Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Yeshua roept Simon, Jakobus en Johannes
1Het gebeurde dat de menigte tegen Hem aandrong om het woord van Elohim te horen, terwijl Hij aan het meer van Gennesaret stond.
Ἐγένετο
(Egeneto)
gebeurde
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
τὸν
(ton)
de
ὄχλον
(ochlon)
menigte
ἐπικεῖσθαι
(epikeisthai)
aandringen
αὐτῷ
(auto)
op Hem
καὶ
(kai)
en
ἀκούειν
(akouein)
horen
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
τοῦ
(tou)
van de
θεοῦ
(theou)
Elohim
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hij
ἦν
(en)
was
ἑστὼς
(hestos)
staand
παρὰ
(para)
bij
τὴν
(ten)
het
λίμνην
(limnen)
meer
Γεννησαρέτ
(Gennesaret)
Gennesaret
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’.
Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.
Uitleg
λίμνη (limne), ‘meer’: Lucas noemt het Meer van Galilea zo; Matteüs en Markus zeggen θάλασσα (thalassa), ‘zee’. Γεννησαρέτ (Gennesaret) is de landstreek aan het meer (Matt. 14:34).
2Hij zag twee boten aan het meer liggen. De vissers waren eruit gestapt en wasten de netten.
καὶ
(kai)
en
εἶδεν
(eiden)
zag
δύο
(dyo)
twee
πλοῖα
(ploia)
boten
ἑστῶτα
(hestota)
staand
παρὰ
(para)
bij
τὴν
(ten)
het
λίμνην
(limnen)
meer
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἁλιεῖς
(halieis)
vissers
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ἀποβάντες
(apobantes)
uitgestapt
ἔπλυνον
(eplynon)
wasten
τὰ
(ta)
de
δίκτυα
(diktya)
netten
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Meer van Galilea (Kinneret): Lucas noemt het meer van Galilea ‘het meer’ of ‘het meer van Gennesaret’.
Het is een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.
3Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van de wal te varen. Daarna ging Hij zitten en onderwees de menigten vanuit de boot.
ἐμβὰς
(embas)
ingestapt
δὲ
(de)
maar
εἰς
(eis)
in
ἓν
(hen)
een
τῶν
(ton)
van de
πλοίων
(ploion)
boten
ὃ
(ho)
die
ἦν
(en)
was
Σίμωνος
(Simonos)
van Simon
ἠρώτησεν
(erotesen)
vroeg
αὐτὸν
(auton)
hem
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
het
γῆς
(ges)
land
ἐπαναγαγεῖν
(epanagagein)
af te varen
ὀλίγον
(oligon)
een weinig
καθίσας
(kathisas)
gezeten
δὲ
(de)
maar
ἐκ
(ek)
vanuit
τοῦ
(tou)
de
πλοίου
(ploiou)
boot
ἐδίδασκεν
(edidasken)
onderwees
τοὺς
(tous)
de
ὄχλους
(ochlous)
menigten
Bron: SBLGNT
Uitleg
Simon is Simon Petrus; hij wordt in 5:8 voor het eerst met beide namen genoemd.
Anders dan Matteüs en Markus vertelt Lucas niet dat Yeshua hem en Andreas eerst langs het meer ziet lopen.
4Toen Hij ophield met spreken, zei Hij tegen Simon: „Vaar naar het diepe en laat jullie netten zakken voor een vangst.”
ὡς
(hos)
toen
δὲ
(de)
maar
ἐπαύσατο
(epausato)
hield op
λαλῶν
(lalon)
sprekend
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tot
τὸν
(ton)
de
Σίμωνα
(Simona)
Simon
Ἐπανάγαγε
(Epanagage)
vaar uit
εἰς
(eis)
naar
τὸ
(to)
het
βάθος
(bathos)
diepe
καὶ
(kai)
en
χαλάσατε
(chalasate)
laat zakken
τὰ
(ta)
de
δίκτυα
(diktya)
netten
ὑμῶν
(hymon)
jullie
εἰς
(eis)
voor
ἄγραν
(agran)
vangst
Bron: SBLGNT
5Simon antwoordde: „Meester, de hele nacht hebben wij ons afgetobd en niets gevangen. Maar op Uw woord zal ik de netten laten zakken.”
καὶ
(kai)
en
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
Σίμων
(Simon)
Simon
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἐπιστάτα
(Epistata)
Meester
δι’
(di’)
gedurende
ὅλης
(holes)
hele
νυκτὸς
(nyktos)
nacht
κοπιάσαντες
(kopiasantes)
afgetobd hebbend
οὐδὲν
(ouden)
niets
ἐλάβομεν
(elabomen)
namen wij
ἐπὶ
(epi)
op
δὲ
(de)
maar
τῷ
(to)
het
ῥήματί
(rhemati)
woord
σου
(sou)
Uw
χαλάσω
(chalaso)
zal ik laten zakken
τὰ
(ta)
de
δίκτυα
(diktya)
netten
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐπιστάτα (epistata), ‘Meester’: een aanspreking die Lucas gebruikt; elders spreken Matteüs en Markus Yeshua aan met ‘Rabbi’ of ‘Leraar’. ῥῆμα (rhema), ‘woord’.
6Toen zij dat deden, sloten zij een grote hoeveelheid vissen in. Hun netten begonnen te scheuren.
καὶ
(kai)
en
τοῦτο
(touto)
dit
ποιήσαντες
(poiesantes)
doende
συνέκλεισαν
(synekleisan)
sloten in
πλῆθος
(plethos)
menigte
ἰχθύων
(ichthyon)
van vissen
πολύ
(poly)
veel
διερρήσσετο
(dierresseto)
begonnen te scheuren
δὲ
(de)
maar
τὰ
(ta)
de
δίκτυα
(diktya)
netten
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
7Zij wenkten hun maats in de andere boot om te komen helpen. Die kwamen en vulden beide boten, zodat die begonnen te zinken.
καὶ
(kai)
en
κατένευσαν
(kateneusan)
wenkten
τοῖς
(tois)
aan de
μετόχοις
(metochois)
maats
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἑτέρῳ
(hetero)
andere
πλοίῳ
(ploio)
boot
τοῦ
(tou)
om
ἐλθόντας
(elthontas)
komend
συλλαβέσθαι
(syllabesthai)
te helpen
αὐτοῖς
(autois)
hen
καὶ
(kai)
en
ἦλθον
(elthon)
kwamen
καὶ
(kai)
en
ἔπλησαν
(eplesan)
vulden
ἀμφότερα
(amphotera)
beide
τὰ
(ta)
de
πλοῖα
(ploia)
boten
ὥστε
(hoste)
zodat
βυθίζεσθαι
(bythizesthai)
zinken
αὐτά
(auta)
zij
Bron: SBLGNT
8Toen Simon Petrus dit zag, viel hij neer voor de knieën van Yeshua. Hij zei: „Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig man.”
ἰδὼν
(idon)
ziende
δὲ
(de)
maar
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
προσέπεσεν
(prosepesen)
viel neer
τοῖς
(tois)
aan de
γόνασιν
(gonasin)
knieën
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
λέγων
(legon)
zeggend
Ἔξελθε
(Exelthe)
ga weg
ἀπ’
(ap’)
van
ἐμοῦ
(emou)
mij
ὅτι
(hoti)
dat
ἀνὴρ
(aner)
man
ἁμαρτωλός
(hamartolos)
zondig
εἰμι
(eimi)
ben
κύριε
(kyrie)
Heer
Bron: SBLGNT
Uitleg
Simon noemt Yeshua hier κύριε (kyrie), ‘Heer’.
Zijn schuldbesef komt voort uit wat hij zag, niet uit een woord van Yeshua.
9Verbijstering had hem en allen die bij hem waren overmand, vanwege de vangst vissen die zij hadden binnengehaald.
θάμβος
(thambos)
verbijstering
γὰρ
(gar)
want
περιέσχεν
(perieschen)
omvatte
αὐτὸν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
πάντας
(pantas)
allen
τοὺς
(tous)
de
σὺν
(syn)
met
αὐτῷ
(auto)
hem
ἐπὶ
(epi)
over
τῇ
(te)
de
ἄγρᾳ
(agra)
vangst
τῶν
(ton)
van de
ἰχθύων
(ichthyon)
vissen
ὧν
(hon)
die
συνέλαβον
(synelabon)
vingen
Bron: SBLGNT
Uitleg
θάμβος (thambos), ‘verbijstering’: zie 4:36.
10Zo ging het ook met Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die deelgenoten van Simon waren. Yeshua zei tegen Simon: „Wees niet bang. Van nu af aan zul je mensen levend vangen.”
ὁμοίως
(homoios)
op dezelfde manier
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
Ἰάκωβον
(Iakobon)
Jakobus
καὶ
(kai)
en
Ἰωάννην
(Ioannen)
Johannes
υἱοὺς
(huious)
zonen
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
van Zebedeüs
οἳ
(hoi)
die
ἦσαν
(esan)
waren
κοινωνοὶ
(koinonoi)
deelgenoten
τῷ
(to)
aan de
Σίμωνι
(Simoni)
Simon
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tot
τὸν
(ton)
de
Σίμωνα
(Simona)
Simon
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Μὴ
(Me)
niet
φοβοῦ
(phobou)
wees bang
ἀπὸ
(apo)
van
τοῦ
(tou)
de
νῦν
(nyn)
nu
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
ἔσῃ
(ese)
zult zijn
ζωγρῶν
(zogron)
levend vangend
Bron: SBLGNT
Uitleg
κοινωνοί (koinonoi), ‘deelgenoten’: mensen die samen een bedrijf hebben, hier de visserij. ζωγρέω (zogreo) is letterlijk ‘levend vangen’; het wordt gezegd van vissers die mensen vangen, niet om hen te doden.
11Zij brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Hem.
καὶ
(kai)
en
καταγαγόντες
(katagagontes)
aan land gebracht hebbend
τὰ
(ta)
de
πλοῖα
(ploia)
boten
ἐπὶ
(epi)
op
τὴν
(ten)
het
γῆν
(gen)
land
ἀφέντες
(aphentes)
achtergelaten hebbend
πάντα
(panta)
alles
ἠκολούθησαν
(ekolouthesan)
volgden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Bron: SBLGNT
Yeshua reinigt een melaatse
12Het gebeurde dat Hij in een van de steden was, en zie: een man vol melaatsheid. Toen hij Yeshua zag, viel hij op zijn gezicht en smeekte Hem: „Heer, als U wilt, kunt U mij rein maken.”
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
het
εἶναι
(einai)
zijn
αὐτὸν
(auton)
Hem
ἐν
(en)
in
μιᾷ
(mia)
een
τῶν
(ton)
van de
πόλεων
(poleon)
steden
καὶ
(kai)
en
ἰδοὺ
(idou)
zie
ἀνὴρ
(aner)
man
πλήρης
(pleres)
vol
λέπρας
(lepras)
melaatsheid
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziende
τὸν
(ton)
de
Ἰησοῦν
(Iesoun)
Yeshua
πεσὼν
(peson)
gevallen
ἐπὶ
(epi)
op
πρόσωπον
(prosopon)
gezicht
ἐδεήθη
(edeethe)
smeekte
αὐτοῦ
(autou)
Hem
λέγων
(legon)
zeggend
Κύριε
(Kyrie)
Heer
ἐὰν
(ean)
als
θέλῃς
(theles)
U wilt
δύνασαί
(dynasai)
kunt
με
(me)
mij
καθαρίσαι
(katharisai)
rein maken
Bron: SBLGNT
Uitleg
λέπρα (lepra), ‘melaatsheid’: een huidziekte die onrein maakte; zie Lev. 13.
Een melaatse moest buiten het kamp wonen (Lev. 13:45–46).
13Hij stak Zijn hand uit, raakte hem aan en zei: „Ik wil. Word rein.” Meteen verliet de melaatsheid hem.
καὶ
(kai)
en
ἐκτείνας
(ekteinas)
uitstekend
τὴν
(ten)
de
χεῖρα
(cheira)
hand
ἥψατο
(hepsato)
raakte aan
αὐτοῦ
(autou)
hem
εἰπών
(eipon)
zeggend
Θέλω
(Thelo)
Ik wil
καθαρίσθητι
(katharistheti)
word rein
καὶ
(kai)
en
εὐθέως
(eutheos)
meteen
ἡ
(he)
de
λέπρα
(lepra)
melaatsheid
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
Bron: SBLGNT
14Hij gebood hem het aan niemand te zeggen. „Maar ga heen, laat je aan de priester zien en breng voor je reiniging aan wat Mozes heeft opgedragen, als getuigenis voor hen.”
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hij
παρήγγειλεν
(parengeilen)
gebood
αὐτῷ
(auto)
hem
μηδενὶ
(medeni)
aan niemand
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
ἀλλὰ
(alla)
maar
ἀπελθὼν
(apelthon)
heengegaan
δεῖξον
(deixon)
toon
σεαυτὸν
(seauton)
jezelf
τῷ
(to)
aan de
ἱερεῖ
(hierei)
priester
καὶ
(kai)
en
προσένεγκε
(prosenenke)
breng aan
περὶ
(peri)
voor
τοῦ
(tou)
de
καθαρισμοῦ
(katharismou)
reiniging
σου
(sou)
je
καθὼς
(kathos)
zoals
προσέταξεν
(prosetaxen)
gebood
Μωϋσῆς
(Moyses)
Mozes
εἰς
(eis)
tot
μαρτύριον
(martyrion)
getuigenis
αὐτοῖς
(autois)
aan hen
Bron: SBLGNT
Uitleg
De wet van Mozes over de reiniging van een melaatse staat in Lev. 14:2–32. μαρτύριον (martyrion), ‘getuigenis’: het bewijs dat de man genezen is.
15Het woord over Hem ging nog meer rond. Grote menigten kwamen bijeen om Hem te horen en van hun ziekten genezen te worden.
διήρχετο
(diercheto)
ging rond
δὲ
(de)
maar
μᾶλλον
(mallon)
meer
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
περὶ
(peri)
over
αὐτοῦ
(autou)
Hem
καὶ
(kai)
en
συνήρχοντο
(synerchonto)
kwamen samen
ὄχλοι
(ochloi)
menigten
πολλοὶ
(polloi)
vele
ἀκούειν
(akouein)
horen
καὶ
(kai)
en
θεραπεύεσθαι
(therapeuesthai)
genezen te worden
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ἀσθενειῶν
(astheneion)
ziekten
αὐτῶν
(auton)
hun
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὁ λόγος περὶ αὐτοῦ (ho logos peri autou), ‘het woord over Hem’: het verhaal over Yeshua dat zich verspreidt.
16Maar Hij trok Zich terug op verlaten plaatsen en bad.
αὐτὸς
(autos)
Hij
δὲ
(de)
maar
ἦν
(en)
was
ὑποχωρῶν
(hypochoron)
zich terugtrekkend
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
ἐρήμοις
(eremois)
verlaten plaatsen
καὶ
(kai)
en
προσευχόμενος
(proseuchomenos)
biddend
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἐν ταῖς ἐρήμοις (en tais eremois) staat in het meervoud: ‘in de verlaten plaatsen’.
Lucas zegt vaker dat Yeshua zich terugtrekt om te bidden (6:12; 9:18).
Yeshua vergeeft en geneest een verlamde
17Op een van die dagen onderwees Hij. Er zaten Farizeeën en wetsleraren, die uit elk dorp van Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. De kracht van Yahweh was aanwezig, zodat Hij kon genezen.
Καὶ
(Kai)
en
ἐγένετο
(egeneto)
gebeurde
ἐν
(en)
op
μιᾷ
(mia)
een
τῶν
(ton)
van de
ἡμερῶν
(hemeron)
dagen
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
Hij
ἦν
(en)
was
διδάσκων
(didaskon)
onderwijzend
καὶ
(kai)
en
ἦσαν
(esan)
waren
καθήμενοι
(kathemenoi)
zittend
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
καὶ
(kai)
en
νομοδιδάσκαλοι
(nomodidaskaloi)
wetsleraren
οἳ
(hoi)
die
ἦσαν
(esan)
waren
ἐληλυθότες
(elelythotes)
gekomen
ἐκ
(ek)
uit
πάσης
(pases)
elk
κώμης
(komes)
dorp
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
καὶ
(kai)
en
Ἰουδαίας
(Ioudaias)
Judea
καὶ
(kai)
en
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
δύναμις
(dynamis)
kracht
κυρίου
(kyriou)
van Yahweh
ἦν
(en)
was
εἰς
(eis)
om
τὸ
(to)
het
ἰᾶσθαι
(iasthai)
genezen
αὐτόν
(auton)
Hem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.
Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.
Zie Judea: Judea is de Griekse en Romeinse naam voor het zuiden van het land, rond Jeruzalem en Betlehem.
Het komt overeen met het oude Juda.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
νομοδιδάσκαλος (nomodidaskalos), ‘wetsleraar’: iemand die de wet van Mozes onderwijst.
Matteüs en Markus gebruiken hiervoor ‘schriftgeleerde’ (zie 5:21). κώμη (kome), ‘dorp’. δύναμις κυρίου (dynamis kyriou), ‘kracht van Yahweh’: κύριος is hier vertaald als Yahweh, omdat de kracht van Elohim bedoeld is.
Lezing
De SBLGNT heeft εἰς τὸ ἰᾶσθαι αὐτόν (eis to iasthai auton), ‘zodat Hij kon genezen’.
Sommige handschriften hebben αὐτούς (autous), ‘zodat Hij hen kon genezen’.
18En zie: mannen brachten op een bed een man die verlamd was. Zij probeerden hem naar binnen te brengen en voor Hem neer te leggen.
19Omdat zij vanwege de menigte geen weg vonden om hem naar binnen te brengen, klommen zij op het dak. Door de dakpannen lieten zij hem met zijn bed zakken, midden voor Yeshua.
Markus zegt dat zij het dak ‘openbraken’ (Mark. 2:4); Lucas zegt dat zij hem ‘door de dakpannen’ lieten zakken. κλινίδιον (klinidion) is een klein bed, een draagbed.
20Toen Hij hun geloof zag, zei Hij: „Mens, je zonden zijn je vergeven.”
καὶ
(kai)
en
ἰδὼν
(idon)
ziende
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
αὐτῶν
(auton)
hun
εἶπεν
(eipen)
zei
Ἄνθρωπε
(Anthrope)
mens
ἀφέωνταί
(apheontai)
zijn vergeven
σοι
(soi)
aan jou
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
σου
(sou)
je
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἄνθρωπε (anthrope), ‘mens’: een aanspreking; Matteüs en Markus hebben ‘kind’ (Matt. 9:2; Mark. 2:5). ἀφέωνται (apheontai) staat in de voltooide tijd: ‘zijn vergeven’, met een blijvend gevolg.
21De schriftgeleerden en de Farizeeën begonnen te overleggen: „Wie is dit, die lasteringen uitspreekt? Wie kan zonden vergeven, behalve Elohim alleen?”
καὶ
(kai)
en
ἤρξαντο
(erxanto)
begonnen
διαλογίζεσθαι
(dialogizesthai)
te overleggen
οἱ
(hoi)
de
γραμματεῖς
(grammateis)
schriftgeleerden
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
Φαρισαῖοι
(Pharisaioi)
Farizeeën
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Τίς
(Tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
οὗτος
(houtos)
deze
ὃς
(hos)
die
λαλεῖ
(lalei)
spreekt
βλασφημίας
(blasphemias)
lasteringen
τίς
(tis)
wie
δύναται
(dynatai)
kan
ἁμαρτίας
(hamartias)
zonden
ἀφεῖναι
(apheinai)
vergeven
εἰ
(ei)
als
μὴ
(me)
niet
μόνος
(monos)
alleen
ὁ
(ho)
de
θεός
(theos)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg
βλασφημία (blasphemia), ‘lastering’: oneerbiedig spreken over Elohim of zich aanmatigen wat alleen Hem toekomt.
Volgens de schriftgeleerden neemt wie zonden vergeeft de plaats van Elohim in.
22Yeshua merkte hun overleggingen op en antwoordde hun: „Waarom overleggen jullie in jullie harten?
ἐπιγνοὺς
(epignous)
merkend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τοὺς
(tous)
de
διαλογισμοὺς
(dialogismous)
overleggingen
αὐτῶν
(auton)
hun
ἀποκριθεὶς
(apokritheis)
antwoordend
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tot
αὐτούς
(autous)
hen
Τί
(Ti)
waarom
διαλογίζεσθε
(dialogizesthe)
overleggen jullie
ἐν
(en)
in
ταῖς
(tais)
de
καρδίαις
(kardiais)
harten
ὑμῶν
(hymon)
jullie
Bron: SBLGNT
Uitleg
διαλογισμός (dialogismos), ‘overlegging’: de innerlijke redenering van de schriftgeleerden.
23Wat is gemakkelijker: te zeggen ‘Je zonden zijn je vergeven’, of te zeggen ‘Sta op en loop’?
τί
(ti)
wat
ἐστιν
(estin)
is
εὐκοπώτερον
(eukopoteron)
gemakkelijker
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
Ἀφέωνταί
(Apheontai)
zijn vergeven
σοι
(soi)
aan jou
αἱ
(hai)
de
ἁμαρτίαι
(hamartiai)
zonden
σου
(sou)
je
ἢ
(e)
of
εἰπεῖν
(eipein)
te zeggen
Ἔγειρε
(Egeire)
sta op
καὶ
(kai)
en
περιπάτει
(peripatei)
loop
Bron: SBLGNT
24Maar opdat jullie weten dat de Mensenzoon op de aarde gezag heeft om zonden te vergeven —” zei Hij tegen de verlamde: „Ik zeg tegen jou: sta op, neem je bed op en ga naar huis.”
25Meteen stond hij voor hun ogen op, nam op waarop hij gelegen had en ging naar zijn huis, terwijl hij Elohim verheerlijkte.
καὶ
(kai)
en
παραχρῆμα
(parachrema)
meteen
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
ἐνώπιον
(enopion)
voor
αὐτῶν
(auton)
hen
ἄρας
(aras)
opgepakt hebbend
ἐφ’
(eph’)
op
ὃ
(ho)
wat
κατέκειτο
(katekeito)
lag
ἀπῆλθεν
(apelthen)
ging weg
εἰς
(eis)
naar
τὸν
(ton)
het
οἶκον
(oikon)
huis
αὐτοῦ
(autou)
zijn
δοξάζων
(doxazon)
verheerlijkend
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
Bron: SBLGNT
26Allen werden door ontzetting overmand. Zij verheerlijkten Elohim en werden vervuld van vrees. Zij zeiden: „Wij hebben vandaag onverwachte dingen gezien.”
27Hierna ging Hij naar buiten en zag een tollenaar, Levi genaamd, zitten bij het tolkantoor. Hij zei tegen hem: „Volg Mij.”
Καὶ
(Kai)
en
μετὰ
(meta)
na
ταῦτα
(tauta)
dit
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
καὶ
(kai)
en
ἐθεάσατο
(etheasato)
zag
τελώνην
(telonen)
tollenaar
ὀνόματι
(onomati)
met naam
Λευὶν
(Leuin)
Levi
καθήμενον
(kathemenon)
zittend
ἐπὶ
(epi)
bij
τὸ
(to)
het
τελώνιον
(telonion)
tolkantoor
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Ἀκολούθει
(Akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg
Markus en Lucas noemen hem Levi; Matteüs noemt de tollenaar Matteüs (Matt. 9:9). τελώνιον (telonion), ‘tolkantoor’: de plaats waar belasting werd geheven.
35Er zullen dagen komen, en wanneer de bruidegom van hen weggenomen wordt, dan zullen zij in die dagen vasten.”
ἐλεύσονται
(eleusontai)
zullen komen
δὲ
(de)
maar
ἡμέραι
(hemerai)
dagen
καὶ
(kai)
en
ὅταν
(hotan)
wanneer
ἀπαρθῇ
(aparthe)
weggenomen wordt
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτῶν
(auton)
hen
ὁ
(ho)
de
νυμφίος
(nymphios)
bruidegom
τότε
(tote)
dan
νηστεύσουσιν
(nesteusousin)
zullen vasten
ἐν
(en)
in
ἐκείναις
(ekeinais)
die
ταῖς
(tais)
de
ἡμέραις
(hemerais)
dagen
Bron: SBLGNT
36Hij zei hun ook een gelijkenis: „Niemand scheurt een lap van een nieuwe mantel af om die op een oude mantel te zetten. Anders scheurt hij de nieuwe, en de lap van de nieuwe past niet bij de oude.