Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wie terugkeerde
1Dit zijn de mensen van de provincie die uit de gevangenschap van de ballingen optrokken. Nebukadnezar, de koning van Babel, had hen naar Babel weggevoerd. Zij keerden terug naar Jeruzalem en Juda, ieder naar zijn eigen stad.
וְאֵ֣לֶּה
(veele)
en dit zijn
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַמְּדִינָ֗ה
(hamedina)
de provincie
הָֽעֹלִים֙
(haolim)
die optrokken
מִשְּׁבִ֣י
(mishevi)
uit de gevangenen van
הַגּוֹלָ֔ה
(hagola)
de ballingschap
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הֶגְלָ֛ה
(hegla)
had weggevoerd
נְבוּכַדְנֶצַּ֥ר
(nevukhadnetsar)
Nebukadnezar
מֶֽלֶךְ
(melekh)
koning van
בָּבֶ֖ל
(bavel)
Babel
לְבָבֶ֑ל
(levavel)
naar Babel
וַיָּשׁ֛וּבוּ
(vayashuvu)
en zij keerden terug
לִירוּשָׁלִַ֥ם
(lirushaliam)
naar Jeruzalem
וִֽיהוּדָ֖ה
(vihuda)
en Juda
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
לְעִירֽוֹ
(leiro)
naar zijn stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Babel: Babel (Babylon) lag aan de Eufraat, ongeveer 85 km ten zuiden van het huidige Bagdad.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Dezelfde lijst, met afwijkingen, staat in Neh. 7:6–72.
Per vers melden wij wat in het Hebreeuws van Neh. 7 anders is.
De getallen en namen die wij hier geven zijn die van Ezra.
מְדִינָה (medinah), ‘provincie’: het gebied Juda als onderdeel van het Perzische rijk.
שְׁבִי הַגּוֹלָה (shevi hagolah), ‘gevangenen van de ballingschap’: de mensen die Nebukadnezar had weggevoerd.
Neh. 7:6 heeft hier niet ‘naar Babel’ en schrijft ‘naar Juda’ met een voorzetsel.
2Zij kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Seraja, Reëlaja, Mordechai, Bilsjan, Mispar, Bigvai, Rechum en Baäna. Dit is het aantal van de mannen van het volk Israël:
אֲשֶׁר
(asher)
die
בָּ֣אוּ
(bau)
kwamen
עִם
(im)
met
זְרֻבָּבֶ֗ל
(zerubavel)
Zerubbabel
יֵשׁ֡וּעַ
(yeshua)
Jesua
נְ֠חֶמְיָה
(nechemya)
Nehemia
שְׂרָיָ֨ה
(seraya)
Seraja
רְֽעֵלָיָ֜ה
(reelaya)
Reëlaja
מָרְדֳּכַ֥י
(mardokhay)
Mordechai
בִּלְשָׁ֛ן
(bilshan)
Bilsjan
מִסְפָּ֥ר
(mispar)
Mispar
בִּגְוַ֖י
(bigvay)
Bigvai
רְח֣וּם
(rechum)
Rechum
בַּעֲנָ֑ה
(baana)
Baäna
מִסְפַּ֕ר
(mispar)
het aantal van
אַנְשֵׁ֖י
(anshei)
de mannen van
עַ֥ם
(am)
het volk van
יִשְׂרָאֵֽל
(yisrael)
Israël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Elf namen van leiders.
Neh. 7:7 heeft er twaalf: Azarja in plaats van Seraja, Raämja in plaats van Reëlaja, daarbij Nachamani, Misperet in plaats van Mispar en Nechum in plaats van Rechum.
יֵשׁוּעַ (Yeshua), ‘Jesua’: de hogepriester, de zoon van Jehozadak. In Haggai en Zacharia heet hij Jozua (Yehoshua); in Ezra en Nehemia schrijven wij de korte vorm ‘Jesua’ (zie Hag. 1:1 en Zach. 3:1).
De tekst zegt niet of deze Nehemia dezelfde is als de bouwer van de muur. Ook zegt de tekst niet of Mordechai dezelfde man is als in het boek Ester.
מִסְפַּר (mispar), ‘aantal’: het woord staat twee keer in dit vers. Eén keer is het een naam, Mispar; de tweede keer is het het woord ‘aantal’.
42De zonen van de poortwachters: de zonen van Sjallum, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkub, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai. Samen: 139.
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַשֹּֽׁעֲרִ֗ים
(hashoarim)
de poortwachters
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
שַׁלּ֤וּם
(shalum)
Sjallum
בְּנֵֽי
(benei)
de zonen van
אָטֵר֙
(ater)
Ater
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
טַלְמ֣וֹן
(talmon)
Talmon
בְּנֵי
(benei)
de zonen van
עַקּ֔וּב
(aquv)
Akkub
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
חֲטִיטָ֖א
(chatita)
Chatita
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
שֹׁבָ֑י
(shovay)
Sjobai
הַכֹּ֕ל
(hakol)
samen
מֵאָ֖ה
(mea)
honderd
שְׁלֹשִׁ֥ים
(sheloshim)
dertig
וְתִשְׁעָֽה
(vetisha)
en negen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De zes families samen: 139.
Neh. 7:45 heeft 138.
Neh. 7:45 schrijft de naam Talmon zonder de klinkerletter vav (טַלְמֹן).
59Dit zijn zij die optrokken uit Tel-Melach, Tel-Charsja, Kerub, Addan en Immer. Zij konden niet aantonen of het huis van hun vaders en hun nageslacht uit Israël kwam.
וְאֵ֗לֶּה
(veele)
en dit zijn
הָֽעֹלִים֙
(haolim)
die optrokken
מִתֵּ֥ל
(mitel)
uit Tel
מֶ֨לַח֙
(melach)
Melach
תֵּ֣ל
(tel)
Tel
חַרְשָׁ֔א
(charsha)
Charsja
כְּר֥וּב
(keruv)
Kerub
אַדָּ֖ן
(adan)
Addan
אִמֵּ֑ר
(imer)
Immer
וְלֹ֣א
(velo)
maar niet
יָֽכְל֗וּ
(yakhelu)
konden
לְהַגִּ֤יד
(lehagid)
aantonen
בֵּית
(beit)
het huis van
אֲבוֹתָם֙
(avotam)
hun vaders
וְזַרְעָ֔ם
(vezaram)
en hun nageslacht
אִ֥ם
(im)
of
מִיִּשְׂרָאֵ֖ל
(miyisrael)
uit Israël
הֵֽם
(hem)
zij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Tel-Melach, Tel-Charsja, Kerub, Addan en Immer waren plaatsen in Babylonië.
De ligging is niet bekend.
Uitleg
Neh. 7:61 schrijft Addon in plaats van Addan.
De tekst zegt niet of Kerub en Addan twee plaatsen zijn of één.
61Van de zonen van de priesters: de zonen van Chobaja, de zonen van Hakkoz en de zonen van Barzillai. Barzillai had een vrouw genomen van de dochters van Barzillai, de Gileadiet, en werd naar hun naam genoemd.
וּמִבְּנֵי֙
(umibenei)
en van de zonen van
הַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(hakohanim)
de priesters
בְּנֵ֥י
(benei)
de zonen van
חֳבַיָּ֖ה
(chovaya)
Chobaja
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
הַקּ֑וֹץ
(haqots)
Hakkoz
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
בַרְזִלַּ֗י
(barzilay)
Barzillai
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
לָ֠קַח
(laqach)
had genomen
מִבְּנ֞וֹת
(mibenot)
van de dochters van
בַּרְזִלַּ֤י
(barzilay)
Barzillai
הַגִּלְעָדִי֙
(hagiladi)
de Gileadiet
אִשָּׁ֔ה
(isha)
een vrouw
וַיִּקָּרֵ֖א
(vayiqare)
en werd genoemd
עַל
(al)
naar
שְׁמָֽם
(shemam)
hun naam
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּרְזִלַּי (Barzillai): de eerste Barzillai is de priester, de tweede de Gileadiet.
Zie 2 Sam. 17:27 en 2 Sam. 19:32–40.
Zijn naam ging over op de familie die uit dit huwelijk kwam.
68Toen zij bij het huis van Yahweh in Jeruzalem kwamen, gaven sommige hoofden van de vaderhuizen vrijwillig voor het huis van Elohim. Zij wilden het weer op zijn plaats laten staan.
וּמֵרָאשֵׁי֙
(umerashei)
en van de hoofden van
הָֽאָב֔וֹת
(haavot)
de vaderhuizen
בְּבוֹאָ֕ם
(bevoam)
bij hun komst
לְבֵ֥ית
(leveit)
naar het huis van
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
dat
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
הִֽתְנַדְּבוּ֙
(hitnadevu)
gaven vrijwillig
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
הָֽאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
לְהַעֲמִיד֖וֹ
(lehaamido)
om het te laten staan
עַל
(al)
op
מְכוֹנֽוֹ
(mekhono)
zijn plaats
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
לְהַעֲמִידוֹ עַל מְכוֹנוֹ (lehaamido al mekhono), ‘om het weer op zijn plaats te laten staan’: letterlijk ‘om het te laten staan op zijn plaats’.
Het gaat om het huis van Elohim dat op zijn oude plaats moest worden opgebouwd.
Neh. 7:69–71 noemt andere gevers en andere getallen dan Ezra 2:68–69.
70De priesters, de Levieten, een deel van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren gingen wonen in hun steden. Heel Israël woonde in zijn steden.
וַיֵּשְׁב֣וּ
(vayeshevu)
en gingen wonen
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
וְ֠הַלְוִיִּם
(vehalviyim)
en de Levieten
וּֽמִן
(umin)
en van
הָעָ֞ם
(haam)
het volk
וְהַמְשֹׁרְרִ֧ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וְהַשּׁוֹעֲרִ֛ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
וְהַנְּתִינִ֖ים
(vehanetinim)
en de tempeldienaren
בְּעָרֵיהֶ֑ם
(beareihem)
in hun steden
וְכָל
(vekhal)
en heel
יִשְׂרָאֵ֖ל
(yisrael)
Israël
בְּעָרֵיהֶֽם
(beareihem)
in hun steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De groepen in dit vers volgen de volgorde van de lijst: de priesters, de Levieten, een deel van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempeldienaren.
Daarna volgt heel Israël.
Neh. 7:72 sluit af met ‘toen de zevende maand aanbrak’, zoals Ezra 3:1.