1 Korintiërs 13
Het lied van de liefde
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Zonder liefde ben ik niets
ἀγάπη (agape), ‘liefde’: het woord dat dit hoofdstuk draagt. γλῶσσα (glossa), ‘tong, taal’: het Grieks zegt niet wat ‘de talen van de engelen’ zijn; vergelijk 12:10 en hoofdstuk 14. χαλκός (chalkos), ‘koper’: een metaal (ook brons). κύμβαλον (kymbalon), ‘bekken’: een slaginstrument. ἠχέω (echeo), ‘klinken’, en ἀλαλάζω (alalazo), ‘schallen’, klinken zelf als het geluid dat ze noemen.
Zie ook 1 Kor. 12:10; 1 Kor. 14:2.
ψωμίζω (psomizo), ‘uitdelen’: letterlijk ‘voeden met stukjes brood’.
Het Grieks zegt niet aan wie.
‘Mijn lichaam overgeven’ (παραδίδωμι, paradidomi): het Grieks zegt niet aan wie of waarom; het doel is ‘zodat ik verbrand word’.
De SBLGNT markeert hier een lezing: sommige oude handschriften hebben in plaats van καυθήσομαι (kauthesomai), ‘zodat ik verbrand word’, een andere vorm; wij volgen de SBLGNT.
Wat de liefde doet
μακροθυμέω (makrothymeo), ‘geduld hebben’: letterlijk ‘een lange adem hebben’. χρηστεύομαι (chrestheuomai), ‘vriendelijk zijn’. ζηλόω (zeloo), ‘naijverig zijn’: ook ‘ijveren’, in goede zin in 12:31 en 14:1. περπερεύομαι (perpereuomai), ‘pronken’: een zeldzaam woord, ‘zich opscheppen’. φυσιόομαι (physioomai), ‘opgeblazen zijn’: van φῦσα, ‘blaasbalg’; een beeld voor hoogmoed.
Zie ook Gal. 5:22–23; Jak. 2:8.
ἀσχημονέω (aschemoneo), ‘zich onbetamelijk gedragen’. παροξύνομαι (paroxynomai), ‘geërgerd raken’: letterlijk ‘geprikkeld worden’. λογίζομαι (logizomai), ‘toerekenen’: het kwaad als schuld bijhouden.
ἀδικία (adikia), ‘onrecht’, staat tegenover ἀλήθεια (aletheia), ‘waarheid’. συγχαίρω (sygchairo), ‘zich mee verheugen’: samen met de waarheid, of samen met anderen die de waarheid doen; het Grieks zegt het niet.
στέγω (stego), ‘verdragen’: letterlijk ‘bedekken, afdekken’, daarna ‘dragen, uithouden’. ὑπομένω (hypomeno), ‘volhouden’: hetzelfde stamwoord als ὑπομονή, ‘volharding’.
Het Grieks begint vier korte zinnen met πάντα (panta), ‘alles’.
De liefde blijft
πίπτω (pipto), ‘vallen’: de liefde ‘komt nooit ten val’, valt nooit weg. καταργέω (katargeo), ‘buiten werking stellen’: zoals in Gal. 5:4; hier gaat het om profetieën en kennis die niet meer nodig zijn. παύω (pauo), ‘ophouden’: de vorm bij de talen is een middenvorm, ‘zij houden op’.
Het Grieks zegt niet wanneer.
Vergelijk hoofdstuk 14 over profetie en talen.
ἐκ μέρους (ek merous), ‘ten dele’: voor een deel, onvolledig.
τέλειος (teleios), ‘volmaakt, volledig’: het Grieks heeft hier het onzijdige ‘het volmaakte’ en zegt niet wat ermee bedoeld is.
Ook in 14:20 en in 2:6 (‘de volmaakten’) schrijven wij ‘volmaakt’; in 14:20 zet de Uitleg erbij dat het woord ook ‘volwassen’ betekent.
νήπιος (nepios), ‘klein kind’: iemand die nog niet spreekt of nog niet redeneert. λογίζομαι (logizomai), ‘overleggen, redeneren’: dit werkwoord staat in vers 5 voor ‘toerekenen’. ἀνήρ (aner), ‘man’: een volwassene. κατήργηκα (katergeka), ‘ik heb buiten werking gesteld’: hetzelfde werkwoord als in vers 8 en 10; het kan ook ‘afleggen’ betekenen.
ἔσοπτρον (esoptron), ‘spiegel’: in de oudheid meestal van gepolijst metaal, waarin het beeld niet scherp is. αἴνιγμα (ainigma), ‘raadsel’: iets dat niet duidelijk is.
‘Van aangezicht tot aangezicht’ heeft geen werkwoord in het Grieks. ἐπιγινώσκω (epiginosko), ‘ten volle kennen’: een samengesteld werkwoord van γινώσκω, ‘kennen’.
Het Grieks noemt niet door wie ik gekend ben.
Vergelijk Num. 12:8, waar Yahweh over Mozes zegt: ‘van mond tot mond … zichtbaar en niet in raadsels’, en Exod. 33:11 en Deut. 34:10 (‘van aangezicht tot aangezicht’).
Zie ook Num. 12:8; Exod. 33:11; Deut. 34:10.
Geloof, hoop en liefde
πίστις, ἐλπίς, ἀγάπη (pistis, elpis, agape), ‘geloof, hoop, liefde’: deze drie staan ook bij elkaar in Gal. 5:5–6, in 1 Tess. 1:3 en in 1 Tess. 5:8. μείζων (meizon), ‘groter’: de vorm is een vergrotende trap, ‘groter dan deze’.
Zie ook Gal. 5:5–6; 1 Tess. 1:3; 1 Tess. 5:8.