Titus 1
Aanhef; ouderen aanstellen op Kreta; de eisen voor de opziener; tegenstanders die de waarheid afwijzen
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Aanhef
δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is. ἐκλεκτοί (eklektoi), ‘uitverkorenen’. κατὰ πίστιν (kata pistin), ‘volgens het geloof’: ook ‘ten behoeve van het geloof’ of ‘in overeenstemming met het geloof’; het Grieks laat dit open. ἐπίγνωσις (epignosis), ‘volle kennis’. εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’: leven in ontzag voor Elohim; ‘de waarheid die bij de vroomheid hoort’ is letterlijk ‘de waarheid die volgens vroomheid is’.
Het Grieks heeft één lange zin van vers 1 tot en met 4; wij splitsen hem.
Zie ook Rom. 1:1; 1 Tim. 1:1.
ἐλπίς (elpis), ‘hoop’. ἀψευδής (apseudes), ‘die niet liegt’: het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor; vergelijk Num. 23:19 (‘El is geen man die liegt’). πρὸ χρόνων αἰωνίων (pro chronon aionion), ‘vóór eeuwige tijden’: zoals in 2 Tim. 1:9.
De tekst zegt niet aan wie of hoe Elohim dit vóór de tijden beloofd heeft.
Zie ook Num. 23:19; 2 Tim. 1:9; 1 Tim. 1:1.
φανερόω (fanero), ‘openbaren’: zoals in 2 Tim. 1:10. καιροῖς ἰδίοις (kairois idiois), ‘op eigen tijden’: op de tijden die Elohim bepaald heeft. κήρυγμα (kerygma), ‘verkondiging’. ἐπιστεύθην (episteuthen), ‘mij is toevertrouwd’: letterlijk ‘ik ben geloofd’, dat wil zeggen: het is mij toevertrouwd. ἐπιταγή (epitage), ‘bevel’. σωτὴρ ἡμῶν θεός (soter hemon theos), ‘onze Redder, Elohim’: hier is Elohim de Redder; in vers 4 is dat de Messias Yeshua.
Zo noemen de pastorale brieven beiden ‘Redder’.
Zie ook 1 Tim. 1:1; 1 Tim. 2:3; Tit. 2:10, 13; Tit. 3:4, 6.
Titus is hier het ‘echte kind’ van Paulus (γνήσιον τέκνον, gnesion teknon): kind in het geloof.
Titus staat ook in 2 Kor. 8:23, Gal. 2:1–3 en 2 Tim. 4:10; in Handelingen komt hij niet voor. κοινὴ πίστις (koine pistis), ‘gemeenschappelijk geloof’: het geloof dat Paulus en Titus delen. χάρις (charis), ‘genade’, en εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: de groet; in 1 en 2 Timoteüs staat ook ‘barmhartigheid’.
‘Redder’: zie vers 3.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woordje καί (kai), ‘en’, en bij de woorden Χριστοῦ Ἰησοῦ (Christou Iesou), ‘de Messias Yeshua’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook 2 Kor. 8:23; Gal. 2:1–3; 2 Tim. 1:2; 1 Tim. 1:2.
Ouderen aanstellen op Kreta
Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang.
Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27).
Kreta is een eiland in de Middellandse Zee; de brief zegt niet hoe Paulus daar kwam of hoe lang hij er bleef. ἐπιδιορθόω (epidiorthoo), ‘verder regelen’: wat nog niet in orde is rechtzetten. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderen’: hier waarschijnlijk de leiders van een plaatselijke gemeente; in Handelingen heet hetzelfde Griekse woord ‘ouderlingen’ (Hand. 14:23; 20:17).
In vers 7 volgt, met ‘want’, de eis voor de ‘opziener’ (ἐπίσκοπος); de tekst zegt niet uitdrukkelijk dat het dezelfde mensen zijn, maar het ‘want’ legt het verband.
Bij het werkwoord ἀπέλιπον (apelipon), ‘ik liet achter’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 14:23; Hand. 20:17, 28; 1 Tim. 3:1–7; 1 Tim. 5:17.
ἀνέγκλητος (anenkletos), ‘zonder aanklacht’: tegen wie niets in te brengen is. μιᾶς γυναικὸς ἀνήρ (mias gynaikos aner), ‘man van één vrouw’: letterlijk ‘van één vrouw man’.
Het Grieks zegt niet welke situatie bedoeld is: wie maar één vrouw heeft, of wie trouw is aan zijn vrouw, of iets anders; de uitleggers verschillen.
Dezelfde woorden staan in 1 Tim. 3:2.
De eis betreft ook de kinderen: πιστά (pista) kan ‘gelovig’ en ‘betrouwbaar’ betekenen. ἀσωτία (asotia), ‘losbandigheid’; ἀνυπότακτος (anypotaktos), ‘ongehoorzaam’.
Zie ook 1 Tim. 3:2, 3:4–5, 3:12.
ἐπίσκοπος (episkopos), ‘opziener’: iemand die toeziet, zoals in Fil. 1:1. οἰκονόμος (oikonomos), ‘beheerder’: wie een huishouding beheert namens de eigenaar; hier ‘beheerder van Elohim’, die het huis van Elohim beheert. αὐθάδης (authades), ‘eigenzinnig’; ὀργίλος (orgilos), ‘driftig’; πάροινος (paroinos), ‘aan de wijn verslaafd’; πλήκτης (plektes), ‘gewelddadig’, letterlijk ‘iemand die slaat’; αἰσχροκερδής (aischrokerdes), ‘uit op schandelijke winst’.
Een deel van de lijst staat ook in 1 Tim. 3:2–3.
Zie ook 1 Tim. 3:2–3; Fil. 1:1; Hand. 20:28.
φιλόξενος (filoxenos), ‘gastvrij’: letterlijk ‘vriend van vreemdelingen’. φιλάγαθος (filagathos), ‘liefhebber van het goede’. σώφρων (sofron), ‘bezonnen’. ὅσιος (hosios), ‘toegewijd’: trouw aan Elohim; het is het tegendeel van ἀνόσιος (2 Tim. 3:2). ἐγκρατής (enkrates), ‘beheerst’.
Zie ook 1 Tim. 3:2; 2 Tim. 3:2.
ἀντέχομαι (antechomai), ‘zich vasthouden aan’. πιστὸς λόγος (pistos logos), ‘betrouwbaar woord’: het woord dat te vertrouwen is. διδαχή (didache), ‘onderricht’: wat onderwezen is. ὑγιαίνουσα διδασκαλία (hygiainousa didaskalia), ‘gezond onderwijs’, zoals in 2 Tim. 4:3. παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’; ἐλέγχω (elencho), ‘terechtwijzen’. ἀντιλέγοντες (antilegontes), ‘tegensprekers’.
Zie ook 2 Tim. 4:3; 2 Tim. 4:2; 1 Tim. 1:10.
Tegenstanders en hun mythen
ματαιολόγος (mataiologos), ‘ijdele prater’: iemand die veel praat zonder inhoud. φρεναπάτης (frenapates), ‘misleider’, letterlijk ‘wie het verstand bedriegt’. οἱ ἐκ τῆς περιτομῆς (hoi ek tes peritomes), ‘zij die uit de besnijdenis zijn’: gelovigen of mensen uit Joodse kring; hetzelfde Griekse woord staat in Hand. 11:2 en Gal. 2:12.
De tekst zegt niet wie precies bedoeld is.
De SBLGNT markeert hier varianten bij het woordje καί (kai), ‘ook’, en bij het lidwoord τῆς (tes) voor ‘besnijdenis’; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Hand. 11:2; Gal. 2:12; Kol. 4:11.
ἐπιστομίζω (epistomizo), ‘de mond snoeren’: afgeleid van στόμα (stoma), ‘mond’. ἀνατρέπω (anatrepo), ‘omverwerpen’, ‘ten val brengen’: zoals in 2 Tim. 2:18.
‘Hele huizen’: huisgezinnen. αἰσχρὸν κέρδος (aischron kerdos), ‘schandelijke winst’: zoals in 1 Tim. 3:3, 3:8.
Zie ook 2 Tim. 2:18; 1 Tim. 3:3, 3:8; 2 Tim. 3:6.
Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang.
Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27).
Paulus noemt de spreker ‘iemand uit hen, hun eigen profeet’; een naam geeft de tekst niet.
Het citaat noemt de Kretenzers leugenaars, wilde dieren en luie buiken.
In vers 13 zegt Paulus dat dit getuigenis waar is. κακὰ θηρία (kaka theria), ‘slechte wilde dieren’; γαστέρες ἀργαί (gasteres argai), ‘luie buiken’: mensen die alleen aan eten denken.
Het citaat staat tussen aanhalingstekens en zwart.
Zie ook Hand. 17:28.
μαρτυρία (martyria), ‘getuigenis’: hier het zojuist aangehaalde woord. ἀποτόμως (apotomos), ‘streng’, letterlijk ‘afgesneden’: zonder omwegen. ὑγιαίνω ἐν τῇ πίστει (hygiaino en te pistei), ‘gezond zijn in het geloof’: zoals in 1:9 het gezonde onderwijs.
Het Grieks heeft één zin van vers 13 tot en met 14; wij splitsen hem.
Zie ook Tit. 2:2; Tit. 1:9.
Ἰουδαϊκοὶ μῦθοι (Ioudaikoi mythoi), ‘Joodse mythen’: verzonnen verhalen; de tekst zegt niet welke verhalen.
In 1 Tim. 1:4 staan mythen en eindeloze geslachtsregisters; in Tit. 3:9 geslachtsregisters en twisten over de wet. ἐντολαὶ ἀνθρώπων (entolai anthropon), ‘geboden van mensen’: vergelijk Mark. 7:7–8 en Jes. 29:13 (‘een aangeleerd gebod van mensen’).
Zie ook 1 Tim. 1:4; 1 Tim. 4:7; 2 Tim. 4:4; Tit. 3:9; Mark. 7:7–8; Jes. 29:13.
καθαρός (katharos), ‘rein’; μιαίνω (miaino), ‘besmetten’.
Vers 15 gaat over rein en onrein; de tekst zegt niet welke voorschriften of mensen bedoeld zijn. νοῦς (nous), ‘verstand’; συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’.
Vergelijk Rom. 14:14 en Mark. 7:15.
Bij het woord πάντα (panta), ‘alles’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.
Zie ook Rom. 14:14; Rom. 14:20; Mark. 7:15; Luc. 11:41.
ὁμολογέω (homologeo), ‘belijden’. ἀρνέομαι (arneomai), ‘verloochenen’: het Grieks heeft geen voorwerp; wij vullen ‘Hem’ aan (Elohim), zoals ook in 2 Tim. 2:12. βδελυκτός (bdelyktos), ‘weerzinwekkend, afstotelijk’. ἀδόκιμος (adokimos), ‘afgekeurd’: de proef niet doorstaan, zoals in 2 Tim. 3:8. ἔργον ἀγαθόν (ergon agathon), ‘goed werk’; ook ἔργα καλά (erga kala), ‘goede werken’, in 2:7, 2:14, 3:8 en 3:14 en ἔργον ἀγαθόν in 3:1.
Zie ook 2 Tim. 2:12; 2 Tim. 3:5, 3:8.