Elohim Bijbel

Jasher 6

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

De vloed; Noachs gebed; het uitgaan uit de ark

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

De aarde schudt

1De hele aarde schudde. Er flitsten bliksems en er donderden donderslagen, en er klonk een machtig geluid over heel de aarde, zoals haar bewoners nog nooit hadden gekend. Yahweh deed dit om de mensen schrik aan te jagen, zodat ze terug zouden keren tot Yahweh en er geen kwaad meer zou zijn op de aarde.
ותגעש
(vattigash)
en zij schudde
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ויברקו
(vayivrequ)
en er flitsten
ברקים
(beraqim)
bliksems
וירעמו
(vayir'amu)
en er donderden
רעמים
(re'amim)
donderslagen
ויגבר
(vayigbar)
en werd sterk
קול
(qol)
geluid van
עצום
(atsum)
machtig
בכל
(bekhol)
in heel
הארץ
(ha'arets)
de aarde
אשר
(asher)
die
לא
(lo)
niet
נודע
(noda)
was bekend
ליושביה
(leyoshveha)
aan haar bewoners
כמוהו
(kamohu)
zoals dit
ויעש
(vayya'as)
en Hij deed
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
למען
(lema'an)
opdat
הבהיל
(havhil)
schrik aan te jagen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
לשוב
(lashuv)
terug te keren
אל
(el)
tot
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
לבלתי
(levilti)
opdat niet
היות
(heyot)
er zou zijn
רעה
(ra'ah)
kwaad
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

De aardbeving, de bliksems en de donder vóór de vloed staan niet in Genesis.

Zie ookGen 7:1
2Toch keerden de mensen niet terug van hun weg. In die tijd voegden ze toe aan de gloed van Yahweh's toorn, en niemand nam dit alles ter harte.
ובכל
(uvkhol)
en ondanks al
זאת
(zot)
dit
לא
(lo)
niet
שבו
(shavu)
zij keerden terug
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
מדרכם
(middarkham)
van hun weg
ויוסיפו
(vayosifu)
en zij voegden toe
על
(al)
op
חרון
(charon)
gloed van
אף
(af)
toorn van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בעת
(be'et)
in tijd
ההיא
(hahi)
die
ולא
(velo)
en niet
שתו
(shatu)
zij richtten
איש
(ish)
iemand
לבו
(libbo)
zijn hart
לכל
(lekhol)
op al
זאת
(zot)
dit
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De vloed begint

3Na zeven dagen, in het zeshonderdste jaar van het leven van Noach, kwam het water van de vloed over de aarde.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
לשבעת
(leshiv'at)
na zeven
ימים
(yamim)
dagen
בשנת
(bishnat)
in het jaar
שש
(shesh)
zes
מאות
(me'ot)
honderd
שנה
(shanah)
jaar
לחיי
(lechayyei)
van het leven van
נח
(Noach)
Noach
ומי
(umei)
en water van
המבול
(hammabbul)
de zondvloed
היו
(hayu)
waren
על
(al)
op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
4Alle bronnen van de watermassa braken open, de luiken van de hemel werden geopend, en de regen viel veertig dagen en veertig nachten op de aarde.
ויבקעו
(vayibaqe'u)
en zij braken open
כל
(kol)
alle
מעיינות
(ma'yenot)
bronnen van
תהום
(tehom)
de watermassa
ויפתחו
(vayipathu)
en zij werden geopend
ארובות
(aruvvot)
luiken van
השמים
(hashamayim)
de hemel
ויהי
(vayehi)
en er was
הגשם
(haggeshem)
de regen
על
(al)
op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ארבעים
(arba'im)
veertig
יום
(yom)
dag van
וארבעים
(ve'arba'im)
en veertig
לילה
(laylah)
nacht
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 7:11–12: de bronnen van de watermassa, de luiken van de hemel en de veertig dagen en nachten.

5Noach ging de ark in, met zijn huis en al het levende dat bij hem was, vanwege het water van de vloed. Yahweh sloot de ark achter hen af.
ויבוא
(vayavo)
en hij ging binnen
נח
(Noach)
Noach
וביתו
(uveito)
en zijn huis
וכל
(vekhol)
en alle
החי
(hachay)
het levende
אשר
(asher)
die
איתו
(ito)
met hem
אל
(el)
tot
התיבה
(hattevah)
de ark
מפני
(mippenei)
vanwege
מי
(mi)
water van
המבול
(hammabbul)
de zondvloed
ויסגור
(vayisgor)
en Hij sloot
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בעדם
(ba'adam)
achter hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Gen. 7:16 zegt ook dat Yahweh achter Noach de ark sloot.

Zie ookGen 7:16

De mensen bij de ark

6Alle mensen die op de aarde waren overgebleven, werden benauwd vanwege de regen, want het water was zeer machtig geworden op de aarde. Het vee en de wilde dieren stonden nog rondom de ark.
ויקוצו
(vayaqutsu)
zij werden benauwd
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
הנשארים
(hannish'arim)
de overgeblevenen
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
מפני
(mippenei)
vanwege
הגשם
(haggeshem)
de regen
כי
(ki)
want
המים
(hammayim)
het water
גברו
(gavru)
waren machtig geworden
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
והבהמות
(vehabbehemot)
en het vee
והחיות
(vehachayyot)
en de wilde dieren
עודם
(odam)
nog
עומדים
(omdim)
staande
סביבות
(sevivot)
rondom
התיבה
(hattevah)
de ark
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
7Alle mensen verzamelden zich, ongeveer zevenhonderdduizend mannen en vrouwen, en ze kwamen allen naar Noach bij de ark.
ויתקבצו
(vayitqabtsu)
en zij verzamelden zich
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
יחד
(yachad)
samen
כשבע
(kheshev'a)
ongeveer zeven
מאות
(me'ot)
honderd
אלף
(elef)
duizend
איש
(ish)
man
ואישה
(ve'ishah)
en vrouw
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
כולם
(kullam)
allen
אל
(el)
naar
נח
(Noach)
Noach
אל
(el)
naar
התיבה
(hattevah)
de ark
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Het verhaal van de mensen die bij de ark smeken om binnen te mogen, en van de dieren die hen verjagen, staat niet in Genesis.

8Ze riepen allen tot Noach: „Open voor ons, dan komen wij met je mee de ark in. Waarom zouden wij sterven?”
ויקראו
(vayiqre'u)
en zij riepen
כולם
(kullam)
allen
אל
(el)
tot
נח
(Noach)
Noach
לאמור
(lemor)
zeggende
פתח
(petach)
open
לנו
(lanu)
voor ons
ונבוא
(venavo)
en laat ons komen
עמך
(immekha)
met je
אל
(el)
tot
התיבה
(hattevah)
de ark
ולמה
(velamah)
en waarom
נמות
(namut)
zullen wij sterven
אנחנו
(anachnu)
wij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
9Noach antwoordde hun met luide stem vanuit de ark. Hij zei tegen hen: „Zijn jullie niet allemaal in opstand gekomen tegen Yahweh? Jullie zeiden: ‘Hij is het niet.’ Daarom heeft Yahweh dit kwaad over jullie gebracht, om jullie uit te roeien en van het oppervlak van de grond te laten omkomen.
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
נח
(Noach)
Noach
אותם
(otam)
hen
לאמור
(lemor)
zeggende
בקול
(bekol)
met stem
גדול
(gadol)
grote
מן
(min)
uit
התיבה
(hattevah)
de ark
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
הלא
(halo)
immers
אתם
(ittam)
jullie
מרדתם
(maradtem)
jullie zijn in opstand gekomen
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
ביהוה
(bYahweh)
tegen Yahweh
ותאמרו
(vatomru)
en jullie zeiden
לא
(lo)
niet
הוא
(hu)
Hij
ויבא
(vayavo)
en Hij bracht
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
עליכם
(aleikhem)
over jullie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הרעה
(hara'ah)
het kwaad
הזאת
(hazzo't)
deze
להכחיד
(lehakhchid)
uit te roeien
ולהאביד
(ulha'avid)
en te laten omkomen
אתכם
(etkhem)
jullie
מעל
(me'al)
van op
פני
(pnei)
aangezicht van
האדמה
(ha'adamah)
de grond
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

ותאמרו לא הוא (vatomru lo hu), letterlijk ‘en jullie zeiden: Hij niet’.

Dezelfde woorden staan in Jer. 5:12.

De vertaling houdt ze letterlijk.

10Is dit niet het woord dat ik honderdtwintig jaar lang tot jullie gesproken heb, tot op deze dag? Jullie hebben niet geluisterd naar de stem van Yahweh, en nu willen jullie in leven blijven op de aarde?”
הלא
(halo)
immers
זה
(ze)
dit
הדבר
(haddavar)
de zaak
אשר
(asher)
die
דיברתי
(dibbarti)
ik heb gesproken
אליכם
(aleikhem)
tot jullie
עשרים
(esrim)
twintig
ומאת
(umeat)
en honderd
שנה
(shanah)
jaar
היום
(hayyom)
de dag
הזה
(hazzeh)
deze
ולא
(velo)
en niet
שמעתם
(shema'tem)
jullie hebben geluisterd
בקול
(bekol)
naar de stem van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ועתה
(ve'attah)
en nu
תחפצו
(tachpetsu)
jullie willen
לחיות
(lechayot)
te leven
בארץ
(ba'arets)
op de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Honderdtwintig jaar: zie Jasher 5:8 en 5:11.

11Ze zeiden allen tegen Noach: „Zie, wij hebben ons allen bekeerd tot Yahweh. Open maar voor ons, dan zullen we leven en niet sterven.”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
כולם
(kullam)
allen
אל
(el)
tot
נח
(Noach)
Noach
הננו
(hinnenu)
zie, wij
ושבנו
(veshavnu)
en wij hebben ons bekeerd
כולנו
(kulanu)
wij allen
עד
(ad)
tot
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אך
(akh)
maar
פתח
(petach)
open
לנו
(lanu)
voor ons
ונחיה
(venichyeh)
en laat ons leven
ולא
(velo)
en niet
נמות
(namut)
zullen wij sterven
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
12Noach antwoordde hun: „Nu pas, nu jullie de nood van jullie ziel zien, keren jullie terug tot Yahweh! Waarom hebben jullie je niet bekeerd in die honderdtwintig jaar, die Yahweh jullie als termijn gesteld had?
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
נח
(Noach)
Noach
אותם
(otam)
hen
לאמור
(lemor)
zeggende
הנה
(hinneh)
zie
אך
(akh)
pas
עתה
(attah)
nu
בראותכם
(bir'otkhem)
bij jullie zien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
צרת
(tsarat)
de nood van
נפשיכם
(nafsheikhem)
jullie ziel
תשובו
(tashuvu)
jullie terugkeren
אל
(el)
tot
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ולמה
(velamah)
en waarom
לא
(lo)
niet
שבתם
(shavtem)
zijn jullie teruggekeerd
זה
(ze)
deze
עשרים
(esrim)
twintig
ומאת
(umeat)
en honderd
שנה
(shanah)
jaar
אשר
(asher)
die
שם
(shem)
stelde
אותם
(otam)
hen
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
לכם
(lakhem)
voor jullie
למועד
(lamo'ed)
als termijn
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
13En nu komen jullie met dit woord tot mij, uit de nood van jullie ziel? Ook Yahweh zal niet naar jullie luisteren en jullie vandaag geen gehoor geven, en jullie zullen vandaag niet slagen met jullie woorden.”
ותבואו
(vatavo'u)
en jullie komen
עתה
(attah)
nu
ותדברו
(vetedabberu)
en jullie spreken
אליי
(elai)
tot mij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
מרעת
(mera'at)
uit het kwaad van
נפשיכם
(nafsheikhem)
jullie ziel
גם
(gam)
ook
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
לא
(lo)
niet
ישמע
(yishma)
Hij zal luisteren
אליכם
(aleikhem)
naar jullie
ולא
(velo)
en niet
יאזין
(ya'azin)
Hij zal het oor lenen
לכם
(lakhem)
naar jullie
ביום
(beyom)
op de dag
הזה
(hazzeh)
deze
ולא
(velo)
en niet
תצליחו
(tatslichu)
jullie zullen slagen
בדבריכם
(bidvareikhem)
met jullie woorden
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
14Alle mensen kwamen naderbij om de ark open te breken en erin te komen vanwege de regen, want ze konden de regen op zich niet verdragen.
ויגשו
(vayiggeshu)
en zij kwamen naderbij
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
kinderen van
האדם
(ha'adam)
de mens
לשבור
(lishbor)
te breken
התיבה
(hattevah)
de ark
לבוא
(lavo)
binnen te gaan
בתוכה
(betokhah)
in haar
מפני
(mippenei)
vanwege
הגשם
(haggeshem)
de regen
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
יכלו
(yakhelu)
zij konden
לסבול
(lisbol)
te dragen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הגשם
(haggeshem)
de regen
עליהם
(aleihem)
over hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De wilde dieren

15Yahweh zond alle wilde dieren en al het vee dat rondom de ark stond, tegen hen. De wilde dieren overmeesterden hen, sloegen hen en joegen hen weg van de ark.
וישלח
(vayishlach)
en Hij zond
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
עליהם
(aleihem)
tegen hen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
החיות
(hachayyot)
de wilde dieren
וכל
(vekhol)
en alle
הבהמות
(habbehemot)
het vee
אשר
(asher)
die
עומדים
(omdim)
staande
סביבות
(sevivot)
rondom
התיבה
(hattevah)
de ark
ויגברו
(vayigberu)
en zij overmeesterden
עליהם
(aleihem)
over hen
החיות
(hachayyot)
de wilde dieren
ויכום
(vayakkum)
en zij sloegen hen
ויבריחום
(vayavrichum)
en zij verjoegen hen
מעל
(me'al)
van op
התיבה
(hattevah)
de ark
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
16De wilde dieren doodden velen van hen en joegen de anderen weg van die plaats. Ze gingen ieder hun eigen weg en verspreidden zich over heel de aarde.
וימיתו
(vayemitu)
en zij doodden
מהם
(mehem)
van hen
החיות
(hachayyot)
de wilde dieren
רבים
(rabbim)
vele
ויבריחום
(vayavrichum)
en zij verjoegen hen
מן
(min)
uit
המקום
(hammaqom)
de plaats
ההוא
(hahu)
die
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
איש
(ish)
ieder
לדרכו
(ledarko)
naar zijn weg
ויפוצו
(vayafutsu)
en zij verspreidden zich
על
(al)
op
פני
(pnei)
aangezicht van
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
17De regen bleef op de aarde neerdalen, veertig dagen en veertig nachten, en het water werd zeer, zeer machtig op de aarde.
והגשם
(vehagashem)
en de regen
עודנו
(odenu)
nog
יורד
(yored)
neerdaalde
על
(al)
op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
וירד
(vayered)
en hij daalde neer
ארבעים
(arba'im)
veertig
יום
(yom)
dag van
וארבעים
(ve'arba'im)
en veertig
לילה
(laylah)
nacht
ויגברו
(vayigberu)
en zij werden machtig
המים
(hammayim)
het water
מאוד
(me'od)
zeer
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het water stijgt

18Al het vlees dat op de aarde was, stierf in het water, van de mens tot het vee, het wild, het kruipende gedierte en het gevogelte van de hemel. Alleen Noach bleef over, en wie bij hem in de ark was.
וימותו
(vayamutu)
en zij stierven
כל
(kol)
alle
בשר
(basar)
vlees
אשר
(asher)
die
על
(al)
op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
במים
(bammayim)
in het water
מאדם
(me'adam)
van mens
ועד
(ve'ad)
en tot
בהמה
(behemah)
vee
ועד
(ve'ad)
en tot
חיה
(chayyah)
wild dier
ועד
(ve'ad)
en tot
רמש
(remes)
kruipend dier
ועד
(ve'ad)
en tot
עוף
(of)
gevogelte van
השמים
(hashamayim)
de hemel
וישאר
(vayyisha'er)
en bleef over
אך
(akh)
alleen
נח
(Noach)
Noach
ואשר
(va'asher)
en wie
איתו
(ito)
met hem
בתיבה
(battevah)
in de ark
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 7:21–23.

‘Alleen Noach bleef over, en wie bij hem in de ark was’ zijn dezelfde woorden als Gen. 7:23.

19Het water werd machtig en nam zeer toe op de aarde. Het tilde de ark op, en ze werd van de aarde opgetild.
ויגברו
(vayigberu)
en zij werden machtig
המים
(hammayim)
het water
וירבו
(vayirbu)
en zij namen toe
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
וישאו
(vayis'u)
en zij tilden op
את
(et)
(lijdend voorwerp)
התיבה
(hattevah)
de ark
ותרם
(vattaram)
en zij werd opgetild
מעל
(me'al)
van op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
20De ark ging over het water en werd heen en weer geworpen op het water, steeds verder, hierheen en daarheen. Alles wat erin leefde, werd heen en weer geworpen, zoals soep in een pot wordt omgeroerd.
ותלך
(vattelekh)
en zij ging
התיבה
(hattevah)
de ark
על
(al)
op
פני
(pnei)
aangezicht van
המים
(hammayim)
het water
ותיהפך
(vattehafekh)
en zij werd heen en weer geworpen
על
(al)
op
פני
(pnei)
aangezicht van
המים
(hammayim)
het water
הלוך
(halokh)
gaande
והפוך
(vahafokh)
en wentelend
הנה
(hinneh)
hierheen
והנה
(vehinneh)
en daarheen
ויתהפך
(vayithapekh)
en werd heen en weer geworpen
כל
(kol)
alle
החי
(hachay)
het levende
אשר
(asher)
die
בה
(bah)
in haar
כהפוך
(kehafokh)
zoals het omroeren van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנזיד
(hannazid)
de soep
בסיר
(basir)
in de pot
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Dit beeld van de ark die heen en weer geworpen wordt, en van het levende dat erin wordt rondgeworpen als soep in een pot, staat niet in Genesis.

21Er was grote nood voor alle levende wezens in de ark, en de ark dreigde te breken. Alles wat leefde in de ark raakte in paniek: de leeuwen brulden, de stieren loeiden en de wolven huilden.
ויהי
(vayehi)
en er was
צער
(tsa'ar)
nood
גדול
(gadol)
grote
לכל
(lekhol)
aan heel
היקום
(hayyequm)
het levend wezen
אשר
(asher)
die
בתיבה
(battevah)
in de ark
והתיבה
(vehattevah)
en de ark
חשבה
(chashvah)
dacht
להישבר
(lehishaver)
te breken
ויתבהל
(vayitbahel)
en werd verschrikt
כל
(kol)
alle
החי
(hachay)
het levende
אשר
(asher)
die
בתיבה
(battevah)
in de ark
וינהמו
(vayinhamu)
en zij brulden
האריות
(ha'aryot)
de leeuwen
ויגעו
(vayig'u)
en zij loeiden
השוורים
(hashevarim)
de stieren
ויצעקו
(vayits'aqu)
en zij huilden
הזאבים
(hazze'evim)
de wolven
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
22Alle levende wezens in de ark spraken en riepen in hun eigen taal, en hun stem werd gehoord tot ver.
וכל
(vekhol)
en alle
היקום
(hayyequm)
het levend wezen
אשר
(asher)
die
בתיבה
(battevah)
in de ark
מדבר
(medabber)
sprekend
וצועק
(vetso'eq)
en roepend
בלשונו
(bilshono)
in zijn taal
וישמע
(vayishma)
en werd gehoord
קולם
(qolam)
hun stem
למרחוק
(lemerachoq)
tot ver
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
23Ook Noach en zijn zonen riepen en huilden in hun nood. Ze waren zeer bang en kwamen tot aan de poorten van de dood.
וגם
(vegam)
en ook
נח
(Noach)
Noach
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
צועקים
(tso'aqim)
schreeuwen
ובוכים
(uvokhim)
en huilend
בצרתם
(batsaratam)
in hun nood
וייראו
(vayyir'u)
en zij vreesden
יראה
(yir'ah)
vrees
גדולה
(gedolah)
grote
מאוד
(me'od)
zeer
ויגיעו
(vayagi'u)
en zij reikten
עד
(ad)
tot
שערי
(sha'arei)
de poorten van
מות
(mot)
dood
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Noach bidt

24Noach bad tot Yahweh en riep om deze zaak tot Yahweh. Hij zei: „Ach Yahweh, red ons, want wij hebben geen kracht om dit kwaad te dragen dat ons omringd heeft. Want de golven van het water hebben ons omgeven, de stromen van Belial hebben ons verschrikt, de strikken van de dood kwamen ons tegemoet.
ויתפלל
(vayitpallel)
en hij bad
נח
(Noach)
Noach
אל
(el)
tot
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויצעק
(vayits'aq)
en hij riep
על
(al)
over
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ליהוה
(laYahweh)
aan Yahweh
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אנא
(anna)
ach
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
הושיעה
(hoshi'ah)
red
לנו
(lanu)
voor ons
כי
(ki)
want
אין
(ein)
er is niet
כח
(koach)
kracht
בנו
(beno)
in ons
לסבול
(lisbol)
te dragen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הרעה
(hara'ah)
het kwaad
הזאת
(hazzo't)
deze
אשר
(asher)
die
סבבתנו
(sevavatnu)
ons heeft omringd
כי
(ki)
want
אפפונו
(afafunu)
hebben ons omgeven
משברי
(mishberei)
de golven van
מים
(mayim)
water
ונחלי
(venachalei)
en de stromen van
בליעל
(beliya'al)
Belial
בעתונו
(bi'atunu)
hebben ons verschrikt
קדמו
(qiddemu)
kwamen ons tegemoet
אותנו
(otanu)
ons
מוקשי
(moqshei)
de strikken van
מות
(mot)
de dood
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

נחלי בליעל (nachalei beliya’al), ‘de stromen van Belial’, en ‘de strikken van de dood kwamen ons tegemoet’: dezelfde woorden staan in Ps. 18:5–6 en in 2 Sam. 22:5–6.

25Antwoord ons, Yahweh, antwoord ons! Bevrijd ons, keer U tot ons en wees ons genadig. Bevrijd ons en red ons.”
עננו
(anenu)
antwoord ons
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
עננו
(anenu)
antwoord ons
פדנו
(fedenu)
bevrijd ons
פנה
(panah)
keer U toe
אלינו
(elenu)
tot ons
וחננו
(vechonnenu)
en wees ons genadig
פדנו
(fedenu)
bevrijd ons
והצילנו
(vehatsilenu)
en red ons
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het water zakt

26Yahweh hoorde de stem van Noach, en Yahweh dacht aan hem. Hij liet een wind over de aarde gaan, en het water zakte, en de ark kwam tot rust.
וישמע
(vayishma)
en Hij hoorde
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בקול
(bekol)
naar de stem van
נח
(Noach)
Noach
ויזכרהו
(vayizkerehu)
en Hij dacht aan hem
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויעבר
(vaya'avor)
en hij liet gaan
רוח
(ruach)
wind
על
(al)
op
פני
(pnei)
aangezicht van
הארץ
(ha'arets)
de aarde
וישובו
(vayashuvu)
en zij keerden terug
המים
(hammayim)
het water
ותנח
(vatanach)
en zij kwam tot rust
התיבה
(hattevah)
de ark
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 8:1: Elohim dacht aan Noach en liet een wind over de aarde gaan.

Zie ookGen 8:1
27De bronnen van de watermassa en de luiken van de hemel werden gesloten, en de regen uit de hemel werd tegengehouden.
ויסכרו
(vayissakheru)
en zij werden gesloten
מעיינות
(ma'yenot)
bronnen van
התהום
(hattehom)
de watermassa
וארובות
(va'aruvvot)
en de luiken van
השמים
(hashamayim)
de hemel
ויכלא
(vayikkale)
en werd tegengehouden
הגשם
(haggeshem)
de regen
מן
(min)
uit
השמים
(hashamayim)
de hemel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Dezelfde woorden als Gen. 8:2.

Zie ookGen 8:2
28Het water nam in die dagen steeds verder af, en de ark kwam tot rust op de bergen van Ararat.
והמים
(vehammayim)
en het water
היו
(hayu)
zij waren
הלוך
(halokh)
gaande
וחסור
(vechasor)
en afnemend
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
ותנח
(vatanach)
en zij kwam tot rust
התיבה
(hattevah)
de ark
בהרי
(beharei)
op de bergen van
אררט
(Ararat)
Ararat
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Ararat: Ararat is Urartu, het bergland rond het Vanmeer in het oosten van het huidige Turkije.

Uitleg

Zie Gen. 8:3–4.

Ararat: zie Gen. 8:4.

29In die tijd opende Noach het raam van de ark. In die tijd riep Noach opnieuw tot Yahweh en zei: „Ach Yahweh, Elohim van heel de aarde, van de zeeën en van alles wat daarin is, breng mijn ziel uit de gevangenis, uit mijn kerker waarin U mij gezet hebt, want ik ben uitgeput van mijn zuchten.”
ויפתח
(vayiftach)
en hij opende
נח
(Noach)
Noach
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חלון
(challon)
raam van
התיבה
(hattevah)
de ark
בעת
(be'et)
in tijd
ההיא
(hahi)
die
ויקרא
(vayikra)
en hij riep
נח
(Noach)
Noach
עוד
(od)
opnieuw
אל
(el)
tot
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בעת
(be'et)
in tijd
ההיא
(hahi)
die
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אנא
(anna)
ach
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אלוקי
(elohei)
Elohim van
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
והימים
(vehayyamim)
en de zeeën
וכל
(vekhol)
en alle
אשר
(asher)
die
בהם
(bahem)
in hen
הוציאה
(hotsi'ah)
breng uit
ממסגר
(mimmasger)
uit de gevangenis
נפשי
(nafshi)
mijn ziel
ממאסרי
(mimma'asari)
uit mijn kerker
אשר
(asher)
die
שמתני
(samatni)
U mij gezet hebt
בו
(bo)
daarin
כי
(ki)
want
יגעתי
(yaga'ti)
ik ben moe
באנחתי
(be'anachati)
van mijn zuchten
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

יגעתי באנחתי (yaga’ti be’anachati), ‘ik ben uitgeput van mijn zuchten’: dezelfde woorden als in Ps. 6:7.

אלוקי כל הארץ (elohei khol ha’arets), ‘Elohim van heel de aarde’: zie Jes. 54:5.

Het raam van de ark: zie Gen. 8:6.

Het uitgaan uit de ark

30Yahweh hoorde de stem van Noach en zei tegen hem: „Wanneer je een vol jaar hebt voltooid, dan zul je uitgaan.”
וישמע
(vayishma)
en Hij hoorde
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
בקול
(bekol)
naar de stem van
נח
(Noach)
Noach
ויאמר
(vayomer)
en Hij zei
אליו
(elav)
tegen hem
במלאתך
(bimlot'kha)
wanneer jij vol hebt gemaakt
שנה
(shanah)
jaar
תמימה
(temimah)
een volle
אז
(az)
toen
תצא
(tetse)
zul je uitgaan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Dit gebed en dit antwoord staan niet in Genesis.

Zie Gen. 8:15–16 voor het bevel om uit de ark te gaan.

31Bij de wending van het jaar, toen het een vol jaar was dat Noach in de ark verbleef, waren de wateren van de aarde opgedroogd, en Noach nam het dek van de ark weg.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
לתקופת
(litqufat)
bij de wending van
השנה
(hashanah)
het jaar
עד
(ad)
tot
מלאת
(melot)
het vol worden van
לנח
(leNoach)
tot Noach
שנה
(shanah)
jaar
תמימה
(temimah)
een volle
לשבתו
(leshivto)
voor zijn verblijf
בתיבה
(battevah)
in de ark
חרבו
(charvu)
waren droog
המים
(hammayim)
het water
מעל
(me'al)
van op
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ויסר
(vayyaser)
en hij nam weg
נח
(Noach)
Noach
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מכסה
(mikhseh)
dek van
התיבה
(hattevah)
de ark
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 8:13: ‘Noach verwijderde het dek van de ark’.

Zie ookGen 8:13
32In die tijd, op de zevenentwintigste dag van de tweede maand, was de aarde droog. Maar Noach, zijn zonen en allen die bij hem waren, gingen niet uit de ark, totdat Yahweh tot hen sprak.
בעת
(be'et)
in tijd
ההיא
(hahi)
die
בשבעה
(bishiv'ah)
op zeven
ועשרים
(ve'esrim)
en twintig
יום
(yom)
dag van
לחודש
(lachodesh)
van de maand
השני
(hasheni)
de tweede
יבשה
(yavshah)
werd droog
הארץ
(ha'arets)
de aarde
אך
(akh)
maar
לא
(lo)
niet
יצאו
(yatse'u)
zij gingen uit
נח
(Noach)
Noach
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
וכל
(vekhol)
en alle
אשר
(asher)
die
איתו
(ito)
met hem
מן
(min)
uit
התיבה
(hattevah)
de ark
עד
(ad)
tot
אשר
(asher)
dat
דיבר
(dibber)
Hij had gesproken
אליהם
(aleihem)
tot hen
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 8:14: de zevenentwintigste dag van de tweede maand.

Zie ookGen 8:14
33Op de dag dat Yahweh Elohim sprak om uit te gaan, gingen ze allen uit de ark. Ze gingen en keerden terug, ieder naar zijn weg en ieder naar zijn plaats.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
היום
(hayyom)
op de dag
דבר
(davar)
sprak
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אלוקים
(Elohim)
Elohim
לצאת
(latset)
uit te gaan
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
כולם
(kullam)
allen
מן
(min)
uit
התיבה
(hattevah)
de ark
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
וישובו
(vayashuvu)
en zij keerden terug
איש
(ish)
een man
לדרכו
(ledarko)
naar zijn weg
ואיש
(ve'ish)
en man
למקומו
(limqomo)
naar zijn plaats
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

דבר (dibber) kan ‘sprak’ zijn, of דבר (devar) ‘het woord van’.

De vertaling leest ‘sprak’.

Zie Gen. 8:15–16.

34Noach en zijn zonen woonden in het land waarover Yahweh tot hen gesproken had, en ze dienden Yahweh al hun dagen.
ונח
(veNoach)
en Noach
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
ישבו
(yashvu)
zij woonden
בארץ
(ba'arets)
in het land
אשר
(asher)
die
דיבר
(dibber)
Hij had gesproken
אליהם
(aleihem)
tot hen
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ויעבדו
(vaya'avdu)
en zij dienden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
כל
(kol)
alle
ימיהם
(yemeihem)
hun dagen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Yahweh zegent Noach

35Yahweh zegende Noach en zijn zonen toen ze de ark verlieten, en zei tot hen: „Wees vruchtbaar en word talrijk, vul heel de aarde. Word machtig en wemel over heel de aarde, en word talrijk daarin.”
ויהוה
(vaYahweh)
en Yahweh
ברך
(berakh)
zegende
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נח
(Noach)
Noach
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
בניו
(banav)
zijn zonen
בצאתם
(betsetam)
bij hun uitgaan
מן
(min)
uit
התיבה
(hattevah)
de ark
ויאמר
(vayomer)
en Hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
פרו
(peru)
wees vruchtbaar
ורבו
(urvu)
en word talrijk
ומלאו
(umil'u)
en vul
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ועצמו
(ve'itsmu)
en word machtig
ושרצו
(vishrtsu)
en wemel
בכל
(bekhol)
in heel
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ורבו
(urvu)
en word talrijk
בה
(bah)
in haar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 9:1.

In Genesis zegent Elohim; hier is het Yahweh.

Zie ookGen 9:1