Galaten 2
Het bezoek aan Jeruzalem, Kefas in Antiochië en rechtvaardig verklaard door het geloof
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Paulus, Barnabas en Titus in Jeruzalem
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
‘Na 14 jaar’: de tekst zegt niet vanaf welk moment Paulus telt, vanaf zijn roeping of vanaf het bezoek van 1:18.
Dit bezoek wordt vaak vergeleken met de vergadering in Jeruzalem die Hand. 15 beschrijft (of met het bezoek van Hand. 11:30); of het hetzelfde bezoek is, zegt de tekst niet. Τίτος (Titos), ‘Titus’: een medewerker van Paulus; Handelingen noemt hem niet.
Zie ook Hand. 15:1–29; Hand. 11:30; Gal. 1:18.
κατὰ ἀποκάλυψιν (kata apokalypsin), ‘vanwege een onthulling’: Paulus ging op omdat hij een onthulling had ontvangen. κηρύσσω (keryso), ‘verkondigen’: als heraut luid bekendmaken. οἱ δοκοῦντες (hoi dokountes), ‘de aanzienlijken’: letterlijk ‘zij die geacht worden’; de leiders in Jeruzalem (vers 9).
Het Grieks zegt niet wie ‘hun’ zijn, waarschijnlijk de gemeente in Jeruzalem.
Bij ‘apart … aan de aanzienlijken’ heeft het Grieks geen werkwoord; wij nemen ‘legde ik haar voor’ uit het eerste deel over.
‘Tevergeefs lopen’ is een beeld uit de hardloopwedstrijd: zijn werk zou zinloos zijn.
Ἕλλην (Hellen), ‘Griek’: hier iemand uit de volken, een niet-Jood. περιτέμνω (peritemno), ‘besnijden’: het wegsnijden van de voorhuid, het teken van het verbond met Abraham.
De vraag was of niet-Joden eerst Joods moesten worden.
Zie ook Gen. 17:10–12; Hand. 15:1.
De Griekse zin breekt hier af: ‘vanwege de binnengeslopen valse broers …’ krijgt geen eigen werkwoord, en vers 5 begint met ‘aan wie’.
Wij hebben er twee korte zinnen van gemaakt en ‘Zij wilden’ aangevuld voor ἵνα (hina), ‘opdat’. ψευδάδελφοι (pseudadelfoi), ‘valse broers’: mensen die zich broers noemden. παρείσακτος (pareisaktos), ‘binnengeslopen’: heimelijk binnengebracht. κατασκοπέω (kataskopeo), ‘bespieden’: als spion onderzoeken. ἐλευθερία (eleutheria), ‘vrijheid’. καταδουλόω (katadouloo), ‘tot knechten maken’: van δοῦλος (doulos), ‘knecht’, letterlijk ‘slaaf’.
εἴκω (eiko), ‘toegeven’. ὑποταγή (hypotage), ‘onderwerping’: ook hier kan het gaan om onderwerping aan de eis van de valse broers.
‘Voor een uur niet’ betekent: niet het minste moment.
De zin in de verzen 6–9 is in het Grieks moeilijk: hij begint met ‘van hen die geacht worden iets te zijn’ en zet daarna niet door met een werkwoord bij die woorden.
Wij hebben die inleiding laten staan en de rest in korte zinnen gezet. δοκέω (dokeo), ‘geacht worden’: ook ‘schijnen’. πρόσωπον … λαμβάνει (prosopon … lambanei), letterlijk ‘het gezicht niet aannemen’: iemand om zijn positie voortrekken.
Dit lijkt op Deut. 10:17, waar Elohim niemand voortrekt; het Hebreeuws heeft letterlijk dat Hij ‘het gezicht niet opheft’. προσανατίθεμαι (prosanatithemai), ‘toevoegen’: hier wat de aanzienlijken Paulus nog meegaven; het is hetzelfde werkwoord als in 1:16 (‘te rade gaan bij’).
Zie ook Deut. 10:17; Gal. 1:16.
πιστεύω (pisteuo), ‘geloven’; in de lijdende vorm πεπίστευμαι (pepisteumai): ‘mij is toevertrouwd’. ἀκροβυστία (akrobystia), ‘onbesnedenheid’: letterlijk ‘voorhuid’.
Net als ‘de besnijdenis’ (περιτομή, peritome) staat het hier voor de mensen: ‘de onbesnedenheid’ zijn de niet-Joden, ‘de besnijdenis’ de besneden Joden.
Wij houden in heel de brief ‘onbesnedenheid’ (zie 5:6 en 6:15). Πέτρος (Petros), ‘Petrus’: dezelfde man als Kefas in 1:18 en 2:9.
Zie ook Gal. 1:18.
ἐνεργέω (energeo), ‘werken’: werkzaam zijn.
Het Grieks heeft ‘Petrus’ in de derde naamval: dat kan ‘in Petrus’ of ‘voor Petrus’ betekenen; wij kiezen ‘in’. ἀποστολή (apostole), ‘apostelschap’: de zending als apostel.
Κηφᾶς (Kefas): zie 1:18. στῦλος (stylos), ‘zuil’: een steunpilaar; hier de leiders van de gemeente in Jeruzalem. δεξιὰς … κοινωνίας (dexias … koinonias), ‘rechterhanden van gemeenschap’: een handdruk als teken van verbondenheid.
Het ‘als teken’ en het ‘gaan’ hebben wij aangevuld. κοινωνία (koinonia), ‘gemeenschap’: samen delen.
Zie ook Hand. 15:6–12; Hand. 15:19–21.
πτωχός (ptochos), ‘arme’: wie niets bezit; waarschijnlijk de armen in de gemeente in Jeruzalem. μνημονεύω (mnemoneuo), ‘denken aan’. σπουδάζω (spoudazo), ‘zich beijveren’.
Zie ook Hand. 11:29–30.
Paulus en Kefas in Antiochië
Zie Antiochië (in Syrië): Antiochië aan de Orontes (nu Antakya, in het zuiden van Turkije) was de hoofdstad van de Romeinse provincie Syrië.
Daar werden de leerlingen voor het eerst Christenen genoemd.
Het is een ander Antiochië dan dat in Pisidië.
Ἀντιόχεια (Antiocheia), ‘Antiochië’: de stad in Syrië waar Joden en niet-Joden in dezelfde gemeente zaten. κατὰ πρόσωπον (kata prosopon), ‘in zijn gezicht’: openlijk. καταγινώσκω (kataginosko), ‘veroordelen’; in de lijdende vorm: ‘veroordeeld zijn’.
Het Grieks zegt niet door wie: Kefas stond in zijn ongelijk of werd door zijn gedrag veroordeeld.
Zie ook Hand. 11:19–26; Hand. 15:35.
συνεσθίω (synesthio), ‘samen eten’: de maaltijd met niet-Joden.
Wij schrijven ‘de mensen uit de volken’, omdat ‘de volken’ alleen in het Nederlands moeilijk als personen te lezen is. ὑποστέλλω (hypostello), ‘zich terugtrekken’. ἀφορίζω (aforizo), ‘afzonderen’: hetzelfde werkwoord als in 1:15. οἱ ἐκ περιτομῆς (hoi ek peritomes), ‘zij die uit de besnijdenis zijn’: Joden die aan de besnijdenis vasthielden; vergelijk Hand. 11:2.
Zie ook Hand. 11:2; Gal. 1:15.
συνυποκρίνομαι (synypokrinomai), ‘meehuichelen’: meespelen in een rol. ὑπόκρισις (hypokrisis), ‘huichelarij’: doen alsof. συναπάγω (synapago), ‘meevoeren’: meegesleept worden.
Barnabas was met Paulus meegegaan naar Jeruzalem (vers 1).
Zie ook Gal. 2:1.
ὀρθοποδέω (orthopodeo), ‘rechtuit lopen’: letterlijk ‘rechte voeten hebben’, dat wil zeggen: de rechte weg gaan. ἐθνικῶς (ethnikos), ‘zoals de volken’; Ἰουδαϊκῶς (Ioudaikos), ‘zoals de Joden’; Ἰουδαΐζω (Ioudaizo), ‘als Jood leven’.
Waar de woorden tot Kefas ophouden, zegt het Grieks niet.
Wij sluiten de aanhaling na vers 14; de verzen 15–21 lezen wij als Paulus’ uitleg, die Kefas en ook de Galaten aangaat.
Sommige lezers laten de toespraak doorlopen tot en met vers 21; het Grieks heeft geen aanhalingstekens.
Zie ook Hand. 15:1–11.
Rechtvaardig verklaard door het geloof
φύσει (physei), ‘van nature’: door geboorte. ἁμαρτωλοί (hamartoloi), ‘zondaars’: de uitdrukking ‘zondaars uit de volken’ zegt hoe Joden naar niet-Joden keken, die de wet niet hadden.
De zin loopt door in vers 16.
δικαιόω (dikaioo), ‘rechtvaardig verklaren’: een woord uit de rechtbank, ‘vrijspreken, in het gelijk stellen’.
Wij schrijven overal ‘rechtvaardig verklaren’; δικαιοσύνη (dikaiosyne) is ‘gerechtigheid’. νόμος (nomos), ‘wet’: het Hebreeuwse תּוֹרָה (tora), ‘onderwijs, instructie’. ἔργα νόμου (erga nomou), ‘werken van de wet’: wat men doet om de wet te houden. πίστεως Ἰησοῦ Χριστοῦ (pisteos Iesou Christou): wij vertalen ‘het geloof in Yeshua de Messias’; de Griekse tweede naamval kan ook ‘het geloof van’ of ‘de trouw van Yeshua de Messias’ betekenen.
Hetzelfde geldt voor πίστεως Χριστοῦ (‘uit het geloof in de Messias’) verderop in dit vers, voor 2:20 en voor 3:22. ἐὰν μή (ean me), ‘behalve’: kan ook gelezen worden als ‘maar alleen’. σάρξ (sarx), ‘vlees’: ‘geen enkel vlees’ betekent geen enkel mens; zie bij 3:3.
De slotwoorden lijken op Ps. 143:2, waar staat dat niemand die leeft rechtvaardig is voor Elohim.
Zie ook Ps. 143:2; Gal. 3:11; Gal. 3:22.
καταλύω (katalyo), ‘afbreken’, en οἰκοδομέω (oikodomeo), ‘opbouwen’: het beeld van een gebouw dat afgebroken en weer opgezet wordt.
Waarschijnlijk is wat Paulus afbrak, het vertrouwen op de wet als weg om rechtvaardig verklaard te worden. παραβάτης (parabates), ‘overtreder’. συνίστημι (synistemi), ‘aantonen’: ook ‘aanbevelen’.
Met de Messias gekruisigd
‘Door de wet … voor de wet gestorven’: het Grieks zegt niet nader hoe de wet Paulus tot sterven bracht en wat ‘voor de wet gestorven’ precies inhoudt, namelijk dat de wet geen aanspraak meer op hem heeft. συσταυρόω (systauroo), ‘samen kruisigen’: Paulus is met de Messias gekruisigd; vergelijk 6:14.
Zie ook Gal. 6:14.
ἐν πίστει … τῇ τοῦ υἱοῦ τοῦ θεοῦ (en pistei … te tou huiou tou theou), letterlijk ‘in het geloof dat van de Zoon van Elohim is’: wij schrijven ‘het geloof in de Zoon van Elohim’; het Grieks kan ook ‘het geloof van de Zoon van Elohim’ betekenen (zie vers 16). σάρξ (sarx), ‘vlees’: hier het gewone menselijke leven in het lichaam. ἀγαπάω (agapao), ‘liefhebben’. παραδίδωμι (paradidomi), ‘overgeven’: vergelijk 1:4.
Zie ook Gal. 1:4.
ἀθετέω (atheteo), ‘ongeldig maken’: ook ‘terzijde schuiven’; hetzelfde werkwoord staat in 3:15. δωρεάν (dorean), ‘voor niets’: ook ‘om niet’, ‘zonder reden’.
Zie ook Gal. 3:15.