De poorten, het geslachtsregister en de lijst van wie terugkeerde
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De stad wordt bewaakt
1Toen de muur gebouwd was, plaatste ik de deuren. De poortwachters, de zangers en de Levieten werden aangesteld.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
toen
נִבְנְתָה֙
(nivneta)
werd gebouwd
הַחוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
וָאַעֲמִ֖יד
(vaaamid)
en ik plaatste
הַדְּלָת֑וֹת
(hadelatot)
de deuren
וַיִּפָּֽקְד֛וּ
(vayipaqedu)
en werden aangesteld
הַשּׁוֹעֲרִ֥ים
(hashoarim)
de poortwachters
וְהַמְשֹׁרְרִ֖ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וְהַלְוִיִּֽם
(vehalviyim)
en de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּקַד (paqad), ‘aanstellen’: het werkwoord betekent ook ‘tellen’ of ‘opzoeken’.
Hier gaat het om de aanstelling van de dienst: de poortwachters bewaken de poorten, de zangers en Levieten dienen bij de tempel.
2Ik gaf Chanani, mijn broer, en Chananja, de bevelhebber van de burcht, het bevel over Jeruzalem. Want hij was als een man van waarheid en vreesde Elohim meer dan velen.
וָאֲצַוֶּ֞ה
(vaatsave)
en ik gaf bevel
אֶת
(et)
(obj.)
חֲנָ֣נִי
(chanani)
Chanani
אָחִ֗י
(achi)
mijn broer
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
חֲנַנְיָ֛ה
(chananya)
Chananja
שַׂ֥ר
(sar)
bevelhebber van
הַבִּירָ֖ה
(habira)
de burcht
עַל
(al)
over
יְרוּשָׁלִָ֑ם
(yerushaliam)
Jeruzalem
כִּי
(ki)
want
הוּא֙
(hu)
hij
כְּאִ֣ישׁ
(keish)
als een man van
אֱמֶ֔ת
(emet)
waarheid
וְיָרֵ֥א
(veyare)
en hij vreesde
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֱלֹהִ֖ים
(haElohim)
Elohim
מֵרַבִּֽים
(merabim)
meer dan velen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
חֲנָנִי (Chanani), ‘Chanani’, en חֲנַנְיָה (Chananja): twee verschillende namen.
Chanani is Nehemia’s broer; Chananja is de bevelhebber van de burcht.
הַבִּירָה (habirah), ‘de burcht’: een versterkt gebouw, hier bij de stad.
כְּאִישׁ אֱמֶת (ke’ish emet), ‘als een man van waarheid’: een betrouwbare man.
3Ik zei tegen hen: „De poorten van Jeruzalem mogen niet geopend worden voordat de zon heet is. Terwijl de wachters nog op hun post staan, moeten de deuren gesloten en vergrendeld worden. Stel wachtposten aan uit de inwoners van Jeruzalem, ieder op zijn eigen post en ieder tegenover zijn eigen huis.”
וָאֹמַ֣ר
(vaomar)
en ik zei
לָהֶ֗ם
(lahem)
tegen hen
לֹ֣א
(lo)
niet
יִפָּֽתְח֞וּ
(yipatechu)
mogen worden geopend
שַׁעֲרֵ֤י
(shaarei)
poorten van
יְרוּשָׁלִַ֨ם֙
(yerushalaim)
Jeruzalem
עַד
(ad)
tot
חֹ֣ם
(chom)
heet wordt
הַשֶּׁ֔מֶשׁ
(hashemesh)
de zon
וְעַ֨ד
(vead)
en terwijl
הֵ֥ם
(hem)
zij
עֹמְדִ֛ים
(omedim)
nog staan
יָגִ֥יפוּ
(yagifu)
zal men sluiten
הַדְּלָת֖וֹת
(hadelatot)
de deuren
וֶאֱחֹ֑זוּ
(veechozu)
en grendelen
וְהַעֲמֵ֗יד
(vehaameid)
en stel aan
מִשְׁמְרוֹת֙
(mishmerot)
wachtposten
יֹשְׁבֵ֣י
(yoshevei)
inwoners van
יְרוּשָׁלִַ֔ם
(yerushalaim)
Jeruzalem
אִ֚ישׁ
(ish)
ieder
בְּמִשְׁמָר֔וֹ
(bemishmaro)
op zijn post
וְאִ֖ישׁ
(veish)
en ieder
נֶ֥גֶד
(neged)
tegenover
בֵּיתֽוֹ
(beito)
zijn huis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
עַד חֹם הַשֶּׁמֶשׁ (ad chom hashemesh), ‘voordat de zon heet is’: de poorten gaan pas laat in de ochtend open.
וְעַד הֵם עֹמְדִים (ve’ad hem omedim), ‘terwijl zij nog staan’: dit stuk is moeilijk. Wij lezen: terwijl de wachters nog op hun post staan, worden de deuren gesloten. Anderen lezen: totdat zij gaan staan, dat wil zeggen: totdat de wachtposten bezet zijn.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ויאמר (vayyomer), ‘en hij zei’.
De voorgelezen tekst (qere) heeft וָאֹמַר (va’omar), ‘en ik zei’.
5Mijn Elohim gaf het mij in het hart om de edelen, de bestuurders en het volk te verzamelen, om hen naar geslacht in te schrijven. Ik vond het boek met de geslachtsregisters van hen die als eersten waren opgetrokken. Daarin vond ik geschreven:
וַיִּתֵּ֤ן
(vayiten)
en gaf
אֱלֹהַי֙
(elohay)
mijn Elohim
אֶל
(el)
in
לִבִּ֔י
(libi)
mijn hart
וָאֶקְבְּצָ֞ה
(vaeqbetsa)
en ik verzamelde
אֶת
(et)
(obj.)
הַחֹרִ֧ים
(hachorim)
de edelen
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הַסְּגָנִ֛ים
(haseganim)
de bestuurders
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לְהִתְיַחֵ֑שׂ
(lehityaches)
om in te schrijven naar geslacht
וָֽאֶמְצָ֗א
(vaemtsa)
en ik vond
סֵ֤פֶר
(sefer)
het boek van
הַיַּ֨חַשׂ֙
(hayachas)
de geslachtsregisters van
הָעוֹלִ֣ים
(haolim)
hen die opgingen
בָּרִאשׁוֹנָ֔ה
(barishona)
in het begin
וָאֶמְצָ֖א
(vaemtsa)
en ik vond
כָּת֥וּב
(katuv)
geschreven
בּֽוֹ
(bo)
daarin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
לְהִתְיַחֵשׂ (lehityachesh), ‘om in te schrijven naar geslacht’: het volk wordt geteld en ingedeeld volgens zijn afkomst.
סֵפֶר הַיַּחַשׂ (sefer hayachas), ‘het boek met de geslachtsregisters’: een lijst van wie als eersten waren opgetrokken. Wat daarin staat, volgt in de verzen 6–72.
6Dit zijn de mensen van de provincie die uit de gevangenschap van de ballingen optrokken. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hen weggevoerd. Zij keerden terug naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn eigen stad.
אֵ֣לֶּה
(ele)
dezen
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַמְּדִינָ֗ה
(hamedina)
de provincie
הָעֹלִים֙
(haolim)
die opgingen
מִשְּׁבִ֣י
(mishevi)
uit de gevangenen van
הַגּוֹלָ֔ה
(hagola)
de ballingschap
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
הֶגְלָ֔ה
(hegla)
had weggevoerd
נְבוּכַדְנֶצַּ֖ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶ֣לֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֑ל
(bavel)
Babel
וַיָּשׁ֧וּבוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
לִֽירוּשָׁלִַ֛ם
(lirushalaim)
naar Jeruzalem
וְלִיהוּדָ֖ה
(velihuda)
en naar Juda
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְעִירֽוֹ
(leiro)
naar zijn stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Neh. 7:6–72 is bijna dezelfde lijst als Ezra 2:1–70.
Waar het Hebreeuws gelijk is, hebben wij dezelfde Nederlandse woorden gebruikt.
Waar het Hebreeuws verschilt, staat per vers een voetnoot.
De verschillen zijn vooral getallen en spellingen van namen.
מְדִינָה (medinah), ‘provincie’: het gebied Juda als deel van het Perzische rijk.
Ezra 2:1 heeft ‘naar Babel’ bij ‘weggevoerd’. Neh. 7:6 heeft dat niet.
7Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azarja, Raämja, Nachamani, Mordechai, Bilsjan, Misperet, Bigvai, Nechum en Baäna. Dit is het aantal van de mannen van het volk Israël:
הַבָּאִ֣ים
(habaim)
die kwamen
עִם
(im)
met
זְרֻבָּבֶ֗ל
(zerubavel)
Zerubbabel
יֵשׁ֡וּעַ
(yeshua)
Jesua
נְחֶמְיָ֡ה
(nechemya)
Nehemia
עֲ֠זַרְיָה
(azarya)
Azarja
רַֽעַמְיָ֨ה
(raamya)
Raämja
נַחֲמָ֜נִי
(nachamani)
Nachamani
מָרְדֳּכַ֥י
(mardokhay)
Mordechai
בִּלְשָׁ֛ן
(bilshan)
Bilsjan
מִסְפֶּ֥רֶת
(misperet)
Misperet
בִּגְוַ֖י
(bigvay)
Bigvai
נְח֣וּם
(nechum)
Nechum
בַּעֲנָ֑ה
(baana)
Baäna
מִסְפַּ֕ר
(mispar)
aantal van
אַנְשֵׁ֖י
(anshei)
de mannen van
עַ֥ם
(am)
het volk
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier staan twaalf namen.
Ezra 2:2 heeft er elf.
Ezra heeft Seraja (hier Azarja), Reëlaja (hier Raämja), Mispar (hier Misperet) en Rechum (hier Nechum), en Ezra mist Nachamani.
נְחֶמְיָה (Nechemjah), ‘Nehemia’: de tekst zegt niet of deze Nehemia dezelfde is als de landvoogd (zie Neh. 5:14; 8:9).
45De poortwachters: de zonen van Sjallum, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkub, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai: 138.
הַשֹּֽׁעֲרִ֗ים
(hashoarim)
de poortwachters
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
שַׁלּ֤וּם
(shalum)
Sjallum
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
אָטֵר֙
(ater)
Ater
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
טַלְמֹ֣ן
(talmon)
Talmon
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
עַקּ֔וּב
(aquv)
Akkub
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
חֲטִיטָ֖א
(chatita)
Chatita
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
שֹׁבָ֑י
(shovay)
Sjobai
מֵאָ֖ה
(mea)
honderd
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וּשְׁמֹנָֽה
(ushemona)
en acht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier staat 138.
Ezra 2:42 heeft 139 en het woord ‘samen’ (הַכֹּל).
46De tempeldienaren: de zonen van Ziecha, de zonen van Chasjefa, de zonen van Tabbaot,
הַנְּתִינִ֑ים
(hanetinim)
de tempeldienaren
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
צִחָ֥א
(tsicha)
Ziecha
בְנֵי
(benei)
de zonen van
חֲשֻׂפָ֖א
(chasufa)
Chasjefa
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
טַבָּעֽוֹת
(tabaot)
Tabbaot
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
הַנְּתִינִים (hannetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’, mensen die aan de tempel waren gegeven om te dienen.
Neh. 7:46–56 noemt 32 namen. Ezra 2:43–54 noemt er 35. In Ezra staan extra: Akkub (2:45), Chagab (2:46) en Asna (2:50). Enkele namen zijn anders geschreven: hier Chasjefa, Kiros, Sia, Chakufa en Bazlit.
61Dit zijn zij die optrokken uit Tel-Melach, Tel-Charsja, Kerub, Addon en Immer. Zij konden niet aantonen dat het huis van hun vaders en hun nageslacht uit Israël kwam.
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dezen
הָֽעוֹלִים֙
(haolim)
die optrokken
מִתֵּ֥ל
(mitel)
uit Tel
מֶ֨לַח֙
(melach)
Melach
תֵּ֣ל
(tel)
Tel
חַרְשָׁ֔א
(charsha)
Charsja
כְּר֥וּב
(keruv)
Kerub
אַדּ֖וֹן
(adon)
Addon
וְאִמֵּ֑ר
(veimer)
en Immer
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
יָכְל֗וּ
(yakhelu)
konden zij
לְהַגִּ֤יד
(lehagid)
aantonen
בֵּית
(beit)
het huis van
אֲבוֹתָם֙
(avotam)
hun vaders
וְזַרְעָ֔ם
(vezaram)
en hun nageslacht
אִ֥ם
(im)
of
מִיִּשְׂרָאֵ֖ל
(miyisrael)
uit Israël
הֵֽם
(hem)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier staat Addon (אַדּוֹן).
Ezra 2:59 heeft Addan (אַדָּן).
Het is dezelfde plaats.
Tel-Melach, Tel-Charsja, Kerub, Addon en Immer zijn plaatsen in Babylonië. De ligging is niet bekend. Of Kerub en Addon twee plaatsen zijn of één, laat de tekst open.
63Van de priesters: de zonen van Chobaja, de zonen van Hakkoz en de zonen van Barzillai. Barzillai had een vrouw genomen van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, en werd naar hun naam genoemd.
וּמִן
(umin)
en van
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
חֳבַיָּ֖ה
(chovaya)
Chobaja
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַקּ֑וֹץ
(haqots)
Hakkoz
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בַרְזִלַּ֗י
(barzilay)
Barzillai
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לָ֠קַח
(laqach)
nam
מִבְּנ֞וֹת
(mibenot)
van de dochters van
בַּרְזִלַּ֤י
(barzilay)
Barzillai
הַגִּלְעָדִי֙
(hagiladi)
de Gileadiet
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
וַיִּקָּרֵ֖א
(vayiqare)
en werd genoemd
עַל
(al)
naar
שְׁמָֽם
(shemam)
hun naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Hier staat ‘Van de priesters’ (וּמִן הַכֹּהֲנִים).
Ezra 2:61 heeft ‘Van de zonen van de priesters’.
De drie familienamen zijn dezelfde.
Barzillai de Gileadiet komt ook voor in 2 Sam. 17:27 en 19:32. Het Hebreeuws zegt niet hoe deze priester met hem verwant is.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het totaal is 42.360, gelijk aan Ezra 2:64.
De getallen van de lijst tellen niet op tot dit totaal.
Volgens de getallen van Nehemia 7 zijn het 25.406 (families en steden), 4.289 (priesters), 74 (Levieten), 148 (zangers), 138 (poortwachters), 392 (tempeldienaren en dienaren van Salomo) en 642 (vers 62): samen 31.089.
69Een deel van de hoofden van de vaderhuizen gaf voor het werk. De Tirsjata gaf aan de schatkist 1.000 darieken goud, 50 sprengschalen en 530 priesterkleden.
וּמִקְצָת֙
(umiqtsat)
en een deel van
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הָֽאָב֔וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
נָתְנ֖וּ
(natenu)
gaven
לַמְּלָאכָ֑ה
(lamelakha)
voor het werk
הַתִּרְשָׁ֜תָא
(hatirshata)
de Tirsjata
נָתַ֣ן
(natan)
gaf
לָאוֹצָ֗ר
(laotsar)
aan de schatkist
זָהָ֞ב
(zahav)
goud
דַּרְכְּמֹנִ֥ים
(darkemonim)
darieken
אֶ֨לֶף֙
(elef)
duizend
מִזְרָק֣וֹת
(mizraqot)
sprengschalen
חֲמִשִּׁ֔ים
(chamishim)
vijftig
כָּתְנוֹת֙
(katenot)
gewaden van
כֹּֽהֲנִ֔ים
(kohanim)
priesters
שְׁלֹשִׁ֖ים
(sheloshim)
dertig
וַחֲמֵ֥שׁ
(vachamesh)
en vijf
מֵאֽוֹת
(meot)
honderd
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De gaven in de verzen 69–71 verschillen van Ezra 2:68–69.
Daar staat één totaal van 61.000 darieken, 5.000 minen en 100 priesterkleden.
Hier staan drie groepen: de Tirsjata (vers 69), sommige hoofden van de vaderhuizen (vers 70) en de rest van het volk (vers 71).
דַּרְכְּמוֹן (darkemon), ‘dariek’: waarschijnlijk een Perzische gouden munt. Het gewicht staat niet vast.
מִזְרָקוֹת (mizraqot), ‘sprengschalen’: schalen om bloed of vloeistof uit te gieten, zoals in de tempel.
שְׁלֹשִׁים וְחָמֵשׁ מֵאוֹת (sheloshim vechamesh me’ot), ‘dertig en vijfhonderd’: wij lezen dat als 530. De tekst noemt het zelfstandig naamwoord bij ‘honderd’ niet. Wij nemen ‘priesterkleden’ over.
72De priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, een deel van het volk, de tempeldienaren en heel Israël gingen wonen in hun steden. Toen de zevende maand aanbrak, woonden de Israëlieten in hun steden.
וַיֵּשְׁב֣וּ
(vayeshevu)
en gingen wonen
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֡ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְהַשּׁוֹעֲרִים֩
(vehashoarim)
en de poortwachters
וְהַמְשֹׁרְרִ֨ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וּמִן
(umin)
en van
הָעָ֧ם
(haam)
het volk
וְהַנְּתִינִ֛ים
(vehanetinim)
en de tempeldienaren
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּעָרֵיהֶ֑ם
(beareihem)
in hun steden
וַיִּגַּע֙
(vayiga)
en het naderde
הַחֹ֣דֶשׁ
(hachodesh)
de maand
הַשְּׁבִיעִ֔י
(hashevii)
de zevende
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּעָרֵיהֶֽם
(beareihem)
in hun steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers sluit aan op Ezra 2:70.
Neh. 7:72 noemt de poortwachters en de zangers in een andere volgorde en voegt er een zin aan toe: de zevende maand brak aan.