Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
De vijanden willen Nehemia in Ono ontmoeten
1Sanballat, Tobia, Gesjem de Arabier en de rest van onze vijanden hoorden dat ik de muur had gebouwd. Er was geen bres in overgebleven. Tot op die tijd had ik de deuren nog niet in de poorten geplaatst.
וַיְהִ֣י
(vayhi)
en het was
כַאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
toen
נִשְׁמַ֣ע
(nishma)
werd gehoord
לְסַנְבַלַּ֣ט
(lesanvalat)
aan Sanballat
וְ֠טוֹבִיָּה
(vetoviya)
en Tobia
וּלְגֶ֨שֶׁם
(ulegeshem)
en Gesjem
הָֽעַרְבִ֜י
(haarvi)
de Arabier
וּלְיֶ֣תֶר
(uleyeter)
en de rest van
אֹֽיְבֵ֗ינוּ
(oyeveinu)
onze vijanden
כִּ֤י
(ki)
dat
בָנִ֨יתִי֙
(baniti)
ik had gebouwd
אֶת
(et)
(obj.)
הַ֣חוֹמָ֔ה
(hachoma)
de muur
וְלֹא
(velo)
en niet
נ֥וֹתַר
(notar)
bleef over
בָּ֖הּ
(bah)
in haar
פָּ֑רֶץ
(parets)
bres
גַּ֚ם
(gam)
ook
עַד
(ad)
tot
הָעֵ֣ת
(haet)
de tijd
הַהִ֔יא
(hahi)
die
דְּלָת֖וֹת
(delatot)
deuren
לֹא
(lo)
niet
הֶעֱמַ֥דְתִּי
(heemadti)
had ik geplaatst
בַשְּׁעָרִֽים
(bashearim)
in de poorten
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Sanballat, Tobia en Gesjem de Arabier (haaravi) zijn de tegenstanders van de bouw.
Zij komen ook in de volgende verzen voor.
Bijna alles is af: alleen de deuren in de poorten ontbreken nog. In 7:1 worden zij geplaatst.
3Ik stuurde boden naar hen met de woorden: „Ik doe een groot werk en kan niet afdalen. Waarom zou het werk stilliggen, als ik het laat varen en naar jullie afdaal?”
וָאֶשְׁלְחָ֨ה
(vaeshlecha)
en ik stuurde
עֲלֵיהֶ֤ם
(aleihem)
naar hen
מַלְאָכִים֙
(malakhim)
boden
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
מְלָאכָ֤ה
(melakha)
werk
גְדוֹלָה֙
(gedola)
groot
אֲנִ֣י
(ani)
ik
עֹשֶׂ֔ה
(ose)
doe
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
אוּכַ֖ל
(ukhal)
kan ik
לָרֶ֑דֶת
(laredet)
afdalen
לָ֣מָּה
(lama)
waarom
תִשְׁבַּ֤ת
(tishbat)
zou stilliggen
הַמְּלָאכָה֙
(hamelakha)
het werk
כַּאֲשֶׁ֣ר
(kaasher)
als
אַרְפֶּ֔הָ
(arpeha)
ik het laat varen
וְיָרַדְתִּ֖י
(veyaradti)
en ik afdaal
אֲלֵיכֶֽם
(aleikhem)
naar jullie
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַלְאָכִים (mal’akhim), ‘boden’: gewone boodschappers, geen engelen.
Nehemia noemt zijn taak ‘een groot werk’. Hij wil het niet laten liggen.
6In de brief stond: „Onder de volken is gehoord, en Gasmu zegt het ook, dat jij en de Joden opstand beramen. Daarom ben jij de muur aan het bouwen. En jij wordt volgens deze woorden hun koning.
כָּת֣וּב
(katuv)
geschreven
בָּ֗הּ
(bah)
daarin
בַּגּוֹיִ֤ם
(bagoyim)
onder de volken
נִשְׁמָע֙
(nishma)
is gehoord
וְגַשְׁמ֣וּ
(vegashmu)
en Gasmu
אֹמֵ֔ר
(omer)
heeft gezegd
אַתָּ֤ה
(ata)
jij
וְהַיְּהוּדִים֙
(vehayehudim)
en de Joden
חֹשְׁבִ֣ים
(choshevim)
zijn van plan
לִמְר֔וֹד
(limrod)
om in opstand te komen
עַל
(al)
om
כֵּ֛ן
(ken)
dit
אַתָּ֥ה
(ata)
jij
בוֹנֶ֖ה
(bone)
bouwt
הַחוֹמָ֑ה
(hachoma)
de muur
וְאַתָּ֗ה
(veata)
en jij
הֹוֶ֤ה
(hove)
wordt
לָהֶם֙
(lahem)
voor hen
לְמֶ֔לֶךְ
(lemelekh)
tot koning
כַּדְּבָרִ֖ים
(kadevarim)
volgens de woorden
הָאֵֽלֶּה
(haele)
deze
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
גַּשְׁמוּ (Gashmu): een andere spelling van Gesjem (verzen 1 en 2).
Hij is waarschijnlijk dezelfde man.
De beschuldiging is opstand tegen de Perzische koning: Nehemia zou koning willen worden. Dat staat niet in Nehemia’s eigen woorden.
7Ook heb jij profeten aangesteld om in Jeruzalem over jou uit te roepen: ‘Er is een koning in Juda!’ Nu zal de koning deze woorden horen. Kom dus, laten wij samen overleggen.”
וְגַם
(vegam)
en ook
נְבִיאִ֡ים
(neviim)
profeten
הֶעֱמַ֣דְתָּ
(heemadta)
heb je aangesteld
לִקְרֹא֩
(liqro)
om uit te roepen
עָלֶ֨יךָ
(aleikha)
over jou
בִֽירוּשָׁלִַ֜ם
(birushaliam)
in Jeruzalem
לֵאמֹ֗ר
(lemor)
zeggende
מֶ֚לֶךְ
(melekh)
een koning
בִּֽיהוּדָ֔ה
(bihuda)
in Juda
וְעַתָּה֙
(veata)
en nu
יִשָּׁמַ֣ע
(yishama)
zal horen
לַמֶּ֔לֶךְ
(lamelekh)
de koning
כַּדְּבָרִ֣ים
(kadevarim)
volgens de woorden
הָאֵ֑לֶּה
(haele)
deze
וְעַתָּ֣ה
(veata)
en nu
לְכָ֔ה
(lekha)
kom
וְנִֽוָּעֲצָ֖ה
(venivaatsa)
en laat ons overleggen
יַחְדָּֽו
(yachdav)
samen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het ‘uitroepen’ van een koning is een bekend gebruik (zoals 1 Kon. 1:34).
De brief wil de Perzische koning ervan overtuigen dat het in Jeruzalem gevaarlijk wordt.
9Want zij allen wilden ons bang maken. Zij zeiden: „Hun handen zullen slap worden bij het werk, zodat het niet gedaan wordt.” Nu dan, versterk mijn handen.
כִּ֣י
(ki)
want
כֻלָּ֗ם
(kulam)
zij allen
מְיָֽרְאִ֤ים
(meyareim)
maakten bang
אוֹתָ֨נוּ֙
(otanu)
ons
לֵאמֹ֔ר
(lemor)
zeggende
יִרְפּ֧וּ
(yirpu)
zullen slap worden
יְדֵיהֶ֛ם
(yedeihem)
hun handen
מִן
(min)
van
הַמְּלָאכָ֖ה
(hamelakha)
het werk
וְלֹ֣א
(velo)
en niet
תֵעָשֶׂ֑ה
(tease)
zal gedaan worden
וְעַתָּ֖ה
(veata)
en nu
חַזֵּ֥ק
(chazeq)
versterk
אֶת
(et)
(obj.)
יָדָֽי
(yaday)
mijn handen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וְעַתָּה חַזֵּק אֶת־יָדָי (ve’attah chazzeq et-yadai), ‘Nu dan, versterk mijn handen’: een kort gebed.
Er staat geen aanspreking bij.
Sommige oude vertalingen lezen een werkwoord in de eerste persoon (‘ik versterkte’).
10Ik ging naar het huis van Sjemaja ben Delaja ben Mehetabeel. Hij hield zich opgesloten. Hij zei: „Laten wij samenkomen in het huis van Elohim, binnen in de tempel. Laten wij de deuren van de tempel sluiten. Want zij komen je doden. Ja, ’s nachts komen zij je doden.”
וַאֲנִי
(vaani)
en ik
בָ֗אתִי
(bati)
kwam
בֵּ֣ית
(beit)
het huis van
שְֽׁמַֽעְיָ֧ה
(shemaya)
Sjemaja
בֶן
(ben)
zoon van
דְּלָיָ֛ה
(delaya)
Delaja
בֶּן
(ben)
zoon van
מְהֵֽיטַבְאֵ֖ל
(meheitavel)
Mehetabeel
וְה֣וּא
(vehu)
en hij
עָצ֑וּר
(atsur)
opgesloten
וַיֹּ֡אמֶר
(vayomer)
en hij zei
נִוָּעֵד֩
(nivaed)
laten wij samenkomen
אֶל
(el)
naar
בֵּ֨ית
(beit)
het huis van
הָאֱלֹהִ֜ים
(haElohim)
Elohim
אֶל
(el)
naar
תּ֣וֹךְ
(tokh)
het midden van
הַֽהֵיכָ֗ל
(haheikhal)
de tempel
וְנִסְגְּרָה֙
(venisgera)
en laten wij sluiten
דַּלְת֣וֹת
(daltot)
de deuren van
הַהֵיכָ֔ל
(haheikhal)
de tempel
כִּ֚י
(ki)
want
בָּאִ֣ים
(baim)
zij komen
לְהָרְגֶ֔ךָ
(leharegekha)
om je te doden
וְלַ֖יְלָה
(velayla)
en ’s nachts
בָּאִ֥ים
(baim)
zij komen
לְהָרְגֶֽךָ
(leharegekha)
om je te doden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
עָצוּר (atsur), ‘opgesloten’: Sjemaja houdt zich in zijn huis op.
De reden staat er niet bij.
Mogelijk is het een teken: een profeet die een boodschap uitbeeldt.
הֵיכָל (heikhal), ‘tempel’: het gebouw zelf. Het ‘huis van Elohim’ is hier dezelfde plaats.
14Gedenk, mijn Elohim, Tobia en Sanballat naar deze daden van hen. Gedenk ook Noadja, de profetes, en de andere profeten die mij bang wilden maken.
זָכְרָ֧ה
(zakhera)
gedenk
אֱלֹהַ֛י
(elohay)
mijn Elohim
לְטוֹבִיָּ֥ה
(letoviya)
Tobia
וּלְסַנְבַלַּ֖ט
(ulesanvalat)
en Sanballat
כְּמַעֲשָׂ֣יו
(kemaasav)
naar zijn daden
אֵ֑לֶּה
(ele)
deze
וְגַ֨ם
(vegam)
en ook
לְנוֹעַדְיָ֤ה
(lenoadya)
Noadja
הַנְּבִיאָה֙
(hanevia)
de profetes
וּלְיֶ֣תֶר
(uleyeter)
en de rest van
הַנְּבִיאִ֔ים
(haneviim)
de profeten
אֲשֶׁ֥ר
(asher)
die
הָי֖וּ
(hayu)
waren
מְיָֽרְאִ֥ים
(meyareim)
bang makend
אוֹתִֽי
(oti)
mij
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
זָכְרָה (zokhrah), ‘gedenk’: een kort gebed, zoals 5:19.
כְּמַעֲשָׂיו (kemaasav), ‘naar zijn daden’: het Hebreeuws heeft hier het enkelvoud. Wij schrijven ‘naar deze daden van hen’, omdat Tobia en Sanballat samen worden genoemd.
נֹעַדְיָה (Noadyah), ‘Noadja’: een profetes. Haar naam komt alleen hier voor.
16Toen al onze vijanden het hoorden en alle volken rondom ons het zagen, vielen zij zeer in hun eigen ogen. Zij erkenden dat dit werk door onze Elohim was gedaan.
וַיְהִ֗י
(vayhi)
en het was
כַּאֲשֶׁ֤ר
(kaasher)
toen
שָֽׁמְעוּ֙
(shameu)
hoorden
כָּל
(kal)
al
א֣וֹיְבֵ֔ינוּ
(oyeveinu)
onze vijanden
וַיִּֽרְא֗וּ
(vayiru)
en zagen
כָּל
(kal)
alle
הַגּוֹיִם֙
(hagoyim)
de volken
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
סְבִֽיבֹתֵ֔ינוּ
(sevivoteinu)
rondom ons
וַיִּפְּל֥וּ
(vayipelu)
en zij vielen
מְאֹ֖ד
(meod)
zeer
בְּעֵינֵיהֶ֑ם
(beeineihem)
in hun ogen
וַיֵּ֣דְע֔וּ
(vayedeu)
en zij erkenden
כִּ֚י
(ki)
dat
מֵאֵ֣ת
(meet)
door
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
נֶעֶשְׂתָ֖ה
(neesta)
werd gedaan
הַמְּלָאכָ֥ה
(hamelakha)
het werk
הַזֹּֽאת
(hazot)
dit
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
וַיִּפְּלוּ מְאֹד בְּעֵינֵיהֶם (vayyipplu me’od beeineihem), ‘zij vielen zeer in hun eigen ogen’: zij verloren hun eigen zelfvertrouwen en aanzien.
18Want velen in Juda waren door een eed aan hem verbonden. Hij was een schoonzoon van Sjechanja ben Arach. Zijn zoon Johanan had de dochter van Mesjullam ben Berechja tot vrouw genomen.
כִּי
(ki)
want
רַבִּ֣ים
(rabim)
velen
בִּֽיהוּדָ֗ה
(bihuda)
in Juda
בַּעֲלֵ֤י
(baalei)
heren van
שְׁבוּעָה֙
(shevua)
een eed
ל֔וֹ
(lo)
aan hem
כִּי
(ki)
want
חָתָ֥ן
(chatan)
schoonzoon
ה֖וּא
(hu)
hij
לִשְׁכַנְיָ֣ה
(lishkhanya)
van Sjechanja
בֶן
(ben)
zoon van
אָרַ֑ח
(arach)
Arach
וִֽיהוֹחָנָ֣ן
(vihochanan)
en Johanan
בְּנ֔וֹ
(beno)
zijn zoon
לָקַ֕ח
(laqach)
nam
אֶת
(et)
(obj.)
בַּת
(bat)
dochter van
מְשֻׁלָּ֖ם
(meshulam)
Mesjullam
בֶּ֥ן
(ben)
zoon van
בֶּֽרֶכְיָֽה
(berekhya)
Berechja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
בַּעֲלֵי שְׁבוּעָה (baalei shevuah), ‘door een eed verbonden’: letterlijk ‘heren van een eed’.
Tobia’s zoon Johanan was getrouwd met de dochter van Mesjullam (zie 3:4 en 3:30). De huwelijken verbinden Tobia met families in Jeruzalem.