Elohim Bijbel

Exodus 36

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940

Het werk begint: de tabernakel, de planken en de voorhang

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het werk begint

1Bezaleël, Oholiab en alle wijze mannen in wie Yahweh wijsheid en inzicht had gegeven om al het werk voor de dienst van het heiligdom te kunnen uitvoeren, deden alles zoals Yahweh geboden had.
וְעָשָׂה֩
(veasa)
en maakte
בְצַלְאֵ֨ל
(betsalel)
Bezaleël
וְאָהֳלִיאָ֜ב
(veaholiav)
en Oholiab
וְכֹ֣ל
(vekhol)
en ieder
אִ֣ישׁ
(ish)
man
חֲכַם
(chakham)
wijze van
לֵ֗ב
(lev)
hart
אֲשֶׁר֩
(asher)
in wie
נָתַ֨ן
(natan)
gaf
יְהוָ֜ה
(Yahweh)
Yahweh
חָכְמָ֤ה
(chakhema)
wijsheid
וּתְבוּנָה֙
(utevuna)
en inzicht
בָּהֵ֔מָּה
(bahema)
in hen
לָדַ֣עַת
(ladaat)
om te weten
לַעֲשֹׂ֔ת
(laasot)
om te doen
אֶֽת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מְלֶ֖אכֶת
(melekhet)
werk van
עֲבֹדַ֣ת
(avodat)
dienst van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
לְכֹ֥ל
(lekhol)
voor alles
אֲשֶׁר
(asher)
wat
צִוָּ֖ה
(tsiva)
gebood
יְהוָֽה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Vanaf hier voert Bezaleël uit wat in Exod. 25–31 was opgedragen.

De tekst herhaalt bijna woordelijk de eerdere instructies; vergelijk Exod. 26:1–37.

2Mozes riep Bezaleël, Oholiab en alle wijze mannen in wie Yahweh wijsheid in het hart had gegeven, ieder wiens hart hem bewoog om tot het werk te naderen en het te doen.
וַיִּקְרָ֣א
(vayiqra)
en riep
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
אֶל
(el)
tot
בְּצַלְאֵ֘ל
(betsalel)
Bezaleël
וְאֶל
(veel)
en tot
אָֽהֳלִיאָב֒
(aholiav)
Oholiab
וְאֶל֙
(veel)
en tot
כָּל
(kal)
al
אִ֣ישׁ
(ish)
man
חֲכַם
(chakham)
wijze van
לֵ֔ב
(lev)
hart
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
in wie
נָתַ֧ן
(natan)
gaf
יְהוָ֛ה
(Yahweh)
Yahweh
חָכְמָ֖ה
(chakhema)
wijsheid
בְּלִבּ֑וֹ
(belibo)
in zijn hart
כֹּ֚ל
(kol)
ieder
אֲשֶׁ֣ר
(asher)
wiens
נְשָׂא֣וֹ
(nesao)
bewoog
לִבּ֔וֹ
(libo)
zijn hart
לְקָרְבָ֥ה
(leqareva)
om te naderen
אֶל
(el)
tot
הַמְּלָאכָ֖ה
(hamelakha)
het werk
לַעֲשֹׂ֥ת
(laasot)
om te doen
אֹתָֽהּ
(otah)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
3Zij namen van Mozes de hele bijdrage die de zonen van Israël hadden gebracht voor het werk aan de dienst van het heiligdom, om het uit te voeren. Maar het volk bracht hem nog elke morgen een vrijwillige gave.
וַיִּקְח֞וּ
(vayiqchu)
en zij namen
מִלִּפְנֵ֣י
(milifnei)
van voor
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
אֵ֤ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
alle
הַתְּרוּמָה֙
(hateruma)
de bijdrage
אֲשֶׁ֨ר
(asher)
die
הֵבִ֜יאוּ
(heviu)
brachten
בְּנֵ֣י
(benei)
de zonen van
יִשְׂרָאֵ֗ל
(yisrael)
Israël
לִמְלֶ֛אכֶת
(limlekhet)
voor het werk van
עֲבֹדַ֥ת
(avodat)
dienst van
הַקֹּ֖דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
לַעֲשֹׂ֣ת
(laasot)
om te doen
אֹתָ֑הּ
(otah)
het
וְ֠הֵם
(vehem)
en zij
הֵבִ֨יאוּ
(heviu)
brachten
אֵלָ֥יו
(elav)
tot hem
ע֛וֹד
(od)
nog
נְדָבָ֖ה
(nedava)
vrijwillige gave
בַּבֹּ֥קֶר
(baboqer)
elke morgen
בַּבֹּֽקֶר
(baboqer)
elke morgen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk bleef elke morgen gaven brengen, tot er genoeg was (vers 5–7).

4Toen kwamen alle wijze mannen die al het werk aan het heiligdom uitvoerden, ieder van het werk waaraan hij bezig was,
וַיָּבֹ֨אוּ֙
(vayavou)
en kwamen
כָּל
(kal)
alle
הַ֣חֲכָמִ֔ים
(hachakhamim)
de wijzen
הָעֹשִׂ֕ים
(haosim)
die deden
אֵ֖ת
(et)
(obj.)
כָּל
(kal)
al
מְלֶ֣אכֶת
(melekhet)
werk van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
אִֽישׁ
(ish)
ieder
אִ֥ישׁ
(ish)
ieder
מִמְּלַאכְתּ֖וֹ
(mimelakhto)
van zijn werk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
הֵ֥מָּה
(hema)
zij
עֹשִֽׂים
(osim)
doende
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
5en zeiden tot Mozes: „Het volk brengt meer dan genoeg voor de dienst, voor het werk dat Yahweh te doen heeft geboden.”
וַיֹּאמְרוּ֙
(vayomru)
en zeiden
אֶל
(el)
tot
מֹשֶׁ֣ה
(moshe)
Mozes
לֵּאמֹ֔ר
(lemor)
om te zeggen
מַרְבִּ֥ים
(marbim)
aan het vermeerderen
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
לְהָבִ֑יא
(lehavi)
om te brengen
מִדֵּ֤י
(midei)
meer dan genoeg voor
הָֽעֲבֹדָה֙
(haavoda)
de dienst
לַמְּלָאכָ֔ה
(lamelakha)
voor het werk
אֲשֶׁר
(asher)
dat
צִוָּ֥ה
(tsiva)
gebood
יְהוָ֖ה
(Yahweh)
Yahweh
לַעֲשֹׂ֥ת
(laasot)
om te doen
אֹתָֽהּ
(otah)
het
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
6Mozes gaf bevel en men liet een oproep door het kamp gaan: „Laat geen man of vrouw nog werk doen voor de bijdrage voor het heiligdom.” Zo werd het volk tegengehouden om te brengen.
וַיְצַ֣ו
(vaytsav)
en gebood
מֹשֶׁ֗ה
(moshe)
Mozes
וַיַּעֲבִ֨ירוּ
(vayaaviru)
en zij lieten doorgaan
ק֥וֹל
(qol)
stem
בַּֽמַּחֲנֶה֮
(bamachane)
in het kamp
לֵאמֹר֒
(lemor)
om te zeggen
אִ֣ישׁ
(ish)
man
וְאִשָּׁ֗ה
(veisha)
en vrouw
אַל
(al)
niet
יַעֲשׂוּ
(yaasu)
laten zij doen
ע֛וֹד
(od)
nog
מְלָאכָ֖ה
(melakha)
werk
לִתְרוּמַ֣ת
(litrumat)
voor de bijdrage van
הַקֹּ֑דֶשׁ
(haqodesh)
het heiligdom
וַיִּכָּלֵ֥א
(vayikale)
en werd tegengehouden
הָעָ֖ם
(haam)
het volk
מֵהָבִֽיא
(mehavi)
van het brengen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
7Want het materiaal was genoeg voor al het werk dat gedaan moest worden, en meer dan genoeg.
וְהַמְּלָאכָ֗ה
(vehamelakha)
en het werk
הָיְתָ֥ה
(hayeta)
was
דַיָּ֛ם
(dayam)
genoeg
לְכָל
(lekhal)
voor al
הַמְּלָאכָ֖ה
(hamelakha)
het werk
לַעֲשׂ֣וֹת
(laasot)
om te doen
אֹתָ֑הּ
(otah)
het
וְהוֹתֵֽר
(vehoter)
en meer dan genoeg
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het volk geeft zoveel dat Mozes moet ingrijpen.

Vergelijk 2 Kor. 8:1–5 over gewillig geven.

De tentkleden van de tabernakel

8Alle wijze mannen onder de werkers maakten de tabernakel: tien tentkleden van getweernd fijn linnen, blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen; met cherubs, als werk van een vakman, maakte hij ze.
וַיַּעֲשׂ֨וּ
(vayaasu)
en maakten
כָל
(kal)
alle
חֲכַם
(chakham)
wijze van
לֵ֜ב
(lev)
hart
בְּעֹשֵׂ֧י
(beosei)
onder de werkers van
הַמְּלָאכָ֛ה
(hamelakha)
het werk
אֶת
(et)
(obj.)
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
עֶ֣שֶׂר
(eser)
tien
יְרִיעֹ֑ת
(yeriot)
tentkleden
שֵׁ֣שׁ
(shesh)
linnen
מָשְׁזָ֗ר
(mashezar)
getweernd
וּתְכֵ֤לֶת
(utekhelet)
en blauwpurper
וְאַרְגָּמָן֙
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֣עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֔י
(shani)
scharlaken
כְּרֻבִ֛ים
(keruvim)
cherubs
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
חֹשֵׁ֖ב
(choshev)
vakman
עָשָׂ֥ה
(asa)
hij maakte
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Het werkwoord verandert hier van meervoud (‘zij maakten’) in enkelvoud (‘hij maakte’).

Wij nemen aan dat Bezaleël als leider bedoeld is.

9De lengte van elk tentkleed was achtentwintig el en de breedte vier el; alle tentkleden hadden dezelfde maat.
אֹ֜רֶךְ
(orekh)
lengte van
הַיְרִיעָ֣ה
(hayria)
het tentkleed
הָֽאַחַ֗ת
(haachat)
het ene
שְׁמֹנֶ֤ה
(shemone)
acht
וְעֶשְׂרִים֙
(veesrim)
en twintig
בָּֽאַמָּ֔ה
(baama)
in el
וְרֹ֨חַב֙
(verochav)
en breedte
אַרְבַּ֣ע
(arba)
vier
בָּֽאַמָּ֔ה
(baama)
in el
הַיְרִיעָ֖ה
(hayria)
het tentkleed
הָאֶחָ֑ת
(haechat)
het ene
מִדָּ֥ה
(mida)
maat
אַחַ֖ת
(achat)
één
לְכָל
(lekhal)
voor alle
הַיְרִיעֹֽת
(hayriot)
de tentkleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
10Hij verbond vijf tentkleden met elkaar, en ook de andere vijf tentkleden verbond hij met elkaar.
וַיְחַבֵּר֙
(vaychaber)
en hij verbond
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמֵ֣שׁ
(chamesh)
vijf
הַיְרִיעֹ֔ת
(hayriot)
de tentkleden
אַחַ֖ת
(achat)
het ene
אֶל
(el)
aan
אֶחָ֑ת
(echat)
het andere
וְחָמֵ֤שׁ
(vechamesh)
en vijf
יְרִיעֹת֙
(yeriot)
tentkleden
חִבַּ֔ר
(chibar)
hij verbond
אַחַ֖ת
(achat)
het ene
אֶל
(el)
aan
אֶחָֽת
(echat)
het andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
11Hij maakte lussen van blauwpurper aan de rand van het ene tentkleed, aan het uiteinde bij de verbinding. Zo deed hij ook aan de rand van het buitenste tentkleed bij de tweede verbinding.
וַיַּ֜עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
לֻֽלְאֹ֣ת
(lulot)
lussen van
תְּכֵ֗לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
עַ֣ל
(al)
op
שְׂפַ֤ת
(sefat)
rand van
הַיְרִיעָה֙
(hayria)
het tentkleed
הָֽאֶחָ֔ת
(haechat)
het ene
מִקָּצָ֖ה
(miqatsa)
van het uiteinde
בַּמַּחְבָּ֑רֶת
(bamachbaret)
in de verbinding
כֵּ֤ן
(ken)
zo
עָשָׂה֙
(asa)
deed hij
בִּשְׂפַ֣ת
(bisfat)
aan de rand van
הַיְרִיעָ֔ה
(hayria)
het tentkleed
הַקִּ֣יצוֹנָ֔ה
(haqitsona)
het laatste
בַּמַּחְבֶּ֖רֶת
(bamachberet)
in de verbinding
הַשֵּׁנִֽית
(hashenit)
de tweede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 26:4
12Vijftig lussen maakte hij aan het ene tentkleed en vijftig lussen maakte hij aan het uiteinde van het tentkleed van de tweede verbinding; de lussen lagen tegenover elkaar.
חֲמִשִּׁ֣ים
(chamishim)
vijftig
לֻלָאֹ֗ת
(lulaot)
lussen
עָשָׂה֮
(asa)
maakte hij
בַּיְרִיעָ֣ה
(bayria)
in het tentkleed
הָאֶחָת֒
(haechat)
het ene
וַחֲמִשִּׁ֣ים
(vachamishim)
en vijftig
לֻלָאֹ֗ת
(lulaot)
lussen
עָשָׂה֙
(asa)
maakte hij
בִּקְצֵ֣ה
(biqtse)
aan het uiteinde van
הַיְרִיעָ֔ה
(hayria)
het tentkleed
אֲשֶׁ֖ר
(asher)
dat
בַּמַּחְבֶּ֣רֶת
(bamachberet)
in de verbinding
הַשֵּׁנִ֑ית
(hashenit)
de tweede
מַקְבִּילֹת֙
(maqbilot)
tegenover elkaar liggend
הַלֻּ֣לָאֹ֔ת
(halulaot)
de lussen
אַחַ֖ת
(achat)
het ene
אֶל
(el)
aan
אֶחָֽת
(echat)
het andere
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
13Hij maakte vijftig gouden haken en verbond de tentkleden met de haken met elkaar, zodat de tabernakel één geheel werd.
וַיַּ֕עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
חֲמִשִּׁ֖ים
(chamishim)
vijftig
קַרְסֵ֣י
(qarsei)
haken van
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
וַיְחַבֵּ֨ר
(vaychaber)
en verbond
אֶת
(et)
(obj.)
הַיְרִעֹ֜ת
(hayriot)
de tentkleden
אַחַ֤ת
(achat)
het ene
אֶל
(el)
aan
אַחַת֙
(achat)
het andere
בַּקְּרָסִ֔ים
(baqerasim)
met de haken
וַֽיְהִ֥י
(vayhi)
en werd
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De tent van geitenhaar

14Hij maakte tentkleden van geitenhaar als tent over de tabernakel; elf tentkleden maakte hij.
וַיַּ֨עַשׂ֙
(vayaas)
en hij maakte
יְרִיעֹ֣ת
(yeriot)
tentkleden van
עִזִּ֔ים
(izim)
geiten
לְאֹ֖הֶל
(leohel)
tot een tent
עַל
(al)
over
הַמִּשְׁכָּ֑ן
(hamishkan)
de tabernakel
עַשְׁתֵּֽי
(ashtei)
één
עֶשְׂרֵ֥ה
(esre)
tien
יְרִיעֹ֖ת
(yeriot)
tentkleden
עָשָׂ֥ה
(asa)
maakte hij
אֹתָֽם
(otam)
hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Elf tentkleden van geitenhaar, tegenover tien van linnen: de tent hangt dus over de tabernakel heen (Exod. 26:7).

15De lengte van elk tentkleed was dertig el en de breedte vier el; de elf tentkleden hadden dezelfde maat.
אֹ֜רֶךְ
(orekh)
lengte van
הַיְרִיעָ֣ה
(hayria)
het tentkleed
הָאַחַ֗ת
(haachat)
het ene
שְׁלֹשִׁים֙
(sheloshim)
dertig
בָּֽאַמָּ֔ה
(baama)
in el
וְאַרְבַּ֣ע
(vearba)
en vier
אַמּ֔וֹת
(amot)
ellen
רֹ֖חַב
(rochav)
breedte van
הַיְרִיעָ֣ה
(hayria)
het tentkleed
הָאֶחָ֑ת
(haechat)
het ene
מִדָּ֣ה
(mida)
maat
אַחַ֔ת
(achat)
één
לְעַשְׁתֵּ֥י
(leashtei)
voor één
עֶשְׂרֵ֖ה
(esre)
tien
יְרִיעֹֽת
(yeriot)
tentkleden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
16Hij verbond vijf tentkleden apart en zes tentkleden apart.
וַיְחַבֵּ֛ר
(vaychaber)
en hij verbond
אֶת
(et)
(obj.)
חֲמֵ֥שׁ
(chamesh)
vijf
הַיְרִיעֹ֖ת
(hayriot)
de tentkleden
לְבָ֑ד
(levad)
apart
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
שֵׁ֥שׁ
(shesh)
zes
הַיְרִיעֹ֖ת
(hayriot)
de tentkleden
לְבָֽד
(levad)
apart
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
17Hij maakte vijftig lussen aan de rand van het buitenste tentkleed bij de ene verbinding, en vijftig lussen aan de rand van het tentkleed bij de tweede verbinding.
וַיַּ֜עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
לֻֽלָאֹ֣ת
(lulaot)
lussen
חֲמִשִּׁ֗ים
(chamishim)
vijftig
עַ֚ל
(al)
op
שְׂפַ֣ת
(sefat)
rand van
הַיְרִיעָ֔ה
(hayria)
het tentkleed
הַקִּיצֹנָ֖ה
(haqitsona)
het laatste
בַּמַּחְבָּ֑רֶת
(bamachbaret)
in de verbinding
וַחֲמִשִּׁ֣ים
(vachamishim)
en vijftig
לֻלָאֹ֗ת
(lulaot)
lussen
עָשָׂה֙
(asa)
maakte hij
עַל
(al)
op
שְׂפַ֣ת
(sefat)
rand van
הַיְרִיעָ֔ה
(hayria)
het tentkleed
הַחֹבֶ֖רֶת
(hachoveret)
de verbindende
הַשֵּׁנִֽית
(hashenit)
de tweede
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
18Hij maakte vijftig koperen haken om de tent te verbinden, zodat hij één geheel werd.
וַיַּ֛עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
קַרְסֵ֥י
(qarsei)
haken van
נְחֹ֖שֶׁת
(nechoshet)
koper
חֲמִשִּׁ֑ים
(chamishim)
vijftig
לְחַבֵּ֥ר
(lechaber)
om te verbinden
אֶת
(et)
(obj.)
הָאֹ֖הֶל
(haohel)
de tent
לִֽהְיֹ֥ת
(lihyot)
om te zijn
אֶחָֽד
(echad)
één
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
19Hij maakte voor de tent een dekking van roodgeverfde ramsvellen en daarboven een dekking van tachash-huiden.
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
מִכְסֶה֙
(mikhse)
dekking
לָאֹ֔הֶל
(laohel)
voor de tent
עֹרֹ֥ת
(orot)
huiden van
אֵלִ֖ים
(elim)
rammen
מְאָדָּמִ֑ים
(meadamim)
roodgeverfd
וּמִכְסֵ֛ה
(umikhse)
en dekking
עֹרֹ֥ת
(orot)
huiden van
תְּחָשִׁ֖ים
(techashim)
tachash
מִלְמָֽעְלָה
(milmaela)
van boven
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 26:14

De planken

20Hij maakte de planken voor de tabernakel van acaciahout, rechtopstaand.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַקְּרָשִׁ֖ים
(haqerashim)
de planken
לַמִּשְׁכָּ֑ן
(lamishkan)
voor de tabernakel
עֲצֵ֥י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֖ים
(shitim)
acacia
עֹמְדִֽים
(omedim)
rechtstaand
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
21Tien el was de lengte van een plank en anderhalve el de breedte van elke plank.
עֶ֥שֶׂר
(eser)
tien
אַמֹּ֖ת
(amot)
ellen
אֹ֣רֶךְ
(orekh)
lengte van
הַקָּ֑רֶשׁ
(haqaresh)
de plank
וְאַמָּה֙
(veama)
en een el
וַחֲצִ֣י
(vachatsi)
en half
הָֽאַמָּ֔ה
(haama)
de el
רֹ֖חַב
(rochav)
breedte van
הַקֶּ֥רֶשׁ
(haqeresh)
de plank
הָאֶחָֽד
(haechad)
de ene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
22Elke plank had twee tappen, met elkaar verbonden; zo deed hij met alle planken van de tabernakel.
שְׁתֵּ֣י
(shetei)
twee
יָדֹ֗ת
(yadot)
tappen
לַקֶּ֨רֶשׁ֙
(laqeresh)
aan de plank
הָֽאֶחָ֔ד
(haechad)
de ene
מְשֻׁלָּבֹ֔ת
(meshulavot)
verbonden
אַחַ֖ת
(achat)
het ene
אֶל
(el)
aan
אֶחָ֑ת
(echat)
het andere
כֵּ֣ן
(ken)
zo
עָשָׂ֔ה
(asa)
maakte hij
לְכֹ֖ל
(lekhol)
voor alle
קַרְשֵׁ֥י
(qarshei)
planken van
הַמִּשְׁכָּֽן
(hamishkan)
de tabernakel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
23Hij maakte de planken voor de tabernakel: twintig planken voor de zuidzijde, naar het zuiden.
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַקְּרָשִׁ֖ים
(haqerashim)
de planken
לַמִּשְׁכָּ֑ן
(lamishkan)
voor de tabernakel
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
קְרָשִׁ֔ים
(qerashim)
planken
לִפְאַ֖ת
(lifat)
voor de zijde van
נֶ֥גֶב
(negev)
zuid
תֵּימָֽנָה
(teimana)
zuidwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
24Hij maakte veertig zilveren voetstukken onder de twintig planken, twee voetstukken onder de ene plank voor zijn twee tappen en twee voetstukken onder de andere plank voor zijn twee tappen.
וְאַרְבָּעִים֙
(vearbaim)
en veertig
אַדְנֵי
(adnei)
voetstukken van
כֶ֔סֶף
(kesef)
zilver
עָשָׂ֕ה
(asa)
maakte hij
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
עֶשְׂרִ֣ים
(esrim)
twintig
הַקְּרָשִׁ֑ים
(haqerashim)
de planken
שְׁנֵ֨י
(shenei)
twee
אֲדָנִ֜ים
(adanim)
voetstukken
תַּֽחַת
(tachat)
onder
הַקֶּ֤רֶשׁ
(haqeresh)
de plank
הָאֶחָד֙
(haechad)
de ene
לִשְׁתֵּ֣י
(lishtei)
voor twee
יְדֹתָ֔יו
(yedotav)
zijn tappen
וּשְׁנֵ֧י
(ushenei)
en twee
אֲדָנִ֛ים
(adanim)
voetstukken
תַּֽחַת
(tachat)
onder
הַקֶּ֥רֶשׁ
(haqeresh)
de plank
הָאֶחָ֖ד
(haechad)
de ene
לִשְׁתֵּ֥י
(lishtei)
voor twee
יְדֹתָֽיו
(yedotav)
zijn tappen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
25Ook voor de tweede zijde van de tabernakel, de noordzijde, maakte hij twintig planken,
וּלְצֶ֧לַע
(uletsela)
en voor de zijde van
הַמִּשְׁכָּ֛ן
(hamishkan)
de tabernakel
הַשֵּׁנִ֖ית
(hashenit)
de tweede
לִפְאַ֣ת
(lifat)
voor de zijde van
צָפ֑וֹן
(tsafon)
noord
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte hij
עֶשְׂרִ֥ים
(esrim)
twintig
קְרָשִֽׁים
(qerashim)
planken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
26en hun veertig zilveren voetstukken: twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank.
וְאַרְבָּעִ֥ים
(vearbaim)
en veertig
אַדְנֵיהֶ֖ם
(adneihem)
hun voetstukken
כָּ֑סֶף
(kasef)
zilver
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
אֲדָנִ֗ים
(adanim)
voetstukken
תַּ֚חַת
(tachat)
onder
הַקֶּ֣רֶשׁ
(haqeresh)
de plank
הָאֶחָ֔ד
(haechad)
de ene
וּשְׁנֵ֣י
(ushenei)
en twee
אֲדָנִ֔ים
(adanim)
voetstukken
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
הַקֶּ֥רֶשׁ
(haqeresh)
de plank
הָאֶחָֽד
(haechad)
de ene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
27Voor de achterzijde van de tabernakel, naar het westen, maakte hij zes planken.
וּֽלְיַרְכְּתֵ֥י
(uleyarketei)
en aan de achterzijde van
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
יָ֑מָּה
(yama)
westwaarts
עָשָׂ֖ה
(asa)
maakte hij
שִׁשָּׁ֥ה
(shisha)
zes
קְרָשִֽׁים
(qerashim)
planken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
28Twee planken maakte hij voor de hoeken van de tabernakel aan de achterzijde.
וּשְׁנֵ֤י
(ushenei)
en twee
קְרָשִׁים֙
(qerashim)
planken
עָשָׂ֔ה
(asa)
maakte hij
לִמְקֻצְעֹ֖ת
(limqutsot)
voor de hoeken van
הַמִּשְׁכָּ֑ן
(hamishkan)
de tabernakel
בַּיַּרְכָתָֽיִם
(bayarkhatayim)
aan de achterzijde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
29Zij waren van onder dubbel en tezamen volledig tot boven, tot aan de ene ring; zo deed hij met die twee, voor de twee hoeken.
וְהָי֣וּ
(vehayu)
en zij waren
תוֹאֲמִם֮
(toamim)
dubbel
מִלְּמַטָּה֒
(milemata)
van beneden
וְיַחְדָּ֗ו
(veyachdav)
en tezamen
יִהְי֤וּ
(yihyu)
waren zij
תַמִּים֙
(tamim)
volledig
אֶל
(el)
tot
רֹאשׁ֔וֹ
(rosho)
zijn top
אֶל
(el)
tot
הַטַּבַּ֖עַת
(hatabaat)
de ring
הָאֶחָ֑ת
(haechat)
de ene
כֵּ֚ן
(ken)
zo
עָשָׂ֣ה
(asa)
deed hij
לִשְׁנֵיהֶ֔ם
(lishneihem)
voor hen beiden
לִשְׁנֵ֖י
(lishnei)
voor de twee
הַמִּקְצֹעֹֽת
(hamiqtsoot)
hoeken
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
30Er waren dus acht planken en hun zilveren voetstukken, zestien voetstukken: onder elke plank twee voetstukken.
וְהָיוּ֙
(vehayu)
en het waren
שְׁמֹנָ֣ה
(shemona)
acht
קְרָשִׁ֔ים
(qerashim)
planken
וְאַדְנֵיהֶ֣ם
(veadneihem)
en hun voetstukken
כֶּ֔סֶף
(kesef)
zilver
שִׁשָּׁ֥ה
(shisha)
zes
עָשָׂ֖ר
(asar)
tien
אֲדָנִ֑ים
(adanim)
voetstukken
שְׁנֵ֤י
(shenei)
twee
אֲדָנִים֙
(adanim)
voetstukken
שְׁנֵ֣י
(shenei)
twee
אֲדָנִ֔ים
(adanim)
voetstukken
תַּ֖חַת
(tachat)
onder
הַקֶּ֥רֶשׁ
(haqeresh)
de plank
הָאֶחָֽד
(haechad)
de ene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 26:25

De dwarsbalken

31Hij maakte dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de planken van de ene zijde van de tabernakel,
וַיַּ֥עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
בְּרִיחֵ֖י
(berichei)
dwarsbalken van
עֲצֵ֣י
(atsei)
hout van
שִׁטִּ֑ים
(shitim)
acacia
חֲמִשָּׁ֕ה
(chamisha)
vijf
לְקַרְשֵׁ֥י
(leqarshei)
voor de planken van
צֶֽלַע
(tsela)
zijde van
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
הָאֶחָֽת
(haechat)
de ene
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
32vijf dwarsbalken voor de planken van de tweede zijde van de tabernakel, en vijf dwarsbalken voor de planken van de tabernakel aan de achterzijde, naar het westen.
וַחֲמִשָּׁ֣ה
(vachamisha)
en vijf
בְרִיחִ֔ם
(berichim)
dwarsbalken
לְקַרְשֵׁ֥י
(leqarshei)
voor de planken van
צֶֽלַע
(tsela)
zijde van
הַמִּשְׁכָּ֖ן
(hamishkan)
de tabernakel
הַשֵּׁנִ֑ית
(hashenit)
de tweede
וַחֲמִשָּׁ֤ה
(vachamisha)
en vijf
בְרִיחִם֙
(berichim)
dwarsbalken
לְקַרְשֵׁ֣י
(leqarshei)
voor de planken van
הַמִּשְׁכָּ֔ן
(hamishkan)
de tabernakel
לַיַּרְכָתַ֖יִם
(layarkhatayim)
aan de achterzijde
יָֽמָּה
(yama)
westwaarts
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 26:26
33Hij maakte de middelste dwarsbalk, om midden door de planken te lopen, van het ene uiteinde tot het andere.
וַיַּ֖עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּרִ֣יחַ
(haberiach)
de dwarsbalk
הַתִּיכֹ֑ן
(hatikhon)
de middelste
לִבְרֹ֨חַ֙
(livroach)
om door te lopen
בְּת֣וֹךְ
(betokh)
in het midden van
הַקְּרָשִׁ֔ים
(haqerashim)
de planken
מִן
(min)
van
הַקָּצֶ֖ה
(haqatse)
het uiteinde
אֶל
(el)
tot
הַקָּצֶֽה
(haqatse)
het uiteinde
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

התיכן (hattichon), ‘de middelste’: een balk die midden door de planken liep.

De precieze constructie is onzeker.

34De planken overtrok hij met goud en hun ringen, de houders voor de dwarsbalken, maakte hij van goud; ook de dwarsbalken overtrok hij met goud.
וְֽאֶת
(veet)
en (obj.)
הַקְּרָשִׁ֞ים
(haqerashim)
de planken
צִפָּ֣ה
(tsipa)
overtrok hij
זָהָ֗ב
(zahav)
goud
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
טַבְּעֹתָם֙
(tabeotam)
hun ringen
עָשָׂ֣ה
(asa)
maakte hij
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
בָּתִּ֖ים
(batim)
houders
לַבְּרִיחִ֑ם
(laberichim)
voor de dwarsbalken
וַיְצַ֥ף
(vaytsaf)
en hij overtrok
אֶת
(et)
(obj.)
הַבְּרִיחִ֖ם
(haberichim)
de dwarsbalken
זָהָֽב
(zahav)
goud
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De voorhang en het gordijn

35Hij maakte de voorhang van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen; als werk van een vakman maakte hij die, met cherubs.
וַיַּ֨עַשׂ֙
(vayaas)
en hij maakte
אֶת
(et)
(obj.)
הַפָּרֹ֔כֶת
(haparokhet)
de voorhang
תְּכֵ֧לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֛ן
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֥עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֖י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֣שׁ
(veshesh)
en linnen
מָשְׁזָ֑ר
(mashezar)
getweernd
מַעֲשֵׂ֥ה
(maase)
werk van
חֹשֵׁ֛ב
(choshev)
vakman
עָשָׂ֥ה
(asa)
maakte hij
אֹתָ֖הּ
(otah)
haar
כְּרֻבִֽים
(keruvim)
cherubs
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De voorhang (פָּרֹכֶת, paroket) scheidt het Heilige van het Allerheiligste; zie Exod. 26:31–33.

36Hij maakte er vier pilaren van acaciahout voor en overtrok ze met goud; hun haken waren van goud, en hij goot er vier zilveren voetstukken voor.
וַיַּ֣עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
לָ֗הּ
(lah)
voor haar
אַרְבָּעָה֙
(arbaa)
vier
עַמּוּדֵ֣י
(amudei)
pilaren van
שִׁטִּ֔ים
(shitim)
acacia
וַיְצַפֵּ֣ם
(vaytsapem)
en overtrok ze
זָהָ֔ב
(zahav)
goud
וָוֵיהֶ֖ם
(vaveihem)
hun haken
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
וַיִּצֹ֣ק
(vayitsoq)
en goot
לָהֶ֔ם
(lahem)
voor hen
אַרְבָּעָ֖ה
(arbaa)
vier
אַדְנֵי
(adnei)
voetstukken van
כָֽסֶף
(kasef)
zilver
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookJer 1:18
37Hij maakte voor de ingang van de tent een gordijn van blauwpurper, roodpurper en karmozijnrood garen en getweernd fijn linnen, als werk van een borduurder,
וַיַּ֤עַשׂ
(vayaas)
en hij maakte
מָסָךְ֙
(masakh)
gordijn
לְפֶ֣תַח
(lefetach)
voor de ingang van
הָאֹ֔הֶל
(haohel)
de tent
תְּכֵ֧לֶת
(tekhelet)
blauwpurper
וְאַרְגָּמָ֛ן
(veargaman)
en roodpurper
וְתוֹלַ֥עַת
(vetolaat)
en karmozijn
שָׁנִ֖י
(shani)
scharlaken
וְשֵׁ֣שׁ
(veshesh)
en linnen
מָשְׁזָ֑ר
(mashezar)
getweernd
מַעֲשֵׂ֖ה
(maase)
werk van
רֹקֵֽם
(roqem)
borduurder
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
38met vijf pilaren en hun haken; hij overtrok hun koppen en hun staven met goud, maar hun vijf voetstukken waren van koper.
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
עַמּוּדָ֤יו
(amudav)
zijn pilaren
חֲמִשָּׁה֙
(chamisha)
vijf
וְאֶת
(veet)
en (obj.)
וָ֣וֵיהֶ֔ם
(vaveihem)
hun haken
וְצִפָּ֧ה
(vetsipa)
en hij overtrok
רָאשֵׁיהֶ֛ם
(rasheihem)
hun koppen
וַחֲשֻׁקֵיהֶ֖ם
(vachashuqeihem)
en hun staven
זָהָ֑ב
(zahav)
goud
וְאַדְנֵיהֶ֥ם
(veadneihem)
en hun voetstukken
חֲמִשָּׁ֖ה
(chamisha)
vijf
נְחֹֽשֶׁת
(nechoshet)
koper
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Zie ookEx 27:10