1 Korintiërs 7
Huwelijk, ongehuwd zijn en de roeping
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Over huwelijk en ongehuwd zijn
Περὶ δὲ ὧν ἐγράψατε (Peri de hon egrapsate), ‘over wat jullie geschreven hebben’: vanaf hier antwoordt Paulus op vragen uit een brief van de gemeente, zoals ook in 7:25, 8:1, 12:1, 16:1 en 16:12. ἄνθρωπος (anthropos), ‘mens’: hier ‘man’; wij houden ‘mens’. ἅπτομαι (haptomai), ‘aanraken’: hier seksueel omgaan met.
Na ‘over wat jullie geschreven hebben’ volgt een uitspraak uit hun brief.
Het Grieks heeft geen aanhalingstekens; wij zetten enkele aanhalingstekens ‘…’ om dit zichtbaar te maken, zoals bij de andere leuzen in de brief (6:12–13; 8:1; 8:4).
Paulus’ antwoord begint in vers 2 met ‘Maar’.
πορνεία (porneia), ‘ontucht’: seksuele immoraliteit in het algemeen; het Grieks heeft het meervoud (‘de gevallen van ontucht’). ἐχέτω (echeto), ‘laat hij hebben’: de gebiedende wijs in de derde persoon.
Paulus noemt man en vrouw telkens naast elkaar, ook in de verzen 3–5.
ὀφειλή (opheile), ‘schuld, verschuldigde plicht’: wat men de ander verschuldigd is.
Het Grieks zegt niet met zoveel woorden waarover het gaat; de verzen 2 en 4–5 wijzen op de gemeenschap in het huwelijk.
ἐξουσιάζω (exousiazo), ‘gezag hebben over’: hetzelfde woord als in 6:12, verwant aan ἐξουσία (exousia), ‘gezag’.
De zin is symmetrisch: man en vrouw hebben beiden ‘geen gezag over het eigen lichaam’, maar de ander heeft dat.
ἀποστερέω (apostereo), ‘beroven, onthouden’: hetzelfde woord als in 6:7–8; hier ‘elkaar iets onthouden’. σχολάζω (scholazo), ‘tijd hebben voor, vrij zijn voor’. ἐκ συμφώνου (ek symphonou), ‘in overeenstemming’, ‘in onderling overleg’. Σατανᾶς (Satanas), ‘Satan’; πειράζω (peirazo), ‘op de proef stellen’. ἀκρασία (akrasia), ‘gebrek aan zelfbeheersing’.
De SBLGNT markeert hier de woorden ‘σχολάσητε’ (scholasete), ‘jullie hebben tijd voor’, en ‘ἦτε’ (ete), ‘jullie zijn’: in sommige handschriften staat een andere lezing.
Wij volgen de SBLGNT.
συγγνώμη (sygnome), ‘toegeeflijkheid’: letterlijk ‘mee-weten’, een toegeving. ἐπιταγή (epitage), ‘bevel’.
Het Grieks zegt niet of ‘dit’ terugslaat op vers 2–5 of op vers 5 alleen.
Het Grieks zegt niet op welk punt Paulus zegt ‘zoals ikzelf’; de verzen 8 en 32–34 wijzen op ongehuwd zijn. χάρισμα (charisma), ‘genadegave’: een gave van Elohim.
‘De een zo, de ander zo’: het Grieks noemt niet wat de twee manieren zijn; de samenhang wijst op ongehuwd zijn en gehuwd zijn.
Aan de ongehuwden en de weduwen
ἄγαμος (agamos), ‘ongehuwde’: iemand zonder echtgenoot of echtgenote; het woord omvat in dit hoofdstuk ook wie gescheiden is of weduwnaar (vers 11, 32, 34). χήρα (chera), ‘weduwe’.
ἐγκρατεύομαι (enkrateuomai), ‘zich beheersen’. πυρόομαι (pyroomai), ‘branden’: het Grieks zegt niet waarvan; de samenhang wijst op verlangen.
Aan de gehuwden
παραγγέλλω (parangello), ‘gebieden’.
‘Niet ik maar de Heer’: Paulus verwijst naar een uitspraak van Yeshua over echtscheiding; dit is geen aanhaling van woorden van Yeshua, dus zwart. χωρίζω (chorizo), ‘scheiden, zich afscheiden’: een vorm die ‘zich scheiden’ en ‘gescheiden worden’ kan betekenen.
Zie ook Matt. 5:32; Matt. 19:6–9; Mark. 10:11–12.
Het gebod is dat zij zich niet scheidt; deze zin zegt wat zij doet als het toch gebeurt. ἀφίημι (aphiemi), ‘wegsturen, laten gaan’: hier een man die zijn vrouw wegstuurt, scheidt. καταλλάσσω (katallasso), ‘verzoenen’.
Aan de overigen: het gemengde huwelijk
οἱ λοιποί (hoi loipoi), ‘de overigen’: vers 10 gaat over gehuwde gelovigen; nu gaat het over een gelovige die met een ongelovige is gehuwd.
‘Ik en niet de Heer’: Paulus zegt dat dit zijn eigen woord is, anders dan in vers 10; het is geen aanhaling, dus zwart. ἄπιστος (apistos), ‘ongelovige’. συνευδοκέω (syneudokeo), ‘instemmen’: samen goedvinden.
De vrouw met een ongelovige man: dezelfde regel als in vers 12. οἰκέω (oikeo), ‘wonen’.
Het Grieks heeft ‘laat zij de man niet wegsturen’ (ἀφιέτω, aphieto): dezelfde regel voor man en vrouw.
ἁγιάζω (hagiazo), ‘heiligen’: afzonderen voor Elohim.
‘Geheiligd in de vrouw’: het Grieks zegt niet verder wat dit inhoudt. ἀκάθαρτος (akathartos), ‘onrein’ staat tegenover ἅγιος (hagios), ‘heilig’.
Het Grieks heeft ‘in de broer’ in de tweede helft: de gelovige man is ‘broer’.
χωρίζεται (chorizetai), ‘zich scheidt’: hier beslist de ongelovige zelf. δουλόω (douloo), ‘tot knecht maken’, ‘binden’: de gelovige is in zulke gevallen niet gebonden.
Het Grieks heeft ἡμᾶς (hemas), ‘ons’.
‘In vrede’: de roeping is een roeping tot vrede.
De SBLGNT markeert hier ‘ἡμᾶς’ (hemas), ‘ons’: in sommige handschriften staat een andere lezing.
Wij volgen de SBLGNT.
Het Grieks heeft εἰ (ei), ‘of’: de vraag kan op twijfel wijzen (‘misschien red je hem niet’) of op hoop (‘misschien red je hem wel’).
Wij houden ‘of’. σῴζω (sozo), ‘redden’.
Ieder blijft in zijn roeping
Εἰ μὴ (Ei me), ‘alleen’: letterlijk ‘als niet’; Paulus maakt een voorbehoud bij het voorgaande. περιπατέω (peripateo), ‘wandelen’: leven.
‘De Heer … Elohim’: het Grieks heeft κύριος (kyrios) bij het toebedelen en θεός bij het roepen; wij vertalen ‘Heer’ en ‘Elohim’. διατάσσω (diatasso), ‘opdracht geven’, ‘regelen’.
De SBLGNT markeert hier de woorden ‘ἐμέρισεν’ (emerisen), ‘heeft toebedeeld’, ‘κύριος’ (kyrios) en ‘θεός’ (theos): in sommige handschriften staat een andere lezing.
Wij volgen de SBLGNT.
ἐπισπάομαι (epispaomai), ‘ongedaan maken’: letterlijk ‘naar zich toe trekken’: het teken van de besnijdenis ongedaan maken. περιτέμνω (peritemno), ‘besnijden’; ἀκροβυστία (akrobystia), ‘onbesnedenheid’, letterlijk ‘voorhuid’.
τήρησις ἐντολῶν θεοῦ (teresis entolon theou), ‘het houden van de geboden van Elohim’: het Grieks heeft na ‘maar’ geen werkwoord; wij houden de korte vorm. ἐντολή (entole), ‘gebod’.
Vergelijk Gal. 5:6 (‘geloof dat door liefde werkzaam is’) en Gal. 6:15 (‘nieuwe schepping’).
Zie ook Gal. 5:6; Gal. 6:15.
κλῆσις (klesis), ‘roeping’: hier de toestand waarin iemand zich bevond toen Elohim hem riep (vers 17–24). μένω (meno), ‘blijven’.
δοῦλος (doulos), ‘knecht’; in de oude wereld ook ‘slaaf’.
Het Grieks heeft χρῆσαι (chresai), ‘maak gebruik’ zonder voorwerp: het kan bedoelen ‘maak gebruik van de vrijheid’ of ‘maak liever gebruik van je toestand als knecht’.
Wij houden de eerste lezing, maar het Grieks laat het open. ἐλεύθερος (eleutheros), ‘vrij’.
ἀπελεύθερος (apeleutheros), ‘vrijgelatene’: iemand die uit slavernij is vrijgelaten.
‘In de Heer’: Yeshua.
‘Knecht van de Messias’: δοῦλος Χριστοῦ (doulos Christou).
ἀγοράζω (agorazo), ‘kopen’: zoals in 6:20. τιμή (time), ‘prijs’.
Paulus noemt niet wat de prijs was.
Zie ook 1 Kor. 6:20.
Ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: in het Grieks ook zusters in de gemeente. παρὰ θεῷ (para theo), ‘bij Elohim’: in Zijn tegenwoordigheid.
Over de maagden
παρθένος (parthenos), ‘maagd’: een jonge, nog niet gehuwde vrouw. ἐπιταγὴν κυρίου (epitagen kyriou), ‘bevel van de Heer’. γνώμη (gnome), ‘mening, oordeel’. ἐλεέω (eleeo), ‘barmhartigheid bewijzen’. πιστός (pistos), ‘trouw’: zoals in 1 Kor. 4:2; een mens die men kan vertrouwen.
ἀνάγκη (anagke), ‘nood’: ook ‘dwang’ of ‘benauwdheid’. ἐνεστῶσα (enestosa) betekent ‘aanwezig, huidig’.
Het Grieks zegt niet wat de nood is; vers 29–31 spreken over de ingekorte tijd. τὸ οὕτως εἶναι (to houtos einai), ‘zo te zijn’: te blijven zoals men is, zie vers 27.
δέω (deo), ‘binden’; λύσις (lysis), ‘losmaking’; λύω (lyo), ‘losmaken’.
‘Losgemaakt van een vrouw’: het Grieks omvat wie nooit gehuwd was, gescheiden is of weduwnaar is.
De woorden gelden voor de man, die hier wordt aangesproken (‘je’).
ἥμαρτες (hemartes), ‘je hebt gezondigd’. θλῖψις (thlipsis), ‘verdrukking, benauwdheid’.
‘In het vlees’: σάρξ (sarx), ‘vlees’: hier het aardse bestaan. φείδομαι (pheidomai), ‘sparen, ontzien’.
De tijd is ingekort
καιρός (kairos), ‘tijd’: een bepaald, vastgesteld tijdstip. συνεσταλμένος (synestalmenos), ‘ingekort’: letterlijk ‘samengetrokken’, zoals een zeil wordt opgehaald. τὸ λοιπόν (to loipon), ‘verder, voortaan’.
De zin loopt door tot vers 31 met telkens ‘alsof niet’ (ὡς μή, hos me).
κατέχω (katecho), ‘vasthouden, bezitten’.
De vijf voorbeelden (vrouw hebben, huilen, zich verheugen, kopen, de wereld gebruiken) beschrijven een houding: aan niets gebonden.
καταχράομαι (katachraomai), ‘volledig gebruiken’ of ‘misbruiken’: het voorvoegsel kata kan het gebruik versterken of er een negatieve kleur aan geven.
Wij houden ‘ten volle gebruiken’; de betekenis is dat men zich niet laat meeslepen. σχῆμα (schema), ‘gedaante, uiterlijke vorm’. παράγω (parago), ‘voorbijgaan’.
Zorgeloos voor de Heer
ἀμέριμνος (amerimnos), ‘zonder zorgen’; μεριμνάω (merimnao), ‘bezorgd zijn’: hetzelfde woord als in Matt. 6:25–34 (‘maak je geen zorgen’).
Wij houden ‘bezorgd zijn’ voor wat de eigen taak met zich meebrengt. ἀρέσκω (aresko), ‘behagen’.
Zie ook Matt. 6:25.
‘De zaken van de wereld’ (τὰ τοῦ κόσμου, ta tou kosmou): het gewone dagelijkse leven, niet het kwaad.
μερίζω (merizo), ‘verdelen’: μεμέρισται (memeristai), ‘hij is verdeeld’.
Het Grieks laat open of dit afsluit wat over de man is gezegd, of de volgende zin inleidt (‘verdeeld is ook de ongehuwde vrouw…’).
De zin noemt ‘de ongehuwde vrouw en de maagd’ naast elkaar; het Grieks heeft één werkwoord.
‘Heilig in lichaam en geest’: ἁγία (hagia).
βρόχος (brochos), ‘strik, lus’: een beeld uit de jacht: een lus waarmee dieren worden gevangen. εὔσχημον (euschemon), ‘betamelijk, welvoeglijk’. εὐπάρεδρος (euparedros), ‘vast aanwezig bij, toegewijd’ en ἀπερισπάστως (aperispastos), ‘ongestoord’: het verwante περισπάομαι (perispaomai) staat in Luc. 10:40 (‘in beslag genomen worden’).
Zie ook Luc. 10:40.
De maagd en het huwelijk
De verzen 36–38 zijn moeilijk.
Het Grieks heeft ‘zijn maagd’ (τὴν παρθένον αὐτοῦ): dat kan een man zijn die verloofd is met zijn verloofde, of een vader (of voogd) met zijn dochter.
De tekst zegt het niet; wij vertalen letterlijk. ἀσχημονέω (aschemoneo), ‘zich onbetamelijk gedragen’: hier misschien zijn verloofde niet laten trouwen. ὑπέρακμος (hyperakmos), ‘voorbij de bloei’: de leeftijd waarop trouwen gebruikelijk is. γαμείτωσαν (gameitosan), ‘laten zij trouwen’: meervoud, de twee.
ἑδραῖος (hedraios), ‘standvastig’; ἀνάγκη (anagke), ‘dwang’; ἐξουσία (exousia), ‘gezag’; θέλημα (thelema), ‘wil’.
Het Grieks is hier één lange zin, die wij splitsen. τηρέω (tereo), ‘bewaren, in acht nemen’.
γαμίζω (gamizo), ‘ten huwelijk geven’: het werkwoord kan in dit gebruik ook ‘laten trouwen’ of ‘trouwen’ betekenen.
Wij houden ‘ten huwelijk geven’. κρεῖσσον (kreisson), ‘beter’.
De vrouw en haar man
κοιμάομαι (koimaomai), ‘ontslapen’: letterlijk ‘in slaap vallen’, een omschrijving voor sterven.
‘Alleen in de Heer’ (μόνον ἐν κυρίῳ, monon en kyrio): met een gelovige.
Zie ook Rom. 7:2–3.
μακαριωτέρα (makariotera), ‘gelukkiger’: van het woord voor ‘gelukkig’ in Matt. 5:3.
Paulus zegt ‘naar mijn mening’ (γνώμη, gnome) en sluit af met δοκέω (dokeo), ‘menen’: ‘ik meen dat ook ik de Geest van Elohim heb’.
Het Grieks heeft geen lidwoord bij πνεῦμα θεοῦ; wij schrijven ‘de Geest van Elohim’.