Elohim Bijbel

1 Korintiërs 13

12345678910111213141516

Het lied van de liefde

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Zonder liefde ben ik niets

1Als ik in de talen van de mensen en van de engelen spreek, maar liefde niet heb, ben ik een klinkend koper geworden of een schallend bekken.
Ἐὰν
(Ean)
als
ταῖς
(tais)
in de
γλώσσαις
(glossais)
talen
τῶν
(ton)
van de
ἀνθρώπων
(anthropon)
mensen
λαλῶ
(lalo)
ik spreek
καὶ
(kai)
en
τῶν
(ton)
van de
ἀγγέλων
(angelon)
engelen
ἀγάπην
(agapen)
liefde
δὲ
(de)
maar
μὴ
(me)
niet
ἔχω
(echo)
ik heb
γέγονα
(gegona)
ik ben geworden
χαλκὸς
(chalkos)
koper
ἠχῶν
(echon)
klinkend
ἢ
(e)
of
κύμβαλον
(kymbalon)
bekken
ἀλαλάζον
(alalazon)
schallend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγάπη (agape), ‘liefde’: het woord dat dit hoofdstuk draagt. γλῶσσα (glossa), ‘tong, taal’: het Grieks zegt niet wat ‘de talen van de engelen’ zijn; vergelijk 12:10 en hoofdstuk 14. χαλκός (chalkos), ‘koper’: een metaal (ook brons). κύμβαλον (kymbalon), ‘bekken’: een slaginstrument. ἠχέω (echeo), ‘klinken’, en ἀλαλάζω (alalazo), ‘schallen’, klinken zelf als het geluid dat ze noemen.

Zie ook 1 Kor. 12:10; 1 Kor. 14:2.

2En als ik profetie heb en alle geheimenissen weet en alle kennis, en als ik alle geloof heb, zodat ik bergen kan verplaatsen, maar liefde niet heb, ben ik niets.
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ἔχω
(echo)
ik heb
προφητείαν
(propheteian)
profetie
καὶ
(kai)
en
εἰδῶ
(eido)
ik weet
τὰ
(ta)
de
μυστήρια
(mysteria)
geheimenissen
πάντα
(panta)
alle
καὶ
(kai)
en
πᾶσαν
(pasan)
alle
τὴν
(ten)
de
γνῶσιν
(gnosin)
kennis
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ἔχω
(echo)
ik heb
πᾶσαν
(pasan)
alle
τὴν
(ten)
het
πίστιν
(pistin)
geloof
ὥστε
(hoste)
zodat
ὄρη
(ore)
bergen
μεθιστάναι
(methistanai)
verplaatsen
ἀγάπην
(agapen)
liefde
δὲ
(de)
maar
μὴ
(me)
niet
ἔχω
(echo)
ik heb
οὐθέν
(outhen)
niets
εἰμι
(eimi)
ben ik
Bron: SBLGNT
Uitleg

προφητεία (propheteia), ‘profetie’. μυστήριον (mysterion), ‘geheimenis’: het Grieks heeft hier het meervoud. μεθίστημι (methistemi), ‘verplaatsen’.

‘Bergen verplaatsen’ is een beeld voor het onmogelijke.

Zie ook Matt. 17:20; Matt. 21:21; Mark. 11:23.

3En als ik al mijn bezittingen uitdeel en als ik mijn lichaam overgeef zodat ik verbrand word, maar liefde niet heb, heb ik er niets aan.
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
ψωμίσω
(psomiso)
ik deel uit
πάντα
(panta)
alle
τὰ
(ta)
de
ὑπάρχοντά
(hyparchonta)
bezittingen
μου
(mou)
mijn
καὶ
(kai)
en
ἐὰν
(ean)
als
παραδῶ
(parado)
ik overgeef
τὸ
(to)
het
σῶμά
(soma)
lichaam
μου
(mou)
mijn
ἵνα
(hina)
zodat
καυθήσομαι
(kauthesomai)
ik verbrand word
ἀγάπην
(agapen)
liefde
δὲ
(de)
maar
μὴ
(me)
niet
ἔχω
(echo)
ik heb
οὐδὲν
(ouden)
niets
ὠφελοῦμαι
(opheloumai)
heb ik baat
Bron: SBLGNT
Uitleg

ψωμίζω (psomizo), ‘uitdelen’: letterlijk ‘voeden met stukjes brood’.

Het Grieks zegt niet aan wie.

‘Mijn lichaam overgeven’ (παραδίδωμι, paradidomi): het Grieks zegt niet aan wie of waarom; het doel is ‘zodat ik verbrand word’.

Lezing

De SBLGNT markeert hier een lezing: sommige oude handschriften hebben in plaats van καυθήσομαι (kauthesomai), ‘zodat ik verbrand word’, een andere vorm; wij volgen de SBLGNT.

Wat de liefde doet

4De liefde heeft geduld, vriendelijk is de liefde. De liefde is niet naijverig, zij pronkt niet, zij is niet opgeblazen.
Ἡ
(He)
de
ἀγάπη
(agape)
liefde
μακροθυμεῖ
(makrothymei)
heeft geduld
χρηστεύεται
(chresteuetai)
is vriendelijk
ἡ
(he)
de
ἀγάπη
(agape)
liefde
οὐ
(ou)
niet
ζηλοῖ
(zeloi)
is naijverig
ἡ
(he)
de
ἀγάπη
(agape)
liefde
οὐ
(ou)
niet
περπερεύεται
(perpereuetai)
pronkt
οὐ
(ou)
niet
φυσιοῦται
(physioutai)
is opgeblazen
Bron: SBLGNT
Uitleg

μακροθυμέω (makrothymeo), ‘geduld hebben’: letterlijk ‘een lange adem hebben’. χρηστεύομαι (chrestheuomai), ‘vriendelijk zijn’. ζηλόω (zeloo), ‘naijverig zijn’: ook ‘ijveren’, in goede zin in 12:31 en 14:1. περπερεύομαι (perpereuomai), ‘pronken’: een zeldzaam woord, ‘zich opscheppen’. φυσιόομαι (physioomai), ‘opgeblazen zijn’: van φῦσα, ‘blaasbalg’; een beeld voor hoogmoed.

Zie ook Gal. 5:22–23; Jak. 2:8.

5Zij gedraagt zich niet onbetamelijk, zij zoekt niet wat van haarzelf is, zij raakt niet geërgerd, zij rekent het kwade niet toe.
οὐκ
(ouk)
niet
ἀσχημονεῖ
(aschemonei)
gedraagt zich onbetamelijk
οὐ
(ou)
niet
ζητεῖ
(zetei)
zoekt
τὰ
(ta)
wat
ἑαυτῆς
(heautes)
van haarzelf is
οὐ
(ou)
niet
παροξύνεται
(paroxynetai)
raakt geërgerd
οὐ
(ou)
niet
λογίζεται
(logizetai)
rekent toe
τὸ
(to)
het
κακόν
(kakon)
kwade
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀσχημονέω (aschemoneo), ‘zich onbetamelijk gedragen’. παροξύνομαι (paroxynomai), ‘geërgerd raken’: letterlijk ‘geprikkeld worden’. λογίζομαι (logizomai), ‘toerekenen’: het kwaad als schuld bijhouden.

6Zij verheugt zich niet over het onrecht, maar verheugt zich mee met de waarheid.
οὐ
(ou)
niet
χαίρει
(chairei)
verheugt zich
ἐπὶ
(epi)
over
τῇ
(te)
het
ἀδικίᾳ
(adikia)
onrecht
συγχαίρει
(synchairei)
verheugt zich mee
δὲ
(de)
maar
τῇ
(te)
met de
ἀληθείᾳ
(aletheia)
waarheid
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀδικία (adikia), ‘onrecht’, staat tegenover ἀλήθεια (aletheia), ‘waarheid’. συγχαίρω (sygchairo), ‘zich mee verheugen’: samen met de waarheid, of samen met anderen die de waarheid doen; het Grieks zegt het niet.

7Alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles houdt zij vol.
πάντα
(panta)
alles
στέγει
(stegei)
verdraagt
πάντα
(panta)
alles
πιστεύει
(pisteuei)
gelooft
πάντα
(panta)
alles
ἐλπίζει
(elpizei)
hoopt
πάντα
(panta)
alles
ὑπομένει
(hypomenei)
houdt vol
Bron: SBLGNT
Uitleg

στέγω (stego), ‘verdragen’: letterlijk ‘bedekken, afdekken’, daarna ‘dragen, uithouden’. ὑπομένω (hypomeno), ‘volhouden’: hetzelfde stamwoord als ὑπομονή, ‘volharding’.

Het Grieks begint vier korte zinnen met πάντα (panta), ‘alles’.

De liefde blijft

8De liefde komt nooit ten val. Maar of het profetieën zijn: die zullen buiten werking worden gesteld; of talen: die zullen ophouden; of kennis: die zal buiten werking worden gesteld.
Ἡ
(He)
de
ἀγάπη
(agape)
liefde
οὐδέποτε
(oudepote)
nooit
πίπτει
(piptei)
komt ten val
εἴτε
(eite)
of
δὲ
(de)
maar
προφητεῖαι
(propheteiai)
profetieën
καταργηθήσονται
(katargethesontai)
zullen buiten werking worden gesteld
εἴτε
(eite)
of
γλῶσσαι
(glossai)
talen
παύσονται
(pausontai)
zullen ophouden
εἴτε
(eite)
of
γνῶσις
(gnosis)
kennis
καταργηθήσεται
(katargethesetai)
zal buiten werking worden gesteld
Bron: SBLGNT
Uitleg

πίπτω (pipto), ‘vallen’: de liefde ‘komt nooit ten val’, valt nooit weg. καταργέω (katargeo), ‘buiten werking stellen’: zoals in Gal. 5:4; hier gaat het om profetieën en kennis die niet meer nodig zijn. παύω (pauo), ‘ophouden’: de vorm bij de talen is een middenvorm, ‘zij houden op’.

Het Grieks zegt niet wanneer.

Vergelijk hoofdstuk 14 over profetie en talen.

Zie ookGal 5:4
9Want wij kennen ten dele, en wij profeteren ten dele.
ἐκ
(ek)
ten
μέρους
(merous)
deel
γὰρ
(gar)
want
γινώσκομεν
(ginoskomen)
wij kennen
καὶ
(kai)
en
ἐκ
(ek)
ten
μέρους
(merous)
deel
προφητεύομεν
(propheteuomen)
wij profeteren
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἐκ μέρους (ek merous), ‘ten dele’: voor een deel, onvolledig.

10Maar wanneer het volmaakte komt, zal wat ten dele is buiten werking worden gesteld.
ὅταν
(hotan)
wanneer
δὲ
(de)
maar
ἔλθῃ
(elthe)
komt
τὸ
(to)
het
τέλειον
(teleion)
volmaakte
τὸ
(to)
wat
ἐκ
(ek)
ten
μέρους
(merous)
dele is
καταργηθήσεται
(katargethesetai)
zal buiten werking worden gesteld
Bron: SBLGNT
Uitleg

τέλειος (teleios), ‘volmaakt, volledig’: het Grieks heeft hier het onzijdige ‘het volmaakte’ en zegt niet wat ermee bedoeld is.

Ook in 14:20 en in 2:6 (‘de volmaakten’) schrijven wij ‘volmaakt’; in 14:20 zet de Uitleg erbij dat het woord ook ‘volwassen’ betekent.

11Toen ik een klein kind was, sprak ik als een klein kind, dacht ik als een klein kind, overlegde ik als een klein kind. Toen ik een man werd, heb ik wat van het kleine kind was buiten werking gesteld.
ὅτε
(hote)
toen
ἤμην
(emen)
ik was
νήπιος
(nepios)
klein kind
ἐλάλουν
(elaloun)
ik sprak
ὡς
(hos)
als
νήπιος
(nepios)
klein kind
ἐφρόνουν
(ephronoun)
ik dacht
ὡς
(hos)
als
νήπιος
(nepios)
klein kind
ἐλογιζόμην
(elogizomen)
ik overlegde
ὡς
(hos)
als
νήπιος
(nepios)
klein kind
ὅτε
(hote)
toen
γέγονα
(gegona)
ik werd
ἀνήρ
(aner)
man
κατήργηκα
(katergeka)
ik heb buiten werking gesteld
τὰ
(ta)
wat
τοῦ
(tou)
van het
νηπίου
(nepiou)
kleine kind was
Bron: SBLGNT
Uitleg

νήπιος (nepios), ‘klein kind’: iemand die nog niet spreekt of nog niet redeneert. λογίζομαι (logizomai), ‘overleggen, redeneren’: dit werkwoord staat in vers 5 voor ‘toerekenen’. ἀνήρ (aner), ‘man’: een volwassene. κατήργηκα (katergeka), ‘ik heb buiten werking gesteld’: hetzelfde werkwoord als in vers 8 en 10; het kan ook ‘afleggen’ betekenen.

12Want nu zien wij door een spiegel, in een raadsel, maar dan van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik ten dele, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik ook ten volle gekend ben.
βλέπομεν
(blepomen)
wij zien
γὰρ
(gar)
want
ἄρτι
(arti)
nu
δι’
(di’)
door
ἐσόπτρου
(esoptrou)
spiegel
ἐν
(en)
in
αἰνίγματι
(ainigmati)
raadsel
τότε
(tote)
dan
δὲ
(de)
maar
πρόσωπον
(prosopon)
aangezicht
πρὸς
(pros)
tot
πρόσωπον
(prosopon)
aangezicht
ἄρτι
(arti)
nu
γινώσκω
(ginosko)
ik ken
ἐκ
(ek)
ten
μέρους
(merous)
dele
τότε
(tote)
dan
δὲ
(de)
maar
ἐπιγνώσομαι
(epignosomai)
zal ik ten volle kennen
καθὼς
(kathos)
zoals
καὶ
(kai)
ook
ἐπεγνώσθην
(epegnosthen)
ik ben ten volle gekend
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔσοπτρον (esoptron), ‘spiegel’: in de oudheid meestal van gepolijst metaal, waarin het beeld niet scherp is. αἴνιγμα (ainigma), ‘raadsel’: iets dat niet duidelijk is.

‘Van aangezicht tot aangezicht’ heeft geen werkwoord in het Grieks. ἐπιγινώσκω (epiginosko), ‘ten volle kennen’: een samengesteld werkwoord van γινώσκω, ‘kennen’.

Het Grieks noemt niet door wie ik gekend ben.

Vergelijk Num. 12:8, waar Yahweh over Mozes zegt: ‘van mond tot mond … zichtbaar en niet in raadsels’, en Exod. 33:11 en Deut. 34:10 (‘van aangezicht tot aangezicht’).

Zie ook Num. 12:8; Exod. 33:11; Deut. 34:10.

Geloof, hoop en liefde

13Maar nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie. De grootste hiervan is echter de liefde.
νυνὶ
(nyni)
nu
δὲ
(de)
maar
μένει
(menei)
blijft
πίστις
(pistis)
geloof
ἐλπίς
(elpis)
hoop
ἀγάπη
(agape)
liefde
τὰ
(ta)
de
τρία
(tria)
drie
ταῦτα
(tauta)
deze
μείζων
(meizon)
groter
δὲ
(de)
echter
τούτων
(touton)
van deze
ἡ
(he)
de
ἀγάπη
(agape)
liefde
Bron: SBLGNT
Uitleg

πίστις, ἐλπίς, ἀγάπη (pistis, elpis, agape), ‘geloof, hoop, liefde’: deze drie staan ook bij elkaar in Gal. 5:5–6, in 1 Tess. 1:3 en in 1 Tess. 5:8. μείζων (meizon), ‘groter’: de vorm is een vergrotende trap, ‘groter dan deze’.

Zie ook Gal. 5:5–6; 1 Tess. 1:3; 1 Tess. 5:8.