Elohim Bijbel

Titus 1

123

Aanhef; ouderen aanstellen op Kreta; de eisen voor de opziener; tegenstanders die de waarheid afwijzen

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Aanhef

1Paulus, knecht van Elohim en apostel van Yeshua de Messias, volgens het geloof van de uitverkorenen van Elohim en de volle kennis van de waarheid die bij de vroomheid hoort,
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
δοῦλος
(doulos)
knecht
θεοῦ
(theou)
van Elohim
ἀπόστολος
(apostolos)
apostel
δὲ
(de)
maar
Ἰησοῦ
(Iesou)
van Yeshua
Χριστοῦ
(Christou)
de Messias
κατὰ
(kata)
volgens
πίστιν
(pistin)
geloof
ἐκλεκτῶν
(eklekton)
van uitverkorenen
θεοῦ
(theou)
van Elohim
καὶ
(kai)
en
ἐπίγνωσιν
(epignosin)
volle kennis
ἀληθείας
(aletheias)
van waarheid
τῆς
(tes)
die
κατ’
(kat’)
volgens
εὐσέβειαν
(eusebeian)
vroomheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοῦλος (doulos), ‘knecht’: letterlijk ‘slaaf’. ἀπόστολος (apostolos), ‘apostel’: iemand die gezonden is. ἐκλεκτοί (eklektoi), ‘uitverkorenen’. κατὰ πίστιν (kata pistin), ‘volgens het geloof’: ook ‘ten behoeve van het geloof’ of ‘in overeenstemming met het geloof’; het Grieks laat dit open. ἐπίγνωσις (epignosis), ‘volle kennis’. εὐσέβεια (eusebeia), ‘vroomheid’: leven in ontzag voor Elohim; ‘de waarheid die bij de vroomheid hoort’ is letterlijk ‘de waarheid die volgens vroomheid is’.

Het Grieks heeft één lange zin van vers 1 tot en met 4; wij splitsen hem.

Zie ook Rom. 1:1; 1 Tim. 1:1.

2in de hoop op eeuwig leven, dat Elohim, die niet liegt, beloofd heeft vóór eeuwige tijden.
ἐπ’
(ep’)
op
ἐλπίδι
(elpidi)
hoop
ζωῆς
(zoes)
van leven
αἰωνίου
(aioniou)
eeuwig
ἣν
(hen)
dat
ἐπηγγείλατο
(epengeilato)
beloofde
ὁ
(ho)
de
ἀψευδὴς
(apseudes)
niet liegende
θεὸς
(theos)
Elohim
πρὸ
(pro)
vóór
χρόνων
(chronon)
tijden
αἰωνίων
(aionion)
eeuwige
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐλπίς (elpis), ‘hoop’. ἀψευδής (apseudes), ‘die niet liegt’: het woord komt in het Nieuwe Testament alleen hier voor; vergelijk Num. 23:19 (‘El is geen man die liegt’). πρὸ χρόνων αἰωνίων (pro chronon aionion), ‘vóór eeuwige tijden’: zoals in 2 Tim. 1:9.

De tekst zegt niet aan wie of hoe Elohim dit vóór de tijden beloofd heeft.

Zie ook Num. 23:19; 2 Tim. 1:9; 1 Tim. 1:1.

3Maar op Zijn eigen tijden heeft Hij Zijn woord geopenbaard in de verkondiging die mij is toevertrouwd, naar het bevel van onze Redder, Elohim,
ἐφανέρωσεν
(ephanerosen)
heeft geopenbaard
δὲ
(de)
maar
καιροῖς
(kairois)
op tijden
ἰδίοις
(idiois)
eigen
τὸν
(ton)
het
λόγον
(logon)
woord
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
ἐν
(en)
in
κηρύγματι
(kerygmati)
verkondiging
ὃ
(ho)
waarmee
ἐπιστεύθην
(episteuthen)
ben ik toevertrouwd
ἐγὼ
(ego)
ik
κατ’
(kat’)
volgens
ἐπιταγὴν
(epitagen)
bevel
τοῦ
(tou)
van de
σωτῆρος
(soteros)
Redder
ἡμῶν
(hemon)
onze
θεοῦ
(theou)
Elohim
Bron: SBLGNT
Uitleg

φανερόω (fanero), ‘openbaren’: zoals in 2 Tim. 1:10. καιροῖς ἰδίοις (kairois idiois), ‘op eigen tijden’: op de tijden die Elohim bepaald heeft. κήρυγμα (kerygma), ‘verkondiging’. ἐπιστεύθην (episteuthen), ‘mij is toevertrouwd’: letterlijk ‘ik ben geloofd’, dat wil zeggen: het is mij toevertrouwd. ἐπιταγή (epitage), ‘bevel’. σωτὴρ ἡμῶν θεός (soter hemon theos), ‘onze Redder, Elohim’: hier is Elohim de Redder; in vers 4 is dat de Messias Yeshua.

Zo noemen de pastorale brieven beiden ‘Redder’.

Zie ook 1 Tim. 1:1; 1 Tim. 2:3; Tit. 2:10, 13; Tit. 3:4, 6.

4aan Titus, echt kind volgens ons gemeenschappelijk geloof: genade en vrede van Elohim, de Vader, en van de Messias Yeshua, onze Redder.
Τίτῳ
(Tito)
aan Titus
γνησίῳ
(gnesio)
echt
τέκνῳ
(tekno)
kind
κατὰ
(kata)
volgens
κοινὴν
(koinen)
gemeenschappelijk
πίστιν
(pistin)
geloof
χάρις
(charis)
genade
καὶ
(kai)
en
εἰρήνη
(eirene)
vrede
ἀπὸ
(apo)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
πατρὸς
(patros)
Vader
καὶ
(kai)
en
Χριστοῦ
(Christou)
van de Messias
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
τοῦ
(tou)
de
σωτῆρος
(soteros)
Redder
ἡμῶν
(hemon)
onze
Bron: SBLGNT
Uitleg

Titus is hier het ‘echte kind’ van Paulus (γνήσιον τέκνον, gnesion teknon): kind in het geloof.

Titus staat ook in 2 Kor. 8:23, Gal. 2:1–3 en 2 Tim. 4:10; in Handelingen komt hij niet voor. κοινὴ πίστις (koine pistis), ‘gemeenschappelijk geloof’: het geloof dat Paulus en Titus delen. χάρις (charis), ‘genade’, en εἰρήνη (eirene), ‘vrede’: de groet; in 1 en 2 Timoteüs staat ook ‘barmhartigheid’.

‘Redder’: zie vers 3.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij het woordje καί (kai), ‘en’, en bij de woorden Χριστοῦ Ἰησοῦ (Christou Iesou), ‘de Messias Yeshua’; wij volgen de SBLGNT.

Zie ook 2 Kor. 8:23; Gal. 2:1–3; 2 Tim. 1:2; 1 Tim. 1:2.

Ouderen aanstellen op Kreta

5Hierom heb ik je op Kreta achtergelaten: om wat nog ontbreekt verder te regelen en in elke stad ouderen aan te stellen, zoals ik jou opgedragen heb,
Τούτου
(Toutou)
van dit
χάριν
(charin)
wege
ἀπέλιπόν
(apelipon)
liet ik achter
σε
(se)
je
ἐν
(en)
op
Κρήτῃ
(Krete)
Kreta
ἵνα
(hina)
opdat
τὰ
(ta)
het
λείποντα
(leiponta)
ontbrekende
ἐπιδιορθώσῃ
(epidiorthose)
je verder regelt
καὶ
(kai)
en
καταστήσῃς
(katasteses)
je aanstelt
κατὰ
(kata)
in
πόλιν
(polin)
elke stad
πρεσβυτέρους
(presbyterous)
ouderen
ὡς
(hos)
zoals
ἐγώ
(ego)
ik
σοι
(soi)
jou
διεταξάμην
(dietaxamen)
opdroeg
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang.

Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27).

Uitleg

Kreta is een eiland in de Middellandse Zee; de brief zegt niet hoe Paulus daar kwam of hoe lang hij er bleef. ἐπιδιορθόω (epidiorthoo), ‘verder regelen’: wat nog niet in orde is rechtzetten. πρεσβύτεροι (presbyteroi), ‘ouderen’: hier waarschijnlijk de leiders van een plaatselijke gemeente; in Handelingen heet hetzelfde Griekse woord ‘ouderlingen’ (Hand. 14:23; 20:17).

In vers 7 volgt, met ‘want’, de eis voor de ‘opziener’ (ἐπίσκοπος); de tekst zegt niet uitdrukkelijk dat het dezelfde mensen zijn, maar het ‘want’ legt het verband.

Lezing

Bij het werkwoord ἀπέλιπον (apelipon), ‘ik liet achter’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.

Zie ook Hand. 14:23; Hand. 20:17, 28; 1 Tim. 3:1–7; 1 Tim. 5:17.

6als iemand zonder aanklacht is, man van één vrouw, met gelovige kinderen die niet beschuldigd worden van losbandigheid en niet ongehoorzaam zijn.
εἴ
(ei)
als
τίς
(tis)
iemand
ἐστιν
(estin)
is
ἀνέγκλητος
(anenkletos)
zonder aanklacht
μιᾶς
(mias)
van één
γυναικὸς
(gynaikos)
vrouw
ἀνήρ
(aner)
man
τέκνα
(tekna)
kinderen
ἔχων
(echon)
hebbend
πιστά
(pista)
gelovige
μὴ
(me)
niet
ἐν
(en)
onder
κατηγορίᾳ
(kategoria)
beschuldiging
ἀσωτίας
(asotias)
van losbandigheid
ἢ
(e)
of
ἀνυπότακτα
(anypotakta)
ongehoorzaam
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνέγκλητος (anenkletos), ‘zonder aanklacht’: tegen wie niets in te brengen is. μιᾶς γυναικὸς ἀνήρ (mias gynaikos aner), ‘man van één vrouw’: letterlijk ‘van één vrouw man’.

Het Grieks zegt niet welke situatie bedoeld is: wie maar één vrouw heeft, of wie trouw is aan zijn vrouw, of iets anders; de uitleggers verschillen.

Dezelfde woorden staan in 1 Tim. 3:2.

De eis betreft ook de kinderen: πιστά (pista) kan ‘gelovig’ en ‘betrouwbaar’ betekenen. ἀσωτία (asotia), ‘losbandigheid’; ἀνυπότακτος (anypotaktos), ‘ongehoorzaam’.

Zie ook 1 Tim. 3:2, 3:4–5, 3:12.

7Want de opziener moet zonder aanklacht zijn, als beheerder van Elohim: niet eigenzinnig, niet driftig, niet aan de wijn verslaafd, niet gewelddadig, niet uit op schandelijke winst,
δεῖ
(dei)
het is nodig
γὰρ
(gar)
want
τὸν
(ton)
de
ἐπίσκοπον
(episkopon)
opziener
ἀνέγκλητον
(anenkleton)
zonder aanklacht
εἶναι
(einai)
te zijn
ὡς
(hos)
als
θεοῦ
(theou)
van Elohim
οἰκονόμον
(oikonomon)
beheerder
μὴ
(me)
niet
αὐθάδη
(authade)
eigenzinnig
μὴ
(me)
niet
ὀργίλον
(orgilon)
driftig
μὴ
(me)
niet
πάροινον
(paroinon)
aan de wijn verslaafd
μὴ
(me)
niet
πλήκτην
(plekten)
gewelddadig
μὴ
(me)
niet
αἰσχροκερδῆ
(aischrokerde)
uit op schandelijke winst
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπίσκοπος (episkopos), ‘opziener’: iemand die toeziet, zoals in Fil. 1:1. οἰκονόμος (oikonomos), ‘beheerder’: wie een huishouding beheert namens de eigenaar; hier ‘beheerder van Elohim’, die het huis van Elohim beheert. αὐθάδης (authades), ‘eigenzinnig’; ὀργίλος (orgilos), ‘driftig’; πάροινος (paroinos), ‘aan de wijn verslaafd’; πλήκτης (plektes), ‘gewelddadig’, letterlijk ‘iemand die slaat’; αἰσχροκερδής (aischrokerdes), ‘uit op schandelijke winst’.

Een deel van de lijst staat ook in 1 Tim. 3:2–3.

Zie ook 1 Tim. 3:2–3; Fil. 1:1; Hand. 20:28.

8maar gastvrij, een liefhebber van het goede, bezonnen, rechtvaardig, toegewijd, beheerst.
ἀλλὰ
(alla)
maar
φιλόξενον
(philoxenon)
gastvrij
φιλάγαθον
(philagathon)
liefhebber van het goede
σώφρονα
(sophrona)
bezonnen
δίκαιον
(dikaion)
rechtvaardig
ὅσιον
(hosion)
toegewijd
ἐγκρατῆ
(enkrate)
beheerst
Bron: SBLGNT
Uitleg

φιλόξενος (filoxenos), ‘gastvrij’: letterlijk ‘vriend van vreemdelingen’. φιλάγαθος (filagathos), ‘liefhebber van het goede’. σώφρων (sofron), ‘bezonnen’. ὅσιος (hosios), ‘toegewijd’: trouw aan Elohim; het is het tegendeel van ἀνόσιος (2 Tim. 3:2). ἐγκρατής (enkrates), ‘beheerst’.

Zie ook 1 Tim. 3:2; 2 Tim. 3:2.

9Hij houdt zich vast aan het betrouwbare woord volgens het onderricht. Zo is hij in staat zowel aan te sporen met het gezonde onderwijs als de tegensprekers terecht te wijzen.
ἀντεχόμενον
(antechomenon)
zich vasthoudend aan
τοῦ
(tou)
het
κατὰ
(kata)
volgens
τὴν
(ten)
het
διδαχὴν
(didachen)
onderricht
πιστοῦ
(pistou)
betrouwbare
λόγου
(logou)
woord
ἵνα
(hina)
opdat
δυνατὸς
(dynatos)
in staat
ᾖ
(e)
hij is
καὶ
(kai)
zowel
παρακαλεῖν
(parakalein)
aan te sporen
ἐν
(en)
met
τῇ
(te)
het
διδασκαλίᾳ
(didaskalia)
onderwijs
τῇ
(te)
het
ὑγιαινούσῃ
(hygiainouse)
gezonde
καὶ
(kai)
en
τοὺς
(tous)
de
ἀντιλέγοντας
(antilegontas)
tegensprekers
ἐλέγχειν
(elenchein)
terecht te wijzen
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀντέχομαι (antechomai), ‘zich vasthouden aan’. πιστὸς λόγος (pistos logos), ‘betrouwbaar woord’: het woord dat te vertrouwen is. διδαχή (didache), ‘onderricht’: wat onderwezen is. ὑγιαίνουσα διδασκαλία (hygiainousa didaskalia), ‘gezond onderwijs’, zoals in 2 Tim. 4:3. παρακαλέω (parakaleo), ‘aansporen’; ἐλέγχω (elencho), ‘terechtwijzen’. ἀντιλέγοντες (antilegontes), ‘tegensprekers’.

Zie ook 2 Tim. 4:3; 2 Tim. 4:2; 1 Tim. 1:10.

Tegenstanders en hun mythen

10Want er zijn velen die ook ongehoorzaam zijn, ijdele praters en misleiders, vooral zij die uit de besnijdenis zijn.
Εἰσὶν
(Eisin)
zijn
γὰρ
(gar)
want
πολλοὶ
(polloi)
velen
καὶ
(kai)
ook
ἀνυπότακτοι
(anypotaktoi)
ongehoorzaam
ματαιολόγοι
(mataiologoi)
ijdele praters
καὶ
(kai)
en
φρεναπάται
(phrenapatai)
misleiders
μάλιστα
(malista)
vooral
οἱ
(hoi)
die
ἐκ
(ek)
uit
τῆς
(tes)
de
περιτομῆς
(peritomes)
besnijdenis
Bron: SBLGNT
Uitleg

ματαιολόγος (mataiologos), ‘ijdele prater’: iemand die veel praat zonder inhoud. φρεναπάτης (frenapates), ‘misleider’, letterlijk ‘wie het verstand bedriegt’. οἱ ἐκ τῆς περιτομῆς (hoi ek tes peritomes), ‘zij die uit de besnijdenis zijn’: gelovigen of mensen uit Joodse kring; hetzelfde Griekse woord staat in Hand. 11:2 en Gal. 2:12.

De tekst zegt niet wie precies bedoeld is.

Lezing

De SBLGNT markeert hier varianten bij het woordje καί (kai), ‘ook’, en bij het lidwoord τῆς (tes) voor ‘besnijdenis’; wij volgen de SBLGNT.

Zie ook Hand. 11:2; Gal. 2:12; Kol. 4:11.

11Hun moet de mond gesnoerd worden. Zij brengen hele huizen ten val door te onderwijzen wat niet hoort, om schandelijke winst.
οὓς
(hous)
wie
δεῖ
(dei)
het is nodig
ἐπιστομίζειν
(epistomizein)
de mond te snoeren
οἵτινες
(hoitines)
die
ὅλους
(holous)
hele
οἴκους
(oikous)
huizen
ἀνατρέπουσιν
(anatrepousin)
werpen om
διδάσκοντες
(didaskontes)
onderwijzend
ἃ
(ha)
wat
μὴ
(me)
niet
δεῖ
(dei)
hoort
αἰσχροῦ
(aischrou)
schandelijke
κέρδους
(kerdous)
winst
χάριν
(charin)
omwille van
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐπιστομίζω (epistomizo), ‘de mond snoeren’: afgeleid van στόμα (stoma), ‘mond’. ἀνατρέπω (anatrepo), ‘omverwerpen’, ‘ten val brengen’: zoals in 2 Tim. 2:18.

‘Hele huizen’: huisgezinnen. αἰσχρὸν κέρδος (aischron kerdos), ‘schandelijke winst’: zoals in 1 Tim. 3:3, 3:8.

Zie ook 2 Tim. 2:18; 1 Tim. 3:3, 3:8; 2 Tim. 3:6.

12Iemand uit hen, hun eigen profeet, heeft gezegd: „Kretenzers zijn altijd leugenaars, slechte wilde dieren, luie buiken.”
εἶπέν
(eipen)
zei
τις
(tis)
iemand
ἐξ
(ex)
uit
αὐτῶν
(auton)
hen
ἴδιος
(idios)
eigen
αὐτῶν
(auton)
hun
προφήτης
(prophetes)
profeet
Κρῆτες
(Kretes)
Kretenzers
ἀεὶ
(aei)
altijd
ψεῦσται
(pseustai)
leugenaars
κακὰ
(kaka)
slechte
θηρία
(theria)
wilde dieren
γαστέρες
(gasteres)
buiken
ἀργαί
(argai)
lui
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kreta: Kreta is het grote eiland ten zuiden van de Egeïsche Zee, ongeveer 250 km lang.

Paulus voer er langs op weg naar Rome (Handelingen 27).

Uitleg

Paulus noemt de spreker ‘iemand uit hen, hun eigen profeet’; een naam geeft de tekst niet.

Het citaat noemt de Kretenzers leugenaars, wilde dieren en luie buiken.

In vers 13 zegt Paulus dat dit getuigenis waar is. κακὰ θηρία (kaka theria), ‘slechte wilde dieren’; γαστέρες ἀργαί (gasteres argai), ‘luie buiken’: mensen die alleen aan eten denken.

Het citaat staat tussen aanhalingstekens en zwart.

Zie ook Hand. 17:28.

13Dit getuigenis is waar. Wijs hen daarom streng terecht, opdat zij gezond zijn in het geloof
ἡ
(he)
het
μαρτυρία
(martyria)
getuigenis
αὕτη
(haute)
dit
ἐστὶν
(estin)
is
ἀληθής
(alethes)
waar
δι’
(di’)
om
ἣν
(hen)
welke
αἰτίαν
(aitian)
reden
ἔλεγχε
(elenche)
wijs terecht
αὐτοὺς
(autous)
hen
ἀποτόμως
(apotomos)
streng
ἵνα
(hina)
opdat
ὑγιαίνωσιν
(hygiainosin)
gezond zijn
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
het
πίστει
(pistei)
geloof
Bron: SBLGNT
Uitleg

μαρτυρία (martyria), ‘getuigenis’: hier het zojuist aangehaalde woord. ἀποτόμως (apotomos), ‘streng’, letterlijk ‘afgesneden’: zonder omwegen. ὑγιαίνω ἐν τῇ πίστει (hygiaino en te pistei), ‘gezond zijn in het geloof’: zoals in 1:9 het gezonde onderwijs.

Het Grieks heeft één zin van vers 13 tot en met 14; wij splitsen hem.

Zie ook Tit. 2:2; Tit. 1:9.

14en geen aandacht schenken aan Joodse mythen en aan geboden van mensen die zich van de waarheid afkeren.
μὴ
(me)
niet
προσέχοντες
(prosechontes)
aandacht schenkend
Ἰουδαϊκοῖς
(Ioudaikois)
aan Joodse
μύθοις
(mythois)
mythen
καὶ
(kai)
en
ἐντολαῖς
(entolais)
geboden
ἀνθρώπων
(anthropon)
van mensen
ἀποστρεφομένων
(apostrephomenon)
die zich afkeren van
τὴν
(ten)
de
ἀλήθειαν
(aletheian)
waarheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

Ἰουδαϊκοὶ μῦθοι (Ioudaikoi mythoi), ‘Joodse mythen’: verzonnen verhalen; de tekst zegt niet welke verhalen.

In 1 Tim. 1:4 staan mythen en eindeloze geslachtsregisters; in Tit. 3:9 geslachtsregisters en twisten over de wet. ἐντολαὶ ἀνθρώπων (entolai anthropon), ‘geboden van mensen’: vergelijk Mark. 7:7–8 en Jes. 29:13 (‘een aangeleerd gebod van mensen’).

Zie ook 1 Tim. 1:4; 1 Tim. 4:7; 2 Tim. 4:4; Tit. 3:9; Mark. 7:7–8; Jes. 29:13.

15Voor de reinen is alles rein, maar voor de besmetten en ongelovigen is niets rein. Hun verstand en hun geweten zijn juist besmet.
πάντα
(panta)
alles
καθαρὰ
(kathara)
rein
τοῖς
(tois)
voor de
καθαροῖς
(katharois)
reinen
τοῖς
(tois)
voor de
δὲ
(de)
maar
μεμιαμμένοις
(memiammenois)
besmetten
καὶ
(kai)
en
ἀπίστοις
(apistois)
ongelovigen
οὐδὲν
(ouden)
niets
καθαρόν
(katharon)
rein
ἀλλὰ
(alla)
maar
μεμίανται
(memiantai)
is besmet
αὐτῶν
(auton)
hun
καὶ
(kai)
zowel
ὁ
(ho)
het
νοῦς
(nous)
verstand
καὶ
(kai)
als
ἡ
(he)
het
συνείδησις
(syneidesis)
geweten
Bron: SBLGNT
Uitleg

καθαρός (katharos), ‘rein’; μιαίνω (miaino), ‘besmetten’.

Vers 15 gaat over rein en onrein; de tekst zegt niet welke voorschriften of mensen bedoeld zijn. νοῦς (nous), ‘verstand’; συνείδησις (syneidesis), ‘geweten’.

Vergelijk Rom. 14:14 en Mark. 7:15.

Lezing

Bij het woord πάντα (panta), ‘alles’, markeert de SBLGNT een variant; wij volgen de SBLGNT.

Zie ook Rom. 14:14; Rom. 14:20; Mark. 7:15; Luc. 11:41.

16Zij belijden Elohim te kennen, maar met hun werken verloochenen zij Hem. Zij zijn weerzinwekkend en ongehoorzaam en voor elk goed werk afgekeurd.
θεὸν
(theon)
Elohim
ὁμολογοῦσιν
(homologousin)
belijden
εἰδέναι
(eidenai)
te kennen
τοῖς
(tois)
met de
δὲ
(de)
maar
ἔργοις
(ergois)
werken
ἀρνοῦνται
(arnountai)
verloochenen zij
βδελυκτοὶ
(bdelyktoi)
weerzinwekkend
ὄντες
(ontes)
zijnde
καὶ
(kai)
en
ἀπειθεῖς
(apeitheis)
ongehoorzaam
καὶ
(kai)
en
πρὸς
(pros)
voor
πᾶν
(pan)
elk
ἔργον
(ergon)
werk
ἀγαθὸν
(agathon)
goed
ἀδόκιμοι
(adokimoi)
afgekeurd
Bron: SBLGNT
Uitleg

ὁμολογέω (homologeo), ‘belijden’. ἀρνέομαι (arneomai), ‘verloochenen’: het Grieks heeft geen voorwerp; wij vullen ‘Hem’ aan (Elohim), zoals ook in 2 Tim. 2:12. βδελυκτός (bdelyktos), ‘weerzinwekkend, afstotelijk’. ἀδόκιμος (adokimos), ‘afgekeurd’: de proef niet doorstaan, zoals in 2 Tim. 3:8. ἔργον ἀγαθόν (ergon agathon), ‘goed werk’; ook ἔργα καλά (erga kala), ‘goede werken’, in 2:7, 2:14, 3:8 en 3:14 en ἔργον ἀγαθόν in 3:1.

Zie ook 2 Tim. 2:12; 2 Tim. 3:5, 3:8.