Elohim Bijbel

Markus 10

12345678910111213141516

Over scheiden, de kinderen, de man met veel goederen, de aankondiging van Zijn dood en Bartimeüs

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua onderwijst in Judea

1Hij vertrok vandaar en kwam in het gebied van Judea en aan de overkant van de Jordaan. Weer kwamen menigten naar Hem toe en, zoals Hij gewend was, onderwees Hij hen weer.
Καὶ
(Kai)
en
ἐκεῖθεν
(ekeithen)
vandaar
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἔρχεται
(erchetai)
komt
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
de
ὅρια
(horia)
gebied
τῆς
(tes)
van
Ἰουδαίας
(Ioudaias)
Judea
καὶ
(kai)
en
πέραν
(peran)
aan de overkant van
τοῦ
(tou)
de
Ἰορδάνου
(Iordanou)
Jordaan
καὶ
(kai)
en
συμπορεύονται
(symporeuontai)
komen samen
πάλιν
(palin)
weer
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
πρὸς
(pros)
naar
αὐτόν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ὡς
(hos)
zoals
εἰώθει
(eiothei)
Hij gewoon was
πάλιν
(palin)
weer
ἐδίδασκεν
(edidasken)
Hij onderwees
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.

Het komt overeen met het oude Juda.

Zie Overkant van de Jordaan (Perea; ligging onzeker): ‘De overkant van de Jordaan’ is het gebied ten oosten van de Jordaan, tegenover Judea.

Later heette dit gebied Perea.

De precieze grenzen zijn niet vast te stellen.

Zie Jordaan: De Jordaan stroomt van het Hermongebergte door het meer van Galilea naar de Dode Zee.

Uitleg

πέραν τοῦ Ἰορδάνου (peran tou Iordanou), ‘aan de overkant van de Jordaan’: het gebied ten oosten van de rivier.

Zie ook Matt. 19:1–2.

Een vraag over scheiden

2Zij vroegen Hem of het een man geoorloofd is zijn vrouw weg te sturen, om Hem op de proef te stellen.
Καὶ
(Kai)
en
ἐπηρώτων
(eperoton)
zij vroegen
αὐτὸν
(auton)
Hem
εἰ
(ei)
of
ἔξεστιν
(exestin)
geoorloofd is
ἀνδρὶ
(andri)
aan een man
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
ἀπολῦσαι
(apolysai)
weg te sturen
πειράζοντες
(peirazontes)
op de proef stellend
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀπολύω (apolyo), ‘wegsturen’: het gewone woord voor het wegsturen van een vrouw bij een scheiding.

Zie ook Matt. 19:3–9.

Lezing

De SBLGNT heeft hier geen onderwerp.

In andere handschriften staat dat Farizeeën naar Hem toe kwamen.

Wij schrijven ‘Zij’.

3Hij antwoordde en zei tegen hen: „Wat heeft Mozes jullie geboden?”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
Hij zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τί
(Ti)
wat
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἐνετείλατο
(eneteilato)
gebood
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
Bron: SBLGNT
4Zij zeiden: „Mozes heeft toegestaan een scheidingsbrief te schrijven en haar weg te sturen.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
Ἐπέτρεψεν
(Epetrepsen)
stond toe
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
βιβλίον
(biblion)
brief
ἀποστασίου
(apostasiou)
van scheiding
γράψαι
(grapsai)
te schrijven
καὶ
(kai)
en
ἀπολῦσαι
(apolysai)
weg te sturen
Bron: SBLGNT
Uitleg

βιβλίον ἀποστασίου (biblion apostasiou), ‘scheidingsbrief’: zie Deut. 24:1, waar de man voor zijn vrouw ‘een brief van scheiding’ schrijft.

Zie ookDeut 24:1
5Yeshua zei tegen hen: „Vanwege de hardheid van jullie hart heeft hij jullie dit gebod geschreven.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Πρὸς
(Pros)
vanwege
τὴν
(ten)
de
σκληροκαρδίαν
(sklerokardian)
hardheid van hart
ὑμῶν
(hymon)
jullie
ἔγραψεν
(egrapsen)
schreef
ὑμῖν
(hymin)
jullie
τὴν
(ten)
het
ἐντολὴν
(entolen)
gebod
ταύτην
(tauten)
dit
Bron: SBLGNT
6Maar vanaf het begin van de schepping heeft Hij hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt.
ἀπὸ
(apo)
vanaf
δὲ
(de)
maar
ἀρχῆς
(arches)
begin
κτίσεως
(ktiseos)
van schepping
ἄρσεν
(arsen)
mannelijk
καὶ
(kai)
en
θῆλυ
(thely)
vrouwelijk
ἐποίησεν
(epoiesen)
Hij maakte
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Gen. 1:27: ‘Hij schiep hen mannelijk en vrouwelijk’.

Zie ookGen 1:27
7‘Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten,
ἕνεκεν
(heneken)
omwille van
τούτου
(toutou)
dit
καταλείψει
(kataleipsei)
zal verlaten
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
καὶ
(kai)
en
προσκολληθήσεται
(proskollethesetai)
zal zich hechten
πρὸς
(pros)
aan
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
αὐτοῦ
(autou)
zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

Aanhaling van Gen. 2:24.

Het Hebreeuws heeft ‘een man’ (אִישׁ, ish) waar het Grieks ‘een mens’ (ἄνθρωπος, anthropos) heeft.

Zie ookGen 2:24
8en de twee zullen tot één vlees worden.’ Zo zijn zij niet meer twee, maar één vlees.
καὶ
(kai)
en
ἔσονται
(esontai)
zullen worden
οἱ
(hoi)
de
δύο
(dyo)
twee
εἰς
(eis)
tot
σάρκα
(sarka)
vlees
μίαν
(mian)
één
ὥστε
(hoste)
zodat
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
εἰσὶν
(eisin)
zijn zij
δύο
(dyo)
twee
ἀλλὰ
(alla)
maar
μία
(mia)
één
σάρξ
(sarx)
vlees
Bron: SBLGNT
9Wat Elohim dus heeft samengevoegd, laat een mens niet scheiden.”
ὃ
(ho)
wat
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
συνέζευξεν
(synezeuxen)
voegde samen
ἄνθρωπος
(anthropos)
mens
μὴ
(me)
niet
χωριζέτω
(chorizeto)
moet scheiden
Bron: SBLGNT
Uitleg

συνέζευξεν (synezeuxen), ‘samengevoegd’: letterlijk ‘onder één juk gebracht’.

Nog een uitleg in het huis

10In het huis vroegen de leerlingen Hem er weer naar.
Καὶ
(Kai)
en
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
οἰκίαν
(oikian)
huis
πάλιν
(palin)
weer
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
περὶ
(peri)
over
τούτου
(toutou)
dit
ἐπηρώτων
(eperoton)
zij vroegen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
11Hij zei tegen hen: „Wie zijn vrouw wegstuurt en met een andere trouwt, pleegt overspel tegen haar.
καὶ
(kai)
en
λέγει
(legei)
Hij zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ὃς
(Hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
ἀπολύσῃ
(apolyse)
wegstuurt
τὴν
(ten)
de
γυναῖκα
(gynaika)
vrouw
αὐτοῦ
(autou)
zijn
καὶ
(kai)
en
γαμήσῃ
(gamese)
trouwt
ἄλλην
(allen)
andere
μοιχᾶται
(moichatai)
pleegt overspel
ἐπ’
(ep’)
tegen
αὐτήν
(auten)
haar
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπ’ αὐτήν (ep’ auten), ‘tegen haar’: de eerste vrouw.

Het Grieks kan ook ‘bij haar’ betekenen, dan gaat het om de tweede vrouw; wij lezen ‘tegen haar’.

Zie ook Matt. 5:31–32; Matt. 19:9; Luc. 16:18.

12En als zij haar man wegstuurt en met een andere man trouwt, pleegt zij overspel.”
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
αὐτὴ
(aute)
zij
ἀπολύσασα
(apolysasa)
wegsturend
τὸν
(ton)
de
ἄνδρα
(andra)
man
αὐτῆς
(autes)
haar
γαμήσῃ
(gamese)
trouwt
ἄλλον
(allon)
andere
μοιχᾶται
(moichatai)
pleegt overspel
Bron: SBLGNT

Yeshua zegent de kinderen

13Zij brachten kinderen bij Hem, zodat Hij hen zou aanraken. De leerlingen bestraften hen.
Καὶ
(Kai)
en
προσέφερον
(prosepheron)
zij brachten
αὐτῷ
(auto)
aan Hem
παιδία
(paidia)
kinderen
ἵνα
(hina)
opdat
αὐτῶν
(auton)
hen
ἅψηται
(hapsetai)
Hij aanraakt
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ἐπετίμησαν
(epetimesan)
bestraften
αὐτοῖς
(autois)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 19:13–15; Luc. 18:15–17.

14Toen Yeshua dat zag, werd Hij verontwaardigd en zei tegen hen: „Laat de kinderen naar Mij toe komen. Houd hen niet tegen, want van mensen zoals zij is het koninkrijk van Elohim.
ἰδὼν
(idon)
ziende
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἠγανάκτησεν
(eganaktesen)
werd verontwaardigd
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Ἄφετε
(Aphete)
laat
τὰ
(ta)
de
παιδία
(paidia)
kinderen
ἔρχεσθαι
(erchesthai)
komen
πρός
(pros)
naar
με
(me)
Mij
μὴ
(me)
niet
κωλύετε
(kolyete)
houd tegen
αὐτά
(auta)
hen
τῶν
(ton)
van de
γὰρ
(gar)
want
τοιούτων
(toiouton)
zulke
ἐστὶν
(estin)
is
ἡ
(he)
het
βασιλεία
(basileia)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγανακτέω (aganakteo), ‘verontwaardigd worden’: wij vertalen het zo in 10:14 en 10:41.

τῶν τοιούτων (ton toiouton), ‘van zulke’: het Grieks zegt niet ‘kinderen’ of ‘mensen’; wij schrijven ‘mensen zoals zij’.

15Voorwaar, Ik zeg jullie: wie het koninkrijk van Elohim niet ontvangt als een kind, zal er zeker niet in binnengaan.”
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
μὴ
(me)
niet
δέξηται
(dexetai)
ontvangt
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
ὡς
(hos)
als
παιδίον
(paidion)
kind
οὐ
(ou)
niet
μὴ
(me)
zeker niet
εἰσέλθῃ
(eiselthe)
binnengaat
εἰς
(eis)
in
αὐτήν
(auten)
het
Bron: SBLGNT
16Hij nam hen in Zijn armen en zegende hen, terwijl Hij Zijn handen op hen legde.
καὶ
(kai)
en
ἐναγκαλισάμενος
(enankalisamenos)
in de armen nemend
αὐτὰ
(auta)
hen
κατευλόγει
(kateulogei)
zegende
τιθεὶς
(titheis)
leggend
τὰς
(tas)
de
χεῖρας
(cheiras)
handen
ἐπ’
(ep’)
op
αὐτά
(auta)
hen
Bron: SBLGNT

De man met veel goederen

17Toen Hij op weg ging, rende iemand naar Hem toe. Die viel op zijn knieën voor Hem en vroeg Hem: „Goede Leraar, wat moet ik doen om eeuwig leven te erven?”
Καὶ
(Kai)
en
ἐκπορευομένου
(ekporeuomenou)
uitgaand
αὐτοῦ
(autou)
Hij
εἰς
(eis)
naar
ὁδὸν
(hodon)
weg
προσδραμὼν
(prosdramon)
toe rennend
εἷς
(heis)
iemand
καὶ
(kai)
en
γονυπετήσας
(gonypetesas)
op de knieën vallend
αὐτὸν
(auton)
voor Hem
ἐπηρώτα
(eperota)
vroeg
αὐτόν
(auton)
Hem
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
ἀγαθέ
(agathe)
goede
τί
(ti)
wat
ποιήσω
(poieso)
moet ik doen
ἵνα
(hina)
opdat
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
κληρονομήσω
(kleronomeso)
ik erf
Bron: SBLGNT
Uitleg

κληρονομέω (kleronomeo), ‘erven’: een erfdeel ontvangen. ζωὴ αἰώνιος (zoe aionios), ‘eeuwig leven’: letterlijk ‘leven van de eeuw’; zie 10:30.

Zie ook Matt. 19:16–22; Luc. 18:18–23.

18Yeshua zei tegen hem: „Waarom noem je Mij goed? Niemand is goed, behalve één: Elohim.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Τί
(Ti)
waarom
με
(me)
Mij
λέγεις
(legeis)
noem je
ἀγαθόν
(agathon)
goed
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
ἀγαθὸς
(agathos)
goed
εἰ
(ei)
indien
μὴ
(me)
niet
εἷς
(heis)
één
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
Bron: SBLGNT
19De geboden ken je: ‘Je zult niet moorden. Je zult geen overspel plegen. Je zult niet stelen. Je zult geen valse getuigenis afleggen. Je zult niemand beroven. Eer je vader en je moeder.’”
τὰς
(tas)
de
ἐντολὰς
(entolas)
geboden
οἶδας
(oidas)
je kent
Μὴ
(Me)
niet
φονεύσῃς
(phoneuses)
moorden
Μὴ
(Me)
niet
μοιχεύσῃς
(moicheuses)
overspel plegen
Μὴ
(Me)
niet
κλέψῃς
(klepses)
stelen
Μὴ
(Me)
niet
ψευδομαρτυρήσῃς
(pseudomartyreses)
vals getuigen
Μὴ
(Me)
niet
ἀποστερήσῃς
(apostereses)
beroven
Τίμα
(Tima)
eer
τὸν
(ton)
de
πατέρα
(patera)
vader
σου
(sou)
jouw
καὶ
(kai)
en
τὴν
(ten)
de
μητέρα
(metera)
moeder
Bron: SBLGNT
Uitleg

De geboden staan in Exod. 20:12–16 (ook Deut. 5:16–20); het Grieks noemt het eren van vader en moeder het laatst.

‘Je zult niemand beroven’ (μὴ ἀποστερήσῃς, me apostereses) staat niet bij de tien geboden; vergelijk Lev. 19:13 (‘Je mag je naaste niet uitbuiten en niet beroven’).

20Die zei tegen Hem: „Leraar, dit alles heb ik onderhouden van jongs af aan.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἔφη
(ephe)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
ταῦτα
(tauta)
dit
πάντα
(panta)
alles
ἐφυλαξάμην
(ephylaxamen)
ik heb onderhouden
ἐκ
(ek)
van
νεότητός
(neotetos)
jeugd
μου
(mou)
mijn
Bron: SBLGNT
21Yeshua keek hem aan, had hem lief en zei tegen hem: „Eén ding ontbreekt je. Ga, verkoop alles wat je hebt en geef het aan de armen, en je zult een schat hebben in de hemel. Kom dan, volg Mij.”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐμβλέψας
(emblepsas)
aankijkend
αὐτῷ
(auto)
hem
ἠγάπησεν
(egapesen)
had lief
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἕν
(Hen)
één
σε
(se)
je
ὑστερεῖ
(hysterei)
ontbreekt
ὕπαγε
(hypage)
ga
ὅσα
(hosa)
alles wat
ἔχεις
(echeis)
je hebt
πώλησον
(poleson)
verkoop
καὶ
(kai)
en
δὸς
(dos)
geef
τοῖς
(tois)
aan de
πτωχοῖς
(ptochois)
armen
καὶ
(kai)
en
ἕξεις
(hexeis)
je zult hebben
θησαυρὸν
(thesauron)
schat
ἐν
(en)
in
οὐρανῷ
(ourano)
hemel
καὶ
(kai)
en
δεῦρο
(deuro)
kom
ἀκολούθει
(akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἠγάπησεν (egapesen), ‘had lief’: van ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’.

22Maar hij werd somber door dat woord en ging bedroefd weg. Want hij had veel goederen.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
στυγνάσας
(stygnasas)
somber geworden
ἐπὶ
(epi)
over
τῷ
(to)
het
λόγῳ
(logo)
woord
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
λυπούμενος
(lypoumenos)
bedroefd
ἦν
(en)
hij was
γὰρ
(gar)
want
ἔχων
(echon)
hebbend
κτήματα
(ktemata)
goederen
πολλά
(polla)
vele
Bron: SBLGNT

Rijkdom en het koninkrijk van Elohim

23Yeshua keek rond en zei tegen Zijn leerlingen: „Hoe moeilijk zullen zij die rijkdom hebben, het koninkrijk van Elohim binnengaan!”
Καὶ
(Kai)
en
περιβλεψάμενος
(periblepsamenos)
rondkijkend
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγει
(legei)
zegt
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Πῶς
(Pos)
hoe
δυσκόλως
(dyskolos)
moeilijk
οἱ
(hoi)
de
τὰ
(ta)
de
χρήματα
(chremata)
rijkdom
ἔχοντες
(echontes)
hebbenden
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
εἰσελεύσονται
(eiseleusontai)
zullen binnengaan
Bron: SBLGNT
24De leerlingen waren verbaasd over Zijn woorden. Yeshua antwoordde opnieuw en zei tegen hen: „Kinderen, hoe moeilijk is het om het koninkrijk van Elohim binnen te gaan!
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ἐθαμβοῦντο
(ethambounto)
waren verbaasd
ἐπὶ
(epi)
over
τοῖς
(tois)
de
λόγοις
(logois)
woorden
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
πάλιν
(palin)
weer
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τέκνα
(Tekna)
kinderen
πῶς
(pos)
hoe
δύσκολόν
(dyskolon)
moeilijk
ἐστιν
(estin)
is
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
Bron: SBLGNT
Lezing

In latere handschriften (Textus Receptus, Byzantijnse tekst) staat hier: ‘voor hen die op rijkdom vertrouwen’.

De SBLGNT heeft dat niet.

25Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van Elohim binnen te gaan.”
εὐκοπώτερόν
(eukopoteron)
gemakkelijker
ἐστιν
(estin)
is
κάμηλον
(kamelon)
kameel
διὰ
(dia)
door
τῆς
(tes)
het
τρυμαλιᾶς
(trymalias)
oog
τῆς
(tes)
van de
ῥαφίδος
(rhaphidos)
naald
διελθεῖν
(dielthein)
te gaan
ἢ
(e)
dan
πλούσιον
(plousion)
rijke
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
het
βασιλείαν
(basileian)
koninkrijk
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
εἰσελθεῖν
(eiselthein)
binnen te gaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

τρυμαλιὰ τῆς ῥαφίδος (trymalia tes rhafidos), ‘oog van een naald’: letterlijk ‘gat van een naald’.

Het is een beeld voor iets wat onmogelijk lijkt.

Zie ook Matt. 19:23–26; Luc. 18:24–27.

26Zij stonden zeer versteld en zeiden tegen elkaar: „Wie kan dan gered worden?”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
περισσῶς
(perissos)
buitengewoon
ἐξεπλήσσοντο
(exeplessonto)
stonden versteld
λέγοντες
(legontes)
zeggend
πρὸς
(pros)
tot
ἑαυτούς
(heautous)
zichzelf
Καὶ
(Kai)
en
τίς
(tis)
wie
δύναται
(dynatai)
kan
σωθῆναι
(sothenai)
gered worden
Bron: SBLGNT
27Yeshua keek hen aan en zei: „Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij Elohim. Want bij Elohim is alles mogelijk.”
ἐμβλέψας
(emblepsas)
aankijkend
αὐτοῖς
(autois)
hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγει
(legei)
zegt
Παρὰ
(Para)
bij
ἀνθρώποις
(anthropois)
mensen
ἀδύνατον
(adynaton)
onmogelijk
ἀλλ’
(all’)
maar
οὐ
(ou)
niet
παρὰ
(para)
bij
θεῷ
(theo)
Elohim
πάντα
(panta)
alles
γὰρ
(gar)
want
δυνατὰ
(dynata)
mogelijk
παρὰ
(para)
bij
τῷ
(to)
de
θεῷ
(theo)
Elohim
Bron: SBLGNT

Wat de leerlingen ontvangen

28Petrus begon tegen Hem te zeggen: „Zie, wij hebben alles achtergelaten en zijn U gevolgd.”
Ἤρξατο
(Erxato)
begon
λέγειν
(legein)
te zeggen
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
ἀφήκαμεν
(aphekamen)
wij lieten achter
πάντα
(panta)
alles
καὶ
(kai)
en
ἠκολουθήκαμέν
(ekolouthekamen)
wij hebben gevolgd
σοι
(soi)
U
Bron: SBLGNT
29Yeshua zei: „Voorwaar, Ik zeg jullie: er is niemand die huis, of broers, of zussen, of moeder, of vader, of kinderen, of akkers heeft achtergelaten omwille van Mij en omwille van de goede boodschap,
ἔφη
(ephe)
zei
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἀμὴν
(Amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
Ik zeg
ὑμῖν
(hymin)
jullie
οὐδείς
(oudeis)
niemand
ἐστιν
(estin)
is
ὃς
(hos)
die
ἀφῆκεν
(apheken)
liet achter
οἰκίαν
(oikian)
huis
ἢ
(e)
of
ἀδελφοὺς
(adelphous)
broers
ἢ
(e)
of
ἀδελφὰς
(adelphas)
zussen
ἢ
(e)
of
μητέρα
(metera)
moeder
ἢ
(e)
of
πατέρα
(patera)
vader
ἢ
(e)
of
τέκνα
(tekna)
kinderen
ἢ
(e)
of
ἀγροὺς
(agrous)
akkers
ἕνεκεν
(heneken)
omwille van
ἐμοῦ
(emou)
Mij
καὶ
(kai)
en
ἕνεκεν
(heneken)
omwille van
τοῦ
(tou)
de
εὐαγγελίου
(euangeliou)
goede boodschap
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 19:27–29; Luc. 18:28–30.

30die niet honderdvoudig zal ontvangen, nu in deze tijd: huizen, broers, zussen, moeders, kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de komende eeuw eeuwig leven.
ἐὰν
(ean)
indien
μὴ
(me)
niet
λάβῃ
(labe)
hij ontvangt
ἑκατονταπλασίονα
(hekatontaplasiona)
honderdvoudig
νῦν
(nyn)
nu
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
καιρῷ
(kairo)
tijd
τούτῳ
(touto)
deze
οἰκίας
(oikias)
huizen
καὶ
(kai)
en
ἀδελφοὺς
(adelphous)
broers
καὶ
(kai)
en
ἀδελφὰς
(adelphas)
zussen
καὶ
(kai)
en
μητέρας
(meteras)
moeders
καὶ
(kai)
en
τέκνα
(tekna)
kinderen
καὶ
(kai)
en
ἀγροὺς
(agrous)
akkers
μετὰ
(meta)
met
διωγμῶν
(diogmon)
vervolgingen
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
αἰῶνι
(aioni)
eeuw
τῷ
(to)
de
ἐρχομένῳ
(erchomeno)
komende
ζωὴν
(zoen)
leven
αἰώνιον
(aionion)
eeuwig
Bron: SBLGNT
Uitleg

αἰών (aion), ‘eeuw’: een lang tijdperk.

‘De komende eeuw’ staat tegenover ‘deze tijd’ (καιρός, kairos).

31Maar velen die de eersten zijn, zullen de laatsten zijn, en de laatsten de eersten.”
πολλοὶ
(polloi)
velen
δὲ
(de)
maar
ἔσονται
(esontai)
zullen zijn
πρῶτοι
(protoi)
eersten
ἔσχατοι
(eschatoi)
laatsten
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
ἔσχατοι
(eschatoi)
laatsten
πρῶτοι
(protoi)
eersten
Bron: SBLGNT

Opnieuw kondigt Yeshua Zijn dood aan

32Zij waren op weg omhoog naar Jeruzalem, en Yeshua ging voor hen uit. Zij waren verbaasd, en zij die Hem volgden, waren bang. Weer nam Hij de twaalf bij Zich en begon hun te zeggen wat Hem zou overkomen:
Ἦσαν
(Esan)
zij waren
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
ἀναβαίνοντες
(anabainontes)
opgaand
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
ἦν
(en)
was
προάγων
(proagon)
voorgaand
αὐτοὺς
(autous)
hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
ἐθαμβοῦντο
(ethambounto)
waren verbaasd
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἀκολουθοῦντες
(akolouthountes)
volgenden
ἐφοβοῦντο
(ephobounto)
waren bang
καὶ
(kai)
en
παραλαβὼν
(paralabon)
meenemend
πάλιν
(palin)
weer
τοὺς
(tous)
de
δώδεκα
(dodeka)
twaalf
ἤρξατο
(erxato)
begon
αὐτοῖς
(autois)
hun
λέγειν
(legein)
te zeggen
τὰ
(ta)
wat
μέλλοντα
(mellonta)
dreigde
αὐτῷ
(auto)
Hem
συμβαίνειν
(symbainein)
te gebeuren
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

33„Zie, wij gaan op naar Jeruzalem. De Mensenzoon zal worden overgeleverd aan de hogepriesters en de schriftgeleerden. Zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem overleveren aan de volken.
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰδοὺ
(Idou)
zie
ἀναβαίνομεν
(anabainomen)
wij gaan op
εἰς
(eis)
naar
Ἱεροσόλυμα
(Hierosolyma)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
παραδοθήσεται
(paradothesetai)
zal worden overgeleverd
τοῖς
(tois)
aan de
ἀρχιερεῦσιν
(archiereusin)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
τοῖς
(tois)
aan de
γραμματεῦσιν
(grammateusin)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
κατακρινοῦσιν
(katakrinousin)
zullen veroordelen
αὐτὸν
(auton)
Hem
θανάτῳ
(thanato)
tot de dood
καὶ
(kai)
en
παραδώσουσιν
(paradosousin)
zullen overleveren
αὐτὸν
(auton)
Hem
τοῖς
(tois)
aan de
ἔθνεσιν
(ethnesin)
volken
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

ἔθνη (ethne), ‘volken’: in het meervoud de niet-Joden.

Zie ook Matt. 20:17–19; Luc. 18:31–34.

34Zij zullen Hem bespotten, op Hem spugen, Hem geselen en doden. Na 3 dagen zal Hij opstaan.”
καὶ
(kai)
en
ἐμπαίξουσιν
(empaixousin)
zullen bespotten
αὐτῷ
(auto)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἐμπτύσουσιν
(emptysousin)
zullen spugen op
αὐτῷ
(auto)
Hem
καὶ
(kai)
en
μαστιγώσουσιν
(mastigosousin)
zullen geselen
αὐτὸν
(auton)
Hem
καὶ
(kai)
en
ἀποκτενοῦσιν
(apoktenousin)
zullen doden
καὶ
(kai)
en
μετὰ
(meta)
na
τρεῖς
(treis)
3
ἡμέρας
(hemeras)
dagen
ἀναστήσεται
(anastesetai)
zal opstaan
Bron: SBLGNT
Uitleg

μαστιγώσουσιν (mastigosousin), ‘zullen geselen’: slaan met een zweep.

De vraag van Jakobus en Johannes

35Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, kwamen naar Hem toe. Zij zeiden tegen Hem: „Leraar, wij willen dat U voor ons doet wat wij U ook vragen.”
Καὶ
(Kai)
en
προσπορεύονται
(prosporeuontai)
komen naar toe
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ἰάκωβος
(Iakobos)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννης
(Ioannes)
Johannes
οἱ
(hoi)
de
υἱοὶ
(huioi)
zonen
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
van Zebedeüs
λέγοντες
(legontes)
zeggend
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Διδάσκαλε
(Didaskale)
Leraar
θέλομεν
(thelomen)
wij willen
ἵνα
(hina)
dat
ὃ
(ho)
wat
ἐὰν
(ean)
(ooit)
αἰτήσωμέν
(aitesomen)
wij vragen
σε
(se)
U
ποιήσῃς
(poieses)
U doet
ἡμῖν
(hemin)
voor ons
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 20:20–28.

36Hij zei tegen hen: „Wat willen jullie dat Ik voor jullie doe?”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τί
(Ti)
wat
θέλετε
(thelete)
willen jullie
ποιήσω
(poieso)
dat Ik doe
ὑμῖν
(hymin)
voor jullie
Bron: SBLGNT
37Zij zeiden tegen Hem: „Geef ons dat wij mogen zitten, de één aan Uw rechterhand en de ander aan Uw linkerhand, in Uw heerlijkheid.”
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Δὸς
(Dos)
geef
ἡμῖν
(hemin)
ons
ἵνα
(hina)
opdat
εἷς
(heis)
één
σου
(sou)
Uw
ἐκ
(ek)
aan
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
καὶ
(kai)
en
εἷς
(heis)
één
ἐξ
(ex)
aan
ἀριστερῶν
(aristeron)
linkerhand
καθίσωμεν
(kathisomen)
wij zitten
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
δόξῃ
(doxe)
heerlijkheid
σου
(sou)
Uw
Bron: SBLGNT
Uitleg

‘Aan Uw rechterhand’ en ‘aan Uw linkerhand’ zijn de twee eerste plaatsen naast een koning. δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’.

38Yeshua zei tegen hen: „Jullie weten niet wat jullie vragen. Kunnen jullie de beker drinken die Ik drink, of gedoopt worden met de doop waarmee Ik gedoopt word?”
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Οὐκ
(Ouk)
niet
οἴδατε
(oidate)
jullie weten
τί
(ti)
wat
αἰτεῖσθε
(aiteisthe)
jullie vragen
δύνασθε
(dynasthe)
kunnen jullie
πιεῖν
(piein)
drinken
τὸ
(to)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ὃ
(ho)
die
ἐγὼ
(ego)
Ik
πίνω
(pino)
drink
ἢ
(e)
of
τὸ
(to)
de
βάπτισμα
(baptisma)
doop
ὃ
(ho)
waarmee
ἐγὼ
(ego)
Ik
βαπτίζομαι
(baptizomai)
word gedoopt
βαπτισθῆναι
(baptisthenai)
gedoopt te worden
Bron: SBLGNT
Uitleg

ποτήριον (poterion), ‘beker’, en βάπτισμα (baptisma), ‘doop’: het zijn beelden voor het lijden dat Yeshua te wachten staat.

Het Grieks verklaart ze hier niet; zie ook 14:36.

39Zij zeiden tegen Hem: „Dat kunnen wij.” Yeshua zei tegen hen: „De beker die Ik drink, zullen jullie drinken, en met de doop waarmee Ik gedoopt word, zullen jullie gedoopt worden.
οἱ
(hoi)
zij
δὲ
(de)
maar
εἶπαν
(eipan)
zeiden
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Δυνάμεθα
(Dynametha)
wij kunnen
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Τὸ
(To)
de
ποτήριον
(poterion)
beker
ὃ
(ho)
die
ἐγὼ
(ego)
Ik
πίνω
(pino)
drink
πίεσθε
(piesthe)
zullen jullie drinken
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
βάπτισμα
(baptisma)
doop
ὃ
(ho)
waarmee
ἐγὼ
(ego)
Ik
βαπτίζομαι
(baptizomai)
word gedoopt
βαπτισθήσεσθε
(baptisthesesthe)
zullen jullie gedoopt worden
Bron: SBLGNT
40Maar het is niet aan Mij om te geven dat iemand aan Mijn rechterhand of linkerhand zit. Het is voor hen voor wie het bereid is.”
τὸ
(to)
het
δὲ
(de)
maar
καθίσαι
(kathisai)
zitten
ἐκ
(ek)
aan
δεξιῶν
(dexion)
rechterhand
μου
(mou)
Mijn
ἢ
(e)
of
ἐξ
(ex)
aan
εὐωνύμων
(euonymon)
linkerhand
οὐκ
(ouk)
niet
ἔστιν
(estin)
is
ἐμὸν
(emon)
aan Mij
δοῦναι
(dounai)
te geven
ἀλλ’
(all’)
maar
οἷς
(hois)
voor wie
ἡτοίμασται
(hetoimastai)
het is bereid
Bron: SBLGNT
41Toen de tien dit hoorden, werden zij verontwaardigd over Jakobus en Johannes.
Καὶ
(Kai)
en
ἀκούσαντες
(akousantes)
horend
οἱ
(hoi)
de
δέκα
(deka)
tien
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
ἀγανακτεῖν
(aganaktein)
verontwaardigd te zijn
περὶ
(peri)
over
Ἰακώβου
(Iakobou)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννου
(Ioannou)
Johannes
Bron: SBLGNT

Groot zijn is bedienen

42Yeshua riep hen bij Zich. Hij zei tegen hen: „Jullie weten dat zij die als heersers over de volken gelden, over hen heersen en dat hun groten macht over hen uitoefenen.
καὶ
(kai)
en
προσκαλεσάμενος
(proskalesamenos)
bij zich roepend
αὐτοὺς
(autous)
hen
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
tegen hen
Οἴδατε
(Oidate)
jullie weten
ὅτι
(hoti)
dat
οἱ
(hoi)
de
δοκοῦντες
(dokountes)
geldenden
ἄρχειν
(archein)
te heersen
τῶν
(ton)
over de
ἐθνῶν
(ethnon)
volken
κατακυριεύουσιν
(katakyrieuousin)
heersen
αὐτῶν
(auton)
over hen
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
μεγάλοι
(megaloi)
groten
αὐτῶν
(auton)
hun
κατεξουσιάζουσιν
(katexousiazousin)
oefenen macht uit
αὐτῶν
(auton)
over hen
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie ook Matt. 20:25–28; Luc. 22:25–27.

43Maar zo is het onder jullie niet. Wie onder jullie groot wil worden, zal jullie dienaar zijn,
οὐχ
(ouch)
niet
οὕτως
(houtos)
zo
δέ
(de)
maar
ἐστιν
(estin)
is
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἀλλ’
(all’)
maar
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
θέλῃ
(thele)
wil
μέγας
(megas)
groot
γενέσθαι
(genesthai)
worden
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
ἔσται
(estai)
zal zijn
ὑμῶν
(hymon)
van jullie
διάκονος
(diakonos)
dienaar
Bron: SBLGNT
Uitleg

διάκονος (diakonos), ‘dienaar’: iemand die anderen dient; zie 9:35.

44en wie onder jullie de eerste wil zijn, zal de knecht van allen zijn.
καὶ
(kai)
en
ὃς
(hos)
wie
ἂν
(an)
(ooit)
θέλῃ
(thele)
wil
ἐν
(en)
onder
ὑμῖν
(hymin)
jullie
εἶναι
(einai)
zijn
πρῶτος
(protos)
eerste
ἔσται
(estai)
zal zijn
πάντων
(panton)
van allen
δοῦλος
(doulos)
knecht
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’; zie Matt. 24:45.

Voor διάκονος (10:43) schrijven wij ‘dienaar’ (zie 9:35).

Zie ookMat 24:45
45Want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losgeld voor velen.”
καὶ
(kai)
en
γὰρ
(gar)
want
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
Zoon
τοῦ
(tou)
van de
ἀνθρώπου
(anthropou)
Mens
οὐκ
(ouk)
niet
ἦλθεν
(elthen)
kwam
διακονηθῆναι
(diakonethenai)
gediend te worden
ἀλλὰ
(alla)
maar
διακονῆσαι
(diakonesai)
te dienen
καὶ
(kai)
en
δοῦναι
(dounai)
te geven
τὴν
(ten)
het
ψυχὴν
(psychen)
leven
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
λύτρον
(lytron)
losgeld
ἀντὶ
(anti)
in plaats van
πολλῶν
(pollon)
velen
Bron: SBLGNT
Uitleg

λύτρον (lytron), ‘losgeld’: de prijs waarmee iemand wordt vrijgekocht; vergelijk Exod. 21:30. ψυχή (psyche), ‘leven’.

Voor ‘velen’ vergelijk Jes. 53:11–12.

Yeshua geneest Bartimeüs

46Zij kwamen in Jericho. Toen Hij met Zijn leerlingen en een grote menigte Jericho verliet, zat Bartimeüs, de zoon van Timeüs, een blinde bedelaar, langs de weg.
Καὶ
(Kai)
en
ἔρχονται
(erchontai)
komen
εἰς
(eis)
in
Ἰεριχώ
(Iericho)
Jericho
καὶ
(kai)
en
ἐκπορευομένου
(ekporeuomenou)
uitgaand
αὐτοῦ
(autou)
Hij
ἀπὸ
(apo)
uit
Ἰεριχὼ
(Iericho)
Jericho
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ὄχλου
(ochlou)
menigte
ἱκανοῦ
(hikanou)
aanzienlijke
ὁ
(ho)
de
υἱὸς
(huios)
zoon
Τιμαίου
(Timaiou)
van Timeüs
Βαρτιμαῖος
(Bartimaios)
Bartimeüs
τυφλὸς
(typhlos)
blinde
προσαίτης
(prosaites)
bedelaar
ἐκάθητο
(ekatheto)
zat
παρὰ
(para)
langs
τὴν
(ten)
de
ὁδόν
(hodon)
weg
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Jericho: Jericho ligt in het Jordaandal, ongeveer 25 km ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

Βαρτιμαῖος (Bartimaios), ‘Bartimeüs’: bar is Aramees voor ‘zoon’; de tekst zegt zelf ‘de zoon van Timeüs’.

Zie ook Matt. 20:29–34; Luc. 18:35–43.

47Toen hij hoorde dat het Yeshua van Nazaret was, begon hij te roepen: „Zoon van David, Yeshua, ontferm U over mij!”
καὶ
(kai)
en
ἀκούσας
(akousas)
horend
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὁ
(ho)
de
Ναζαρηνός
(Nazarenos)
Nazarener
ἐστιν
(estin)
is
ἤρξατο
(erxato)
begon
κράζειν
(krazein)
te roepen
καὶ
(kai)
en
λέγειν
(legein)
te zeggen
Υἱὲ
(Huie)
Zoon
Δαυὶδ
(Dauid)
van David
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
ἐλέησόν
(eleeson)
ontferm U over
με
(me)
mij
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Nazaret: Nazaret (en-Nasira) ligt in Neder-Galilea, ten westen van het meer van Galilea, in het noorden van het huidige Israël.

Uitleg

Ναζαρηνός (Nazarenos), ‘van Nazaret’.

48Velen bestraften hem: hij moest zwijgen. Maar hij riep nog veel harder: „Zoon van David, ontferm U over mij!”
καὶ
(kai)
en
ἐπετίμων
(epetimon)
bestraften
αὐτῷ
(auto)
hem
πολλοὶ
(polloi)
velen
ἵνα
(hina)
opdat
σιωπήσῃ
(siopese)
hij zwijgt
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
πολλῷ
(pollo)
veel
μᾶλλον
(mallon)
meer
ἔκραζεν
(ekrazen)
riep
Υἱὲ
(Huie)
Zoon
Δαυίδ
(Dauid)
van David
ἐλέησόν
(eleeson)
ontferm U over
με
(me)
mij
Bron: SBLGNT
49Yeshua bleef staan en zei: „Roep hem.” Zij riepen de blinde en zeiden tegen hem: „Houd moed, sta op, Hij roept je.”
καὶ
(kai)
en
στὰς
(stas)
blijven staan
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Φωνήσατε
(Phonesate)
roep
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
φωνοῦσι
(phonousi)
roepen
τὸν
(ton)
de
τυφλὸν
(typhlon)
blinde
λέγοντες
(legontes)
zeggend
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Θάρσει
(Tharsei)
houd moed
ἔγειρε
(egeire)
sta op
φωνεῖ
(phonei)
Hij roept
σε
(se)
je
Bron: SBLGNT
50De blinde wierp zijn mantel af, sprong op en kwam bij Yeshua.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
ἀποβαλὼν
(apobalon)
afwerpend
τὸ
(to)
de
ἱμάτιον
(himation)
mantel
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἀναπηδήσας
(anapedesas)
opspringend
ἦλθεν
(elthen)
kwam
πρὸς
(pros)
bij
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
Bron: SBLGNT
51Yeshua antwoordde hem: „Wat wil je dat Ik voor je doe?” De blinde zei tegen Hem: „Rabboeni, dat ik weer kan zien.”
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
Τί
(Ti)
wat
σοι
(soi)
voor je
θέλεις
(theleis)
wil je
ποιήσω
(poieso)
dat Ik doe
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
τυφλὸς
(typhlos)
blinde
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen Hem
Ραββουνι
(Rhabbouni)
Rabboeni
ἵνα
(hina)
opdat
ἀναβλέψω
(anablepso)
ik weer zie
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ραββουνι (Rhabbouni), ‘Rabboeni’: Aramees, een eerbiedige vorm van ‘rabbi’ (‘mijn meester’).

Wij laten het woord staan.

52Yeshua zei tegen hem: „Ga, je geloof heeft je gered.” Meteen kon hij weer zien en hij volgde Hem op de weg.
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ὕπαγε
(Hypage)
ga
ἡ
(he)
het
πίστις
(pistis)
geloof
σου
(sou)
je
σέσωκέν
(sesoken)
heeft gered
σε
(se)
je
καὶ
(kai)
en
εὐθὺς
(euthys)
meteen
ἀνέβλεψεν
(aneblepsen)
zag weer
καὶ
(kai)
en
ἠκολούθει
(ekolouthei)
volgde
αὐτῷ
(auto)
Hem
ἐν
(en)
op
τῇ
(te)
de
ὁδῷ
(hodo)
weg
Bron: SBLGNT
Uitleg

σέσωκεν (sesoken): van σῴζω (sozo), ‘redden’.

Het woord betekent hier ook ‘genezen’; wij vertalen overal ‘redden’.