Elohim Bijbel

Nehemia 11

12345678910111213

De bewoners van Jeruzalem en van de steden van Juda

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Wie in Jeruzalem gaat wonen

1De oversten van het volk woonden in Jeruzalem. Het overige volk wierp loten. Zo kwam één van de tien om in Jeruzalem te wonen, de heilige stad. De negen andere delen bleven in de steden.
וַיֵּשְׁב֥וּ
(vayeshevu)
en zij woonden
שָׂרֵֽי
(sarei)
oversten van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וּשְׁאָ֣ר
(ushear)
en het overige van
הָ֠עָם
(haam)
het volk
הִפִּ֨ילוּ
(hipilu)
wierpen
גוֹרָל֜וֹת
(goralot)
loten
לְהָבִ֣יא
(lehavi)
om te laten komen
אֶחָ֣ד
(echad)
een
מִן
(min)
van
הָעֲשָׂרָ֗ה
(haasara)
de tien
לָשֶׁ֨בֶת֙
(lashevet)
om te wonen
בִּֽירוּשָׁלִַ֨ם֙
(birushaliam)
in Jeruzalem
עִ֣יר
(ir)
stad van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
וְתֵ֥שַׁע
(vetesha)
en negen
הַיָּד֖וֹת
(hayadot)
de delen
בֶּעָרִֽים
(bearim)
in de steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Jeruzalem was na de terugkeer nog weinig bewoond (zie Neh. 7:4).

Daarom werd er geloot: één van de tien zou in de stad wonen.

גּוֹרָלוֹת (goralot), ‘loten’: een lot beslist, zoals in 1 Kron. 24:5 bij de afdelingen van de priesters.

עִיר הַקֹּדֶשׁ (ir haqodesh), ‘de heilige stad’: Jeruzalem, de stad van het huis van Yahweh.

2Het volk zegende alle mannen die zich vrijwillig aanboden om in Jeruzalem te wonen.
וַֽיְבָרֲכ֖וּ
(vayvarakhu)
en zegende
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
לְכֹל֙
(lekhol)
alle
הָֽאֲנָשִׁ֔ים
(haanashim)
de mannen
הַמִּֽתְנַדְּבִ֔ים
(hamitnadevim)
die zich vrijwillig aanboden
לָשֶׁ֖בֶת
(lashevet)
om te wonen
בִּירוּשָׁלִָֽם
(birushaliam)
in Jeruzalem
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

De vrijwilligers komen bovenop de geloste mensen.

Het volk zegent hen omdat zij de zware taak op zich nemen om in de stad te gaan wonen.

De hoofden van de provincie

3Dit zijn de hoofden van de provincie die in Jeruzalem woonden. In de steden van Juda woonde ieder op zijn eigen bezit, in hun steden. Dat waren Israël, de priesters, de Levieten, de tempeldienaren en de zonen van de dienaren van Salomo.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הַמְּדִינָ֔ה
(hamedina)
de provincie
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָשְׁב֖וּ
(yashevu)
woonden
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וּבְעָרֵ֣י
(uvearei)
en in de steden van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
יָֽשְׁב֞וּ
(yashevu)
woonden
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
בַּאֲחֻזָּתוֹ֙
(baachuzato)
op zijn bezit
בְּעָ֣רֵיהֶ֔ם
(beareihem)
in hun steden
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
הַכֹּהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֣ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְהַנְּתִינִ֔ים
(vehanetinim)
en de tempeldienaren
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
עַבְדֵ֥י
(avdei)
dienaren van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Uitleg

Deze lijst loopt parallel met 1 Kron. 9:2–17.

De namen en de getallen zijn niet overal gelijk; wij vertalen ieder hoofdstuk zoals het Hebreeuws er staat.

הַנְּתִינִים (hannetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’ (Hebreeuws ‘de Netinim’), mensen die aan de tempeldienst waren gegeven. Zie Ezra 2:43 en 1 Kron. 9:2.

בְּנֵי עַבְדֵי שְׁלֹמֹה (bene avde shelomoh), ‘de zonen van de dienaren van Salomo’: een aparte groep naast de tempeldienaren, ook in Ezra 2:55.

Van de zonen van Juda

4In Jeruzalem woonden sommigen van de zonen van Juda en sommigen van de zonen van Benjamin. Van de zonen van Juda: Ataja, zoon van Uzzia, zoon van Zecharja, zoon van Amarja, zoon van Sjefatja, zoon van Mahalalel, van de zonen van Peres,
וּבִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
יָֽשְׁב֔וּ
(yashevu)
woonden
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
יְ֠הוּדָה
(yehuda)
Juda
עֲתָיָ֨ה
(ataya)
Ataja
בֶן
(ben)
zoon van
עֻזִּיָּ֜ה
(uziya)
Uzzia
בֶּן
(ben)
zoon van
זְכַרְיָ֧ה
(zekharya)
Zecharja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲמַרְיָ֛ה
(amarya)
Amarja
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁפַטְיָ֥ה
(shefatya)
Sjefatja
בֶן
(ben)
zoon van
מַהֲלַלְאֵ֖ל
(mahalalel)
Mahalalel
מִבְּנֵי
(mibenei)
van de zonen van
פָֽרֶץ
(parets)
Peres
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

פֶּרֶץ (perets), ‘Peres’, was een zoon van Juda (Gen. 38:29).

In 1 Kron. 9:4 staat een andere lijst, met Utai als eerste.

5en Maäseja, zoon van Baruch, zoon van Kol-Choze, zoon van Chazaja, zoon van Adaja, zoon van Jojarib, zoon van Zecharja, de zoon van de Selaniet.
וּמַעֲשֵׂיָ֣ה
(umaaseya)
en Maäseja
בֶן
(ben)
zoon van
בָּר֣וּךְ
(barukh)
Baruch
בֶּן
(ben)
zoon van
כָּל
(kal)
Kol
חֹ֠זֶה
(choze)
Choze
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲזָיָ֨ה
(chazaya)
Chazaja
בֶן
(ben)
zoon van
עֲדָיָ֧ה
(adaya)
Adaja
בֶן
(ben)
zoon van
יוֹיָרִ֛יב
(yoyariv)
Jojarib
בֶּן
(ben)
zoon van
זְכַרְיָ֖ה
(zekharya)
Zecharja
בֶּן
(ben)
zoon van
הַשִּׁלֹנִֽי
(hashiloni)
de Selaniet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַשִּׁלֹנִי (hashiloni), ‘de Selaniet’: een afstammeling van Sela, de zoon van Juda (Gen. 38:5; Num. 26:20).

Zo vertalen wij ook in 1 Kron. 9:5.

6Alle zonen van Peres die in Jeruzalem woonden: 468 dappere mannen.
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵי
(benei)
zonen van
פֶ֕רֶץ
(perets)
Peres
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die woonden
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
אַרְבַּ֥ע
(arba)
vier
מֵא֛וֹת
(meot)
honderd
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
וּשְׁמֹנָ֖ה
(ushemona)
en acht
אַנְשֵׁי
(anshei)
mannen van
חָֽיִל
(chayil)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

אַנְשֵׁי חָיִל (anshe chayil), ‘dappere mannen’: mannen met kracht, geschikt voor het leger.

Zij zijn de verdedigers van de stad.

Van de zonen van Benjamin

7Dit zijn de zonen van Benjamin: Sallu, zoon van Mesjullam, zoon van Joëd, zoon van Pedaja, zoon van Kolaja, zoon van Maäseja, zoon van Itiël, zoon van Jesaja.
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
en dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
סַלֻּ֡א
(salu)
Sallu
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשֻׁלָּ֡ם
(meshulam)
Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹעֵ֡ד
(yoed)
Joëd
בֶּן
(ben)
zoon van
פְּדָיָה֩
(pedaya)
Pedaja
בֶן
(ben)
zoon van
ק֨וֹלָיָ֧ה
(qolaya)
Kolaja
בֶן
(ben)
zoon van
מַעֲשֵׂיָ֛ה
(maaseya)
Maäseja
בֶּן
(ben)
zoon van
אִֽיתִיאֵ֖ל
(itiel)
Itiël
בֶּן
(ben)
zoon van
יְשַֽׁעְיָֽה
(yeshaya)
Jesaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Ook voor de zonen van Benjamin geeft 1 Kron. 9:7–9 een andere lijst.

De namen verschillen en de getallen ook.

8En na hem Gabbai en Sallai: 928.
וְאַחֲרָ֖יו
(veacharav)
en na hem
גַּבַּ֣י
(gabay)
Gabbai
סַלָּ֑י
(salay)
Sallai
תְּשַׁ֥ע
(tesha)
negen
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
וּשְׁמֹנָֽה
(ushemona)
en acht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Joël, de zoon van Zichri, was hun opzichter. Juda, de zoon van Hassenua, was de tweede over de stad.
וְיוֹאֵ֥ל
(veyoel)
en Joël
בֶּן
(ben)
zoon van
זִכְרִ֖י
(zikhri)
Zichri
פָּקִ֣יד
(paqid)
opzichter
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
וִיהוּדָ֧ה
(vihuda)
en Juda
בֶן
(ben)
zoon van
הַסְּנוּאָ֛ה
(hasenua)
Hassenua
עַל
(al)
tweede
הָעִ֖יר
(hair)
over
מִשְׁנֶֽה
(mishne)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פָּקִיד (paqid), ‘opzichter’, en מִשְׁנֶה (mishneh), ‘tweede’: Joël was de opzichter van de mannen van Benjamin; Juda was de tweede in rang over de stad.

Zie ook1 Kron 9:7

De priesters

10Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, en Jachin,
מִן
(min)
van
הַֽכֹּהֲנִ֑ים
(hakohanim)
de priesters
יְדַֽעְיָ֥ה
(yedaya)
Jedaja
בֶן
(ben)
zoon van
יוֹיָרִ֖יב
(yoyariv)
Jojarib
יָכִֽין
(yakhin)
Jachin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft ‘Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin’.

In 1 Kron. 9:10 staan ‘Jedaja, Jojarib en Jachin’ als drie namen.

Wij volgen het Hebreeuws van dit vers en laten het tweede ‘en’ bij Jachin staan.

11Seraja, zoon van Hilkia, zoon van Mesjullam, zoon van Zadok, zoon van Merajot, zoon van Achitub, leider van het huis van Elohim,
שְׂרָיָ֨ה
(seraya)
Seraja
בֶן
(ben)
zoon van
חִלְקִיָּ֜ה
(chilqiya)
Hilkia
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשֻׁלָּ֣ם
(meshulam)
Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
צָד֗וֹק
(tsadoq)
Zadok
בֶּן
(ben)
zoon van
מְרָיוֹת֙
(merayot)
Merajot
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲחִיט֔וּב
(achituv)
Achitub
נְגִ֖ד
(negid)
leider van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Seraja heet hier de zoon van Hilkia.

In 1 Kron. 9:11 staat in dezelfde reeks de naam Azaria.

De Masoretische tekst heeft in beide boeken een eigen vorm; wij laten dat zo.

נָגִיד (nagid), ‘leider’: de leider van het huis van Elohim, de hoogste priester die over de tempel gesteld was. Zo vertalen wij ook in 1 Kron. 9:11.

12en hun broeders, die het werk voor het huis deden: 822. En Adaja, zoon van Jerocham, zoon van Pelalja, zoon van Amsi, zoon van Zecharja, zoon van Pasjchur, zoon van Malkia,
וַאֲחֵיהֶ֗ם
(vaacheihem)
en hun broeders
עֹשֵׂ֤י
(osei)
die deden
הַמְּלָאכָה֙
(hamelakha)
het werk
לַבַּ֔יִת
(labayit)
voor het huis
שְׁמֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
וּשְׁנָ֑יִם
(ushenayim)
en twee
וַ֠עֲדָיָה
(vaadaya)
en Adaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְרֹחָ֤ם
(yerocham)
Jerocham
בֶּן
(ben)
zoon van
פְּלַלְיָה֙
(pelalya)
Pelalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אַמְצִ֣י
(amtsi)
Amsi
בֶן
(ben)
zoon van
זְכַרְיָ֔ה
(zekharya)
Zecharja
בֶּן
(ben)
zoon van
פַּשְׁח֖וּר
(pashchur)
Pasjchur
בֶּן
(ben)
zoon van
מַלְכִּיָּֽה
(malkiya)
Malkia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het getal 822 is het aantal priesters dat in de tempel werkte.

Het Hebreeuws zegt ‘die het werk voor het huis deden’: de dienst in en bij het huis van Elohim.

13en zijn broeders, hoofden van de vaderhuizen: 242. En Amasjsai, zoon van Azareël, zoon van Achzai, zoon van Mesjillemot, zoon van Immer,
וְאֶחָיו֙
(veechav)
en zijn broeders
רָאשִׁ֣ים
(rashim)
hoofden
לְאָב֔וֹת
(leavot)
voor de vaderhuizen
מָאתַ֖יִם
(matayim)
tweehonderd
אַרְבָּעִ֣ים
(arbaim)
veertig
וּשְׁנָ֑יִם
(ushenayim)
en twee
וַעֲמַשְׁסַ֧י
(vaamashsay)
en Amasjsai
בֶּן
(ben)
zoon van
עֲזַרְאֵ֛ל
(azarel)
Azareël
בֶּן
(ben)
zoon van
אַחְזַ֥י
(achzay)
Achzai
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשִׁלֵּמ֖וֹת
(meshilemot)
Mesjillemot
בֶּן
(ben)
zoon van
אִמֵּֽר
(imer)
Immer
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14en hun broeders, dappere krijgers: 128. Hun opzichter was Zabdiël, de zoon van Haggedolim.
וַאֲחֵיהֶם֙
(vaacheihem)
en hun broeders
גִּבּ֣וֹרֵי
(giborei)
helden van
חַ֔יִל
(chayil)
kracht
מֵאָ֖ה
(mea)
honderd
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
וּשְׁמֹנָ֑ה
(ushemona)
en acht
וּפָקִ֣יד
(ufaqid)
en opzichter
עֲלֵיהֶ֔ם
(aleihem)
over hen
זַבְדִּיאֵ֖ל
(zavdiel)
Zabdiël
בֶּן
(ben)
zoon van
הַגְּדוֹלִֽים
(hagedolim)
de groten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

גְּדוֹלִים (gedolim), ‘groten’: met het lidwoord haggedolim.

Het kan een naam zijn, ‘Haggedolim’, of ‘van de groten’.

Wij schrijven het als naam.

De betekenis is niet zeker.

De Levieten

15Van de Levieten: Sjemaja, zoon van Chasjub, zoon van Azrikam, zoon van Chasjabja, zoon van Bunni,
וּמִֽן
(umin)
en van
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
שְׁמַעְיָ֧ה
(shemaya)
Sjemaja
בֶן
(ben)
zoon van
חַשּׁ֛וּב
(chashuv)
Chasjub
בֶּן
(ben)
zoon van
עַזְרִיקָ֥ם
(azriqam)
Azrikam
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲשַׁבְיָ֖ה
(chashavya)
Chasjabja
בֶּן
(ben)
zoon van
בּוּנִּֽי
(buni)
Bunni
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16en Sjabbetai en Jozabad, van de hoofden van de Levieten. Zij waren aangesteld over het werk aan de buitenkant van het huis van Elohim.
וְשַׁבְּתַ֨י
(veshabetay)
en Sjabbetai
וְיוֹזָבָ֜ד
(veyozavad)
en Jozabad
עַל
(al)
over
הַמְּלָאכָ֤ה
(hamelakha)
het werk
הַחִֽיצֹנָה֙
(hachitsona)
de buitenste
לְבֵ֣ית
(leveit)
voor het huis van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
מֵרָאשֵׁ֖י
(merashei)
van de hoofden van
הַלְוִיִּֽם
(halviyim)
de Levieten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

הַחִיצֹנָה (hachitsonah), ‘de buitenste’: het werk aan de buitenkant van het huis van Elohim, dus buiten het heiligdom zelf.

Wat dat werk was, zegt de tekst niet.

17Mattanja, zoon van Micha, zoon van Zabdi, zoon van Asaf, was het hoofd. Hij begon met de dankzegging bij het gebed. Bakbukja was de tweede onder zijn broeders. En Abda was de zoon van Sjammua, zoon van Galal, zoon van Jedutun.
וּמַתַּנְיָ֣ה
(umatanya)
en Mattanja
בֶן
(ben)
zoon van
מִ֠יכָה
(mikha)
Micha
בֶּן
(ben)
zoon van
זַבְדִּ֨י
(zavdi)
Zabdi
בֶן
(ben)
zoon van
אָסָ֜ף
(asaf)
Asaf
רֹ֗אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַתְּחִלָּה֙
(hatechila)
het begin
יְהוֹדֶ֣ה
(yehode)
hij dankte
לַתְּפִלָּ֔ה
(latefila)
bij het gebed
וּבַקְבֻּקְיָ֖ה
(uvaqbuqya)
en Bakbukja
מִשְׁנֶ֣ה
(mishne)
tweede
מֵאֶחָ֑יו
(meechav)
van zijn broeders
וְעַבְדָּא֙
(veavda)
en Abda
בֶּן
(ben)
zoon van
שַׁמּ֔וּעַ
(shamua)
Sjammua
בֶּן
(ben)
zoon van
גָּלָ֖ל
(galal)
Galal
בֶּן
(ben)
zoon van
יְדוּתֽוּן
(yedutun)
Jedutun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רֹאשׁ הַתְּחִלָּה (rosh hattechillah), ‘het hoofd van het begin’: Mattanja leidde de dankzegging aan het begin van het gebed.

De betekenis van de zin is niet zeker.

In 1 Kron. 9:15 staat een kortere reeks.

יְהוֹדֶה (yehodeh), ‘hij dankte’: het werkwoord יָדָה (yadah) betekent ‘danken’ en ‘loven’. Het lijkt in schrift op de naam Juda (יְהוּדָה, yehudah), maar hier is het een werkwoord.

Lezing

De geschreven tekst (ketiv) heeft ידיתון (yedithun).

De voorgelezen tekst (qere) heeft יְדוּתוּן (yedutun), ‘Jedutun’.

Wij volgen het qere, zoals in 1 Kron. 9:16.

18Alle Levieten in de heilige stad: 284.
כָּל
(kal)
alle
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
בְּעִ֣יר
(beir)
in de stad van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
מָאתַ֖יִם
(matayim)
tweehonderd
שְׁמֹנִ֥ים
(shemonim)
tachtig
וְאַרְבָּעָֽה
(vearbaa)
en vier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De poortwachters

19De poortwachters: Akkub, Talmon en hun broeders, die de wacht hielden bij de poorten: 172.
וְהַשּֽׁוֹעֲרִים֙
(vehashoarim)
en de poortwachters
עַקּ֣וּב
(aquv)
Akkub
טַלְמ֔וֹן
(talmon)
Talmon
וַאֲחֵיהֶ֖ם
(vaacheihem)
en hun broeders
הַשֹּׁמְרִ֣ים
(hashomerim)
de wachters
בַּשְּׁעָרִ֑ים
(bashearim)
bij de poorten
מֵאָ֖ה
(mea)
honderd
שִׁבְעִ֥ים
(shivim)
zeventig
וּשְׁנָֽיִם
(ushenayim)
en twee
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Akkub en Talmon staan ook in 1 Kron. 9:17 onder de poortwachters.

Daar is Sjallum het hoofd.

Het overige Israël

20Het overige Israël, de priesters en de Levieten waren in alle steden van Juda, ieder op zijn eigen erfdeel.
וּשְׁאָ֨ר
(ushear)
en het overige van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
הַכֹּהֲנִ֤ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
בְּכָל
(bekhal)
in alle
עָרֵ֣י
(arei)
steden van
יְהוּדָ֔ה
(yehuda)
Juda
אִ֖ישׁ
(ish)
ieder
בְּנַחֲלָתֽוֹ
(benachalato)
op zijn erfdeel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.

Zie ookNeh 11:3
21De tempeldienaren woonden op de Ofel. Ziha en Gisjpa waren over de tempeldienaren gesteld.
וְהַנְּתִינִ֖ים
(vehanetinim)
en de tempeldienaren
יֹשְׁבִ֣ים
(yoshevim)
woonden
בָּעֹ֑פֶל
(baofel)
op de Ofel
וְצִיחָ֥א
(vetsicha)
en Ziha
וְגִשְׁפָּ֖א
(vegishpa)
en Gisjpa
עַל
(al)
over
הַנְּתִינִֽים
(hanetinim)
de tempeldienaren
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Ofel (Jeruzalem): De Ofel is de zuidelijke uitloper van de tempelberg in Jeruzalem.

Uitleg

עֹפֶל (ofel), ‘Ofel’: een heuvel in het zuiden van de oude stad.

De tempeldienaren woonden daar al volgens Neh. 3:26.

צִיחָא וְגִשְׁפָּא (tsicha vegishpa), ‘Ziha en Gisjpa’: twee mannen, vermoedelijk hoofden van de tempeldienaren. Een Ziha staat ook in Ezra 2:43.

De leiding van de Levieten

22De opzichter van de Levieten in Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, zoon van Chasjabja, zoon van Mattanja, zoon van Micha, van de zonen van Asaf, de zangers. Hij stond over het werk van het huis van Elohim.
וּפְקִ֤יד
(ufeqid)
en opzichter van
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
עֻזִּ֤י
(uzi)
Uzzi
בֶן
(ben)
zoon van
בָּנִי֙
(bani)
Bani
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲשַׁבְיָ֔ה
(chashavya)
Chasjabja
בֶּן
(ben)
zoon van
מַתַּנְיָ֖ה
(matanya)
Mattanja
בֶּן
(ben)
zoon van
מִיכָ֑א
(mikha)
Micha
מִבְּנֵ֤י
(mibenei)
van de zonen van
אָסָף֙
(asaf)
Asaf
הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(hamshorerim)
de zangers
לְנֶ֖גֶד
(leneged)
tegenover
מְלֶ֥אכֶת
(melekhet)
het werk van
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

Asaf was een zanger uit de tijd van David (1 Kron. 6:24).

De zonen van Asaf bleven de zangers van het huis van Elohim.

23Want er was een bevel van de koning over hen. En er was een vaste regeling voor de zangers: elke dag wat die dag vroeg.
כִּֽי
(ki)
want
מִצְוַ֥ת
(mitsvat)
bevel van
הַמֶּ֖לֶךְ
(hamelekh)
de koning
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
וַאֲמָנָ֥ה
(vaamana)
en vaste regeling
עַל
(al)
over
הַמְשֹׁרְרִ֖ים
(hamshorerim)
de zangers
דְּבַר
(devar)
zaak van
י֥וֹם
(yom)
dag
בְּיוֹמֽוֹ
(beyomo)
op zijn dag
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מִצְוַת הַמֶּלֶךְ (mitsvat hamelekh), ‘een bevel van de koning’: de tekst zegt niet welke koning.

Dat kan de Perzische koning zijn of David (zie Neh. 12:24 en 12:45).

Wij laten het open.

אֲמָנָה (amanah), ‘vaste regeling’: een vaste afspraak voor het onderhoud van de zangers.

דְּבַר יוֹם בְּיוֹמוֹ (devar yom beyomo), ‘elke dag wat die dag vroeg’: letterlijk ‘de zaak van een dag op zijn dag’.

24Petachja was een zoon van Mesjezabeël, van de zonen van Zerach, de zoon van Juda. Hij stond aan de zijde van de koning in elke zaak van het volk.
וּפְתַֽחְיָ֨ה
(ufetachya)
en Petachja
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשֵֽׁיזַבְאֵ֜ל
(mesheizavel)
Mesjezabeël
מִבְּנֵי
(mibenei)
van de zonen van
זֶ֤רַח
(zerach)
Zerach
בֶּן
(ben)
zoon van
יְהוּדָה֙
(yehuda)
Juda
לְיַ֣ד
(leyad)
aan de zijde van
הַמֶּ֔לֶךְ
(hamelekh)
de koning
לְכָל
(lekhal)
voor elke
דָּבָ֖ר
(davar)
zaak
לָעָֽם
(laam)
van het volk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Petachja stond ‘aan de zijde van de koning’ (לְיַד הַמֶּלֶךְ, leyad hamelekh).

Hij hield zich vermoedelijk bezig met de zaken van het volk bij het Perzische hof.

De tekst zegt het niet.

De steden van Juda

25Wat de dorpen met hun velden betreft: sommigen van de zonen van Juda woonden in Kirjat-Arba en de dorpen daarbij, in Dibon en de dorpen daarbij, en in Jekabseël en de dorpen daarbij,
וְאֶל
(veel)
en naar
הַחֲצֵרִ֖ים
(hachatserim)
de dorpen
בִּשְׂדֹתָ֑ם
(bisdotam)
met hun velden
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
יָֽשְׁב֞וּ
(yashevu)
woonden
בְּקִרְיַ֤ת
(beqiryat)
in Kirjat
הָֽאַרְבַּע֙
(haarba)
Arba
וּבְנֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
וּבְדִיבֹן֙
(uvedivon)
en in Dibon
וּבְנֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
וּבִֽיקַּבְצְאֵ֖ל
(uviqavtseel)
en in Jekabseël
וַחֲצֵרֶֽיהָ
(vachatsereiha)
en haar dorpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.

Uitleg

בְּנֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dorpen’: letterlijk ‘haar dochters’, dat zijn de kleinere plaatsen rondom een stad.

Wij schrijven ‘de dorpen daarbij’.

קִרְיַת הָאַרְבַּע (qiryat ha’arba), ‘Kirjat-Arba’: de oude naam van Hebron (Gen. 23:2).

De lijst van de plaatsen in Juda gaat van het zuiden naar het noorden. Vergelijk Joz. 15:21–62. Sommige namen zijn hier anders gespeld, zoals Jekabseël (Joz. 15:21 Kabseël).

26in Jesua, Molada en Bet-Pelet,
וּבְיֵשׁ֥וּעַ
(uveyeshua)
en in Jesua
וּבְמוֹלָדָ֖ה
(uvemolada)
en in Molada
וּבְבֵ֥ית
(uveveit)
en in Bet
פָּֽלֶט
(palet)
Pelet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Molada: Molada wordt gezocht bij Tel Malhata, in de Negev.

Uitleg

Jesua is hier de naam van een plaats in het zuiden van Juda, niet de priester Jesua.

De ligging is niet zeker.

Molada staat ook in Joz. 15:26.

27in Chazar-Sjoeal, Beër-Sjeba en de dorpen daarbij,
וּבַחֲצַ֥ר
(uvachatsar)
en in Chazar
שׁוּעָ֛ל
(shual)
Sjoeal
וּבִבְאֵ֥ר
(uviver)
en in Beër
שֶׁ֖בַע
(sheva)
Sjeba
וּבְנֹתֶֽיהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Uitleg

Chazar-Sjoeal (חֲצַר שׁוּעָל, chatsar shual) betekent ‘erf van de jakhals’.

Het ligt in het zuiden van Juda, bij de grens met Edom (Joz. 15:28).

28in Siklag, Mekona en de dorpen daarbij,
וּבְצִֽקְלַ֥ג
(uvetsiqlag)
en in Siklag
וּבִמְכֹנָ֖ה
(uvimkhona)
en in Mekona
וּבִבְנֹתֶֽיהָ
(uvivnoteiha)
en haar dorpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Siklag (ligging onzeker): Siklag lag in de Negev.

Tel Sera en Tel Halif zijn voorgesteld; dit is niet zeker.

29in En-Rimmon, Zora en Jarmut,
וּבְעֵ֥ין
(uveein)
en in En
רִמּ֛וֹן
(rimon)
Rimmon
וּבְצָרְעָ֖ה
(uvetsarea)
en in Zora
וּבְיַרְמֽוּת
(uveyarmut)
en in Jarmut
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Zora (Tsora): Zora (Tsora) lag in de Sefela, ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Bet Semes.

Zie Jarmut: Jarmut wordt gezocht bij Khirbet Jarmuk, in de Sefela.

30Zanoach, Adullam en hun dorpen, Lachis met zijn velden en Azeka met de dorpen daarbij. Zij sloegen hun kamp op van Beër-Sjeba tot het dal van Hinnom.
זָנֹ֤חַ
(zanoach)
Zanoach
עֲדֻלָּם֙
(adulam)
Adullam
וְחַצְרֵיהֶ֔ם
(vechatsreihem)
en hun dorpen
לָכִישׁ֙
(lakhish)
Lachis
וּשְׂדֹתֶ֔יהָ
(usedoteiha)
en haar velden
עֲזֵקָ֖ה
(azeqa)
Azeka
וּבְנֹתֶ֑יהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
וַיַּחֲנ֥וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
מִבְּאֵֽר
(mibeer)
van Beër
שֶׁ֖בַע
(sheva)
Sjeba
עַד
(ad)
tot
גֵּֽיא
(gei)
dal van
הִנֹּֽם
(hinom)
Hinnom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Zanoach: Zanoach wordt gezocht bij Khirbet Zanu', in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.

Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.

Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.

Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela.

Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.

Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.

Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.

Uitleg

וַיַּחֲנוּ (vayachanu), ‘zij sloegen hun kamp op’: de mensen van Juda woonden verspreid van Beër-Sjeba in het zuiden tot het dal van Hinnom bij Jeruzalem.

Het dal van Hinnom ligt ten zuiden van de oude stad en vormde de grens tussen Juda en Benjamin (Joz. 15:8).

De steden van Benjamin

31De zonen van Benjamin woonden vanaf Geba: in Mikmas, Aja, Betel en de dorpen daarbij,
וּבְנֵ֥י
(uvenei)
en de zonen van
בִנְיָמִ֖ן
(binyamin)
Benjamin
מִגָּ֑בַע
(migava)
van Geba
מִכְמָ֣שׂ
(mikhmas)
Mikmas
וְעַיָּ֔ה
(veaya)
en Aja
וּבֵֽית
(uveit)
en Bet
אֵ֖ל
(el)
El
וּבְנֹתֶֽיהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Geba: Geba (nu Jaba) lag ten noordoosten van Jeruzalem, in Benjamin.

Zie Mikmas: Mikmas (nu Mukhmas) lag ongeveer 10 km ten noordoosten van Jeruzalem, tegenover Geba.

De pas van Mikmas is het dal (Wadi es-Suwenit) tussen beide plaatsen.

Zie Aja (Ai; ligging onzeker): Ai lag ten oosten van Betel, op de heuvel et-Tell of bij Khirbet el-Maqatir.

De precieze plaats is niet zeker.

Zie Betel: Betel ligt bij het huidige Beitin, ongeveer 17 km ten noorden van Jeruzalem.

Uitleg

Vanaf dit vers volgen de plaatsen van Benjamin, ten noorden van Jeruzalem.

Zij liggen in het gebied van Joz. 18:21–28.

32in Anatot, Nob en Ananja,
עֲנָת֥וֹת
(anatot)
Anatot
נֹ֖ב
(nov)
Nob
עֲנָֽנְיָֽה
(ananeya)
Ananja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Zie Nob (ligging onzeker): Nob, de stad van de priesters, lag vermoedelijk op de bergrug ten noordoosten van Jeruzalem (Scopusberg).

Dit is niet zeker.

33in Chasor, Rama en Gittajim,
חָצ֥וֹר
(chatsor)
Chasor
רָמָ֖ה
(rama)
Rama
גִּתָּֽיִם
(gitayim)
Gittajim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Rama (er-Ram): Rama (nu er-Ram; ook Ramataim-Zofim, de woonplaats van Samuël) lag ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem, in Benjamin.

De ligging van Samuëls Rama is niet helemaal zeker.

In Jozua 19 zijn andere plaatsen met deze naam bedoeld, in het noorden.

Uitleg

Chasor in Benjamin is niet de stad Chasor in het noorden van het land (Joz. 11:1).

Het is een andere plaats met dezelfde naam.

34in Chadid, Zeboïm en Neballat,
חָדִ֥יד
(chadid)
Chadid
צְבֹעִ֖ים
(tsevoim)
Zeboïm
נְבַלָּֽט
(nevalat)
Neballat
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Chadid (Hadid): Chadid (Hadid) lag in het laagland van Benjamin, ten oosten van Lod, bij het huidige el-Haditha.

Zie Neballat (Beit Nabala): Neballat is het huidige Beit Nabala, bij Lod, in het laagland van Benjamin.

35in Lod, Ono en het dal van de ambachtslieden.
לֹ֥ד
(lod)
Lod
וְאוֹנ֖וֹ
(veono)
en Ono
גֵּ֥י
(gei)
dal van
הַחֲרָשִֽׁים
(hacharashim)
de ambachtslieden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Lod: Lod (later Lydda) lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem, bij het huidige Lod.

Zie Ono (ligging onzeker): Ono lag in de laagvlakte ten westen van Jeruzalem; Kafr Ana wordt genoemd.

De precieze plaats is niet zeker.

Uitleg

גֵּי הָחָרָשִׁים (ge hacharashim), ‘het dal van de ambachtslieden’: een dal bij Lod en Ono waar ambachtslieden werkten.

Dezelfde plaats staat in 1 Kron. 4:14.

36Van de Levieten waren enkele afdelingen van Juda bij Benjamin gevoegd.
וּמִן
(umin)
en van
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
מַחְלְק֥וֹת
(machleqot)
afdelingen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
לְבִנְיָמִֽין
(levinyamin)
voor Benjamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het Hebreeuws heeft ‘van de Levieten: afdelingen van Juda voor Benjamin’.

De betekenis is niet zeker.

Waarschijnlijk gaat het om Levietische afdelingen die in Juda hoorden en bij Benjamin woonden.