De bewoners van Jeruzalem en van de steden van Juda
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Wie in Jeruzalem gaat wonen
1De oversten van het volk woonden in Jeruzalem. Het overige volk wierp loten. Zo kwam één van de tien om in Jeruzalem te wonen, de heilige stad. De negen andere delen bleven in de steden.
וַיֵּשְׁב֥וּ
(vayeshevu)
en zij woonden
שָׂרֵֽי
(sarei)
oversten van
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וּשְׁאָ֣ר
(ushear)
en het overige van
הָ֠עָם
(haam)
het volk
הִפִּ֨ילוּ
(hipilu)
wierpen
גוֹרָל֜וֹת
(goralot)
loten
לְהָבִ֣יא
(lehavi)
om te laten komen
אֶחָ֣ד
(echad)
een
מִן
(min)
van
הָעֲשָׂרָ֗ה
(haasara)
de tien
לָשֶׁ֨בֶת֙
(lashevet)
om te wonen
בִּֽירוּשָׁלִַ֨ם֙
(birushaliam)
in Jeruzalem
עִ֣יר
(ir)
stad van
הַקֹּ֔דֶשׁ
(haqodesh)
de heiligheid
וְתֵ֥שַׁע
(vetesha)
en negen
הַיָּד֖וֹת
(hayadot)
de delen
בֶּעָרִֽים
(bearim)
in de steden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Jeruzalem was na de terugkeer nog weinig bewoond (zie Neh. 7:4).
Daarom werd er geloot: één van de tien zou in de stad wonen.
גּוֹרָלוֹת (goralot), ‘loten’: een lot beslist, zoals in 1 Kron. 24:5 bij de afdelingen van de priesters.
עִיר הַקֹּדֶשׁ (ir haqodesh), ‘de heilige stad’: Jeruzalem, de stad van het huis van Yahweh.
3Dit zijn de hoofden van de provincie die in Jeruzalem woonden. In de steden van Juda woonde ieder op zijn eigen bezit, in hun steden. Dat waren Israël, de priesters, de Levieten, de tempeldienaren en de zonen van de dienaren van Salomo.
וְאֵ֨לֶּה֙
(veele)
en dit
רָאשֵׁ֣י
(rashei)
hoofden van
הַמְּדִינָ֔ה
(hamedina)
de provincie
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
יָשְׁב֖וּ
(yashevu)
woonden
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
וּבְעָרֵ֣י
(uvearei)
en in de steden van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
יָֽשְׁב֞וּ
(yashevu)
woonden
אִ֤ישׁ
(ish)
ieder
בַּאֲחֻזָּתוֹ֙
(baachuzato)
op zijn bezit
בְּעָ֣רֵיהֶ֔ם
(beareihem)
in hun steden
יִשְׂרָאֵ֤ל
(yisrael)
Israël
הַכֹּהֲנִים֙
(hakohanim)
de priesters
וְהַלְוִיִּ֣ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְהַנְּתִינִ֔ים
(vehanetinim)
en de tempeldienaren
וּבְנֵ֖י
(uvenei)
en zonen van
עַבְדֵ֥י
(avdei)
dienaren van
שְׁלֹמֹֽה
(shelomo)
Salomo
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Zie Juda: Juda is hier het zuidelijke land, rond Jeruzalem, in het bergland ten westen van de Zoutzee.
Uitleg
Deze lijst loopt parallel met 1 Kron. 9:2–17.
De namen en de getallen zijn niet overal gelijk; wij vertalen ieder hoofdstuk zoals het Hebreeuws er staat.
הַנְּתִינִים (hannetinim), ‘de tempeldienaren’: letterlijk ‘de gegevenen’ (Hebreeuws ‘de Netinim’), mensen die aan de tempeldienst waren gegeven. Zie Ezra 2:43 en 1 Kron. 9:2.
בְּנֵי עַבְדֵי שְׁלֹמֹה (bene avde shelomoh), ‘de zonen van de dienaren van Salomo’: een aparte groep naast de tempeldienaren, ook in Ezra 2:55.
4In Jeruzalem woonden sommigen van de zonen van Juda en sommigen van de zonen van Benjamin. Van de zonen van Juda: Ataja, zoon van Uzzia, zoon van Zecharja, zoon van Amarja, zoon van Sjefatja, zoon van Mahalalel, van de zonen van Peres,
וּבִֽירוּשָׁלִַ֨ם֙
(uvirushaliam)
en in Jeruzalem
יָֽשְׁב֔וּ
(yashevu)
woonden
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
van de zonen van
יְהוּדָ֖ה
(yehuda)
Juda
וּמִבְּנֵ֣י
(umibenei)
en van de zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
יְ֠הוּדָה
(yehuda)
Juda
עֲתָיָ֨ה
(ataya)
Ataja
בֶן
(ben)
zoon van
עֻזִּיָּ֜ה
(uziya)
Uzzia
בֶּן
(ben)
zoon van
זְכַרְיָ֧ה
(zekharya)
Zecharja
בֶן
(ben)
zoon van
אֲמַרְיָ֛ה
(amarya)
Amarja
בֶּן
(ben)
zoon van
שְׁפַטְיָ֥ה
(shefatya)
Sjefatja
בֶן
(ben)
zoon van
מַהֲלַלְאֵ֖ל
(mahalalel)
Mahalalel
מִבְּנֵי
(mibenei)
van de zonen van
פָֽרֶץ
(parets)
Peres
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
פֶּרֶץ (perets), ‘Peres’, was een zoon van Juda (Gen. 38:29).
In 1 Kron. 9:4 staat een andere lijst, met Utai als eerste.
6Alle zonen van Peres die in Jeruzalem woonden: 468 dappere mannen.
כָּל
(kal)
alle
בְּנֵי
(benei)
zonen van
פֶ֕רֶץ
(perets)
Peres
הַיֹּשְׁבִ֖ים
(hayoshevim)
die woonden
בִּירוּשָׁלִָ֑ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
אַרְבַּ֥ע
(arba)
vier
מֵא֛וֹת
(meot)
honderd
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
וּשְׁמֹנָ֖ה
(ushemona)
en acht
אַנְשֵׁי
(anshei)
mannen van
חָֽיִל
(chayil)
kracht
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
אַנְשֵׁי חָיִל (anshe chayil), ‘dappere mannen’: mannen met kracht, geschikt voor het leger.
Zij zijn de verdedigers van de stad.
Van de zonen van Benjamin
7Dit zijn de zonen van Benjamin: Sallu, zoon van Mesjullam, zoon van Joëd, zoon van Pedaja, zoon van Kolaja, zoon van Maäseja, zoon van Itiël, zoon van Jesaja.
וְאֵ֖לֶּה
(veele)
en dit
בְּנֵ֣י
(benei)
zonen van
בִנְיָמִ֑ן
(binyamin)
Benjamin
סַלֻּ֡א
(salu)
Sallu
בֶּן
(ben)
zoon van
מְשֻׁלָּ֡ם
(meshulam)
Mesjullam
בֶּן
(ben)
zoon van
יוֹעֵ֡ד
(yoed)
Joëd
בֶּן
(ben)
zoon van
פְּדָיָה֩
(pedaya)
Pedaja
בֶן
(ben)
zoon van
ק֨וֹלָיָ֧ה
(qolaya)
Kolaja
בֶן
(ben)
zoon van
מַעֲשֵׂיָ֛ה
(maaseya)
Maäseja
בֶּן
(ben)
zoon van
אִֽיתִיאֵ֖ל
(itiel)
Itiël
בֶּן
(ben)
zoon van
יְשַֽׁעְיָֽה
(yeshaya)
Jesaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Ook voor de zonen van Benjamin geeft 1 Kron. 9:7–9 een andere lijst.
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Joël, de zoon van Zichri, was hun opzichter. Juda, de zoon van Hassenua, was de tweede over de stad.
וְיוֹאֵ֥ל
(veyoel)
en Joël
בֶּן
(ben)
zoon van
זִכְרִ֖י
(zikhri)
Zichri
פָּקִ֣יד
(paqid)
opzichter
עֲלֵיהֶ֑ם
(aleihem)
over hen
וִיהוּדָ֧ה
(vihuda)
en Juda
בֶן
(ben)
zoon van
הַסְּנוּאָ֛ה
(hasenua)
Hassenua
עַל
(al)
tweede
הָעִ֖יר
(hair)
over
מִשְׁנֶֽה
(mishne)
de stad
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
פָּקִיד (paqid), ‘opzichter’, en מִשְׁנֶה (mishneh), ‘tweede’: Joël was de opzichter van de mannen van Benjamin; Juda was de tweede in rang over de stad.
12en hun broeders, die het werk voor het huis deden: 822. En Adaja, zoon van Jerocham, zoon van Pelalja, zoon van Amsi, zoon van Zecharja, zoon van Pasjchur, zoon van Malkia,
וַאֲחֵיהֶ֗ם
(vaacheihem)
en hun broeders
עֹשֵׂ֤י
(osei)
die deden
הַמְּלָאכָה֙
(hamelakha)
het werk
לַבַּ֔יִת
(labayit)
voor het huis
שְׁמֹנֶ֥ה
(shemone)
acht
מֵא֖וֹת
(meot)
honderd
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
וּשְׁנָ֑יִם
(ushenayim)
en twee
וַ֠עֲדָיָה
(vaadaya)
en Adaja
בֶּן
(ben)
zoon van
יְרֹחָ֤ם
(yerocham)
Jerocham
בֶּן
(ben)
zoon van
פְּלַלְיָה֙
(pelalya)
Pelalja
בֶּן
(ben)
zoon van
אַמְצִ֣י
(amtsi)
Amsi
בֶן
(ben)
zoon van
זְכַרְיָ֔ה
(zekharya)
Zecharja
בֶּן
(ben)
zoon van
פַּשְׁח֖וּר
(pashchur)
Pasjchur
בֶּן
(ben)
zoon van
מַלְכִּיָּֽה
(malkiya)
Malkia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Het getal 822 is het aantal priesters dat in de tempel werkte.
Het Hebreeuws zegt ‘die het werk voor het huis deden’: de dienst in en bij het huis van Elohim.
17Mattanja, zoon van Micha, zoon van Zabdi, zoon van Asaf, was het hoofd. Hij begon met de dankzegging bij het gebed. Bakbukja was de tweede onder zijn broeders. En Abda was de zoon van Sjammua, zoon van Galal, zoon van Jedutun.
וּמַתַּנְיָ֣ה
(umatanya)
en Mattanja
בֶן
(ben)
zoon van
מִ֠יכָה
(mikha)
Micha
בֶּן
(ben)
zoon van
זַבְדִּ֨י
(zavdi)
Zabdi
בֶן
(ben)
zoon van
אָסָ֜ף
(asaf)
Asaf
רֹ֗אשׁ
(rosh)
hoofd van
הַתְּחִלָּה֙
(hatechila)
het begin
יְהוֹדֶ֣ה
(yehode)
hij dankte
לַתְּפִלָּ֔ה
(latefila)
bij het gebed
וּבַקְבֻּקְיָ֖ה
(uvaqbuqya)
en Bakbukja
מִשְׁנֶ֣ה
(mishne)
tweede
מֵאֶחָ֑יו
(meechav)
van zijn broeders
וְעַבְדָּא֙
(veavda)
en Abda
בֶּן
(ben)
zoon van
שַׁמּ֔וּעַ
(shamua)
Sjammua
בֶּן
(ben)
zoon van
גָּלָ֖ל
(galal)
Galal
בֶּן
(ben)
zoon van
יְדוּתֽוּן
(yedutun)
Jedutun
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
רֹאשׁ הַתְּחִלָּה (rosh hattechillah), ‘het hoofd van het begin’: Mattanja leidde de dankzegging aan het begin van het gebed.
De betekenis van de zin is niet zeker.
In 1 Kron. 9:15 staat een kortere reeks.
יְהוֹדֶה (yehodeh), ‘hij dankte’: het werkwoord יָדָה (yadah) betekent ‘danken’ en ‘loven’. Het lijkt in schrift op de naam Juda (יְהוּדָה, yehudah), maar hier is het een werkwoord.
Lezing
De geschreven tekst (ketiv) heeft ידיתון (yedithun).
De voorgelezen tekst (qere) heeft יְדוּתוּן (yedutun), ‘Jedutun’.
22De opzichter van de Levieten in Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, zoon van Chasjabja, zoon van Mattanja, zoon van Micha, van de zonen van Asaf, de zangers. Hij stond over het werk van het huis van Elohim.
וּפְקִ֤יד
(ufeqid)
en opzichter van
הַלְוִיִּם֙
(halviyim)
de Levieten
בִּיר֣וּשָׁלִַ֔ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
עֻזִּ֤י
(uzi)
Uzzi
בֶן
(ben)
zoon van
בָּנִי֙
(bani)
Bani
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲשַׁבְיָ֔ה
(chashavya)
Chasjabja
בֶּן
(ben)
zoon van
מַתַּנְיָ֖ה
(matanya)
Mattanja
בֶּן
(ben)
zoon van
מִיכָ֑א
(mikha)
Micha
מִבְּנֵ֤י
(mibenei)
van de zonen van
אָסָף֙
(asaf)
Asaf
הַמְשֹׁ֣רְרִ֔ים
(hamshorerim)
de zangers
לְנֶ֖גֶד
(leneged)
tegenover
מְלֶ֥אכֶת
(melekhet)
het werk van
בֵּית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִֽים
(haElohim)
Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Asaf was een zanger uit de tijd van David (1 Kron. 6:24).
De zonen van Asaf bleven de zangers van het huis van Elohim.
25Wat de dorpen met hun velden betreft: sommigen van de zonen van Juda woonden in Kirjat-Arba en de dorpen daarbij, in Dibon en de dorpen daarbij, en in Jekabseël en de dorpen daarbij,
וְאֶל
(veel)
en naar
הַחֲצֵרִ֖ים
(hachatserim)
de dorpen
בִּשְׂדֹתָ֑ם
(bisdotam)
met hun velden
מִבְּנֵ֣י
(mibenei)
van de zonen van
יְהוּדָ֗ה
(yehuda)
Juda
יָֽשְׁב֞וּ
(yashevu)
woonden
בְּקִרְיַ֤ת
(beqiryat)
in Kirjat
הָֽאַרְבַּע֙
(haarba)
Arba
וּבְנֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
וּבְדִיבֹן֙
(uvedivon)
en in Dibon
וּבְנֹתֶ֔יהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
וּבִֽיקַּבְצְאֵ֖ל
(uviqavtseel)
en in Jekabseël
וַחֲצֵרֶֽיהָ
(vachatsereiha)
en haar dorpen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Hebron: Hebron ligt in het bergland van Juda, ongeveer 30 km ten zuiden van Jeruzalem.
Uitleg
בְּנֹתֶיהָ (benoteha), ‘haar dorpen’: letterlijk ‘haar dochters’, dat zijn de kleinere plaatsen rondom een stad.
Wij schrijven ‘de dorpen daarbij’.
קִרְיַת הָאַרְבַּע (qiryat ha’arba), ‘Kirjat-Arba’: de oude naam van Hebron (Gen. 23:2).
De lijst van de plaatsen in Juda gaat van het zuiden naar het noorden. Vergelijk Joz. 15:21–62. Sommige namen zijn hier anders gespeld, zoals Jekabseël (Joz. 15:21 Kabseël).
30Zanoach, Adullam en hun dorpen, Lachis met zijn velden en Azeka met de dorpen daarbij. Zij sloegen hun kamp op van Beër-Sjeba tot het dal van Hinnom.
זָנֹ֤חַ
(zanoach)
Zanoach
עֲדֻלָּם֙
(adulam)
Adullam
וְחַצְרֵיהֶ֔ם
(vechatsreihem)
en hun dorpen
לָכִישׁ֙
(lakhish)
Lachis
וּשְׂדֹתֶ֔יהָ
(usedoteiha)
en haar velden
עֲזֵקָ֖ה
(azeqa)
Azeka
וּבְנֹתֶ֑יהָ
(uvenoteiha)
en haar dorpen
וַיַּחֲנ֥וּ
(vayachanu)
en zij legerden zich
מִבְּאֵֽר
(mibeer)
van Beër
שֶׁ֖בַע
(sheva)
Sjeba
עַד
(ad)
tot
גֵּֽיא
(gei)
dal van
הִנֹּֽם
(hinom)
Hinnom
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Zanoach: Zanoach wordt gezocht bij Khirbet Zanu', in de Sefela, ten westen van Jeruzalem.
Zie Adullam: Adullam lag in het heuvelland ten zuidwesten van Jeruzalem.
Zie Lachis: Lachis (Tel Lakisj) lag in de Sefela, ten zuidwesten van Hebron.
Zie Azeka: Azeka wordt gezocht bij Tel Zakariya, in de Sefela.
Zie Beër-Sjeba: Beër-Sjeba ligt aan de rand van de Negev, ongeveer 75 km ten zuidwesten van Jeruzalem.
Zie Dal van Hinnom: Het dal van Hinnom ligt ten zuiden en westen van Jeruzalem.
Het vormde de grens tussen Juda en Benjamin.
Uitleg
וַיַּחֲנוּ (vayachanu), ‘zij sloegen hun kamp op’: de mensen van Juda woonden verspreid van Beër-Sjeba in het zuiden tot het dal van Hinnom bij Jeruzalem.
Het dal van Hinnom ligt ten zuiden van de oude stad en vormde de grens tussen Juda en Benjamin (Joz. 15:8).