Paulus’ verdediging voor het volk, zijn Romeins burgerrecht en de Raad
Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Paulus verdedigt zich voor het volk
1„Mannen, broers en vaders, luister nu naar mijn verdediging tegenover jullie.”
Ἄνδρες
(Andres)
mannen
ἀδελφοὶ
(adelphoi)
broers
καὶ
(kai)
en
πατέρες
(pateres)
vaders
ἀκούσατέ
(akousate)
luister
μου
(mou)
mijn
τῆς
(tes)
de
πρὸς
(pros)
tegenover
ὑμᾶς
(hymas)
jullie
νυνὶ
(nyni)
nu
ἀπολογίας
(apologias)
verdediging
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀπολογία (apologia), ‘verdediging’: het antwoord op een beschuldiging.
‘Vaders’ zijn de oudere mannen en leiders onder de toehoorders.
2Toen zij hoorden dat hij hen in de Hebreeuwse taal toesprak, werd het nog stiller. Hij zei:
3„Ik ben een Joodse man, geboren in Tarsus in Cilicië. Ik ben in deze stad opgegroeid. Aan de voeten van Gamaliël ben ik nauwgezet onderwezen in de wet van onze vaders. Ik ben een ijveraar voor Elohim, zoals jullie allen vandaag zijn.
Ἐγώ
(Ego)
ik
εἰμι
(eimi)
ben
ἀνὴρ
(aner)
man
Ἰουδαῖος
(Ioudaios)
Joods
γεγεννημένος
(gegennemenos)
geboren
ἐν
(en)
in
Ταρσῷ
(Tarso)
Tarsus
τῆς
(tes)
van
Κιλικίας
(Kilikias)
Cilicië
ἀνατεθραμμένος
(anatethrammenos)
opgegroeid
δὲ
(de)
maar
ἐν
(en)
in
τῇ
(te)
de
πόλει
(polei)
stad
ταύτῃ
(taute)
deze
παρὰ
(para)
aan
τοὺς
(tous)
de
πόδας
(podas)
voeten
Γαμαλιήλ
(Gamaliel)
van Gamaliël
πεπαιδευμένος
(pepaideumenos)
onderwezen
κατὰ
(kata)
volgens
ἀκρίβειαν
(akribeian)
nauwkeurigheid
τοῦ
(tou)
van de
πατρῴου
(patroou)
vaderlijke
νόμου
(nomou)
wet
ζηλωτὴς
(zelotes)
ijveraar
ὑπάρχων
(hyparchon)
zijnde
τοῦ
(tou)
van
θεοῦ
(theou)
Elohim
καθὼς
(kathos)
zoals
πάντες
(pantes)
allen
ὑμεῖς
(hymeis)
jullie
ἐστε
(este)
zijn
σήμερον
(semeron)
vandaag
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Tarsus: Tarsus, de stad waar Saulus geboren werd, lag in Cilicië, in het zuidoosten van het huidige Turkije, bij Mersin.
Zie Cilicië (ongeveer): Cilicië was de kuststreek in het zuidoosten van het huidige Turkije, met Tarsus als belangrijkste stad.
De grenzen zijn bij benadering.
Uitleg
Γαμαλιήλ (Gamaliel), ‘Gamaliël’: een leraar van de wet, ook genoemd in Hand. 5:34.
‘Aan de voeten van’ iemand opgroeien: leerling van die leraar zijn. ἀκρίβεια (akribeia), ‘nauwkeurigheid’: het Grieks zegt ‘naar de nauwkeurigheid van de wet van de vaderen’. ζηλωτής (zelotes), ‘ijveraar’: zie 21:20. ὑπάρχων (hyparchon), ‘zijnde’: het Grieks heeft een deelwoord in de tegenwoordige tijd; Paulus noemt zich dus een ijveraar, zoals zijn toehoorders.
Het Grieks verbindt ‘opgegroeid’ en ‘onderwezen’ in één zin; wij splitsen die.
4Ik vervolgde deze Weg tot de dood toe. Ik bond mannen en vrouwen en leverde hen over in gevangenissen.
ὃς
(hos)
die
ταύτην
(tauten)
deze
τὴν
(ten)
de
ὁδὸν
(hodon)
Weg
ἐδίωξα
(edioxa)
vervolgde
ἄχρι
(achri)
tot
θανάτου
(thanatou)
dood
δεσμεύων
(desmeuon)
bindend
καὶ
(kai)
en
παραδιδοὺς
(paradidous)
overleverend
εἰς
(eis)
in
φυλακὰς
(phylakas)
gevangenissen
ἄνδρας
(andras)
mannen
τε
(te)
zowel
καὶ
(kai)
als
γυναῖκας
(gynaikas)
vrouwen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ὁδός (hodos), ‘weg’: ‘de Weg’ is hier de naam voor de beweging van hen die Yeshua volgen; zie Hand. 9:2. ἄχρι θανάτου (achri thanatou), ‘tot de dood toe’: het Grieks zegt niet of Paulus doden bedoelt of het gevaar van de dood.
5Dat getuigen ook de hogepriester en de hele oudstenraad van mij. Van hen had ik brieven ontvangen voor de broers in Damascus. Ik ging erheen om ook hen die daar waren, geboeid naar Jeruzalem te brengen, zodat zij gestraft zouden worden.
ὡς
(hos)
zoals
καὶ
(kai)
ook
ὁ
(ho)
de
ἀρχιερεὺς
(archiereus)
hogepriester
μαρτυρεῖ
(martyrei)
getuigt
μοι
(moi)
over mij
καὶ
(kai)
en
πᾶν
(pan)
heel
τὸ
(to)
de
πρεσβυτέριον
(presbyterion)
oudstenraad
παρ’
(par’)
van
ὧν
(hon)
wie
καὶ
(kai)
ook
ἐπιστολὰς
(epistolas)
brieven
δεξάμενος
(dexamenos)
ontvangen hebbend
πρὸς
(pros)
aan
τοὺς
(tous)
de
ἀδελφοὺς
(adelphous)
broers
εἰς
(eis)
naar
Δαμασκὸν
(Damaskon)
Damascus
ἐπορευόμην
(eporeuomen)
ging ik
ἄξων
(axon)
om te brengen
καὶ
(kai)
ook
τοὺς
(tous)
hen
ἐκεῖσε
(ekeise)
daar
ὄντας
(ontas)
zijnde
δεδεμένους
(dedemenous)
geboeid
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
ἵνα
(hina)
opdat
τιμωρηθῶσιν
(timorethosin)
zij gestraft worden
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
πρεσβυτέριον (presbyterion), ‘oudstenraad’: de vergadering van de oudsten, zoals in Luc. 22:66.
‘De broers’ zijn hier de Joden in Damascus. τιμωρέω (timoreo), ‘straffen’.
8Ik antwoordde: ‘Wie bent U, Heer?’ Hij zei tegen mij: ‘Ik ben Yeshua de Nazoreeër, die jij vervolgt.’
ἐγὼ
(ego)
ik
δὲ
(de)
maar
ἀπεκρίθην
(apekrithen)
antwoordde
Τίς
(Tis)
wie
εἶ
(ei)
bent U
κύριε
(kyrie)
Heer
εἶπέν
(eipen)
zei Hij
τε
(te)
en
πρὸς
(pros)
tegen
ἐμέ
(eme)
mij
Ἐγώ
(Ego)
Ik
εἰμι
(eimi)
ben
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὁ
(ho)
de
Ναζωραῖος
(Nazoraios)
Nazoreeër
ὃν
(hon)
die
σὺ
(sy)
jij
διώκεις
(diokeis)
vervolgt
Bron: SBLGNT
Uitleg
κύριε (kyrie), ‘Heer’: een aanspreking; Paulus weet nog niet wie spreekt. Ναζωραῖος (Nazoraios), ‘Nazoreeër’: iemand uit Nazaret, zoals in Matt. 2:23 en Joh. 18:5.
10Ik zei: ‘Wat moet ik doen, Heer?’ De Heer zei tegen mij: ‘Sta op en ga naar Damascus. Daar zal tot je gesproken worden over alles wat voor jou is vastgesteld om te doen.’
εἶπον
(eipon)
zei ik
δέ
(de)
maar
Τί
(Ti)
wat
ποιήσω
(poieso)
zal ik doen
κύριε
(kyrie)
Heer
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
κύριος
(kyrios)
Heer
εἶπεν
(eipen)
zei
πρός
(pros)
tegen
με
(me)
mij
Ἀναστὰς
(Anastas)
opgestaan
πορεύου
(poreuou)
ga
εἰς
(eis)
naar
Δαμασκόν
(Damaskon)
Damascus
κἀκεῖ
(kakei)
en daar
σοι
(soi)
tot jou
λαληθήσεται
(lalethesetai)
zal gesproken worden
περὶ
(peri)
over
πάντων
(panton)
alles
ὧν
(hon)
wat
τέτακταί
(tetaktai)
is vastgesteld
σοι
(soi)
voor jou
ποιῆσαι
(poiesai)
te doen
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Uitleg
κύριος (kyrios), ‘de Heer’: Yeshua; zie Luc. 7:13. τέτακται (tetaktai), ‘is vastgesteld’: de lijdende vorm laat open door wie.
11Omdat ik niets kon zien vanwege de heerlijkheid van dat licht, werd ik aan de hand geleid door hen die bij mij waren. Ik kwam in Damascus.
ὡς
(hos)
toen
δὲ
(de)
maar
οὐκ
(ouk)
niet
ἐνέβλεπον
(eneblepon)
zag ik
ἀπὸ
(apo)
vanwege
τῆς
(tes)
de
δόξης
(doxes)
heerlijkheid
τοῦ
(tou)
van het
φωτὸς
(photos)
licht
ἐκείνου
(ekeinou)
dat
χειραγωγούμενος
(cheiragogoumenos)
aan de hand geleid
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
συνόντων
(synonton)
zijnden
μοι
(moi)
met mij
ἦλθον
(elthon)
kwam ik
εἰς
(eis)
in
Δαμασκόν
(Damaskon)
Damascus
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Damascus: Damascus ligt aan de voet van het Antilibanon, in het huidige Syrië.
Uitleg
δόξα (doxa), ‘heerlijkheid’: hier de schittering van het licht. χειραγωγέω (cheiragogeo), ‘aan de hand leiden’.
Ananias
12Een zekere Ananias was een vrome man volgens de wet. Alle Joden die daar woonden getuigden goed over hem.
Ἁνανίας
(Hananias)
Ananias
δέ
(de)
maar
τις
(tis)
een zekere
ἀνὴρ
(aner)
man
εὐλαβὴς
(eulabes)
vroom
κατὰ
(kata)
volgens
τὸν
(ton)
de
νόμον
(nomon)
wet
μαρτυρούμενος
(martyroumenos)
getuigenis gekregen
ὑπὸ
(hypo)
van
πάντων
(panton)
alle
τῶν
(ton)
de
κατοικούντων
(katoikounton)
wonende
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
Bron: SBLGNT
Uitleg
Ἁνανίας (Hananias), ‘Ananias’: een leerling in Damascus; zie Hand. 9:10–19.
Hij is een ander dan hogepriester Ananias in 23:2.
Het Grieks heeft verzen 12–13 als één lange zin; wij splitsen die en schrijven ‘was’ en ‘Hij’. εὐλαβής (eulabes), ‘vroom’: ontzag voor Elohim en zijn wet.
13Hij kwam naar mij toe, ging naast mij staan en zei tegen mij: ‘Saul, broer, word weer ziende!’ Op datzelfde uur kon ik weer zien en keek ik hem aan.
ἐλθὼν
(elthon)
gekomen
πρὸς
(pros)
naar
ἐμὲ
(eme)
mij
καὶ
(kai)
en
ἐπιστὰς
(epistas)
naast mij staand
εἶπέν
(eipen)
zei hij
μοι
(moi)
tegen mij
Σαοὺλ
(Saoul)
Saul
ἀδελφέ
(adelphe)
broer
ἀνάβλεψον
(anablepson)
word weer ziende
κἀγὼ
(kago)
en ik
αὐτῇ
(aute)
op dat
τῇ
(te)
zelfde
ὥρᾳ
(hora)
uur
ἀνέβλεψα
(aneblepsa)
werd ik weer ziende
εἰς
(eis)
naar
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἀναβλέπω (anablepo), ‘omhoogkijken’ of ‘weer zien’: omdat Saul blind was, vertalen wij ‘word weer ziende’ en ‘ik kon weer zien’.
14Ananias zei: ‘De Elohim van onze vaders heeft jou vooraf uitgekozen om Zijn wil te kennen, de Rechtvaardige te zien en een stem uit Zijn mond te horen.
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
Ὁ
(Ho)
de
θεὸς
(theos)
Elohim
τῶν
(ton)
van de
πατέρων
(pateron)
vaders
ἡμῶν
(hemon)
onze
προεχειρίσατό
(proecheirisato)
koos vooraf uit
σε
(se)
jou
γνῶναι
(gnonai)
te kennen
τὸ
(to)
de
θέλημα
(thelema)
wil
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
ἰδεῖν
(idein)
te zien
τὸν
(ton)
de
δίκαιον
(dikaion)
Rechtvaardige
καὶ
(kai)
en
ἀκοῦσαι
(akousai)
te horen
φωνὴν
(phonen)
stem
ἐκ
(ek)
uit
τοῦ
(tou)
de
στόματος
(stomatos)
mond
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
Het Grieks heeft ‘hij’; wij schrijven de naam Ananias, om verwarring met Yeshua te voorkomen. τὸν δίκαιον (ton dikaion), ‘de Rechtvaardige’: een titel voor Yeshua; hij komt ook voor in Hand. 3:14 en 7:52.
15Want je zult Zijn getuige zijn bij alle mensen, van wat je gezien en gehoord hebt.
ὅτι
(hoti)
want
ἔσῃ
(ese)
je zult zijn
μάρτυς
(martys)
getuige
αὐτῷ
(auto)
voor Hem
πρὸς
(pros)
bij
πάντας
(pantas)
alle
ἀνθρώπους
(anthropous)
mensen
ὧν
(hon)
van wat
ἑώρακας
(heorakas)
je gezien hebt
καὶ
(kai)
en
ἤκουσας
(ekousas)
gehoord hebt
Bron: SBLGNT
16En nu, wat aarzel je? Sta op, laat je dopen en laat je zonden afwassen door Zijn naam aan te roepen.’
καὶ
(kai)
en
νῦν
(nyn)
nu
τί
(ti)
wat
μέλλεις
(melleis)
aarzel je
ἀναστὰς
(anastas)
opgestaan
βάπτισαι
(baptisai)
laat je dopen
καὶ
(kai)
en
ἀπόλουσαι
(apolousai)
laat afwassen
τὰς
(tas)
de
ἁμαρτίας
(hamartias)
zonden
σου
(sou)
je
ἐπικαλεσάμενος
(epikalesamenos)
aanroepend
τὸ
(to)
de
ὄνομα
(onoma)
naam
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
Bron: SBLGNT
Uitleg
βάπτισαι (baptisai), ‘laat je dopen’, en ἀπόλουσαι (apolousai), ‘laat afwassen’: beide vormen zijn in het Grieks wederkerend; Saul laat dit aan zich doen.
‘De naam aanroepen’ komt ook voor in Joël 3:5 (in de Nederlandse telling is dit 2:32), dat in Hand. 2:21 wordt aangehaald.
17Toen ik was teruggekeerd naar Jeruzalem en in de tempel bad, raakte ik in vervoering.
Ἐγένετο
(Egeneto)
het gebeurde
δέ
(de)
maar
μοι
(moi)
mij
ὑποστρέψαντι
(hypostrepsanti)
teruggekeerd
εἰς
(eis)
naar
Ἰερουσαλὴμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
καὶ
(kai)
en
προσευχομένου
(proseuchomenou)
biddend
μου
(mou)
ik
ἐν
(en)
in
τῷ
(to)
de
ἱερῷ
(hiero)
tempel
γενέσθαι
(genesthai)
te worden
με
(me)
ik
ἐν
(en)
in
ἐκστάσει
(ekstasei)
vervoering
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
ἔκστασις (ekstasis), ‘vervoering’: een toestand waarin iemand als het ware buiten zichzelf is en een visioen ziet.
18Ik zag Hem tegen mij zeggen: ‘Haast je en ga snel weg uit Jeruzalem, want zij zullen je getuigenis over Mij niet aannemen.’
καὶ
(kai)
en
ἰδεῖν
(idein)
te zien
αὐτὸν
(auton)
Hem
λέγοντά
(legonta)
zeggend
μοι
(moi)
tegen mij
Σπεῦσον
(Speuson)
haast je
καὶ
(kai)
en
ἔξελθε
(exelthe)
ga weg
ἐν
(en)
met
τάχει
(tachei)
spoed
ἐξ
(ex)
uit
Ἰερουσαλήμ
(Ierousalem)
Jeruzalem
διότι
(dioti)
omdat
οὐ
(ou)
niet
παραδέξονταί
(paradexontai)
zullen aannemen
σου
(sou)
jouw
μαρτυρίαν
(martyrian)
getuigenis
περὶ
(peri)
over
ἐμοῦ
(emou)
Mij
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.
Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.
Uitleg
Het Grieks heeft ‘ik zag Hem zeggen’; wie bedoeld is, blijkt uit ‘Heer’ in 22:19: Yeshua.
19Ik zei: ‘Heer, zij weten zelf dat ik in de synagogen hen die in U geloofden, in de gevangenis zette en sloeg.
κἀγὼ
(kago)
en ik
εἶπον
(eipon)
zei
Κύριε
(Kyrie)
Heer
αὐτοὶ
(autoi)
zij zelf
ἐπίστανται
(epistantai)
weten
ὅτι
(hoti)
dat
ἐγὼ
(ego)
ik
ἤμην
(emen)
was
φυλακίζων
(phylakizon)
in de gevangenis zettend
καὶ
(kai)
en
δέρων
(deron)
slaand
κατὰ
(kata)
in
τὰς
(tas)
de
συναγωγὰς
(synagogas)
synagogen
τοὺς
(tous)
hen die
πιστεύοντας
(pisteuontas)
geloofden
ἐπὶ
(epi)
in
σέ
(se)
U
Bron: SBLGNT
Uitleg
φυλακίζω (fylakizo), ‘in de gevangenis zetten’; δέρω (dero), ‘slaan’. κατὰ τὰς συναγωγάς (kata tas synagogas): ‘in de synagogen’; het kan ook ‘van synagoge tot synagoge’ betekenen.
20Toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, stond ik er zelf ook bij. Ik stemde ermee in en bewaakte de mantels van hen die hem doodden.’
καὶ
(kai)
en
ὅτε
(hote)
toen
ἐξεχύννετο
(exechynneto)
vergoten werd
τὸ
(to)
het
αἷμα
(haima)
bloed
Στεφάνου
(Stephanou)
van Stefanus
τοῦ
(tou)
de
μάρτυρός
(martyros)
getuige
σου
(sou)
Uw
καὶ
(kai)
en
αὐτὸς
(autos)
zelf
ἤμην
(emen)
was ik
ἐφεστὼς
(ephestos)
erbij staand
καὶ
(kai)
en
συνευδοκῶν
(syneudokon)
instemmend
καὶ
(kai)
en
φυλάσσων
(phylasson)
bewarend
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
mantels
τῶν
(ton)
van hen die
ἀναιρούντων
(anairounton)
doodden
αὐτόν
(auton)
hem
Bron: SBLGNT
Uitleg
μάρτυς (martys), ‘getuige’: wij vertalen het woord overal met ‘getuige’.
Over de dood van Stefanus: Hand. 7:58–8:1. ἱμάτιον (himation), ‘mantel’: het bovenkleed, zoals in Luc. 22:36.
22Zij luisterden naar hem tot dit woord. Zij verhieven hun stem en riepen: „Weg met zo iemand van de aarde! Want hij had niet mogen leven.”
Ἤκουον
(Ekouon)
luisterden zij
δὲ
(de)
maar
αὐτοῦ
(autou)
naar hem
ἄχρι
(achri)
tot
τούτου
(toutou)
dit
τοῦ
(tou)
het
λόγου
(logou)
woord
καὶ
(kai)
en
ἐπῆραν
(eperan)
verhieven zij
τὴν
(ten)
de
φωνὴν
(phonen)
stem
αὐτῶν
(auton)
hun
λέγοντες
(legontes)
zeggend
Αἶρε
(Aire)
weg met
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
de
γῆς
(ges)
aarde
τὸν
(ton)
zo
τοιοῦτον
(toiouton)
iemand
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
καθῆκεν
(katheken)
het was gepast
αὐτὸν
(auton)
hem
ζῆν
(zen)
te leven
Bron: SBLGNT
Uitleg
Αἶρε (Aire), ‘Weg met’: zie 21:36. καθῆκεν (kathēken), ‘het was gepast’: een verleden tijd; wij schrijven ‘hij had niet mogen leven’.
23Terwijl zij schreeuwden, hun mantels afwierpen en stof in de lucht gooiden,
κραυγαζόντων
(kraugazonton)
schreeuwend
τε
(te)
en
αὐτῶν
(auton)
zij
καὶ
(kai)
en
ῥιπτούντων
(rhiptounton)
wegwerpend
τὰ
(ta)
de
ἱμάτια
(himatia)
mantels
καὶ
(kai)
en
κονιορτὸν
(koniorton)
stof
βαλλόντων
(ballonton)
gooiend
εἰς
(eis)
in
τὸν
(ton)
de
ἀέρα
(aera)
lucht
Bron: SBLGNT
Uitleg
Mantels afwerpen en stof in de lucht gooien zijn gebaren van woede; de tekst zegt dit niet uitdrukkelijk.
24beval de tribuun hem de kazerne in te brengen. Hij zei dat men hem onder geseling moest verhoren, om te weten om welke reden zij zo tegen hem schreeuwden.
ἐκέλευσεν
(ekeleusen)
beval
ὁ
(ho)
de
χιλίαρχος
(chiliarchos)
tribuun
εἰσάγεσθαι
(eisagesthai)
binnengebracht te worden
αὐτὸν
(auton)
hij
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
παρεμβολήν
(parembolen)
kazerne
εἴπας
(eipas)
zeggend
μάστιξιν
(mastixin)
met geselslagen
ἀνετάζεσθαι
(anetazesthai)
ondervraagd te worden
αὐτὸν
(auton)
hij
ἵνα
(hina)
opdat
ἐπιγνῷ
(epigno)
hij zou weten
δι’
(di’)
vanwege
ἣν
(hen)
welke
αἰτίαν
(aitian)
reden
οὕτως
(houtos)
zo
ἐπεφώνουν
(epephonoun)
schreeuwden zij
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Bron: SBLGNT
Plaats
Zie Kazerne (burcht Antonia?; Jeruzalem; ligging onzeker): De kazerne was het Romeinse garnizoen bij de tempel in Jeruzalem.
De overlevering noemt haar de burcht Antonia, aan de noordwesthoek van de tempelberg.
De tekst noemt geen naam; dit is niet zeker.
Uitleg
παρεμβολή (parembole), ‘kazerne’: zie 21:34. χιλίαρχος (chiliarchos), ‘tribuun’: zie 21:31. μάστιξ (mastix), ‘gesel’: een zweep; verhoor onder geseling was een middel om iemand te laten spreken.
Paulus is Romeins burger
25Zij hadden hem met de riemen vastgebonden. Toen zei Paulus tegen de hoofdman over honderd die erbij stond: „Is het u toegestaan een Romein te geselen, en nog wel zonder vonnis?”
ὡς
(hos)
toen
δὲ
(de)
maar
προέτειναν
(proeteinan)
vastbonden
αὐτὸν
(auton)
hem
τοῖς
(tois)
met de
ἱμᾶσιν
(himasin)
riemen
εἶπεν
(eipen)
zei
πρὸς
(pros)
tegen
τὸν
(ton)
de
ἑστῶτα
(hestota)
erbij staande
ἑκατόνταρχον
(hekatontarchon)
hoofdman over honderd
ὁ
(ho)
de
Παῦλος
(Paulos)
Paulus
Εἰ
(Ei)
of
ἄνθρωπον
(anthropon)
man
Ῥωμαῖον
(Rhomaion)
Romeinse
καὶ
(kai)
en
ἀκατάκριτον
(akatakriton)
zonder vonnis
ἔξεστιν
(exestin)
het is toegestaan
ὑμῖν
(hymin)
u
μαστίζειν
(mastizein)
te geselen
Bron: SBLGNT
Uitleg
ἱμᾶσιν (himasin), ‘riemen’: Paulus werd ‘met de riemen’ vastgebonden; het kan ook ‘voor de riemen’ (de zweep) betekenen.
Wij kiezen het eerste. ἑκατοντάρχης (hekatontarches), ‘hoofdman over honderd’: zie 21:32. ἀκατάκριτος (akatakritos), ‘zonder vonnis’.
Een Romeins burger mocht niet zonder vonnis gegeseld worden.
26Toen de hoofdman over honderd dit hoorde, ging hij naar de tribuun en meldde: „Wat gaat u doen? Want deze man is een Romein.”
ἀκούσας
(akousas)
gehoord hebbend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
ἑκατοντάρχης
(hekatontarches)
hoofdman over honderd
προσελθὼν
(proselthon)
naderend
τῷ
(to)
aan de
χιλιάρχῳ
(chiliarcho)
tribuun
ἀπήγγειλεν
(apengeilen)
meldde
λέγων
(legon)
zeggend
Τί
(Ti)
wat
μέλλεις
(melleis)
ga je
ποιεῖν
(poiein)
doen
ὁ
(ho)
de
γὰρ
(gar)
want
ἄνθρωπος
(anthropos)
man
οὗτος
(houtos)
deze
Ῥωμαῖός
(Rhomaios)
Romein
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
27De tribuun kwam naar hem toe en zei tegen hem: „Zeg mij, ben jij een Romein?” Hij zei: „Ja.”
προσελθὼν
(proselthon)
naderend
δὲ
(de)
maar
ὁ
(ho)
de
χιλίαρχος
(chiliarchos)
tribuun
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
tegen hem
Λέγε
(Lege)
zeg
μοι
(moi)
mij
σὺ
(sy)
jij
Ῥωμαῖος
(Rhomaios)
Romein
εἶ
(ei)
ben
ὁ
(ho)
hij
δὲ
(de)
maar
ἔφη
(ephe)
zei
Ναί
(Nai)
ja
Bron: SBLGNT
28De tribuun antwoordde: „Ik heb dit burgerrecht voor veel geld verworven.” Paulus zei: „Maar ik ben het zelfs van geboorte.”
De tribuun heeft het burgerrecht gekocht; Paulus heeft het van zijn geboorte.
Hoe zijn familie eraan kwam, zegt de tekst niet.
29Meteen weken zij die hem zouden verhoren, van hem terug. Ook de tribuun werd bang toen hij besefte dat hij een Romein was en dat hij hem had laten binden.
εὐθέως
(eutheos)
meteen
οὖν
(oun)
dan
ἀπέστησαν
(apestesan)
weken terug
ἀπ’
(ap’)
van
αὐτοῦ
(autou)
hem
οἱ
(hoi)
zij die
μέλλοντες
(mellontes)
stonden op het punt
αὐτὸν
(auton)
hem
ἀνετάζειν
(anetazein)
te ondervragen
καὶ
(kai)
ook
ὁ
(ho)
de
χιλίαρχος
(chiliarchos)
tribuun
δὲ
(de)
maar
ἐφοβήθη
(ephobethe)
werd bang
ἐπιγνοὺς
(epignous)
beseffend
ὅτι
(hoti)
dat
Ῥωμαῖός
(Rhomaios)
Romein
ἐστιν
(estin)
hij is
καὶ
(kai)
en
ὅτι
(hoti)
dat
αὐτὸν
(auton)
hem
ἦν
(en)
hij had
δεδεκώς
(dedekos)
gebonden
Bron: SBLGNT
Paulus voor de Raad
30De volgende dag wilde hij met zekerheid weten waarvan Paulus door de Joden beschuldigd werd. Hij maakte hem los en beval dat de hogepriesters en de hele Raad bijeen zouden komen. Hij bracht Paulus naar beneden en liet hem voor hen staan.
Τῇ
(Te)
de
δὲ
(de)
maar
ἐπαύριον
(epaurion)
volgende dag
βουλόμενος
(boulomenos)
willend
γνῶναι
(gnonai)
weten
τὸ
(to)
het
ἀσφαλὲς
(asphales)
zekere
τὸ
(to)
het
τί
(ti)
wat
κατηγορεῖται
(kategoreitai)
hij beschuldigd wordt
ὑπὸ
(hypo)
door
τῶν
(ton)
de
Ἰουδαίων
(Ioudaion)
Joden
ἔλυσεν
(elysen)
maakte los
αὐτόν
(auton)
hem
καὶ
(kai)
en
ἐκέλευσεν
(ekeleusen)
beval
συνελθεῖν
(synelthein)
samen te komen
τοὺς
(tous)
de
ἀρχιερεῖς
(archiereis)
hogepriesters
καὶ
(kai)
en
πᾶν
(pan)
heel
τὸ
(to)
de
συνέδριον
(synedrion)
Raad
καὶ
(kai)
en
καταγαγὼν
(katagagon)
naar beneden brengend
τὸν
(ton)
de
Παῦλον
(Paulon)
Paulus
ἔστησεν
(estesen)
zette
εἰς
(eis)
voor
αὐτούς
(autous)
hen
Bron: SBLGNT
Uitleg
συνέδριον (synedrion), ‘Raad’: het hoogste Joodse gerechtshof in Jeruzalem; zie Luc. 22:66.
De tribuun wil weten wat de beschuldiging is en brengt Paulus daarom voor de Raad.