Elohim Bijbel

Nehemia 10

12345678910111213

De verbintenis van het volk

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De overeenkomst wordt verzegeld

1Vanwege dit alles sluiten wij een vaste overeenkomst. Wij schrijven haar op. Op het verzegelde stuk staan onze oversten, onze Levieten en onze priesters.
וּבְכָל
(uvekhal)
en vanwege alles
זֹ֕את
(zot)
dit
אֲנַ֛חְנוּ
(anachnu)
wij
כֹּרְתִ֥ים
(koretim)
sluitend
אֲמָנָ֖ה
(amana)
een vaste overeenkomst
וְכֹתְבִ֑ים
(vekhotevim)
en schrijvend
וְעַל֙
(veal)
en op
הֶֽחָת֔וּם
(hechatum)
het verzegelde
שָׂרֵ֥ינוּ
(sareinu)
onze oversten
לְוִיֵּ֖נוּ
(leviyenu)
onze Levieten
כֹּהֲנֵֽינוּ
(kohaneinu)
onze priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De tellingen verschillen.

Hebr. 10:1 is in Nederlandse Bijbels Neh. 9:38.

Hebr. 10:2–40 is Neh. 10:1–39.

Wij volgen de Hebreeuwse telling.

אֲמָנָה (amanah), ‘vaste overeenkomst’: een betrouwbare, bindende afspraak, van hetzelfde grondwoord als ‘amen’ en ‘trouw’. Zie ook Neh. 11:23.

הֶחָתוּם (hechatum), ‘het verzegelde’: het stuk waarop de namen en de zegels van de ondertekenaars stonden.

בְּכָל זֹאת (bekhol zot), ‘vanwege dit alles’: een terugblik op het gebed in Neh. 9. Het Hebreeuws kan ook ‘ondanks dit alles’ betekenen. Wij laten het open.

Wie haar verzegelden: Nehemia en de priesters

2Op de verzegelde stukken staan: Nehemia, de Tirsjata, de zoon van Chakalja, en Zidkia.
וְעַ֖ל
(veal)
en op
הַחֲתוּמִ֑ים
(hachatumim)
de verzegelden
נְחֶמְיָ֧ה
(nechemya)
Nehemia
הַתִּרְשָׁ֛תָא
(hatirshata)
de Tirsjata
בֶּן
(ben)
zoon van
חֲכַלְיָ֖ה
(chakhalya)
Chakalja
וְצִדְקִיָּֽה
(vetsidqiya)
en Zidkia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier wijkt de telling af: Hebr. 10:2 is Neh. 10:1 in Nederlandse Bijbels.

הַתִּרְשָׁתָא (hattirshata), ‘de Tirsjata’: de titel van Nehemia; zie Neh. 8:9. Nehemia noemt zich in 5:14 ‘landvoogd’ (pechah), een ander woord.

De lijst in de verzen 2–28 begint met Nehemia en gaat dan over naar de families. De namen in de verzen 3–9 komen deels overeen met de priestergeslachten in Neh. 12:1–7. De spelling kan verschillen, omdat het Hebreeuws verschilt.

3Seraja, Azarja en Jeremia.
שְׂרָיָ֥ה
(seraya)
Seraja
עֲזַרְיָ֖ה
(azarya)
Azarja
יִרְמְיָֽה
(yirmeya)
Jeremia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

יִרְמְיָה (Yirmeyah), ‘Jeremia’: een priester, niet de profeet.

Wij schrijven de naam zoals in Neh. 12:1.

4Pasjchur, Amarja en Malkia.
פַּשְׁח֥וּר
(pashchur)
Pasjchur
אֲמַרְיָ֖ה
(amarya)
Amarja
מַלְכִּיָּֽה
(malkiya)
Malkia
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5Chattusj, Sjebanja en Malluk.
חַטּ֥וּשׁ
(chatush)
Chattusj
שְׁבַנְיָ֖ה
(shevanya)
Sjebanja
מַלּֽוּךְ
(malukh)
Malluk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Charim, Meremot en Obadja.
חָרִ֥ם
(charim)
Charim
מְרֵמ֖וֹת
(meremot)
Meremot
עֹֽבַדְיָֽה
(ovadya)
Obadja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Meremot (מְרֵמוֹת) is dezelfde naam als in Neh. 3:4, 3:21 en Ezra 8:33.

7Daniël, Ginneton en Baruch.
דָּנִיֵּ֥אל
(daniyel)
Daniël
גִּנְּת֖וֹן
(gineton)
Ginneton
בָּרֽוּךְ
(barukh)
Baruch
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

דָּנִיֵּאל (Daniye’el), ‘Daniël’: een priester, niet de profeet van het boek Daniël.

גִּנְּתוֹן (Ginneton): zo is de naam hier geschreven; in Neh. 12:4 staat een verwante vorm.

8Mesjullam, Abia en Mijamin.
מְשֻׁלָּ֥ם
(meshulam)
Mesjullam
אֲבִיָּ֖ה
(aviya)
Abia
מִיָּמִֽן
(miyamin)
Mijamin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
9Maäzja, Bilgai en Sjemaja. Dit zijn de priesters.
מַֽעַזְיָ֥ה
(maazya)
Maäzja
בִלְגַּ֖י
(bilgay)
Bilgai
שְׁמַֽעְיָ֑ה
(shemaya)
Sjemaja
אֵ֖לֶּה
(ele)
dit zijn
הַכֹּהֲנִֽים
(hakohanim)
de priesters
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Er zijn 21 priesters genoemd: Seraja, Azarja, Jeremia, Pasjchur, Amarja, Malkia, Chattusj, Sjebanja, Malluk, Charim, Meremot, Obadja, Daniël, Ginneton, Baruch, Mesjullam, Abia, Mijamin, Maäzja, Bilgai en Sjemaja.

Nehemia is als eerste ondertekenaar genoemd (vers 2).

De Levieten

10En de Levieten: Jesua, de zoon van Azanja, Binnoei, uit de zonen van Chenadad, en Kadmiël.
וְֽהַלְוִיִּ֑ם
(vehalviyim)
en de Levieten
וְיֵשׁ֨וּעַ֙
(veyeshua)
en Jesua
בֶּן
(ben)
zoon van
אֲזַנְיָ֔ה
(azanya)
Azanja
בִּנּ֕וּי
(binuy)
Binnoei
מִבְּנֵ֥י
(mibenei)
uit de zonen van
חֵנָדָ֖ד
(chenadad)
Chenadad
קַדְמִיאֵֽל
(qadmiel)
Kadmiël
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De Levieten: Jesua en Binnoei, Kadmiël (vers 10), Sjebanja, Hodia, Kelita, Pelaja en Chanan (vers 11), Micha, Rechob en Chasjabja (vers 12), Zakkur, Sjerebja en Sjebanja (vers 13), Hodia, Bani en Beninu (vers 14).

Veel namen staan ook in Neh. 8:7 en 9:4–5.

בִּנּוּי (Binnuy), ‘Binnoei’: dezelfde naam als in Ezra 8:33 en 10:30.

חֵנָדָד (Chenadad): een Levitische familie; zie Ezra 3:9 en Neh. 3:18 en 3:24.

11En hun broers: Sjebanja, Hodia, Kelita, Pelaja en Chanan.
וַאֲחֵיהֶ֑ם
(vaacheihem)
en hun broers
שְׁבַנְיָ֧ה
(shevanya)
Sjebanja
הֽוֹדִיָּ֛ה
(hodiya)
Hodia
קְלִיטָ֖א
(qelita)
Kelita
פְּלָאיָ֥ה
(pelaya)
Pelaja
חָנָֽן
(chanan)
Chanan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
12Micha, Rechob en Chasjabja.
מִיכָ֥א
(mikha)
Micha
רְח֖וֹב
(rechov)
Rechob
חֲשַׁבְיָֽה
(chashavya)
Chasjabja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Zakkur, Sjerebja en Sjebanja.
זַכּ֥וּר
(zakur)
Zakkur
שֵׁרֵֽבְיָ֖ה
(shereveya)
Sjerebja
שְׁבַנְיָֽה
(shevanya)
Sjebanja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
14Hodia, Bani en Beninu.
הוֹדִיָּ֥ה
(hodiya)
Hodia
בָנִ֖י
(bani)
Bani
בְּנִֽינוּ
(beninu)
Beninu
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De hoofden van het volk

15De hoofden van het volk: Parosj, Pachat-Moab, Elam, Zattu en Bani.
רָאשֵׁ֖י
(rashei)
de hoofden van
הָעָ֑ם
(haam)
het volk
פַּרְעֹשׁ֙
(parosh)
Parosj
פַּחַ֣ת
(pachat)
Pachat
מוֹאָ֔ב
(moav)
Moab
עֵילָ֥ם
(eilam)
Elam
זַתּ֖וּא
(zatu)
Zattu
בָּנִֽי
(bani)
Bani
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רָאשֵׁי הָעָם (rashe ha’am), ‘de hoofden van het volk’: de leiders van de grote families.

De eerste namen (Parosj, Pachat-Moab, Elam, Zattu, Bani) zijn dezelfde families als in Ezra 2:3–10 en Neh. 7:8–14.

פַּחַת מוֹאָב (Pachat Moab): een familienaam, letterlijk ‘bestuurder van Moab’. Zo is de naam ook in Neh. 3:11 geschreven.

16Bunni, Azgad en Bebai.
בֻּנִּ֥י
(buni)
Bunni
עַזְגָּ֖ד
(azgad)
Azgad
בֵּבָֽי
(bevay)
Bebai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Adonia, Bigvai en Adin.
אֲדֹנִיָּ֥ה
(adoniya)
Adonia
בִגְוַ֖י
(bigvay)
Bigvai
עָדִֽין
(adin)
Adin
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Ater, Hizkia en Azzur.
אָטֵ֥ר
(ater)
Ater
חִזְקִיָּ֖ה
(chizqiya)
Hizkia
עַזּֽוּר
(azur)
Azzur
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hodia, Chasjum en Bezai.
הוֹדִיָּ֥ה
(hodiya)
Hodia
חָשֻׁ֖ם
(chashum)
Chasjum
בֵּצָֽי
(betsay)
Bezai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
20Chariph, Anatot en Nebai.
חָרִ֥יף
(charif)
Chariph
עֲנָת֖וֹת
(anatot)
Anatot
נֵיבָֽי
(neivay)
Nebai
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Anatot: Anatot wordt gezocht bij Ras el-Kharrubeh, ten noordoosten van Jeruzalem.

Uitleg

עֲנָתוֹת (Anatot): hier is dit de naam van een man, niet van de stad Anatot.

Lezing

In de geschreven tekst (ketiv) staat נובי (Novai), in de leestekst (qere) נֵיבָי (Nevai).

Wij volgen de leestekst: ‘Nebai’.

21Magpiasj, Mesjullam en Chezir.
מַגְפִּיעָ֥שׁ
(magpiash)
Magpiasj
מְשֻׁלָּ֖ם
(meshulam)
Mesjullam
חֵזִֽיר
(chezir)
Chezir
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Mesjezabeël, Zadok en Jaddua.
מְשֵׁיזַבְאֵ֥ל
(mesheizavel)
Mesjezabeël
צָד֖וֹק
(tsadoq)
Zadok
יַדּֽוּעַ
(yadua)
Jaddua
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Mesjezabeël is dezelfde naam als in Neh. 3:4 en Neh. 11:24.

23Pelatja, Chanan en Anaja.
פְּלַטְיָ֥ה
(pelatya)
Pelatja
חָנָ֖ן
(chanan)
Chanan
עֲנָיָֽה
(anaya)
Anaja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Hosea, Chananja en Chasjub.
הוֹשֵׁ֥עַ
(hoshea)
Hosea
חֲנַנְיָ֖ה
(chananya)
Chananja
חַשּֽׁוּב
(chashuv)
Chasjub
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Hallochesj, Pilcha en Sjobek.
הַלּוֹחֵ֥שׁ
(halochesh)
Hallochesj
פִּלְחָ֖א
(pilcha)
Pilcha
שׁוֹבֵֽק
(shoveq)
Sjobek
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26Rechum, Chasjabna en Maäseja.
רְח֥וּם
(rechum)
Rechum
חֲשַׁבְנָ֖ה
(chashavna)
Chasjabna
מַעֲשֵׂיָֽה
(maaseya)
Maäseja
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Achia, Chanan en Anan.
וַאֲחִיָּ֥ה
(vaachiya)
Achia
חָנָ֖ן
(chanan)
Chanan
עָנָֽן
(anan)
Anan
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Malluk, Charim en Baäna.
מַלּ֥וּךְ
(malukh)
Malluk
חָרִ֖ם
(charim)
Charim
בַּעֲנָֽה
(baana)
Baäna
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De eed van het volk

29De rest van het volk: de priesters, de Levieten, de poortwachters, de zangers, de tempeldienaren en ieder die zich had afgescheiden van de volken van de landen om de wet van Elohim te volgen. Ook hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, ieder die kennis had en inzicht,
וּשְׁאָ֣ר
(ushear)
en de rest van
הָעָ֡ם
(haam)
het volk
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
הַ֠לְוִיִּם
(halviyim)
de Levieten
הַשּׁוֹעֲרִ֨ים
(hashoarim)
de poortwachters
הַמְשֹׁרְרִ֜ים
(hamshorerim)
de zangers
הַנְּתִינִ֗ים
(hanetinim)
de tempeldienaren
וְֽכָל
(vekhal)
en ieder
הַנִּבְדָּ֞ל
(hanivdal)
die zich afscheidde
מֵעַמֵּ֤י
(meamei)
van de volken van
הָאֲרָצוֹת֙
(haaratsot)
de landen
אֶל
(el)
naar
תּוֹרַ֣ת
(torat)
de wet van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
נְשֵׁיהֶ֖ם
(nesheihem)
hun vrouwen
בְּנֵיהֶ֣ם
(beneihem)
hun zonen
וּבְנֹתֵיהֶ֑ם
(uvenoteihem)
en hun dochters
כֹּ֖ל
(kol)
ieder
יוֹדֵ֥עַ
(yodea)
kennende
מֵבִֽין
(mevin)
verstaand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vers 29 en 30 vormen één zin: ‘De rest van het volk … houden vast aan hun broeders’.

De werkwoorden staan pas in vers 30.

הַנְּתִינִים (hannetinim), ‘de tempeldienaren’: zij die de Levieten bij de tempeldienst hielpen; zie ook Ezra 2:43 en Neh. 3:26, 11:21.

הַנִּבְדָּל (hannivdal), ‘die zich afscheidde’: wie zich losmaakte van de gebruiken van de volken om de wet van Elohim te volgen. Vergelijk Ezra 6:21.

כֹּל יוֹדֵעַ מֵבִין (kol yode’a mevin), ‘ieder die kennis had en inzicht’: ook kinderen, die konden begrijpen, deden mee. Zie Neh. 8:2.

30houden vast aan hun broeders, hun edelen. Zij komen onder een vloek en leggen een eed af. Zij zullen leven naar de wet van Elohim, die door Mozes, de dienaar van Elohim, is gegeven. Zij zullen alle geboden van Yahweh, onze Heer, bewaren en doen, en Zijn rechtsregels en Zijn voorschriften.
מַחֲזִיקִ֣ים
(machaziqim)
zij houden vast
עַל
(al)
aan
אֲחֵיהֶם֮
(acheihem)
hun broeders
אַדִּירֵיהֶם֒
(adireihem)
hun edelen
וּבָאִ֞ים
(uvaim)
en komen
בְּאָלָ֣ה
(beala)
onder een vloek
וּבִשְׁבוּעָ֗ה
(uvishvua)
en onder een eed
לָלֶ֨כֶת֙
(lalekhet)
om te leven
בְּתוֹרַ֣ת
(betorat)
naar de wet van
הָאֱלֹהִ֔ים
(haElohim)
Elohim
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
die
נִתְּנָ֔ה
(nitena)
is gegeven
בְּיַ֖ד
(beyad)
door de hand van
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
עֶֽבֶד
(eved)
de dienaar van
הָֽאֱלֹהִ֑ים
(haElohim)
Elohim
וְלִשְׁמ֣וֹר
(velishmor)
en om te bewaren
וְלַעֲשׂ֗וֹת
(velaasot)
en te doen
אֶת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
מִצְוֺת֙
(mitsvot)
geboden van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֲדֹנֵ֔ינוּ
(adoneinu)
onze Heer
וּמִשְׁפָּטָ֖יו
(umishpatav)
en Zijn rechtsregels
וְחֻקָּֽיו
(vechuqav)
en Zijn voorschriften
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

אַדִּירֵיהֶם (addireihem), ‘hun edelen’: de vooraanstaanden.

Zij binden zich samen met hun broeders.

בָּאָלָה וּבִשְׁבוּעָה (ba’alah uvishvu’ah), ‘onder een vloek en onder een eed’: zij nemen een eed op zich en roepen de vloek over zichzelf af als zij hem breken. Vergelijk Num. 5:21 en Deut. 29:11–20.

עֶבֶד הָאֱלֹהִים (eved ha’Elohim), ‘dienaar van Elohim’: zo heet Mozes ook in 2 Kron. 24:9.

Geen gemengde huwelijken, rust op de sabbat en in het zevende jaar

31En wij zullen onze dochters niet geven aan de volken van het land, en hun dochters niet nemen voor onze zonen.
וַאֲשֶׁ֛ר
(vaasher)
en dat
לֹא
(lo)
niet
נִתֵּ֥ן
(niten)
wij zullen geven
בְּנֹתֵ֖ינוּ
(benoteinu)
onze dochters
לְעַמֵּ֣י
(leamei)
aan de volken van
הָאָ֑רֶץ
(haarets)
het land
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּנֹ֣תֵיהֶ֔ם
(benoteihem)
hun dochters
לֹ֥א
(lo)
niet
נִקַּ֖ח
(niqach)
wij zullen nemen
לְבָנֵֽינוּ
(levaneinu)
voor onze zonen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het verbod op huwelijken met de volken van het land staat in Exod. 34:16 en Deut. 7:3.

Zie ook Ezra 9–10 en Neh. 13:23–27.

32En de volken van het land komen op de sabbat koopwaar en allerlei graan verkopen. Van hen zullen wij niets kopen, op de sabbat of op een heilige dag. In het zevende jaar zullen wij het land met rust laten en van elke schuldeis afzien.
וְעַמֵּ֣י
(veamei)
en de volken van
הָאָ֡רֶץ
(haarets)
het land
הַֽמְבִיאִים֩
(hamviim)
die brengen
אֶת
(et)
(obj.)
הַמַּקָּח֨וֹת
(hamaqachot)
de koopwaar
וְכָל
(vekhal)
en alle
שֶׁ֜בֶר
(shever)
graan
בְּי֤וֹם
(beyom)
op de dag van
הַשַּׁבָּת֙
(hashabat)
de sabbat
לִמְכּ֔וֹר
(limkor)
om te verkopen
לֹא
(lo)
niet
נִקַּ֥ח
(niqach)
wij zullen kopen
מֵהֶ֛ם
(mehem)
van hen
בַּשַּׁבָּ֖ת
(bashabat)
op de sabbat
וּבְי֣וֹם
(uveyom)
en op een dag
קֹ֑דֶשׁ
(qodesh)
heilig
וְנִטֹּ֛שׁ
(venitosh)
en wij zullen afzien van
אֶת
(et)
(obj.)
הַשָּׁנָ֥ה
(hashana)
het jaar
הַשְּׁבִיעִ֖ית
(hasheviit)
het zevende
וּמַשָּׁ֥א
(umasha)
en de schuldeis van
כָל
(kal)
elke
יָֽד
(yad)
hand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עַמֵּי הָאָרֶץ (ammei ha’arets), ‘de volken van het land’: de bevolkingsgroepen om Juda heen, niet de eigen mensen van het land.

וְנָטֹשׁ אֶת הַשָּׁנָה הַשְּׁבִיעִית (venatosh et hashshanah hashsheviit), ‘en wij zullen afzien van het zevende jaar’: het land blijft in dat jaar onbewerkt, zie Exod. 23:10–11 en Lev. 25:2–7.

מַשָּׂא כָל יָד (massa khol yad), ‘de schuldeis van elke hand’: het opeisen van wat iemand schuldig is; zie Deut. 15:1–3. De betekenis van ‘massa’ is hier ‘het opleggen van een eis’.

Voor de sabbat en het verbod op handel, zie Neh. 13:15–22.

De zorg voor het huis van onze Elohim

33Wij leggen onszelf geboden op: wij geven elk jaar een derde deel van een sikkel voor de dienst van het huis van onze Elohim.
וְהֶעֱמַ֤דְנוּ
(veheemadnu)
en wij stellen
עָלֵ֨ינוּ֙
(aleinu)
over ons
מִצְוֺ֔ת
(mitsvot)
geboden
לָתֵ֥ת
(latet)
om te geven
עָלֵ֛ינוּ
(aleinu)
op ons
שְׁלִשִׁ֥ית
(shelishit)
een derde van
הַשֶּׁ֖קֶל
(hasheqel)
de sikkel
בַּשָּׁנָ֑ה
(bashana)
per jaar
לַעֲבֹדַ֖ת
(laavodat)
voor de dienst van
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שְׁלִשִׁית הַשֶּׁקֶל (shelishit hasheqel), ‘een derde van een sikkel’: een sikkel is ongeveer 11,4 gram zilver; een derde sikkel is dus ongeveer 3,8 gram.

In Exod. 30:11–16 is de bijdrage een halve sikkel.

Het Hebreeuws zegt niet waarom het hier een derde is.

34Dat is voor het toonbrood, voor het voortdurende graanoffer en het voortdurende brandoffer, voor de sabbatten, de nieuwe manen en de vastgestelde tijden. Het is ook voor de heilige gaven en voor de zondoffers om verzoening te doen voor Israël. Het is ook voor al het werk aan het huis van onze Elohim.
לְלֶ֣חֶם
(lelechem)
voor het brood van
הַֽמַּעֲרֶ֡כֶת
(hamaarekhet)
de schikking
וּמִנְחַ֣ת
(uminchat)
en het graanoffer van
הַתָּמִ֣יד
(hatamid)
het voortdurende
וּלְעוֹלַ֣ת
(uleolat)
en voor het brandoffer van
הַ֠תָּמִיד
(hatamid)
het voortdurende
הַשַּׁבָּת֨וֹת
(hashabatot)
de sabbatten
הֶחֳדָשִׁ֜ים
(hechodashim)
de nieuwe manen
לַמּוֹעֲדִ֗ים
(lamoadim)
voor de vastgestelde tijden
וְלַקֳּדָשִׁים֙
(velaqodashim)
en voor de heilige gaven
וְלַ֣חַטָּא֔וֹת
(velachataot)
en voor de zondoffers
לְכַפֵּ֖ר
(lekhaper)
om verzoening te doen
עַל
(al)
over
יִשְׂרָאֵ֑ל
(yisrael)
Israël
וְכֹ֖ל
(vekhol)
en al
מְלֶ֥אכֶת
(melekhet)
het werk van
בֵּית
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

לֶחֶם הַמַּעֲרֶכֶת (lechem hamma’arekhet), ‘het brood van de schikking’, dat is het toonbrood: Lev. 24:5–9.

מִנְחַת הַתָּמִיד (minchat hattamid) en עֹלַת הַתָּמִיד (olat hattamid), ‘het voortdurende graanoffer’ en ‘het voortdurende brandoffer’: Num. 28:3–8.

De sabbatten, nieuwe manen en vastgestelde tijden: Num. 28:9–29:39.

הַקֳּדָשִׁים (haqqodashim), ‘de heilige gaven’: wat aan Yahweh is toegewijd.

Hout, eerstelingen en tienden

35Wij hebben ook het lot geworpen over de offergave van het hout: de priesters, de Levieten en het volk. Elk vaderhuis moet op vastgestelde tijden, jaar na jaar, hout brengen naar het huis van onze Elohim. Dat hout is om te branden op het altaar van Yahweh, onze Elohim, zoals in de wet geschreven staat.
וְהַגּוֹרָל֨וֹת
(vehagoralot)
en de loten
הִפַּ֜לְנוּ
(hipalnu)
wij hebben geworpen
עַל
(al)
over
קֻרְבַּ֣ן
(qurban)
de offergave van
הָעֵצִ֗ים
(haetsim)
het hout
הַכֹּהֲנִ֣ים
(hakohanim)
de priesters
הַלְוִיִּם֮
(halviyim)
de Levieten
וְהָעָם֒
(vehaam)
en het volk
לְ֠הָבִיא
(lehavi)
om te brengen
לְבֵ֨ית
(leveit)
naar het huis van
אֱלֹהֵ֧ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לְבֵית
(leveit)
naar het huis van
אֲבֹתֵ֛ינוּ
(avoteinu)
onze vaders
לְעִתִּ֥ים
(leitim)
op tijden
מְזֻמָּנִ֖ים
(mezumanim)
vastgestelde
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
בְשָׁנָ֑ה
(beshana)
per jaar
לְבַעֵ֗ר
(levaer)
om te branden
עַל
(al)
op
מִזְבַּח֙
(mizbach)
het altaar van
יְהוָ֣ה
(Yahweh)
Yahweh
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
כַּכָּת֖וּב
(kakatuv)
zoals geschreven staat
בַּתּוֹרָֽה
(batora)
in de wet
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

קָרְבַּן הָעֵצִים (qorban ha’etsim), ‘de offergave van het hout’: hout voor het vuur op het altaar.

Voor het vuur dat steeds moet branden, zie Lev. 6:5–6.

Het lot bepaalt welk vaderhuis wanneer hout brengt.

Zie ook Neh. 13:31.

לַעִתִּים מְזֻמָּנִים (la’ittim mezummanim), ‘op vastgestelde tijden’: afgesproken tijden, die jaarlijks terugkomen.

36En wij zullen jaar na jaar de eerstelingen van onze grond en van alle vrucht van elke boom brengen naar het huis van Yahweh.
וּלְהָבִ֞יא
(ulehavi)
en om te brengen
אֶת
(et)
(obj.)
בִּכּוּרֵ֣י
(bikurei)
de eerstelingen van
אַדְמָתֵ֗נוּ
(admatenu)
onze grond
וּבִכּוּרֵ֛י
(uvikurei)
en de eerstelingen van
כָּל
(kal)
alle
פְּרִ֥י
(peri)
vrucht van
כָל
(kal)
alle
עֵ֖ץ
(ets)
boom
שָׁנָ֣ה
(shana)
jaar
בְשָׁנָ֑ה
(beshana)
per jaar
לְבֵ֖ית
(leveit)
naar het huis van
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בִּכּוּרֵי (bikkurei), ‘eerstelingen’: de eerste opbrengst van de grond.

Zie Exod. 23:19, Num. 18:12–13 en Deut. 26:1–11.

37En wij zullen de eerstgeborenen van onze zonen en van ons vee brengen, zoals in de wet geschreven staat. Ook de eerstgeborenen van ons rundvee en ons kleinvee brengen wij naar het huis van onze Elohim. Wij brengen ze naar de priesters die dienst doen in het huis van onze Elohim.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּכֹר֤וֹת
(bekhorot)
de eerstgeborenen van
בָּנֵ֨ינוּ֙
(baneinu)
onze zonen
וּבְהֶמְתֵּ֔ינוּ
(uvehemteinu)
en ons vee
כַּכָּת֖וּב
(kakatuv)
zoals geschreven staat
בַּתּוֹרָ֑ה
(batora)
in de wet
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
בְּכוֹרֵ֨י
(bekhorei)
de eerstgeborenen van
בְקָרֵ֜ינוּ
(beqareinu)
ons rundvee
וְצֹאנֵ֗ינוּ
(vetsoneinu)
en ons kleinvee
לְהָבִיא֙
(lehavi)
om te brengen
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
לַכֹּ֣הֲנִ֔ים
(lakohanim)
naar de priesters
הַמְשָׁרְתִ֖ים
(hamsharetim)
die dienen
בְּבֵ֥ית
(beveit)
in het huis van
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בְּכֹרוֹת (bekhorot), ‘eerstgeborenen’: de eerstgeborenen van mensen en vee zijn voor Yahweh; zie Exod. 13:2, 13:12–15 en Num. 18:15–17.

38Wij brengen naar de priesters, naar de kamers van het huis van onze Elohim: het eerste van ons deeg, onze heffingen, de vrucht van alle bomen, de nieuwe wijn en de olie. De tiende van onze grond brengen wij naar de Levieten. Zij, de Levieten, innen de tiende in alle steden waar wij het land bewerken.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
רֵאשִׁ֣ית
(reshit)
het eerste van
עֲרִיסֹתֵ֣ינוּ
(arisoteinu)
ons deeg
וּ֠תְרוּמֹתֵינוּ
(uterumoteinu)
en onze heffingen
וּפְרִ֨י
(uferi)
en de vrucht van
כָל
(kal)
alle
עֵ֜ץ
(ets)
bomen
תִּיר֣וֹשׁ
(tirosh)
de nieuwe wijn
וְיִצְהָ֗ר
(veyitshar)
en de olie
נָבִ֤יא
(navi)
wij zullen brengen
לַכֹּהֲנִים֙
(lakohanim)
naar de priesters
אֶל
(el)
naar
לִשְׁכ֣וֹת
(lishkhot)
de kamers van
בֵּית
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
וּמַעְשַׂ֥ר
(umasar)
en de tiende van
אַדְמָתֵ֖נוּ
(admatenu)
onze grond
לַלְוִיִּ֑ם
(lalviyim)
naar de Levieten
וְהֵם֙
(vehem)
en zij
הַלְוִיִּ֔ם
(halviyim)
de Levieten
הַֽמְעַשְּׂרִ֔ים
(hamaserim)
die de tiende innen
בְּכֹ֖ל
(bekhol)
in alle
עָרֵ֥י
(arei)
steden van
עֲבֹדָתֵֽנוּ
(avodatenu)
ons werk
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

עֲרִיסָה (arisah), ‘deeg’: het woord komt ook voor in Num. 15:20–21 en Ezech. 44:30.

De betekenis is niet helemaal zeker; het gaat om het eerste van het deeg of grof meel.

תְּרוּמָה (terumah), ‘heffing’.

תִּירוֹשׁ (tirosh), ‘nieuwe wijn’, en יִצְהָר (yitshar), ‘olie’.

מַעֲשֵׂר (ma’aser), ‘tiende’: de tiende van de opbrengst gaat naar de Levieten; Num. 18:21–24 en Deut. 14:22–29.

עָבֹדָה (avodah), ‘werk’: het werk op het land. De Levieten innen de tiende in de steden waar het volk het land bewerkt.

39De priester, de zoon van Aäron, zal bij de Levieten zijn wanneer de Levieten de tiende innen. De Levieten brengen de tiende van de tiende omhoog naar het huis van onze Elohim, naar de kamers van het schathuis.
וְהָיָ֨ה
(vehaya)
en zal zijn
הַכֹּהֵ֧ן
(hakohen)
de priester
בֶּֽן
(ben)
zoon van
אַהֲרֹ֛ן
(aharon)
Aäron
עִם
(im)
met
הַלְוִיִּ֖ם
(halviyim)
de Levieten
בַּעְשֵׂ֣ר
(baser)
bij het innen van de tiende door
הַלְוִיִּ֑ם
(halviyim)
de Levieten
וְהַלְוִיִּ֞ם
(vehalviyim)
en de Levieten
יַעֲל֨וּ
(yaalu)
zullen omhoog brengen
אֶת
(et)
(obj.)
מַעֲשַׂ֤ר
(maasar)
de tiende van
הַֽמַּעֲשֵׂר֙
(hamaaser)
de tiende
לְבֵ֣ית
(leveit)
naar het huis van
אֱלֹהֵ֔ינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
אֶל
(el)
naar
הַלְּשָׁכ֖וֹת
(haleshakhot)
de kamers
לְבֵ֥ית
(leveit)
naar het huis van
הָאוֹצָֽר
(haotsar)
het schathuis
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַעֲשַׂר הַמַּעֲשֵׂר (ma’asar hamma’aser), ‘de tiende van de tiende’: wat de Levieten uit hun tiende aan de priesters afstaan; zie Num. 18:25–29.

לִשְׁכָה (lishkah), ‘kamer’: een kamer in het huis van Elohim voor het bewaren van gaven. בֵּית הָאוֹצָר (bet ha’otsar), ‘het schathuis’: de ruimte of het deel van het huis voor voorraden.

Wij zullen het huis van onze Elohim niet verlaten

40Want naar de kamers brengen de zonen van Israël en de zonen van Levi de heffing van het graan, de nieuwe wijn en de olie. Daar zijn de voorwerpen van het heiligdom en de priesters die dienst doen, de poortwachters en de zangers. Wij zullen het huis van onze Elohim niet verlaten.
כִּ֣י
(ki)
want
אֶל
(el)
naar
הַ֠לְּשָׁכוֹת
(haleshakhot)
de kamers
יָבִ֨יאוּ
(yaviu)
zullen brengen
בְנֵי
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֜ל
(yisrael)
Israël
וּבְנֵ֣י
(uvenei)
en de zonen van
הַלֵּוִ֗י
(halevi)
Levi
אֶת
(et)
(obj.)
תְּרוּמַ֣ת
(terumat)
de heffing van
הַדָּגָן֮
(hadagan)
het graan
הַתִּיר֣וֹשׁ
(hatirosh)
de nieuwe wijn
וְהַיִּצְהָר֒
(vehayitshar)
en de olie
וְשָׁם֙
(vesham)
en daar
כְּלֵ֣י
(kelei)
de voorwerpen van
הַמִּקְדָּ֔שׁ
(hamiqdash)
het heiligdom
וְהַכֹּהֲנִים֙
(vehakohanim)
en de priesters
הַמְשָׁ֣רְתִ֔ים
(hamsharetim)
die dienen
וְהַשּׁוֹעֲרִ֖ים
(vehashoarim)
en de poortwachters
וְהַמְשֹׁרְרִ֑ים
(vehamshorerim)
en de zangers
וְלֹ֥א
(velo)
en niet
נַעֲזֹ֖ב
(naazov)
wij zullen verlaten
אֶת
(et)
(obj.)
בֵּ֥ית
(beit)
het huis van
אֱלֹהֵֽינוּ
(eloheinu)
onze Elohim
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit laatste vers eindigt met de belofte ‘wij zullen het huis van onze Elohim niet verlaten’.

Wat wordt beloofd, is dat men de gaven blijft brengen, zodat de dienst doorgaat.

Zie ook Neh. 13:11.