
וּמִשְׁמֶ֤רֶת
(umishmeret)
en de wacht van
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
גֵרְשׁוֹן֙
(gereshon)
Gersjon
בְּאֹ֣הֶל
(beohel)
in de tent van
מוֹעֵ֔ד
(moed)
samenkomst
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
וְהָאֹ֑הֶל
(vehaohel)
en de tent
מִכְסֵ֕הוּ
(mikhsehu)
zijn dekking
וּמָסַ֕ךְ
(umasakh)
en het gordijn van
פֶּ֖תַח
(petach)
de ingang van
אֹ֥הֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵֽד
(moed)
samenkomst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De onderdelen die de Gersjonieten dragen, staan beschreven in Exod. 26:1–14 (de tent en haar dekking) en Exod. 27:9–19 (het voorhof).

Hun taak bij het opbreken staat in Num. 4:24–26.

26Zij moeten de wacht houden over de omhangsels van het voorhof. Zij moeten ook de wacht houden over het gordijn voor de ingang van het voorhof dat rondom de tabernakel en het altaar loopt. Dat geldt ook voor zijn touwen en voor heel zijn dienst.
וְקַלְעֵ֣י
(veqalei)
en de omhangsels van
הֶֽחָצֵ֗ר
(hechatser)
het voorhof
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
מָסַךְ֙
(masakh)
het gordijn van
פֶּ֣תַח
(petach)
de ingang van
הֶֽחָצֵ֔ר
(hechatser)
het voorhof
אֲשֶׁ֧ר
(asher)
dat
עַל
(al)
op
הַמִּשְׁכָּ֛ן
(hamishkan)
de tabernakel
וְעַל
(veal)
en op
הַמִּזְבֵּ֖חַ
(hamizbeach)
het altaar
סָבִ֑יב
(saviv)
rondom
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
מֵֽיתָרָ֔יו
(meitarav)
zijn touwen
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor al
עֲבֹדָתֽוֹ
(avodato)
zijn dienst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De Kehatieten

27Van Kehat: de familie van de Amramieten, de familie van de Jisharieten, de familie van de Hebronieten en de familie van de Uzziëlieten. Dit zijn de families van de Kehatieten.
וְלִקְהָ֗ת
(veliqhat)
en voor Kehat
מִשְׁפַּ֤חַת
(mishpachat)
familie van
הַֽעַמְרָמִי֙
(haamrami)
de Amramiet
וּמִשְׁפַּ֣חַת
(umishpachat)
en familie van
הַיִּצְהָרִ֔י
(hayitshari)
de Jishariet
וּמִשְׁפַּ֨חַת֙
(umishpachat)
en familie van
הַֽחֶבְרֹנִ֔י
(hachevroni)
de Hebroniet
וּמִשְׁפַּ֖חַת
(umishpachat)
en familie van
הָֽעָזִּיאֵלִ֑י
(haazieli)
de Uzziëliet
אֵ֥לֶּה
(ele)
dezen
הֵ֖ם
(hem)
zij
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
families van
הַקְּהָתִֽי
(haqehati)
de Kehatiet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Naar het aantal van alle mannen van een maand oud en ouder waren het er 8.600. Zij houden de wacht over het heilige.
בְּמִסְפַּר֙
(bemispar)
in het aantal van
כָּל
(kal)
alle
זָכָ֔ר
(zakhar)
mannen
מִבֶּן
(miben)
vanaf de zoon van
חֹ֖דֶשׁ
(chodesh)
een maand
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en ouder
שְׁמֹנַ֤ת
(shemonat)
acht
אֲלָפִים֙
(alafim)
duizend
וְשֵׁ֣שׁ
(veshesh)
en zes
מֵא֔וֹת
(meot)
honderd
שֹׁמְרֵ֖י
(shomerei)
bewakers van
מִשְׁמֶ֥רֶת
(mishmeret)
de wacht van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קֹדֶשׁ (qodesh) is ‘het heilige’: de heilige plaats met alles wat erin is.

Wij vertalen dit woord met ‘het heilige’.

Alleen in ‘de sikkel van het heiligdom’ (vers 47 en 50) volgen wij Exodus.

מִקְדָּשׁ (miqdash) in vers 38 vertalen wij met ‘heiligdom’.

29De families van de zonen van Kehat moeten aan de zuidkant van de tabernakel hun kamp opslaan.
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
families van
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
קְהָ֖ת
(qehat)
Kehat
יַחֲנ֑וּ
(yachanu)
zullen kamperen
עַ֛ל
(al)
op
יֶ֥רֶךְ
(yerekh)
de zijkant van
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
תֵּימָֽנָה
(teimana)
zuidwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30De leider van het vaderhuis van de families van de Kehatieten was Elizafan, de zoon van Uzziël.
וּנְשִׂ֥יא
(unesi)
en de leider van
בֵֽית
(beit)
het huis van
אָ֖ב
(av)
de vader
לְמִשְׁפְּחֹ֣ת
(lemishpechot)
voor de families van
הַקְּהָתִ֑י
(haqehati)
de Kehatiet
אֶלִיצָפָ֖ן
(elitsafan)
Elizafan
בֶּן
(ben)
zoon van
עֻזִּיאֵֽל
(uziel)
Uzziël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
31Hun wacht: de ark, de tafel, de kandelaar, de altaren, de heilige voorwerpen waarmee zij dienen, het gordijn en heel zijn dienst.
וּמִשְׁמַרְתָּ֗ם
(umishmartam)
en hun wacht
הָאָרֹ֤ן
(haaron)
de ark
וְהַשֻּׁלְחָן֙
(vehashulchan)
en de tafel
וְהַמְּנֹרָ֣ה
(vehamenora)
en de kandelaar
וְהַֽמִּזְבְּחֹ֔ת
(vehamizbechot)
en de altaren
וּכְלֵ֣י
(ukhelei)
en de voorwerpen van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
waarmee
יְשָׁרְת֖וּ
(yesharetu)
zij dienen
בָּהֶ֑ם
(bahem)
ermee
וְהַ֨מָּסָ֔ךְ
(vehamasakh)
en het gordijn
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en alle
עֲבֹדָתֽוֹ
(avodato)
zijn dienst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hun taken bij het opbreken staan in Num. 4:4–15.

32De leider van de leiders van de Levieten was Eleazar, de zoon van de priester Aäron. Hij had het toezicht over hen die de wacht over het heilige houden.
וּנְשִׂיא֙
(unesi)
en de leider van
נְשִׂיאֵ֣י
(nesiei)
de leiders van
הַלֵּוִ֔י
(halevi)
de Levieten
אֶלְעָזָ֖ר
(elazar)
Eleazar
בֶּן
(ben)
zoon van
אַהֲרֹ֣ן
(aharon)
Aäron
הַכֹּהֵ֑ן
(hakohen)
de priester
פְּקֻדַּ֕ת
(pequdat)
toezicht op
שֹׁמְרֵ֖י
(shomerei)
bewakers van
מִשְׁמֶ֥רֶת
(mishmeret)
de wacht van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heilige
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פְּקֻדַּת (pequddat), ‘toezicht’, komt van פָּקַד (paqad), dat ook ‘tellen’ en ‘aanstellen’ betekent (Num. 1:50).

De Merarieten

33Van Merari: de familie van de Machlieten en de familie van de Musieten. Dit zijn de families van Merari.
לִמְרָרִ֕י
(limrari)
voor Merari
מִשְׁפַּ֨חַת֙
(mishpachat)
familie van
הַמַּחְלִ֔י
(hamachli)
de Machliet
וּמִשְׁפַּ֖חַת
(umishpachat)
en familie van
הַמּוּשִׁ֑י
(hamushi)
de Musiet
אֵ֥לֶּה
(ele)
dezen
הֵ֖ם
(hem)
zij
מִשְׁפְּחֹ֥ת
(mishpechot)
families van
מְרָרִֽי
(merari)
Merari
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
34Hun getelden, naar het aantal van alle mannen van een maand oud en ouder, waren 6.200.
וּפְקֻדֵיהֶם֙
(ufequdeihem)
en hun getelden
בְּמִסְפַּ֣ר
(bemispar)
in het aantal van
כָּל
(kal)
alle
זָכָ֔ר
(zakhar)
mannen
מִבֶּן
(miben)
vanaf de zoon van
חֹ֖דֶשׁ
(chodesh)
een maand
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en ouder
שֵׁ֥שֶׁת
(sheshet)
zes
אֲלָפִ֖ים
(alafim)
duizend
וּמָאתָֽיִם
(umatayim)
en tweehonderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
35De leider van het vaderhuis van de families van Merari was Zuriël, de zoon van Abichaïl. Zij moeten aan de noordkant van de tabernakel hun kamp opslaan.
וּנְשִׂ֤יא
(unesi)
en de leider van
בֵֽית
(beit)
het huis van
אָב֙
(av)
de vader
לְמִשְׁפְּחֹ֣ת
(lemishpechot)
voor de families van
מְרָרִ֔י
(merari)
Merari
צוּרִיאֵ֖ל
(tsuriel)
Zuriël
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲבִיחָ֑יִל
(avichayil)
Abichaïl
עַ֣ל
(al)
op
יֶ֧רֶךְ
(yerekh)
de zijkant van
הַמִּשְׁכָּ֛ן
(hamishkan)
de tabernakel
יַחֲנ֖וּ
(yachanu)
zullen kamperen
צָפֹֽנָה
(tsafona)
noordwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
36Het toezicht over de wacht van de zonen van Merari betrof de planken van de tabernakel, zijn dwarsbalken, zijn pilaren en zijn voetstukken. Het betrof ook al zijn voorwerpen en heel zijn dienst.
וּפְקֻדַּ֣ת
(ufequdat)
en het toezicht op
מִשְׁמֶרֶת֮
(mishmeret)
de wacht van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
מְרָרִי֒
(merari)
Merari
קַרְשֵׁי֙
(qarshei)
de planken van
הַמִּשְׁכָּ֔ן
(hamishkan)
de tabernakel
וּבְרִיחָ֖יו
(uverichav)
en zijn dwarsbalken
וְעַמֻּדָ֣יו
(veamudav)
en zijn pilaren
וַאֲדָנָ֑יו
(vaadanav)
en zijn voetstukken
וְכָל
(vekhal)
en alle
כֵּלָ֔יו
(kelav)
zijn voorwerpen
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en heel
עֲבֹדָתֽוֹ
(avodato)
zijn dienst
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Hun taken bij het opbreken staan in Num. 4:31–32.

37Het betrof ook de pilaren van het voorhof rondom, met hun voetstukken, hun tentpinnen en hun touwen.
וְעַמֻּדֵ֧י
(veamudei)
en de pilaren van
הֶחָצֵ֛ר
(hechatser)
het voorhof
סָבִ֖יב
(saviv)
rondom
וְאַדְנֵיהֶ֑ם
(veadneihem)
en hun voetstukken
וִיתֵדֹתָ֖ם
(vitedotam)
en hun pinnen
וּמֵֽיתְרֵיהֶֽם
(umeitereihem)
en hun touwen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Mozes, Aäron en zijn zonen

38Aan de voorkant van de tabernakel, aan de oostkant, voor de tent van samenkomst, slaan Mozes, Aäron en zijn zonen hun kamp op. Zij houden de wacht over het heiligdom, voor de wacht van de zonen van Israël. Een vreemde die dichtbij komt, moet gedood worden.
וְהַחֹנִ֣ים
(vehachonim)
en de kampenden
לִפְנֵ֣י
(lifnei)
voor
הַמִּשְׁכָּ֡ן
(hamishkan)
de tabernakel
קֵ֣דְמָה
(qedema)
oostwaarts
לִפְנֵי֩
(lifnei)
voor
אֹֽהֶל
(ohel)
de tent van
מוֹעֵ֨ד
(moed)
samenkomst
מִזְרָ֜חָה
(mizracha)
zonopgangwaarts
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
וְאַהֲרֹ֣ן
(veaharon)
en Aäron
וּבָנָ֗יו
(uvanav)
en zijn zonen
שֹֽׁמְרִים֙
(shomerim)
bewakend
מִשְׁמֶ֣רֶת
(mishmeret)
de wacht van
הַמִּקְדָּ֔שׁ
(hamiqdash)
het heiligdom
לְמִשְׁמֶ֖רֶת
(lemishmeret)
voor de wacht van
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְהַזָּ֥ר
(vehazar)
en de vreemde
הַקָּרֵ֖ב
(haqarev)
die nadert
יוּמָֽת
(yumat)
zal gedood worden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Aan de oostkant, de kant van de ingang, kampeert ook de stam Juda (Num. 2:3), maar op afstand van de tent.

Mozes, Aäron en zijn zonen staan het dichtst bij de ingang.

39Alle getelden van de Levieten, naar hun families, alle mannen van een maand oud en ouder: 22.000. Mozes en Aäron hebben hen op bevel van Yahweh geteld.
כָּל
(kal)
alle
פְּקוּדֵ֨י
(pequdei)
getelden van
הַלְוִיִּ֜ם
(halviyim)
de Levieten
אֲשֶׁר֩
(asher)
die
פָּקַ֨ד
(paqad)
telde
מֹשֶׁ֧ה
(moshe)
Mozes
וְׄאַׄהֲׄרֹ֛ׄןׄ
(veaharon)
en Aäron
עַל
(al)
naar
פִּ֥י
(pi)
de mond van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לְמִשְׁפְּחֹתָ֑ם
(lemishpechotam)
naar hun families
כָּל
(kal)
alle
זָכָר֙
(zakhar)
mannen
מִבֶּן
(miben)
vanaf de zoon van
חֹ֣דֶשׁ
(chodesh)
een maand
וָמַ֔עְלָה
(vamala)
en ouder
שְׁנַ֥יִם
(shenayim)
twee
וְעֶשְׂרִ֖ים
(veesrim)
en twintig
אָֽלֶף
(alef)
duizend
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Lezing

In de Hebreeuwse tekst staan boven de letters van het woord ‘en Aäron’ (וְאַהֲרֹן) stippen.

Dat is een oud teken van de schrijvers dat zij bij dit woord iets bijzonders opmerkten.

Wij laten het woord staan.

De getallen van de drie families (7.500 + 8.600 + 6.200) tellen op tot 22.300, niet tot 22.000. Wij vertalen de getallen zoals zij er staan.

De eerstgeborenen worden geteld

40Yahweh zei tot Mozes: „Tel elke mannelijke eerstgeborene van de zonen van Israël, van een maand oud en ouder. En neem het aantal van hun namen op.
וַיֹּ֨אמֶר
(vayomer)
en zei
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
פְּקֹ֨ד
(peqod)
tel
כָּל
(kal)
alle
בְּכֹ֤ר
(bekhor)
eerstgeborene van
זָכָר֙
(zakhar)
mannen
לִבְנֵ֣י
(livnei)
van de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
מִבֶּן
(miben)
vanaf de zoon van
חֹ֖דֶשׁ
(chodesh)
een maand
וָמָ֑עְלָה
(vamaela)
en ouder
וְשָׂ֕א
(vesa)
en neem op
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
מִסְפַּ֥ר
(mispar)
het aantal van
שְׁמֹתָֽם
(shemotam)
hun namen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
41Neem de Levieten voor Mij, Ik ben Yahweh, in de plaats van elke eerstgeborene onder de zonen van Israël. Neem ook het vee van de Levieten in de plaats van elke eerstgeborene onder het vee van de zonen van Israël.”
וְלָקַחְתָּ֨
(velaqachta)
en jij zult nemen
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּ֥ם
(halviyim)
de Levieten
לִי֙
(li)
voor Mij
אֲנִ֣י
(ani)
Ik
יְהוָ֔ה
(Yahweh)
Yahweh
תַּ֥חַת
(tachat)
in de plaats van
כָּל
(kal)
alle
בְּכֹ֖ר
(bekhor)
eerstgeborene
בִּבְנֵ֣י
(bivnei)
onder de zonen van
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
בֶּהֱמַ֣ת
(behemat)
het vee van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
תַּ֣חַת
(tachat)
in de plaats van
כָּל
(kal)
alle
בְּכ֔וֹר
(bekhor)
eerstgeborene
בְּבֶהֱמַ֖ת
(bevehemat)
onder het vee van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Levieten komen in de plaats van alle eerstgeborenen van Israël, en het vee van de Levieten in de plaats van de eerstgeborenen van het vee.

Zie ook Num. 8:14–18.

42Mozes telde, zoals Yahweh hem geboden had, elke eerstgeborene onder de zonen van Israël.
וַיִּפְקֹ֣ד
(vayifqod)
en telde
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֹת֑וֹ
(oto)
hem
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
בְּכֹ֖ר
(bekhor)
eerstgeborene
בִּבְנֵ֥י
(bivnei)
onder de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
43Het aantal van alle mannelijke eerstgeborenen, naar het aantal van de namen, van een maand oud en ouder, naar hun getelden, was 22.273.
וַיְהִי֩
(vayhi)
en werd
כָל
(kal)
alle
בְּכ֨וֹר
(bekhor)
eerstgeborene van
זָכָ֜ר
(zakhar)
mannen
בְּמִסְפַּ֥ר
(bemispar)
in het aantal van
שֵׁמ֛וֹת
(shemot)
namen
מִבֶּן
(miben)
vanaf de zoon van
חֹ֥דֶשׁ
(chodesh)
een maand
וָמַ֖עְלָה
(vamala)
en ouder
לִפְקֻדֵיהֶ֑ם
(lifqudeihem)
naar hun getelden
שְׁנַ֤יִם
(shenayim)
twee
וְעֶשְׂרִים֙
(veesrim)
en twintig
אֶ֔לֶף
(elef)
duizend
שְׁלֹשָׁ֥ה
(shelosha)
drie
וְשִׁבְעִ֖ים
(veshivim)
en zeventig
וּמָאתָֽיִם
(umatayim)
en tweehonderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Er zijn 22.273 eerstgeborenen en 22.000 Levieten.

Voor het verschil van 273 volgt in de verzen 46–51 een losgeld.

Zie ookNum 3:39
44Yahweh sprak tot Mozes:
וַיְדַבֵּ֥ר
(vaydaber)
en sprak
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֥ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹֽר
(lemor)
zeggende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
45„Neem de Levieten in de plaats van elke eerstgeborene onder de zonen van Israël. Neem ook het vee van de Levieten in de plaats van hun vee. De Levieten zullen van Mij zijn. Ik ben Yahweh.
קַ֣ח
(qach)
neem
אֶת
(et)
(obj.)
הַלְוִיִּ֗ם
(halviyim)
de Levieten
תַּ֤חַת
(tachat)
in de plaats van
כָּל
(kal)
alle
בְּכוֹר֙
(bekhor)
eerstgeborene
בִּבְנֵ֣י
(bivnei)
onder de zonen van
יִשְׂרָאֵ֔ל
(yisrael)
Israël
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בֶּהֱמַ֥ת
(behemat)
het vee van
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
תַּ֣חַת
(tachat)
in de plaats van
בְּהֶמְתָּ֑ם
(behemtam)
hun vee
וְהָיוּ
(vehayu)
en zullen zijn
לִ֥י
(li)
voor Mij
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
אֲנִ֥י
(ani)
Ik
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

Het losgeld voor het teveel aan eerstgeborenen

46En voor de lossing van de 273 eerstgeborenen van de zonen van Israël die boven het aantal van de Levieten uitkomen:
וְאֵת֙
(veet)
en (obj.)
פְּדוּיֵ֣י
(peduyei)
gelosten van
הַשְּׁלֹשָׁ֔ה
(hashelosha)
de drie
וְהַשִּׁבְעִ֖ים
(vehashivim)
en de zeventig
וְהַמָּאתָ֑יִם
(vehamatayim)
en de tweehonderd
הָעֹֽדְפִים֙
(haodefim)
die overtollig zijn
עַל
(al)
boven
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
מִבְּכ֖וֹר
(mibekhor)
van de eerstgeborene van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּדָה (padah), ‘lossen’: iemand vrijkopen door een betaling.

Zie Exod. 13:13 en 34:20.

47Neem vijf sikkels per hoofd. Neem die naar de sikkel van het heiligdom; een sikkel is twintig gera.
וְלָקַחְתָּ֗
(velaqachta)
en jij zult nemen
חֲמֵ֧שֶׁת
(chameshet)
vijf
חֲמֵ֛שֶׁת
(chameshet)
vijf
שְׁקָלִ֖ים
(sheqalim)
sikkels
לַגֻּלְגֹּ֑לֶת
(lagulgolet)
per hoofd
בְּשֶׁ֤קֶל
(besheqel)
naar de sikkel van
הַקֹּ֨דֶשׁ֙
(haqodesh)
het heiligdom
תִּקָּ֔ח
(tiqach)
jij zult nemen
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
גֵּרָ֖ה
(gera)
gera
הַשָּֽׁקֶל
(hashaqel)
de sikkel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שֶׁקֶל (sheqel), ‘sikkel’, is ongeveer 11,4 gram; vijf sikkels is dus ongeveer 57 gram zilver per persoon.

גֵּרָה (gera) is ongeveer 0,57 gram.

Zie ook Exod. 30:13.

48Geef het zilver aan Aäron en zijn zonen, als lossing van hen die boven dat aantal uitkomen.”
וְנָתַתָּ֣ה
(venatata)
en jij zult geven
הַכֶּ֔סֶף
(hakesef)
het zilver
לְאַהֲרֹ֖ן
(leaharon)
aan Aäron
וּלְבָנָ֑יו
(ulevanav)
en aan zijn zonen
פְּדוּיֵ֕י
(peduyei)
gelosten van
הָעֹדְפִ֖ים
(haodefim)
de overtolligen
בָּהֶֽם
(bahem)
onder hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
49Mozes nam het zilver van de lossing aan van hen die boven de gelosten van de Levieten uitkwamen.
וַיִּקַּ֣ח
(vayiqach)
en nam
מֹשֶׁ֔ה
(moshe)
Mozes
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כֶּ֣סֶף
(kesef)
het zilver van
הַפִּדְי֑וֹם
(hapidyom)
de lossing
מֵאֵת֙
(meet)
van
הָעֹ֣דְפִ֔ים
(haodefim)
de overtolligen
עַ֖ל
(al)
boven
פְּדוּיֵ֥י
(peduyei)
de gelosten van
הַלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
50Van de eerstgeborenen van de zonen van Israël nam hij het zilver aan: 1.365 sikkels, naar de sikkel van het heiligdom.
מֵאֵ֗ת
(meet)
van
בְּכ֛וֹר
(bekhor)
de eerstgeborene van
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
לָקַ֣ח
(laqach)
nam hij
אֶת
(et)
(obj.)
הַכָּ֑סֶף
(hakasef)
het zilver
חֲמִשָּׁ֨ה
(chamisha)
vijf
וְשִׁשִּׁ֜ים
(veshishim)
en zestig
וּשְׁלֹ֥שׁ
(ushelosh)
en drie
מֵא֛וֹת
(meot)
honderd
וָאֶ֖לֶף
(vaelef)
en duizend
בְּשֶׁ֥קֶל
(besheqel)
naar de sikkel van
הַקֹּֽדֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

273 keer 5 sikkels is 1.365 sikkels, ongeveer 15,6 kilo zilver.

51Mozes gaf het zilver van de gelosten aan Aäron en zijn zonen, op bevel van Yahweh, zoals Yahweh Mozes geboden had.
וַיִּתֵּ֨ן
(vayiten)
en gaf
מֹשֶׁ֜ה
(moshe)
Mozes
אֶת
(et)
(obj.)
כֶּ֧סֶף
(kesef)
het zilver van
הַפְּדֻיִ֛ם
(hapeduyim)
de gelosten
לְאַהֲרֹ֥ן
(leaharon)
aan Aäron
וּלְבָנָ֖יו
(ulevanav)
en aan zijn zonen
עַל
(al)
naar
פִּ֣י
(pi)
de mond van
יְהוָ֑ה
(Yahweh)
Yahweh
כַּאֲשֶׁ֛ר
(kaasher)
zoals
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֶת
(et)
(obj.)
מֹשֶֽׁה
(moshe)
Mozes
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)