Elohim Bijbel

Jasher 54

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

Juda en Jozef

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Juda treedt naar voren

1Toen Juda zag wat Jozef met hen deed, trad Juda naar hem toe, brak de deur open en kwam met zijn broers voor Jozef.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כראות
(kir'ot)
toen hij zag
יהודה
(Yehudah)
Juda
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מעשה
(ma'aseh)
het doen van
יוסף
(Yosef)
Jozef
איתם
(ittam)
met hen
ויגש
(vayyigash)
en naderde
אליו
(elav)
naar hem
יהודה
(Yehudah)
Juda
וישבור
(vayishbor)
en brak
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדלת
(hadelet)
de deur
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
עם
(im)
met
אחיו
(achiv)
zijn broers
לפני
(lifnei)
voor
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 44:18 (‘Toen trad Juda naar hem toe’).

Dat Juda de deur openbrak, staat niet in Genesis.

2Juda zei tegen Jozef: „Laat het niet kwaad zijn in de ogen van mijn heer; mag je dienaar toch een woord voor je spreken?” Jozef zei tegen hem: „Spreek.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
niet
יחר
(yichar)
ontbrande
בעיני
(be'einei)
in de ogen van
אדוני
(adoni)
mijn heer
ידבר
(yedabber)
laat spreken
נא
(na)
toch
עבדך
(avdekha)
je dienaar
דבר
(davar)
een woord
לפניך
(lefanekha)
voor je
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
לו
(lo)
tot hem
יוסף
(Yosef)
Jozef
דבר
(davar)
spreek
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 44:18 (‘Och, mijn heer, laat uw dienaar toch een woord spreken in de oren van mijn heer’).

Zie ookGen 44:18
3Juda sprak voor Jozef, terwijl zijn broers daar voor hen stonden. Juda zei tegen Jozef: „Immers, in het begin, toen wij tot mijn heer kwamen om voedsel te kopen, stelde je ons aan als spionnen van het land, en wij brachten Benjamin, onze broer, voor je; en je drijft vandaag nog steeds de spot met ons.
וידבר
(vayedabber)
en hij sprak
יהודה
(Yehudah)
Juda
לפני
(lifnei)
voor
יוסף
(Yosef)
Jozef
ואחיו
(ve'achiv)
en zijn broers
עומדים
(omdim)
staande
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
שם
(shem)
daar
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
הלא
(halo)
immers
בתחילה
(battechillah)
in het begin
כאשר
(ka'asher)
toen
באנו
(ba'nu)
wij zijn gekomen
אל
(el)
tot
אדוני
(adoni)
mijn heer
לשבור
(lishbor)
om graan te kopen
אוכל
(ukhal)
voedsel
ותשם
(vatasem)
en je stelde
אותנו
(otanu)
ons
כמרגלים
(kimragelim)
als spionnen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הארץ
(ha'arets)
het land
ונביא
(venavi)
en wij brengen
לפניך
(lefanekha)
voor je
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בנימין
(binyamin)
Benjamin
אחינו
(acheinu)
onze broer
ועודך
(veodkha)
en nog steeds
מתעולל
(mitolel)
drijf je spot
עלינו
(aleinu)
met ons
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 42:9–14 (de beschuldiging van spionnen) en Gen. 44:19 (‘Mijn heer vroeg zijn dienaren: hebt u een vader of een broer?’).

4Nu dan, moge de koning mijn woorden horen en onze broer laten gaan, zodat hij met ons meegaat, opdat je leven niet verloren gaat, en het leven van alle bewoners van Egypte, op deze dag.
ועתה
(ve'attah)
en nu
ישמע
(yishma)
moge horen
נא
(na)
toch
המלך
(hammelekh)
de koning
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
ושלח
(veShelach)
en zend
נא
(na)
toch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
וילך
(vayelekh)
dat hij ga
לו
(lo)
zich
פן
(pen)
opdat niet
תאבד
(te'abbed)
laat omkomen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשך
(nafshekha)
je leven
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
נפש
(nefesh)
het leven van
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

5Weet je niet wat mijn twee broers, Simeon en Levi, gedaan hebben aan de stad Sichem en aan zeven steden van de Amorieten, vanwege Dina, onze zus? En wat zullen zij zelfs doen vanwege Benjamin, hun broer?
הלא
(halo)
immers
ידעת
(yada'ta)
weet je
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
die
עשו
(asu)
deden
שני
(shenei)
twee
אחיי
(achai)
mijn broers
שמעון
(Shim'on)
Simeon
ולוי
(uLevi)
en Levi
אל
(el)
aan
עיר
(ir)
stad
שכם
(Shekhem)
Sichem
ושל
(veshel)
en aan
שבעת
(sheva)
zeven
ערי
('eri)
steden van
האמורי
(ha'emori)
de Amorieten
בעבור
(ba'avur)
vanwege
דינה
(Dinah)
Dina
אחותינו
(achotenu)
onze zus
ואף
(ve'af)
en zelfs
מה
(mah)
wat
יעשו
(ya'asu)
zullen zij doen
בעבור
(ba'avur)
vanwege
בנימין
(binyamin)
Benjamin
אחיהם
(achihem)
hun broer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:25–27 (Simeon en Levi sloegen de mannen van Sichem vanwege Dina).

Hier ‘zeven steden van de Amorieten’; in Jasher 52:36 staan ‘acht steden’.

6En ik ben met mijn kracht sterker en groter dan die beiden, deze dag, tegen jou en tegen heel je land, als je niet bereid bent onze broer te zenden.
ואני
(va'ani)
en ik
בכחי
(bekochi)
met mijn kracht
חזק
(chazaq)
sterk
וגדול
(vegadol)
en groot
משניהם
(mishneihem)
dan beiden
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
עליך
(aleikha)
tegen jou
ועל
(ve'al)
en tegen
כל
(kol)
alle
ארצך
(artsekha)
je land
אם
(em)
als
לא
(lo)
niet
תאבה
(tove)
je bereid bent
לשלוח
(lishloach)
te zenden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
7Heb je niet gehoord wat onze Elohim, die ons uitgekozen heeft, aan de farao deed vanwege Sara, onze moeder, die hij van bij onze vader nam? Hij sloeg hem en zijn huis met grote plagen, zodat heel Egypte tot op deze dag dit wonder aan elkaar vertelt. Zo zal onze Elohim je doen vanwege Benjamin, die je vandaag van zijn vader genomen hebt, en vanwege het kwaad dat je vandaag op ons stapelt in je land. Want onze Elohim zal zijn verbond met Abraham, onze vader, gedenken en kwaad over je brengen, omdat je vandaag de ziel van onze vader bedroefd hebt.
הלא
(halo)
niet
שמעת
(shamata)
je hebt gehoord
אשר
(asher)
wat
עשה
(asah)
heeft gedaan
אלוקינו
(elohenu)
onze Elohim
אשר
(asher)
die
בחר
(bachar)
koos
בנו
(beno)
ons
לפרעה
(lefar'oh)
aan de farao
בעבור
(ba'avur)
vanwege
שרה
(sarah)
Sarah
אמנו
(imenu)
onze moeder
אשר
(asher)
die
לקחה
(laqchah)
hij nam haar
מעם
(me'im)
van bij
אבינו
(avinu)
onze vader
אשר
(asher)
dat
הכה
(hikkah)
sloeg
אותן
(otan)
hem
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
ביתו
(beito)
zijn huis
בנגעים
(bineagim)
met plagen
גדולים
(gedolim)
grote
אשר
(asher)
zodat
עוד
(od)
nog
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
מספרים
(mesaprim)
vertellen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הפליאה
(hapliah)
het wonder
הזאת
(hazzo't)
deze
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
עד
(ad)
tot
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
כן
(ken)
zo
יעשה
(ya'aseh)
zal doen
לך
(lekha)
aan jou
אלוקינו
(elohenu)
onze Elohim
על
(al)
vanwege
בנימין
(binyamin)
Benjamin
אשר
(asher)
die
לקחת
(laqachat)
je hebt genomen
מאביו
(me'aviv)
van zijn vader
היום
(hayyom)
vandaag
ועל
(ve'al)
en vanwege
הרעות
(hara'ot)
het kwaad
אשר
(asher)
waarmee
אתה
(attah)
jij
מתגולל
(mitgolel)
op ons stapelt
עלינו
(aleinu)
over ons
בארצך
(beartsekha)
in je land
היום
(hayyom)
vandaag
כי
(ki)
want
יזכור
(yizkor)
zal gedenken
אלוקינו
(elohenu)
onze Elohim
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בריתו
(berito)
zijn verbond
עם
(im)
met
אברהם
(avraham)
Abraham
אבינו
(avinu)
onze vader
והביא
(vehevi)
en zal brengen
עליך
(aleikha)
jou
רעה
(ra'ah)
kwaad
בעבור
(ba'avur)
omdat
אשר
(asher)
dat
דאגת
(daagta)
je hebt bedroefd
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפש
(nefesh)
ziel van
אבינו
(avinu)
onze vader
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 12:17 (Yahweh sloeg de farao en zijn huis met grote plagen vanwege Sarai, de vrouw van Abram).

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookGen 12:17
8Hoor nu mijn woorden die ik vandaag tot je gesproken heb, en zend onze broer, dat hij gaat, opdat jij en je land niet sterven door het zwaard, want jullie allen kunnen niets tegen mij.”
ועתה
(ve'attah)
en nu
שמע
(shema)
hoor
נא
(na)
toch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
אשר
(asher)
die
דיברתי
(dibbarti)
ik heb gesproken
אליך
(elekha)
tot je
היום
(hayyom)
vandaag
ושלח
(veShelach)
en zend
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
וילך
(vayelekh)
dat hij ga
לו
(lo)
zich
פן
(pen)
opdat niet
תומת
(tumat)
sterf je
אתה
(attah)
jij
וארצך
(veartsekha)
en je land
בחרב
(bacherev)
met het zwaard
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
תוכלו
(tuchlu)
jullie kunnen
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
עליי
(alay)
tegen mij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het woordenspel van kracht

9Jozef antwoordde Juda: „Waarom heb je je mond zo wijd opengedaan in al deze woorden, en pronk je tegen ons met de woorden: ‘Er is kracht bij je’? Zo waar de farao leeft, als ik al mijn helden beveel om met jullie te vechten, dan zul jij en deze broers van je wegzinken in het slijk.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
—
יהודה
(Yehudah)
Juda
לאמור
(lemor)
zeggende
למה
(lammah)
waarom
הרחבת
(hirchavta)
heb je wijd geopend
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פיך
(pikha)
je mond
בכל
(bekhol)
in heel
הדברים
(haddevarim)
de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
ותתפאר
(vatitpaer)
en pronk je
עלינו
(aleinu)
over ons
לאמור
(lemor)
zeggende
יש
(yesh)
is er
איתך
(ittekha)
met je
גבורה
(gevurah)
kracht
חי
(chai)
zo waar leeft
פרעה
(par'oh)
Farao
לו
(lo)
als
צויתי
(tsivviti)
ik beveel
עליכם
(aleikhem)
over jullie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
גיבוריי
(gibbotai)
mijn helden
להילחם
(lehillachem)
te vechten
איתכם
(ittekhem)
met jullie
הלא
(halo)
immers
תטבע
(titba)
zult wegzinken
ברוקם
(beroqam)
in het slijk
אתה
(attah)
jij
ואחיך
(veachikha)
en je broers
אלה
(elleh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
10Juda zei tegen Jozef: „Past het jou en je mannen niet om mij te vrezen? Zo waar Yahweh leeft: als ik mijn zwaard eenmaal trek, laat ik het niet leeg terugkeren, totdat ik vandaag heel Egypte gedood heb. Ik begin bij jou en eindig bij de farao, je heer.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
הלא
(halo)
immers
לך
(lekha)
aan jou
ולאנשיך
(ule'anashekha)
en aan je mannen
לירוא
(liro)
te vrezen
מפניי
(mipanai)
voor mij
חי
(chai)
zo waar leeft
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
כי
(ki)
dat
אם
(em)
als
שלפתי
(shalaphti)
ik trek
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חרבי
(charbi)
mijn zwaard
לא
(lo)
niet
השיבותיה
(hashivotiyah)
laat ik het terugkeren
ריקם
(reiqam)
leeg
עד
(ad)
totdat
אם
(em)
—
הרגתי
(haragti)
ik gedood heb
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ואחל
(veachel)
en ik begin
ממך
(mimmekha)
bij jou
ואכלה
(veakhaleh)
en ik maak een einde
בפרעה
(befarah)
bij de farao
אדוניך
(adonekha)
je heer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

11Jozef antwoordde en zei tegen hem: „De kracht is niet alleen bij jou; ook ik ben machtig en sterker dan jij. Als je je zwaard trekt, breng ik het terug op je nek en op de nek van al deze broers van je.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליו
(elav)
tegen hem
הלא
(halo)
immers
לא
(lo)
niet
לבדך
(levadekha)
alleen bij jou
היא
(hi)
is
הגבורה
(hagevurah)
de kracht
גם
(gam)
ook
אנוכי
(anokhi)
ik
גיבור
(gibbor)
machtig
וחזק
(vechazaq)
en sterk
ממך
(mimmekha)
van jou
הלא
(halo)
immers
אם
(em)
als
הוצאת
(hotset)
je trekt
את
(et)
(lijdend voorwerp)
חרבך
(charbekha)
je zwaard
אשיב
(ashiv)
zal ik terugbrengen
אותה
(otah)
haar
אל
(el)
op
צוארך
(tsavarkha)
je nek
ואל
(ve'el)
en op
צואר
(tsavar)
de nek van
כל
(kol)
alle
אחיך
(achikha)
je broers
אלה
(elleh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
12Juda zei tegen hem: „Als ik vandaag mijn mond wijd tegen je open, dan heb ik je verslonden en word je van de aarde weggevaagd en ga je vandaag verloren uit je koninkrijk.” Jozef antwoordde: „Als je je mond opent, heb ik kracht en macht om je mond te sluiten met een grote steen, tot je geen woord meer kunt spreken. Zie hoeveel stenen er voor ons liggen; ik kan een steen nemen en die in je mond duwen en je kaken breken.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליו
(elav)
tegen hem
יהודה
(Yehudah)
Juda
הלא
(halo)
immers
אם
(em)
als
פתוח
(patoach)
wijd
אפתח
(eftach)
open
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פי
(pi)
mijn mond
עליך
(aleikha)
tegen jou
היום
(hayyom)
vandaag
עליך
(aleikha)
tegen jou
כי
(ki)
dan
עתה
(attah)
nu
בלעתיך
(bela'tikha)
heb ik je verslonden
ותיכחד
(vetikkhad)
en je wordt weggevaagd
מן
(min)
uit
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ותאבד
(vetovad)
en je gaat verloren
היום
(hayyom)
vandaag
ממלכותך
(mimmalkhutekha)
uit je koninkrijk
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
הלא
(halo)
immers
אם
(em)
als
תפתח
(tiftach)
je opent
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פיך
(pikha)
je mond
יש
(yesh)
is er
איתי
(itti)
bij mij
כח
(koach)
kracht
וגבורה
(ugevurah)
en macht
לסתום
(listom)
te sluiten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פיך
(pikha)
je mond
באבן
(ba'even)
met een steen
גדולה
(gedolah)
grote
עד
(ad)
tot
כי
(ki)
dat
לא
(lo)
niet
תוכל
(tukhal)
kan
לדבר
(laddavar)
om te spreken
דבר
(davar)
een woord
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
13Juda zei: „Elohim is getuige tussen ons dat wij tot nu toe geen strijd met je hebben gezocht; geef ons alleen onze broer, dan gaan wij van je weg.” Jozef antwoordde en zei: „Zo waar de farao leeft: al kwamen alle koningen van Kanaän samen met jullie, jullie zullen hem niet uit mijn hand nemen.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
עד
(ad)
getuige
האלהים
(ha'Elohim)
Elohim
בינינו
(beineinu)
tussen ons
כי
(ki)
dat
לא
(lo)
niet
בקשנו
(biqqashnu)
wij hebben gezocht
מלחמותיך
(milchamotekha)
je oorlogen
מאז
(me'az)
van toen af
ועד
(ve'ad)
en tot
עתה
(attah)
nu
אך
(akh)
alleen
תנה
(tenah)
geef
לנו
(lanu)
voor ons
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
ונלכנו
(venelkhenu)
dan gaan wij
מאתך
(me'ittekha)
van jou
ויען
(vaya'an)
en hij antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
חי
(chai)
zo waar leeft
פרעה
(par'oh)
Farao
כי
(ki)
ook
אם
(em)
al
יבאו
(yavo'u)
zullen komen
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
עמכם
(immakhem)
met jullie
יחד
(yachad)
samen
לא
(lo)
niet
לקחתם
(lekachtem)
zullen nemen
אותו
(oto)
hem
מידי
(miyyadi)
uit mijn hand
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Lezing

Dit vers ontbreekt in de Hebreeuwse tekst van Livorno 1870 (het komt overeen met v. 20–21).

Zij is vertaald uit de Jeruzalemse druk van Sefer haYashar (deel Vajigasj), waar ze wel staat.

14„Nu dan, ga heen naar jullie vader; maar jullie broer zal mijn slaaf zijn, want hij heeft het huis van de koning bestolen.” Juda zei: „Wat gaat het jou en de naam van een koning aan? De koning stuurt toch uit zijn huis heel het land zilver en goud in grote hoeveelheid, hetzij als gift, hetzij als verlies. En jij praat nog steeds over je beker, die je zelf in de zak van onze broer legde, en je zegt dat hij die van jou gestolen heeft.
עתה
(attah)
nu
לכו
(lekhu)
gaat
לכם
(lakhem)
heen
לדרככם
(ledarkekhem)
op jullie weg
אל
(el)
tot
אביכם
(avikhem)
jullie vader
ואחיכם
(ve'achikhem)
en jullie broer
יהיה
(yihyeh)
zal zijn
לי
(li)
voor mij
עבד
(eved)
slaaf
כי
(ki)
want
גנב
(ganav)
heeft gestolen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בית
(bet)
het huis van
המלך
(hammelekh)
de koning
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
מה
(mah)
wat
לך
(lekha)
aan jou
ולשם
(veleshem)
en aan de naam van
מלך
(malakh)
koning
הלא
(halo)
immers
המלך
(hammelekh)
de koning
יוציא
(yotsi)
zendt uit
מביתו
(mibbeto)
uit zijn huis
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
heel
הארץ
(ha'arets)
het land
כסף
(kesef)
zilver
וזהב
(vezahav)
en goud
הרבה
(harbeh)
zeer veel
מאוד
(me'od)
zeer
אם
(em)
hetzij
במתן
(bemattan)
als gift
אם
(em)
hetzij
באבידה
(be'avedah)
als verlies
ואתה
(ve'attah)
en jij
עודך
(odkha)
nog
מדבר
(medabber)
spreek je
על
(al)
over
גביעך
(gevi'ekha)
je beker
אשר
(asher)
die
נתת
(natata)
je legde
אתה
(attah)
jij
באמתחת
(beamtachat)
in de zak van
אחינו
(acheinu)
onze broer
ותאמר
(vatomer)
en zegt
כי
(ki)
dat
גנב
(ganav)
heeft gestolen
אותו
(oto)
hem
מאיתך
(me'itkha)
van jou
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

Het begin van dit vers (עתה לכו לכם … כי גנב את בית המלך, ‘Nu dan, gaat heen … want hij heeft het huis van de koning bestolen’) ontbreekt in Livorno en is aangevuld uit de Jeruzalemse druk; zie de noot bij v. 13.

15Het is ondenkbaar, het is ondenkbaar dat Benjamin, onze broer, of het nageslacht van Abraham dit zou doen: stelen van jou of van een ander, hetzij van een koning, hetzij van een vorst, of van wie ook.
חלילה
(chalila)
ver zij het
חלילה
(chalila)
ver zij het
לבנימין
(livnyamin)
van Benjamin
אחינו
(acheinu)
onze broer
ולזרע
(velezera)
en van het nageslacht van
אברהם
(avraham)
Abraham
מעשות
(me'asot)
te doen
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לגנוב
(lignov)
te stelen
מאיתך
(me'itkha)
van jou
או
(o)
of
מזולתך
(mizulatekha)
van een ander dan jou
אם
(em)
hetzij
ממלך
(mimmelekh)
van een koning
אם
(em)
hetzij
או
(o)
of
שר
(sar)
een vorst
או
(o)
of
מכל
(mikkol)
van elke
האדם
(ha'adam)
de mens
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
16Houd nu op met dit woord, opdat niet heel het land je woorden hoort: ‘Om een beetje zilver heeft de koning van Egypte gestreden tegen mannen en ruzie met hen gemaakt en hun broer tot slaaf genomen.’”
ועתה
(ve'attah)
en nu
דום
(dom)
houd op
לך
(lekha)
jezelf
מהדבר
(min haddavar)
van dit woord
הזה
(hazzeh)
deze
פן
(pen)
opdat niet
ישמעו
(yishme'u)
zouden horen
דבריך
(devarekha)
je woorden
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
het land
לאמור
(lemor)
zeggende
על
(al)
om
כסף
(kesef)
zilver
מעט
(me'at)
een beetje
נלחם
(nilcham)
heeft gestreden
מלך
(malakh)
koning van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
עם
(im)
met
אנשים
(anashim)
mannen
ויתגולל
(vayitgolel)
en ruzie maakte
עליהם
(aleihem)
over hen
ויקח
(vayikkach)
en nam
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיהם
(achihem)
hun broer
לעבד
(le'eved)
tot slaaf
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

17Jozef antwoordde en zei: „Neem deze beker voor jullie, ga van mij weg en laat jullie broer als slaaf achter, want het recht van de dief is slaaf te zijn.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
קחו
(qechu)
neem
לכם
(lakhem)
voor jullie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הגביע
(hagavia)
de beker
הזה
(hazzeh)
deze
ולכו
(ulkhu)
en gaat
מעליי
(me'alai)
van mij
ועזבו
(ve'izvu)
en laat achter
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
לעבד
(le'eved)
tot slaaf
כי
(ki)
want
משפט
(mishpat)
het recht van
הגנב
(hagannav)
de dief
להיות
(lihyot)
te zijn
עבד
(eved)
slaaf
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
18Juda zei: „Schaam je je niet voor je woorden, om onze broer achter te laten en je beker te nemen? Zelfs als je ons je beker duizend keer geeft, laten wij onze broer niet achter voor zilver dat bij wie dan ook gevonden wordt, en al zouden wij voor hem sterven.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
למה
(lammah)
waarom
לא
(lo)
niet
תבוש
(tavosh)
schaam je
בדבריך
(bidvarekha)
voor je woorden
לעזוב
(la'azov)
te verlaten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
ולקחת
(velaqachat)
en te nemen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
גביעך
(gevi'ekha)
je beker
והלא
(vehalo)
en niet
אם
(em)
zelfs als
תיתן
(titten)
je geeft
לנו
(lanu)
voor ons
כגביעך
(kegavi'ekha)
als je beker
אלף
(elef)
duizend
פעמים
(pe'amim)
maal
לא
(lo)
niet
נעזוב
(na'azov)
laten wij achter
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
על
(al)
voor
כסף
(kesef)
zilver
הנמצא
(hanimtsa)
dat gevonden wordt
ביד
(beyad)
in de hand van
כל
(kol)
ieder
האדם
(ha'adam)
de mens
ולו
(velo)
en al
נמות
(namut)
sterven wij
עליו
(alav)
om hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
19Jozef antwoordde en zei: „En waarom hebben jullie jullie broer verlaten en hem tot op deze dag voor twintig zilverstukken verkocht? En waarom doen jullie niet hetzelfde ook aan deze broer?”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
ולמה
(velamah)
en waarom
עזבתם
(azavtem)
hebben jullie verlaten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
ותמכרו
(vatimkeru)
en verkochten
אותו
(oto)
hem
בעשרים
(be'esrim)
voor twintig
כסף
(kesef)
zilver
עד
(ad)
tot
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
ולמה
(velamah)
en waarom
לא
(lo)
niet
תעשו
(ta'asu)
doen jullie
כן
(ken)
zo
גם
(gam)
ook
לאחיכם
(le'acheikhem)
aan jullie broer
זה
(ze)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
20Juda zei: „Yahweh is getuige tussen mij en jou dat wij je strijd niet wensen. Geef ons nu onze broer, dan gaan wij van je weg zonder oorlog.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
עד
(ad)
getuige
ביני
(beni)
tussen mij
ובינך
(uveinekha)
en jou
כי
(ki)
dat
לא
(lo)
niet
חפצנו
(chefsenu)
wensen wij
במלחמתך
(bemilchamtekha)
in je strijd
עתה
(attah)
nu
תנה
(tenah)
geef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
והלכנו
(vehalakhnu)
en wij zullen gaan
מאיתך
(me'itkha)
van jou
בלא
(bilo)
zonder
מלחמה
(milchamah)
oorlog
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
21Jozef antwoordde en zei: „Al verzamelden jullie alle koningen van het land, dan zouden zij jullie broer niet uit mijn hand kunnen nemen.” Juda zei: „Wat zullen wij tegen onze vader zeggen, wanneer hij ziet dat onze broer niet met ons komt, en zich zorgen maakt om hem?”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
האסף
(he'asef)
al verzamelden
תאספו
(te'esfu)
jullie verzamelen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
הארץ
(ha'arets)
het land
לא
(lo)
niet
יוכלו
(yukhlu)
zullen vermogen
להם
(lahem)
zij
לקחת
(laqachat)
om te nemen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
מידי
(miyyadi)
uit mijn hand
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
מה
(mah)
wat
נאמר
(nomar)
zullen wij zeggen
לאבינו
(le'avinu)
tot onze vader
בראותו
(bir'oto)
wanneer hij ziet
כי
(ki)
want
אין
(ein)
niet
אחינו
(acheinu)
onze broer
בא
(ba)
komt
איתנו
(ittanu)
met ons
ודאג
(vedaag)
en zich zorgen maakt
עליו
(alav)
om hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
22Jozef antwoordde en zei: „Dit is het woord dat jullie tot jullie vader zullen zeggen: ‘Het touw is de emmer nagegaan.’”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
זה
(ze)
dit
הדבר
(haddavar)
de zaak
אשר
(asher)
die
תדברו
(tedaberu)
zullen jullie zeggen
אל
(el)
tot
אביכם
(avikhem)
jullie vader
לאמור
(lemor)
zeggende
הלך
(halakh)
ging
החבל
(hechevel)
het touw
אחר
(acher)
achter
הדלי
(hadli)
de emmer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

הלך החבל אחר הדלי (‘het touw is de emmer nagegaan’): een zegswijze.

Zoals de Engelse vertaling (‘The rope has gone after the bucket’); naar de zin: na Jozef is nu ook Benjamin verloren.

23Juda zei: „Je bent toch een koning, en waarom spreek je zulke woorden, een valse rechtspraak? Wee de koning die zal zijn zoals jij!”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
הלא
(halo)
immers
מלך
(malakh)
koning
אתה
(attah)
jij
ולמה
(velamah)
en waarom
תדבר
(tedabber)
spreek je
כדברים
(kadevarim)
zulke woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
משפט
(mishpat)
recht
שקר
(sheqer)
leugen
אוי
(oy)
wee
למלך
(lammelekh)
de koning
אשר
(asher)
die
יהיה
(yihyeh)
zal zijn
כמוך
(kamokha)
zoals jij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
24Jozef antwoordde en zei: „Er is geen valse rechtspraak in het woord dat jullie gesproken hebben over jullie broer Jozef. Want jullie allen hebben hem voor twintig zilverstukken aan de Midianieten verkocht, en jullie allen hebben het tegenover jullie vader ontkend en tegen hem gezegd: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten, Jozef is verscheurd.’”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אין
(ein)
er is geen
משפט
(mishpat)
recht
שקר
(sheqer)
leugen
בדבר
(bedabber)
in het woord
אשר
(asher)
die
דיברתם
(dibbartem)
jullie hebben gesproken
בעבור
(ba'avur)
vanwege
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
יוסף
(Yosef)
Jozef
כי
(ki)
want
מכרתם
(mekhartem)
jullie hebben verkocht
אותו
(oto)
hem
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
למדינים
(lamedanim)
aan de Midianieten
בעשרים
(be'esrim)
voor twintig
כסף
(kesef)
zilver
ותכחשו
(vatekhachashu)
en jullie ontkenden
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
אל
(el)
tegen
אביכם
(avikhem)
jullie vader
ותאמרו
(vatomru)
en jullie zeiden
לו
(lo)
voor hem
חיה
(chayyah)
dier
רעה
(ra'ah)
wild
אכלתהו
(achalatu)
heeft hem opgegeten
טרוף
(taruf)
verscheurd
טורף
(toraf)
is verscheurd
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:28 (zij verkochten Jozef aan de Ismaëlieten voor twintig zilverstukken; Midianitische kooplieden trokken hem uit de put) en Gen. 37:33 (‘Een wild dier heeft hem opgegeten’).

25Juda zei: „Zie, het vuur van Sichem brandt in mijn hart. Nu verbrand ik jullie en heel jullie land met vuur!” Jozef antwoordde en zei: „Het vuur van Tamar, je schoondochter, die je zonen doodde, dooft toch het vuur van Sichem!”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
הנה
(hinneh)
zie
אש
(esh)
het vuur van
שכם
(Shekhem)
Sichem
נבערה
(nivarah)
brandt
בלבי
(belibbi)
in mijn hart
עתה
(attah)
nu
אשרוף
(esrof)
ik verbrand
אתכם
(etkhem)
jullie
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
ארצכם
(artsekhem)
jullie land
באש
(ba'esh)
met vuur
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
הלא
(halo)
immers
אש
(esh)
het vuur van
תמר
(tamar)
Tamar
כלתך
(kallatekha)
je schoondochter
אשר
(asher)
die
הרגה
(hargah)
doodde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בניך
(banekha)
je zonen
מכבה
(mekhabbah)
dooft
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אש
(esh)
vuur
שכם
(Shekhem)
Sichem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34 (Sichem) en Gen. 38:6–10 (Tamar; Er en Onan).

Volgens Gen. 38:7 en 38:10 doodde Yahweh Er en Onan; hier wordt dit aan Tamar toegeschreven.

26Juda zei: „Zo waar Yahweh leeft: als ik één haar uit mijn vlees trek, dan zal ik heel Egypte met het bloed ervan vullen.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
חי
(chai)
zo waar leeft
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
כי
(ki)
dat
אם
(em)
als
הסירותי
(hasirothi)
ik uittrek
מבשרי
(mibbesari)
uit mijn vlees
שיער
(se'ar)
haar
אחד
(echad)
één
עד
(ad)
dan
מילאתי
(milleti)
zal ik vullen
בדמה
(bedamah)
met het bloed ervan
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

27Jozef antwoordde en zei: „Zo is jullie gewoonte, te doen zoals jullie gedaan hebben aan jullie broer die jullie verkochten, en jullie dompelden zijn rok in bloed en brachten die aan jullie vader, opdat hij zou zeggen: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten’, en zie, zijn bloed zit op zijn rok.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
כן
(ken)
zo
משפטכם
(mishpatkhem)
jullie gewoonte
לעשות
(la'asot)
om te doen
כאשר
(ka'asher)
zoals
עשיתם
(asitem)
jullie hebben gedaan
לאחיכם
(le'acheikhem)
aan jullie broer
אשר
(asher)
die
מכרתם
(mekhartem)
jullie hebben verkocht
ותטבלו
(vatitbelu)
en dompelden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כתונתו
(kutnoto)
zijn rok
בדם
(bedam)
in bloed
ותביאו
(vatavi'u)
en brachten
אותה
(otah)
die
אל
(el)
tot
אביכם
(avikhem)
jullie vader
בעבור
(ba'avur)
opdat
יאמר
(yomar)
hij zou zeggen
חיה
(chayyah)
dier
רעה
(ra'ah)
wild
אכלתהו
(achalatu)
heeft hem opgegeten
והנה
(vehinneh)
en zie
דמו
(damo)
zijn bloed
בכתונתו
(bekutnoto)
op zijn rok
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:31–33 (zij doopten de rok in bloed en brachten die naar hun vader).

De steen van Juda

28Toen Juda dit woord hoorde, ontbrandde zijn toorn zeer en zijn woede brandde in hem. Er lag voor hem op die plaats één steen die ongeveer vierhonderd sjekel woog. De toorn van Juda ontbrandde, hij nam de steen in zijn ene hand, wierp hem naar de hemel en ving hem op in zijn andere, linkerhand.
וישמע
(vayishma)
en hoorde
יהודה
(Yehudah)
Juda
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויחר
(vayyichar)
en ontbrandde
אפו
(appo)
zijn toorn
מאוד
(me'od)
zeer
וחמתו
(vechamato)
en zijn woede
בערה
(ba'arah)
brandde
בו
(bo)
in hem
ותהי
(vatehi)
en er was
לפניו
(lefanav)
voor hem
במקום
(bamaqom)
op de plaats
ההוא
(hahu)
die
אבן
(even)
steen
אחת
(achat)
één
משקלה
(mishqalah)
het gewicht ervan
כארבע
(ke'arba)
ongeveer vier
מאות
(me'ot)
honderd
שקל
(sheqel)
sikkel
ויחר
(vayyichar)
en ontbrandde
אף
(af)
toorn
יהודה
(Yehudah)
Juda
ויקח
(vayikkach)
en hij nam
את
(et)
(lijdend voorwerp)
האבן
(ha'even)
de steen
בידו
(beyado)
in zijn hand
האחת
(ha'achat)
de ene
ויזרקה
(vayizreqah)
en wierp haar
השמימה
(hashamaymah)
naar de hemel
ויקבלה
(vayeqabbelah)
en ving haar op
בידו
(beyado)
in zijn hand
השנית
(hashenit)
de andere
השמאלית
(hasemalit)
de linker
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Een sjekel is ongeveer 11,4 gram; vierhonderd sjekel is dus ongeveer 4,5 kilogram.

29Daarna legde hij hem onder zijn voeten en vermaalde hem met de hitte van zijn kracht, en de steen werd stof door de kracht van Juda.
ויתן
(vayitten)
en zette
אותה
(otah)
haar
אחרי
(acharei)
na
כן
(ken)
zo
תחת
(tachat)
onder
רגליו
(raglav)
zijn voeten
וידק
(vayedaq)
en vermaalde
אותה
(otah)
haar
בחמת
(bechamat)
met de hitte van
כוחו
(kocho)
zijn kracht
ותהי
(vatehi)
en werd
האבן
(ha'even)
de steen
לעפר
(le'afar)
tot stof
מכח
(mikkoach)
door de kracht van
יהודה
(Yehudah)
Juda
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
30Jozef zag wat Juda deed en vreesde zeer, maar hij gebood Manasse, zijn zoon, en ook deze deed hetzelfde met een andere steen, zoals het werk van Juda. Juda zei tegen zijn broers: „Laat niemand van jullie zeggen dat deze man een Egyptenaar is, maar hij is door dit te doen uit de familie van onze vader.”
וירא
(vayyera)
en hij zag
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מעשה
(ma'aseh)
het werk van
יהודה
(Yehudah)
Juda
ויירא
(vayira)
en hij vreesde
מאוד
(me'od)
zeer
אך
(akh)
maar
ציוה
(tsiwwah)
had geboden
אל
(el)
aan
מנשה
(menasheh)
Manasse
בנו
(beno)
zijn zoon
ויעש
(vayya'as)
en hij deed
גם
(gam)
ook
הוא
(hu)
hij
באבן
(ba'even)
met een steen
אחרת
(acheret)
een andere
כמעשה
(kemma'aseh)
zoals het werk
יהודה
(Yehudah)
Juda
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
אל
(el)
niet
יאמר
(yomar)
zeggen
איש
(ish)
een man
מכם
(mikkem)
van jullie
כי
(ki)
dat
האיש
(ha'ish)
de man
הזה
(hazzeh)
deze
מצרי
(mitsri)
een Egyptenaar
הוא
(hu)
hij
כי
(ki)
maar
אם
(em)
—
ממשפחת
(mimmishpachat)
uit de familie van
אבינו
(avinu)
onze vader
הוא
(hu)
hij
בעשותו
(be'asoto)
door zijn doen
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
31Jozef zei: „Is de kracht niet alleen aan jullie gegeven? Ook wij zijn helden, en waarom pochen jullie allemaal tegen ons?” Juda zei tegen Jozef: „Zend toch onze broer en verwoest je land niet op deze dag.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יוסף
(Yosef)
Jozef
הלא
(halo)
niet
לבדכם
(levaddekhem)
alleen voor jullie
ניתנה
(nittenah)
is gegeven
הגבורה
(hagevurah)
de kracht
כי
(ki)
want
גם
(gam)
ook
אנחנו
(anachnu)
wij
גיבורים
(gibborim)
helden
ולמה
(velamah)
en waarom
תתפארו
(titpaaru)
pochen jullie
עלינו
(aleinu)
over ons
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
שלח
(Shelach)
zend
נא
(na)
toch
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחינו
(acheinu)
onze broer
ואל
(ve'el)
en niet
תחריב
(tacharib)
verwoest
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ארצך
(artsekha)
je land
היום
(hayyom)
vandaag
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
32Jozef antwoordde en zei tegen hen: „Ga en zeg tegen jullie vader: ‘Een wild dier heeft hem opgegeten’, zoals jullie over Jozef, jullie broer, gezegd hebben.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
לכו
(lekhu)
gaat
אמרו
(ameru)
zegt
אל
(el)
tot
אביכם
(avikhem)
jullie vader
חיה
(chayyah)
dier
רעה
(ra'ah)
wild
אכלתהו
(achalatu)
heeft hem opgegeten
כאשר
(ka'asher)
zoals
אמרתם
(amartem)
jullie hebben gezegd
על
(al)
over
יוסף
(Yosef)
Jozef
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Naftali telt de markten

33Juda wendde zich tot Naftali, zijn broer, en zei tegen hem: „Haast je toch, ga en tel de markten van heel Egypte, kom en vertel het mij.” Simeon zei tegen hem: „Laat dit je niet tot last zijn; nu ga ik naar het gebergte, neem één grote steen van het gebergte op, leg die op heel Egypte en dood alles wat erin is.”
ויפן
(vayyifen)
en wendde zich
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tot
נפתלי
(Naftali)
Naftali
אחיו
(achiv)
zijn broer
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליו
(elav)
tegen hem
מהר
(maher)
haast je
לך
(lekha)
ga
נא
(na)
toch
וספור
(usfor)
en tel
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שווקי
(shvaqei)
de markten van
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ובוא
(uvo)
en kom
והגד
(vehagged)
en vertel
לי
(li)
mij
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליו
(elav)
tegen hem
שמעון
(Shim'on)
Simeon
אל
(el)
niet
נא
(na)
toch
יהיה
(yihyeh)
zij
לך
(lekha)
voor jou
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לטורח
(letorach)
tot last
עתה
(attah)
nu
אלך
(elekh)
ga ik
אני
(ani)
ik
ההרה
(hahara)
naar het gebergte
ונשאתי
(venasati)
en ik zal opnemen
אבן
(even)
steen
אחת
(achat)
één
גדולה
(gedolah)
grote
מההר
(mehahar)
van het gebergte
ושמתיה
(vesamtiah)
en ik zal haar leggen
על
(al)
op
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
כולה
(kullah)
geheel
והמתי
(vahamti)
en ik zal doden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
בה
(bah)
daarin
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Uitleg

שווקי (‘markten van’): de Engelse vertaling heeft ‘streets’.

34Jozef hoorde al de woorden die zijn broers voor hem spraken; zij wisten niet dat Jozef het verstond, want zij dachten dat hij Hebreeuws niet kon spreken.
ויוסף
(vayosef)
en Jozef
שמע
(shema)
hoorde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הדברים
(haddevarim)
de dingen
אשר
(asher)
die
דיברו
(dibberu)
spraken
אחיו
(achiv)
zijn broers
לפניו
(lefanav)
voor hem
והם
(vehem)
en zij
לא
(lo)
niet
ידעו
(yade'u)
zij wisten
כי
(ki)
dat
שומע
(shome'a)
verstaat
יוסף
(Yosef)
Jozef
כי
(ki)
want
אמרו
(ameru)
dachten
כי
(ki)
dat
לא
(lo)
niet
ידע
(yada)
kent
לדבר
(laddavar)
om te spreken
עברית
(ivriyyah)
Hebreeuws
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 42:23 (‘Zij wisten niet dat Jozef het verstond, want er was een tolk tussen hen’).

Zie ookGen 42:23
35Jozef vreesde zeer door de woorden van zijn broers, dat zij Egypte zouden verwoesten, en hij gebood Manasse, zijn zoon: „Ga toch snel en roep alle bewoners van Egypte voor mij bijeen, en alle helden samen, en laat hen nu naar mij komen, op paarden en te voet en met allerlei muziekinstrumenten.” Manasse ging en deed zo.
ויירא
(vayira)
en hij vreesde
יוסף
(Yosef)
Jozef
מאוד
(me'od)
zeer
מדברי
(middivrei)
door de woorden van
אחיו
(achiv)
zijn broers
פן
(pen)
opdat niet
יחריבו
(yacharivu)
zouden verwoesten
את
(et)
—
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ויצו
(vayetsav)
en hij gebood
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מנשה
(menasheh)
Manasse
בנו
(beno)
zijn zoon
לאמור
(lemor)
zeggende
לך
(lekha)
ga
נא
(na)
toch
מהר
(maher)
haast je
והזעק
(vehaze'eq)
en roep bijeen
לי
(li)
voor mij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
וכל
(vekhol)
en alle
הגיבורים
(haggibborim)
de helden
יחד
(yachad)
samen
ויבואו
(vayavo'u)
dat zij komen
אליי
(elai)
tot mij
עתה
(attah)
nu
בסוסים
(basusim)
op paarden
וברגלי
(uvergel)
en te voet
ובכל
(uvkhol)
en met allerlei
כלי
(keli)
instrumenten van
זמר
(zimmer)
muziek
וילך
(vayelekh)
en hij ging
מנשה
(menasheh)
Manasse
ויעש
(vayya'as)
en hij deed
כן
(ken)
zo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

36Naftali ging zoals Juda hem geboden had, want Naftali was zeer licht op zijn voeten, als een van de snelle gazellen; hij liep over de aren van het zaad en zij braken niet onder hem.
ונפתלי
(venaftali)
en Naftali
הלך
(halakh)
ging
כאשר
(ka'asher)
zoals
ציוהו
(tsivvahu)
hij hem had geboden
יהודה
(Yehudah)
Juda
כי
(ki)
want
נפתלי
(Naftali)
Naftali
קל
(qal)
licht
ברגליו
(beraglav)
op zijn voeten
מאוד
(me'od)
zeer
כאחת
(ke'achat)
als een van
הצבאים
(hatsevaim)
de gazellen
הקלים
(haqallim)
de snelle
והלך
(vehalakh)
en liep
על
(al)
over
שיבולי
(shibbolei)
aren van
הזרע
(hazzera)
het zaad
ולא
(velo)
en niet
ישברו
(yishberu)
braken
תחתיו
(tachtav)
onder hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
37Hij ging en telde alle markten van Egypte en vond er twaalf; hij kwam haastig en vertelde het aan Juda. Juda zei tegen zijn broers: „Haast jullie, gord ieder zijn zwaard op zijn heup, dan komen wij over Egypte, slaan hen allen en laten van hen geen overlevende over.”
וילך
(vayelekh)
en hij ging
ויספור
(vayispor)
en telde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
שווקי
(shvaqei)
de markten van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
וימצא
(vayimtsa)
en hij vond
בהם
(bahem)
daarin
שנים
(shanim)
twaalf
עשר
(esar)
—
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
מהרה
(maherah)
haastig
ויגד
(vayyaged)
en hij vertelde
אל
(el)
tot
יהודה
(Yehudah)
Juda
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
מהרו
(maharu)
haast jullie
לכם
(lakhem)
—
ושימו
(vesimu)
en gord
איש
(ish)
een man
חרבו
(charvu)
zijn zwaard
על
(al)
op
יריכו
(yerekho)
zijn heup
ונבואה
(venavo'ah)
en laten wij komen
על
(al)
over
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ונכה
(venakkeh)
en laten wij slaan
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כולם
(kullam)
allen
ולא
(velo)
en niet
תשאירו
(tash'iru)
laat jullie over
מהם
(mehem)
van hen
שריד
(sarid)
overlevende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

38Juda zei: „Zie, ik verwoest drie markten met mijn kracht, en jullie allen moeten ieder één markt verwoesten.” Terwijl Juda dit woord sprak, zie, de bewoners van Egypte, alle helden, kwamen allen tegen hen, met allerlei muziekinstrumenten en met veel geschreeuw.
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
הנני
(hinneni)
zie, ik
אחריב
(acharib)
ik zal verwoesten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שלושה
(shelosha)
drie
שווקים
(shvaqim)
markten
בכוחי
(bekochi)
met mijn kracht
ואתם
(ve'atem)
en jullie
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
יחריב
(yacharib)
moet verwoesten
כל
(kol)
alle
איש
(ish)
een man
מכם
(mikkem)
van jullie
שוק
(shuq)
markt
אחד
(echad)
één
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בדבר
(bedabber)
terwijl hij sprak
יהודה
(Yehudah)
Juda
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
והנה
(vehinneh)
en zie
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
כל
(kol)
alle
הגיבורים
(haggibborim)
de helden
באו
(ba'u)
kwamen
כולם
(kullam)
allen
נגדם
(neggedam)
tegenover hen
בכל
(bekhol)
in heel
כלי
(keli)
instrumenten van
זמר
(zimmer)
muziek
ובזעקות
(uvize'aqot)
en met geschreeuw
רבות
(rabbot)
veel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Egypte rukt uit

39Heel hun aantal was vijfhonderd ruiters op paarden en tienduizend voetvolk, en vierhonderd helden die zonder zwaard en zonder speer konden vechten, maar alleen met hun handen en met hun kracht.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כל
(kol)
heel
מספרם
(mispram)
hun aantal
חמש
(chamesh)
vijf
מאות
(me'ot)
honderd
איש
(ish)
man
רוכבי
(rokhvei)
ruiters op
סוסים
(susim)
paarden
ועשרת
(ve'asarat)
en tien
אלפים
(alafim)
duizend
רגלי
(ragli)
voetvolk
וארבע
(ve'arba)
en vier
מאות
(me'ot)
honderd
גיבורים
(gibborim)
helden
אשר
(asher)
die
יוכלו
(yukhlu)
zullen vermogen
להלחם
(lehilachem)
te vechten
בלא
(bilo)
zonder
חרב
(charev)
zwaard
ובלא
(uvelo)
en zonder
חנית
(chanit)
speer
כי
(ki)
maar
אם
(em)
alleen
בידיהם
(beyadehem)
met hun handen
ובגבורתם
(uvigvuratam)
en met hun kracht
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
40Al deze benden kwamen met groot gedreun en geschreeuw en omringden de zonen van Jakob allen en joegen hun schrik aan, en de aarde spleet door het geluid van hun geschreeuw.
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
כל
(kol)
alle
הגדודים
(hagdudim)
de benden
האלה
(ha'elleh)
deze
ברעש
(bera'ash)
met gedreun
גדול
(gadol)
grote
ובצעקות
(uvetse'aqot)
en met geschreeuw
ויסובבו
(vayasovvu)
en zij omringden
כולם
(kullam)
allen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויבהלום
(vayevahaluhum)
en joegen hun schrik aan
ותבקע
(vativqa)
en spleet
האדמה
(ha'adamah)
de grond
מקול
(miqqol)
door het geluid van
צעקתם
(tse'aqatam)
hun geschreeuw
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

ותבקע האדמה (‘en de aarde spleet’): de Engelse vertaling heeft ‘the ground quaked’.

41Toen de zonen van Jakob deze benden zagen, vreesden zij zeer voor hun leven; en Jozef had dit gedaan om de zonen van Jakob bang te maken en hen tot bedaren te brengen.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כראות
(kir'ot)
toen zij zagen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הגדודים
(hagdudim)
de benden
האלה
(ha'elleh)
deze
וייראו
(vayyir'u)
en zij vreesden
מאוד
(me'od)
zeer
לנפשם
(lenafsham)
voor hun leven
ויוסף
(vayosef)
en Jozef
עשה
(asah)
deed
כן
(ken)
zo
למען
(lema'an)
opdat
הפחיד
(hafchid)
bang te maken
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
להחרישם
(lehacharishum)
hen tot bedaren te brengen
מעליו
(me'alav)
van hem weg
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
42Juda zag dat sommigen van zijn broers verschrikt waren en zei tegen hen: „Waarom vrezen jullie, terwijl de goedertierenheid van onze Elohim met ons is?” Juda zag alle mannen van Egypte hen omringen op bevel van Jozef, om hen bang te maken; maar Jozef had hun geboden: „Raak niemand van hen aan.”
וירא
(vayyera)
en hij zag
יהודה
(Yehudah)
Juda
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מקצת
(miqtsat)
sommigen van
אחיו
(achiv)
zijn broers
נבהלים
(nivhalim)
verschrikt
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
למה
(lammah)
waarom
תתראו
(titraau)
vrezen jullie
וחסד
(vachesed)
terwijl de goedertierenheid van
אלוקינו
(elohenu)
onze Elohim
איתנו
(ittanu)
met ons
וירא
(vayyera)
en hij zag
יהודה
(Yehudah)
Juda
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mensen van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
סובבים
(sovevim)
omringend
אותם
(otam)
hen
כצוות
(ketsivvui)
op bevel van
יוסף
(Yosef)
Jozef
להפחידם
(lehafchidam)
om hen bang te maken
אך
(akh)
maar
יוסף
(Yosef)
Jozef
ציוה
(tsiwwah)
had geboden
להם
(lahem)
hun
לאמור
(lemor)
zeggende
אל
(el)
niet
תגעו
(tig'u)
raak
באחד
(be'achad)
iemand van
מהם
(mehem)
hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

De kreet van Juda

43Juda haastte zich, trok zijn zwaard, riep een zeer grote en bittere kreet, sloeg met zijn zwaard, sprong over de grond en ging door met schreeuwen tegen al die mannen.
וימהר
(vayemaher)
en hij haastte zich
יהודה
(Yehudah)
Juda
וישלוף
(vayishlof)
en trok
חרבו
(charvu)
zijn zwaard
ויצעק
(vayits'aq)
en hij riep
צעקה
(tse'aqah)
kreet
גדולה
(gedolah)
grote
ומרה
(umarah)
en bitter
עד
(ad)
uitermate
מאוד
(me'od)
zeer
ויך
(vayyakh)
en sloeg
בחרבו
(becharbo)
met zijn zwaard
וידלג
(vayedalleg)
en sprong
על
(al)
over
הארץ
(ha'arets)
de grond
ויוסף
(vayosef)
en hij ging voort
עוד
(od)
nog
לזעוק
(lize'oq)
te schreeuwen
על
(al)
tegen
כל
(kol)
alle
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
44Toen hij dit deed, liet Yahweh de schrik van Juda en zijn broers vallen over alle helden en alle mannen die om hen heen waren.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בעשותו
(be'asoto)
toen hij deed
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויפל
(vayyappel)
en liet vallen
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
פחד
(pachad)
de schrik van
יהודה
(Yehudah)
Juda
ואחיו
(ve'achiv)
en zijn broers
על
(al)
over
כל
(kol)
alle
הגיבורים
(haggibborim)
de helden
וכל
(vekhol)
en alle
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
אשר
(asher)
die
סביבותם
(svivotam)
om hen heen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 35:5 (een schrik van Elohim kwam over de steden rondom hen).

Zie ookGen 35:5
45Zij vluchtten allen voor het geluid van het geschreeuw en de schrik; zij vielen de een over de ander en velen van hen stierven bij hun val, en zij vluchtten allen voor Juda en zijn broers en voor Jozef.
וינוסו
(vayanusu)
en zij vluchtten
כולם
(kullam)
allen
מקול
(miqqol)
voor het geluid van
הצעקה
(hatse'aqah)
het geschreeuw
והפחד
(vehapachad)
en de schrik
ויפלו
(vayippelu)
en zij vielen
איש
(ish)
een man
על
(al)
op
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
וימותו
(vayamutu)
en zij stierven
מהם
(mehem)
van hen
הרבה
(harbeh)
velen
בנפלם
(benoflam)
bij hun val
ויברחו
(vayivrechu)
en zij vluchtten
כולם
(kullam)
allen
מפני
(mippenei)
voor
יהודה
(Yehudah)
Juda
ואחיו
(ve'achiv)
en zijn broers
ומפני
(umippnei)
en voor
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
46Terwijl zij vluchtten, achtervolgden Juda en zijn broers hen tot het huis van de farao, en zij ontkwamen allen. Juda ging weer voor Jozef zitten, brulde tegen hem als een leeuw en riep tegen hem een zeer grote en bittere kreet.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כנוסם
(kenusam)
terwijl zij vluchtten
וירדפם
(vayirdefem)
en hij achtervolgde hen
יהודה
(Yehudah)
Juda
ואחיו
(ve'achiv)
en zijn broers
עד
(ad)
tot
בית
(bet)
het huis van
פרעה
(par'oh)
Farao
וימלטו
(vayimmaletu)
en ontkwamen
להם
(lahem)
zich
כולם
(kullam)
allen
וישב
(vayyashev)
en ging zitten
יהודה
(Yehudah)
Juda
עוד
(od)
weer
לפני
(lifnei)
voor
יוסף
(Yosef)
Jozef
וינהום
(vayinham)
en brulde
עליו
(alav)
tegen hem
כאריה
(ka'aryeh)
als een leeuw
ויצעק
(vayits'aq)
en hij riep
עליו
(alav)
tegen hem
צעקה
(tse'aqah)
kreet
גדולה
(gedolah)
grote
ומרה
(umarah)
en bitter
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
47Die kreet werd gehoord tot in de verte, en alle bewoners van Sukkot hoorden haar; heel Egypte beefde van het geluid van de kreet. Ook alle muren van Egypte en het land Gosen vielen allemaal om door de beving van de aarde, en ook de farao viel van zijn troon, met zijn gezicht naar de grond. En ook alle zwangere vrouwen van Egypte en Gosen lieten hun kinderen uit hun schoot vallen toen zij heel het gedreun hoorden, want zij waren uitermate bevreesd.
ותשמע
(vattishma)
en werd gehoord
הצעקה
(hatse'aqah)
het geschreeuw
ההיא
(hahi)
die
עד
(ad)
tot
למרחוק
(lemerachoq)
in de verte
וישמעוה
(vayishme'uhah)
en hoorden haar
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
סוכות
(sukkot)
Sukkot
ותרעש
(vatir'ash)
en beefde
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
מקול
(miqqol)
door het geluid van
הצעקה
(hatse'aqah)
het geschreeuw
וגם
(vegam)
en ook
כל
(kol)
alle
חומות
(chomot)
muren
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
וארץ
(va'erets)
en het land van
גושן
(goshen)
Gosen
נפלו
(naflu)
vielen
כולם
(kullam)
allen
מרעש
(mera'ash)
door de beving van
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ויפול
(vayippol)
viel
גם
(gam)
ook
פרעה
(par'oh)
Farao
מעל
(me'al)
van
כיסאו
(kis'o)
zijn troon
על
(al)
op
פניו
(panav)
zijn aangezicht
ארצה
(artsah)
naar de grond
וגם
(vegam)
en ook
כל
(kol)
alle
נשי
(neshei)
vrouwen van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
וגושן
(ugoshen)
en Gosen
ההרות
(hahaerot)
de zwangere
נפלו
(naflu)
vielen
ילדיהן
(yaldeihen)
hun kinderen
ממעיהן
(mime'eihen)
uit hun schoot
בשמעם
(beshom'am)
toen zij hoorden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הרעש
(hara'ash)
het gedreun
כי
(ki)
want
יראו
(yare'u)
waren bevreesd
מאוד
(me'od)
zeer
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 33:17 (Sukkot, waar Jakob een huis bouwde).

Dat de muren van Egypte en Gosen vielen, staat niet in Genesis.

Zie ookGen 33:17

De farao schrikt

48De farao zond bericht: „Wat is dit voor een zaak die vandaag in het land Egypte is gebeurd?” Zij kwamen en vertelden hem alles van begin tot einde. De farao werd bevreesd, verbaasde zich en beefde zeer; vrees nam bij hem toe op vrees toen hij al deze dingen hoorde.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
פרעה
(par'oh)
Farao
לאמור
(lemor)
zeggende
מה
(mah)
wat
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
die
נהיה
(nihyeh)
is gebeurd
היום
(hayyom)
vandaag
בארץ
(ba'arets)
in het land
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
ויגידו
(vayaggidu)
en zij vertelden
לו
(lo)
hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הדברים
(haddevarim)
de dingen
מראש
(merosh)
van het begin
ועד
(ve'ad)
tot
סוף
(suf)
het einde
ויבהל
(vayibbahel)
en hij werd bevreesd
פרעה
(par'oh)
Farao
ויתמה
(vayitmah)
en hij verbaasde zich
ויחרד
(vayecherad)
en beefde
מאוד
(me'od)
zeer
ותוסף
(vattosef)
en vermeerderde
לו
(lo)
voor hem
יראה
(yir'ah)
vrees
על
(al)
op
יראה
(yir'ah)
vrees
בשמעו
(beshomo)
toen hij hoorde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הדברים
(haddevarim)
de dingen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

49Hij liet Jozef zeggen: „Is het om heel Egypte te verwoesten dat je mij de slaven hebt gebracht? Wat heb je met die dief van een slaaf? Zend hem weg, dat hij met zijn broers gaat, opdat wij niet omkomen door hun kwaad, zowel wij als jij als heel Egypte.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
לאמור
(lemor)
zeggende
הלהחריב
(haleHacharib)
was het om te verwoesten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
הבאת
(hevet)
dat je gebracht hebt
לי
(li)
mij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
העבדים
(ha'avadim)
de slaven
מה
(mah)
wat
לך
(lekha)
aan jou
בעבד
(be'eved)
met de slaaf
הגנב
(hagannav)
de dief
ההוא
(hahu)
die
שלחהו
(shalchehu)
zend hem weg
וילך
(vayelekh)
dat hij ga
עם
(im)
met
אחיו
(achiv)
zijn broers
ולא
(velo)
opdat niet
נאבד
(ne'evad)
wij omkomen
ברעתם
(bera'atam)
door hun kwaad
גם
(gam)
zowel
אנחנו
(anachnu)
wij
גם
(gam)
als
אתה
(attah)
jij
גם
(gam)
als
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

50En als je dit niet wilt doen, laat dan al mijn kostbaarheden varen en ga met hen naar hun land, als je behagen in hen hebt. Want zij hebben vandaag heel mijn land verwoest, mijn mannen gedood, en alle vrouwen van Egypte hebben hun kinderen laten vallen door hun geschreeuw. Zie wat zij gedaan hebben door hun geschreeuw en hun woorden; en zelfs als zij met het zwaard vechten, zullen zij de rest van het land verwoesten. Kies nu voor jezelf wat je wilt: hetzij ik, hetzij de Hebreeën, hetzij Egypte, hetzij het land van de Hebreeën.”
ואם
(ve'im)
en als
לא
(lo)
niet
תחפוץ
(techpots)
je wilt
לעשות
(la'asot)
om te doen
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
עזוב
(azov)
laat varen
מעליך
(me'alekha)
van je af
כל
(kol)
alle
חמודותי
(chamudotai)
mijn kostbaarheden
ולך
(ulekha)
en ga
לך
(lekha)
heen
עמהם
(immahem)
met hen
אל
(el)
naar
ארצם
(artsam)
hun land
אם
(em)
als
חפצת
(chafatsta)
je behagen hebt
בם
(vam)
bij hen
כי
(ki)
want
החריבו
(hecheribu)
verwoestten
היום
(hayyom)
vandaag
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
ארצי
(artsi)
mijn land
ויהרגו
(vayaharegu)
en zij hebben gedood
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אנשיי
(anashai)
mijn mannen
וכל
(vekhol)
en alle
נשי
(neshei)
vrouwen van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
הפילו
(hipilu)
hebben laten vallen
ילדיהן
(yaldeihen)
hun kinderen
בצעקתם
(betsa'aqatam)
door hun geschreeuw
ראה
(ra'ah)
zie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
wat
עשו
(asu)
deden
בצעקתם
(betsa'aqatam)
door hun geschreeuw
ובדבריהם
(uvidvareihem)
en door hun woorden
ואף
(ve'af)
en zelfs
אם
(em)
als
ילחמו
(yilchamu)
zij vechten
בחרב
(bacherev)
met het zwaard
והחריבו
(vehecheribu)
zullen zij verwoesten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יתר
(yeter)
de rest van
הארץ
(ha'arets)
het land
עתה
(attah)
nu
בחר
(bachar)
kies
לך
(lekha)
voor jezelf
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
wat
תחפוץ
(techpots)
je verlangt
אם
(em)
hetzij
אני
(ani)
ik
אם
(em)
hetzij
העברים
(ha'ivrim)
de Hebreeën
ואם
(ve'im)
hetzij
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ואם
(ve'im)
hetzij
ארץ
(erets)
land van
העברים
(ha'ivrim)
de Hebreeën
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

51Zij kwamen en vertelden Jozef alle woorden van de farao die hij aan hem gezonden had. Jozef vreesde zeer door de woorden van de farao; Juda en zijn broers stonden nog steeds voor Jozef in woede en gloed van toorn, en alle zonen van Jakob brulden tegen Jozef als het bruisen van de zee en haar golven.
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
ויגידו
(vayaggidu)
en zij vertelden
ליוסף
(leyosef)
aan Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
דברי
(divrei)
woorden van
פרעה
(par'oh)
Farao
אשר
(asher)
die
שלח
(Shelach)
had gezonden
אליו
(elav)
naar hem
ויירא
(vayira)
en hij vreesde
יוסף
(Yosef)
Jozef
מדברי
(middivrei)
door de woorden van
פרעה
(par'oh)
Farao
מאוד
(me'od)
zeer
ויהודה
(vihudah)
en Juda
ואחיו
(ve'achiv)
en zijn broers
עודם
(odam)
nog steeds
נצבים
(nitsavim)
staande
לפני
(lifnei)
voor
יוסף
(Yosef)
Jozef
בחמה
(bechemah)
in woede
ובחרון
(uvecharon)
en in gloed van
אף
(af)
toorn
וינהמו
(vayinhamu)
en brulden
כל
(kol)
alle
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
על
(al)
tegen
יוסף
(Yosef)
Jozef
כנהמת
(kenahamat)
als het bruisen van
ים
(yam)
de zee
וגליו
(vegalav)
en zijn golven
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 45:1
52Jozef vreesde zeer voor zijn broers en voor de farao, en Jozef zocht een voorwendsel om zich aan zijn broers bekend te maken, opdat zij niet heel Egypte zouden verwoesten.
ויירא
(vayira)
en hij vreesde
יוסף
(Yosef)
Jozef
מאוד
(me'od)
zeer
מפני
(mippenei)
voor
אחיו
(achiv)
zijn broers
ומפני
(umippnei)
en voor
פרעה
(par'oh)
Farao
ויבקש
(vayevaqqesh)
en hij zocht
יוסף
(Yosef)
Jozef
עלילה
(alilah)
een voorwendsel
להודע
(lehivvada)
om zich bekend te maken
אל
(el)
aan
אחיו
(achiv)
zijn broers
פן
(pen)
opdat niet
יחריבו
(yacharivu)
zouden verwoesten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Manasse bedaart Juda

53Jozef gebood Manasse, zijn zoon, en Manasse ging, trad voor Juda, legde zijn hand op zijn schouder, en de woede van Juda bedaarde.
ויצו
(vayetsav)
en hij gebood
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מנשה
(menasheh)
Manasse
בנו
(beno)
zijn zoon
וילך
(vayelekh)
en hij ging
מנשה
(menasheh)
Manasse
ויגש
(vayyigash)
en hij naderde
לפני
(lifnei)
naar
יהודה
(Yehudah)
Juda
וישם
(vayasem)
en legde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ידו
(yado)
zijn hand
על
(al)
op
כתפו
(ketefo)
zijn schouder
וחמת
(vechemat)
en de woede van
יהודה
(Yehudah)
Juda
שכבה
(shakhekhah)
bedaarde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
54Juda zei tegen zijn broers: „Laat niemand van jullie zeggen dat dit het werk van een Egyptische jongen is, maar dit is het werk van het huis van mijn vader.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
אל
(el)
niet
יאמר
(yomar)
zal zeggen
איש
(ish)
een man
מכם
(mikkem)
van jullie
כי
(ki)
dat
מעשה
(ma'aseh)
het werk van
נער
(na'ar)
jongen
מצרי
(mitsri)
Egyptische
זה
(ze)
dit
כי
(ki)
maar
אם
(em)
—
מעשה
(ma'aseh)
het werk van
בית
(bet)
het huis van
אבי
(avi)
mijn vader
זה
(ze)
dit
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
55Jozef zag en wist dat de woede van Juda bedaard was; hij trad naar voren om tot Juda in zachte taal te spreken.
וירא
(vayyera)
en hij zag
יוסף
(Yosef)
Jozef
וידע
(vayyeda)
en hij wist
כי
(ki)
dat
חמת
(Chamat)
de woede van
יהודה
(Yehudah)
Juda
שככה
(shakkhah)
bedaarde
ויגש
(vayyigash)
en hij naderde
לדבר
(laddavar)
te spreken
אל
(el)
tot
יהודה
(Yehudah)
Juda
לשון
(lashon)
taal
רכה
(rakka)
zachte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Jozef spreekt zacht

56Jozef zei tegen Juda: „Jullie spreken waarheid, en wat jullie vandaag over jullie kracht zeggen, is juist. Moge jullie Elohim, die behagen in jullie heeft, meer goeds aan jullie toevoegen. Maar zeg mij toch waarom jij, van al je broers, met mij strijdt om de jongen, terwijl niet één van hen één woord over hem tot mij heeft gesproken.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
tot
יהודה
(Yehudah)
Juda
הלא
(halo)
immers
אמת
(emet)
waarheid
תדברו
(tedaberu)
spreken jullie
ונכונה
(venekhonah)
en juist
בפיכם
(befikhem)
in jullie mond
על
(al)
over
כל
(kol)
alle
גבורתכם
(gevuratkhem)
jullie kracht
היום
(hayyom)
vandaag
ואלוקיכם
(veElohekhem)
en jullie Elohim
אשר
(asher)
die
חפץ
(chafets)
behagen heeft
בכם
(bakhem)
in jullie
יוסף
(Yosef)
moge toevoegen
עליכם
(aleikhem)
aan jullie
טובה
(tovah)
goeds
אך
(akh)
maar
הלא
(halo)
toch
תגיד
(tagged)
vertel
נא
(na)
toch
לי
(li)
mij
למה
(lammah)
waarom
תלחם
(tilchem)
strijd je
עמי
(immi)
met mij
אתה
(attah)
jij
על
(al)
om
הנער
(hanna'ar)
de jongen
מכל
(mikkol)
van al
אחיך
(achikha)
je broers
אשר
(asher)
die
לא
(lo)
niet
דיבר
(dibber)
had gesproken
אליי
(elai)
tot mij
אחד
(echad)
één
מהם
(mehem)
van hen
בעבורו
(baavuro)
over hem
דבר
(davar)
een woord
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

יוסף עליכם טובה (‘voege meer goeds aan jullie toe’): een woordspeling op de naam Jozef (יוסף), zie Gen. 30:24.

Zie ookGen 30:24
57Juda antwoordde Jozef: „Je weet toch dat ik borg stond voor de jongen bij mijn vader, en zei: ‘Als ik hem niet bij hem breng, dan zal ik al de dagen tegen hem zondigen.’
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יהודה
(Yehudah)
Juda
את
(et)
—
יוסף
(Yosef)
Jozef
לאמור
(lemor)
zeggende
הלא
(halo)
immers
ידעת
(yada'ta)
weet je
כי
(ki)
dat
אנוכי
(anokhi)
ik
ערבתי
(aravti)
ik stond borg
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנער
(hanna'ar)
de jongen
מעם
(me'im)
bij
אבי
(avi)
mijn vader
לאמור
(lemor)
zeggende
אם
(em)
als
לא
(lo)
niet
אביאנו
(avi'enu)
ik breng hem
אליו
(elav)
bij hem
וחטאתי
(vechatati)
en ik zal zondigen
לו
(lo)
tegen hem
כל
(kol)
alle
הימים
(hayyamim)
de dagen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 43:9 (‘Ik sta borg voor hem… als ik hem niet bij je breng, zal ik al de dagen schuldig zijn’) en Gen. 44:32.

58Daarom ben ik vandaag, van al mijn broers, voor je getreden, want ik zag dat je niet bereid was hem te geven en van je weg te zenden. Mag ik nu genade vinden in je ogen: zend hem om met zijn broers te gaan, en zie, ik blijf in zijn plaats zitten om je te dienen in alles wat je wilt; want overal waarheen je mij zendt zal ik gaan om je te dienen met mijn grote kracht.
על
(al)
daarom
כן
(ken)
—
ניגשתי
(niggashti)
ben ik genaderd
לפניך
(lefanekha)
voor je
היום
(hayyom)
vandaag
מכל
(mikkol)
van elke
אחיי
(achai)
mijn broers
כי
(ki)
want
ראיתי
(ra'iti)
ik zag
כי
(ki)
dat
לא
(lo)
niet
אבית
(avit)
bereid was
לתתו
(latito)
om hem te geven
ולשלחו
(uleshalcho)
en hem weg te zenden
מאיתך
(me'itkha)
van jou
עתה
(attah)
nu
אמצא
(emtsa)
mag ik vinden
חן
(chen)
gunst
בעיניך
(be'einekha)
in je ogen
ושלחתו
(veshilachto)
zend hem
ללכת
(lalekhet)
om te gaan
עם
(im)
met
אחיו
(achiv)
zijn broers
והנני
(vehinneni)
zie, ik
אנוכי
(anokhi)
ik
יושב
(yoshev)
zal blijven zitten
תחתיו
(tachtav)
in zijn plaats
לשרתך
(lesharetkha)
om je te dienen
בכל
(bekhol)
in alles
אשר
(asher)
wat
תחפוץ
(techpots)
je verlangt
כי
(ki)
want
לכל
(lekhol)
overal
אשר
(asher)
waarheen
תשלחני
(tishlacheni)
waarheen je mij zendt
אלך
(elekh)
ga ik
לשרתך
(lesharetkha)
om je te dienen
בגבורתי
(bigvurati)
met mijn kracht
הגדולה
(haggedolah)
grote
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 44:33 (‘Laat uw dienaar toch blijven in plaats van de jongen als slaaf van mijn heer’).

Zie ookGen 44:33
59Zend mij toch naar een sterke koning die tegen je in opstand kwam, en je zult weten wat ik hem en zijn land zal aandoen. Zelfs als hij ruiterij en voetvolk heeft en een zeer machtig volk, dan zal ik hen allen doden en het hoofd van hun koning voor je brengen.
שלח
(Shelach)
zend
נא
(na)
toch
אותי
(oti)
mij
אל
(el)
naar
מלך
(malakh)
een koning
קשה
(qashah)
sterke
אשר
(asher)
die
מרד
(Mered)
in opstand is gekomen
בך
(bekha)
tegen jou
וידעת
(veyada'ta)
en je zult weten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
wat
אעשה
(e'eseh)
ik zal doen
לו
(lo)
hem
ולארצו
(ulartso)
en aan zijn land
אף
(af)
zelfs
אם
(em)
als
לו
(lo)
hij heeft
רכב
(rekhev)
ruiterij
ורגלי
(veragli)
en voetvolk
ועם
(ve'im)
en een volk
עצום
(atsum)
machtig
מאוד
(me'od)
zeer
והרגתי
(vehaharagti)
en ik zal doden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כולם
(kullam)
allen
ואביא
(veavi)
en ik zal brengen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ראש
(rosh)
het hoofd van
מלכם
(malkam)
hun koning
לפניך
(lefanekha)
voor je
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
60Weet je niet, of heb je niet gehoord, dat Abraham, onze vader, en zijn dienaar Eliëzer samen alle koningen van Elam met hun legers sloegen in één nacht, en zij lieten van hen geen overlevende over? En van die dag af is de kracht van onze vader ons gegeven, als bezit voor ons en voor ons nageslacht tot in eeuwigheid.”
הלא
(halo)
immers
ידעת
(yada'ta)
weet je
אם
(em)
of
לא
(lo)
niet
שמעת
(shamata)
je hebt gehoord
כי
(ki)
dat
אברהם
(avraham)
Abraham
אבינו
(avinu)
onze vader
עם
(im)
met
עבדו
(avdo)
zijn dienaar
אליעזר
(eli'ezer)
Eliëzer
הכו
(hiku)
versloegen
שניהם
(shenehem)
beiden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
עילם
(Elam)
Elam
עם
(im)
met
צבאותיהם
(tsiv'otehem)
hun legers
בלילה
(ballaylah)
in de nacht
אחת
(achat)
één
לא
(lo)
niet
השאירו
(hish'iru)
lieten over
מהם
(mehem)
van hen
שריד
(sarid)
overlevende
ומהיום
(umehayom)
en van die dag af
ההוא
(hahu)
die
והלאה
(vehal'ah)
en verder
ניתנה
(nittenah)
is gegeven
לנו
(lanu)
voor ons
גבורת
(gevurat)
de kracht van
אבינו
(avinu)
onze vader
לרשתה
(lerishtah)
als bezit
לנו
(lanu)
voor ons
ולזרענו
(ulezar'enu)
en voor ons nageslacht
עד
(ad)
tot
עולם
(olam)
eeuwig
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 14:14–15 (Abraham versloeg 's nachts de koningen van het oosten) en Gen. 15:2 (Eliëzer van Damascus).

Zie Elam: Elam lag ten oosten van de Tigris, in het zuidwesten van het huidige Iran.

61Jozef antwoordde en zei: „Jullie spreken waarheid, en leugen is niet in jullie mond; want ook ons is verteld dat de Hebreeën kracht hebben en dat Yahweh, hun Elohim, zeer veel behagen in hen heeft; en wie kan voor hen standhouden?
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אמת
(emet)
waarheid
תדברו
(tedaberu)
spreken jullie
וכזב
(vekhazav)
en leugen
אין
(ein)
er is niet
בפיכם
(befikhem)
in jullie mond
כי
(ki)
want
גם
(gam)
ook
הוגד
(hugad)
is verteld
לנו
(lanu)
voor ons
כי
(ki)
want
יש
(yesh)
is er
לעברים
(la'ivrim)
voor de Hebreeën
גבורה
(gevurah)
kracht
ויהוה
(vaYahweh)
en Yahweh
אלוקיהם
(elohehem)
hun Elohim
חפץ
(chafets)
behagen heeft
בם
(vam)
bij hen
מאוד
(me'od)
zeer
ומי
(umei)
wie
יוכל
(yukhal)
kan
לעמוד
(la'amod)
standhouden
בפניהם
(befnehem)
voor hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
62Maar hierop zal ik jullie broer naar jullie zenden: als jullie zijn broer, de zoon van zijn moeder, voor mij brengen, van wie jullie gezegd hebben dat hij uit jullie midden naar Egypte is afgedaald. Dan zal het zijn, wanneer jullie zijn broer bij mij brengen, dat ik hem in zijn plaats neem, omdat niemand van jullie bij jullie vader voor hem borg stond. En wanneer hij bij mij komt, zend ik jullie zijn broer, voor wie jullie borg stonden.”
אך
(akh)
maar
בזאת
(bezot)
hierin
אשלח
(eshlach)
zal ik zenden
לכם
(lakhem)
aan jullie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
אם
(em)
als
תביאו
(tavi'u)
jullie brengen
לפניי
(lefanai)
voor mij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיו
(achiv)
zijn broer
בן
(ben)
zoon van
אמו
(immo)
zijn moeder
אשר
(asher)
van wie
אמרתם
(amartem)
jullie hebben gezegd
כי
(ki)
dat
ירד
(Yered)
is afgedaald
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
מאיתכם
(me'itkhem)
van jullie
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
בהביאכם
(behavi'akhem)
wanneer jullie brengen
אליי
(elai)
tot mij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיו
(achiv)
zijn broer
ולקחתיו
(velaqachtiv)
dan neem ik hem
תחתיו
(tachtav)
in zijn plaats
יען
(ya'an)
omdat
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
ערב
(arav)
stond borg voor
אותו
(oto)
hem
אחד
(echad)
één
מכם
(mikkem)
van jullie
אל
(el)
tegenover
אביכם
(avikhem)
jullie vader
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
בבואו
(bevo'o)
wanneer hij komt
אליי
(elai)
tot mij
ושלחתי
(veshalachti)
dan zend ik
לכם
(lakhem)
aan jullie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיו
(achiv)
zijn broer
אשר
(asher)
voor wie
ערבתם
(aravtem)
jullie borg stonden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

63De toorn van Juda ontbrandde tegen Jozef toen hij dit woord sprak, en zijn ogen stroomden bloed van woede. Hij zei tegen zijn broers: „Deze man zoekt vandaag zichzelf en heel Egypte te doen omkomen!”
ויחר
(vayyichar)
en ontbrandde
אף
(af)
de toorn van
יהודה
(Yehudah)
Juda
אל
(el)
tegen
יוסף
(Yosef)
Jozef
בדברו
(bedabbero)
toen hij dit sprak
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויזלגו
(vayizlegu)
en stroomden
עיניו
(einav)
zijn ogen
דם
(dam)
bloed
מכעסו
(mikka'aso)
van zijn woede
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
זה
(ze)
deze man
מבקש
(mevaqesh)
zoekt
להמית
(lehamit)
te doen omkomen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשו
(nafsho)
zichzelf
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
כל
(kol)
heel
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Lezing

ואת על מצרים (‘en… over Egypte’) staat er; gelezen als ואת כל מצרים, ‘en heel Egypte’.

64Simeon antwoordde Jozef: „Hebben wij je in het begin niet gezegd dat wij de plaats niet kenden waarheen hij ging, en of hij dood is of leeft? En waarom spreekt mijn heer deze woorden?”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
שמעון
(Shim'on)
Simeon
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
לאמור
(lemor)
zeggende
הלא
(halo)
niet
אמור
(amor)
zeker
אמרנו
(amarnu)
hebben wij gezegd
לך
(lekha)
aan jou
בתחילה
(battechillah)
in het begin
כי
(ki)
dat
לא
(lo)
niet
ידענו
(yada'nu)
wisten wij
מקום
(maqom)
plek
לכתו
(lekhto)
waarheen hij ging
ואם
(ve'im)
of
מת
(met)
dood is
ואם
(ve'im)
of
חי
(chai)
leeft
הוא
(hu)
hij
ולמה
(velamah)
en waarom
ידבר
(yedabber)
spreekt
אדוני
(adoni)
mijn heer
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדברים
(haddevarim)
de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
65Jozef zag het gezicht van Juda en wist dat zijn toorn tegen hem begon te ontbranden toen hij tegen hem sprak: „Breng jullie broer in plaats van zijn broer.”
וירא
(vayyera)
en hij zag
יוסף
(Yosef)
Jozef
פני
(pnei)
aangezicht van
יהודה
(Yehudah)
Juda
וידע
(vayyeda)
en hij wist
כי
(ki)
dat
החל
(hechel)
begon
אפו
(appo)
zijn toorn
לחרות
(lacharot)
te ontbranden
עליו
(alav)
tegen hem
בדברו
(bedabbero)
toen hij sprak
אליו
(elav)
tegen hem
לאמור
(lemor)
zeggende
הביאו
(hevi'u)
breng
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
תחת
(tachat)
in plaats van
אחיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
66Jozef zei tegen zijn broers: „Jullie hebben immers gezegd dat jullie broer dood is of verloren; en zie, als ik hem vandaag roep en hij komt voor jullie, zullen jullie hem dan aan mij geven in plaats van zijn broer?”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
tot
אחיו
(achiv)
zijn broers
והלא
(vehalo)
niet
אמרתם
(amartem)
jullie hebben gezegd
כי
(ki)
dat
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
מת
(met)
dood is
ונאבד
(venavad)
en verloren is
והנה
(vehinneh)
en zie
אם
(em)
als
קראתיו
(qerativ)
ik hem roep
היום
(hayyom)
vandaag
ובא
(uva)
en hij komt
לפניכם
(lifnekhem)
voor jullie
התתנוהו
(hatitnuhu)
zullen jullie hem geven
לי
(li)
voor mij
תחת
(tachat)
in plaats van
אחיו
(achiv)
zijn broer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 45:3

Jozef maakt zich bekend

67Jozef begon te spreken en te roepen: „Jozef, Jozef, kom vandaag voor mij, toon je aan je broers en ga toch voor hen zitten.”
ויחל
(vayachel)
en begon
יוסף
(Yosef)
Jozef
לדבר
(laddavar)
om te spreken
ולקרוא
(uliqro)
en te roepen
יוסף
(Yosef)
Jozef
יוסף
(Yosef)
Jozef
בוא
(bo)
kom
היום
(hayyom)
vandaag
לפניי
(lefanai)
voor mij
והראה
(vehir'ah)
en toon je
אל
(el)
aan
אחיך
(achikha)
je broers
ושב
(veshav)
en ga zitten
נא
(na)
toch
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
68Toen Jozef dit woord voor hen sprak, keken zij de een hierheen en de ander daarheen, om te zien vanwaar Jozef, hun broer, zou komen.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כדבר
(kidvar)
toen sprak
יוסף
(Yosef)
Jozef
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויביטו
(vayabitu)
en zij keken
איש
(ish)
een man
כה
(koh)
hierheen
ואיש
(ve'ish)
en man
כה
(koh)
daarheen
לראות
(lir'ot)
zien
מאין
(me'ayin)
vanwaar
יבוא
(yavo)
zou komen
יוסף
(Yosef)
Jozef
אחיהם
(achihem)
hun broer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
69Jozef zag al hun daden en zei tegen hen: „Waarom kijken jullie hierheen en daarheen? Ik ben Jozef, jullie broer, die jullie naar Egypte hebben verkocht. Laat het nu niet verdrietig zijn in jullie ogen dat jullie mij verkocht hebben, want om leven te geven in de honger heeft Elohim mij voor jullie uit gezonden.”
וירא
(vayyera)
en hij zag
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מעשיהם
(ma'asehem)
hun daden
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
למה
(lammah)
waarom
תראו
(tir'u)
kijken jullie
כה
(koh)
hierheen
וכה
(vekho)
en daarheen
אני
(ani)
ik
יוסף
(Yosef)
Jozef
אחיכם
(acheikhem)
jullie broer
אשר
(asher)
die
מכרתם
(mekhartem)
jullie hebben verkocht
אותי
(oti)
mij
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
ועתה
(ve'attah)
en nu
אל
(el)
niet
נא
(na)
toch
יחר
(yichar)
zij het een verdriet
בעיניכם
(be'eineikhem)
in jullie ogen
כי
(ki)
dat
מכרתם
(mekhartem)
jullie hebben verkocht
אותי
(oti)
mij
כי
(ki)
want
למחיה
(lemichyah)
om te laten leven
לרעב
(lara'av)
in de honger
שלחני
(shelachani)
heeft mij gezonden
אלוקים
(Elohim)
Elohim
לפניכם
(lifnekhem)
voor jullie uit
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:3–5 (‘Ik ben Jozef… want om in leven te houden heeft Elohim mij voor jullie uit gezonden’).

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

70Zijn broers schrokken van hem toen zij de woorden van Jozef hoorden, en Juda schrok zeer, zeer van hem.
ויבהלו
(vayibbahalu)
en zij schrokken
אחיו
(achiv)
zijn broers
ממנו
(mimmennu)
voor hem
בשמעם
(beshom'am)
toen zij hoorden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויבהל
(vayibbahel)
en schrok
יהודה
(Yehudah)
Juda
ממנו
(mimmennu)
voor hem
מאוד
(me'od)
zeer
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Benjamin en zijn broers

71Toen Benjamin de woorden van Jozef hoorde, die binnen in het huis voor hen was, rende Benjamin naar Jozef, zijn broer, omhelsde hem, viel op zijn hals, en zij weenden.
ובנימין
(uvinyamin)
en Benjamin
בשמעו
(beshomo)
toen hij hoorde
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
יוסף
(Yosef)
Jozef
והוא
(vehu)
en hij
היה
(hayah)
was
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
בבית
(babbayit)
in het huis
פנימה
(penimah)
binnen
וירץ
(vayyarots)
en hij rende
בנימין
(binyamin)
Benjamin
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
אחיו
(achiv)
zijn broer
ויחבקהו
(vaychabqehu)
en omhelsde hem
ויפול
(vayippol)
en hij viel
על
(al)
op
צואריו
(tsavvarav)
zijn hals
ויבכו
(vayivku)
en zij weenden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:14–15 (hij viel om de hals van zijn broer Benjamin en weende; daarna kuste hij al zijn broers).

72De broers van Jozef zagen dat Benjamin op zijn broer viel en met hem weende; ook zij vielen op Jozef, omhelsden hem en weenden een grote weeklacht met Jozef.
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
אחי
(echi)
de broers van
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בנימין
(binyamin)
Benjamin
נופלים
(noflim)
vallend
על
(al)
op
אחיו
(achiv)
zijn broer
ויבך
(vayevk)
en weende
עמו
(immo)
met hem
ויפלו
(vayippelu)
en zij vielen
גם
(gam)
ook
הם
(hem)
zij
על
(al)
op
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויחבקוהו
(vaychabqu'hu)
en omhelsden hem
ויבכו
(vayivku)
en zij weenden
בכי
(bekhi)
geween
גדול
(gadol)
grote
עם
(im)
met
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
73Het geluid werd gehoord in het huis van de farao dat dit de broers van Jozef waren, en het was zeer goed in de ogen van de farao, want hij had gevreesd dat zij Egypte zouden verwoesten.
והקול
(vehaqol)
en het geluid
נשמע
(nishma)
werd gehoord
בית
(bet)
in het huis van
פרעה
(par'oh)
Farao
כי
(ki)
want
אחי
(echi)
de broers van
יוסף
(Yosef)
Jozef
הם
(hem)
zij
וייטב
(vayyitav)
en het was goed
בעיני
(be'einei)
in de ogen van
פרעה
(par'oh)
Farao
מאוד
(me'od)
zeer
כי
(ki)
want
נתיירא
(nityare)
hij was bevreesd
מהם
(mehem)
voor hen
פן
(pen)
opdat niet
יחריבו
(yacharivu)
zouden verwoesten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:16 (het bericht werd gehoord in het huis van de farao; het was goed in de ogen van de farao).

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookGen 45:16

Vreugde in Egypte

74De farao zond zijn dienaren naar Jozef om hem te verblijden over zijn broers, die bij hem gekomen waren. Alle oversten van de legers en de helden die in Egypte waren, kwamen om zich met Jozef te verheugen, en heel Egypte was zeer vrolijk over de broers van Jozef.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
פרעה
(par'oh)
Farao
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עבדיו
(avadav)
zijn dienaren
אל
(el)
naar
יוסף
(Yosef)
Jozef
לשמחו
(lesamcho)
om hem te verblijden
באחיו
(be'achiv)
over zijn broers
אשר
(asher)
die
באו
(ba'u)
kwamen
אליו
(elav)
bij hem
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
כל
(kol)
alle
שרי
(sarai)
oversten van
החיילים
(hachayalim)
de legers
והגיבורים
(vehaggibborim)
en de helden
אשר
(asher)
die
במצרים
(bemitsrayim)
in Egypte
לשמוח
(lismoach)
om zich te verheugen
עם
(im)
met
יוסף
(Yosef)
Jozef
וישמחו
(vayismechu)
en zij waren vrolijk
כל
(kol)
alle
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
באחי
(be'achei)
over de broers van
יוסף
(Yosef)
Jozef
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

75De farao liet Jozef zeggen: „Zeg tegen je broers dat zij alles wat van hen is meebrengen en naar mij komen, dan laat ik hen wonen in het beste van het land Egypte.” En zij deden zo.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
פרעה
(par'oh)
Farao
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
לאמור
(lemor)
zeggende
אמור
(amor)
zeg
לאחיך
(le'achikha)
tegen je broers
להביא
(lehavi)
te brengen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
wat
להם
(lahem)
van hen
ויבואו
(vayavo'u)
en laat hen komen
אליי
(elai)
tot mij
והושבתם
(vehoshavtam)
en laat hen wonen
במיטב
(bemitav)
in het beste van
ארץ
(erets)
het land
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ויעשו
(vaya'asu)
zij deden
כן
(ken)
zo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:17–20 (‘Ik zal jullie het beste van het land Egypte geven’).

De geschenken

76Jozef gebood degene die over zijn huis was gesteld, om aan zijn broers porties, geschenken en kleren uit te brengen. Hij bracht hun veel kleren uit, koninklijke gewaden, en veel geschenken, en Jozef verdeelde ze onder al zijn broers.
ויצו
(vayetsav)
en hij gebood
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
—
אשר
(asher)
hem die
על
(al)
over
ביתו
(beito)
zijn huis
להוציא
(lehotsi)
uit te brengen
אל
(el)
aan
אחיו
(achiv)
zijn broers
מנות
(manot)
porties
ומתנות
(umattanot)
en geschenken
ובגדים
(uvegadim)
en kleren
ויוציא
(veyotsi)
en hij bracht uit
להם
(lahem)
hun
בגדים
(begadim)
kleren
רבים
(rabbim)
vele
בגדי
(bigdey)
de kleren van
מלכות
(malkhut)
koningschap
ומתנות
(umattanot)
en geschenken
רבות
(rabbot)
vele
ויחלקם
(vayechalleqem)
en verdeelde ze
יוסף
(Yosef)
Jozef
לכל
(lekhol)
onder al
אחיו
(achiv)
zijn broers
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 45:21
77Hij gaf ieder van zijn broers stellen kleren zoals koninklijke kleren, en honderd zilverstukken daarbij; en aan Benjamin gaf hij bovendien vijf stellen kleren, gewaden van goud en zilver, en driehonderd zilverstukken. Jozef gebood hun allen deze kleren aan te trekken, en hij bracht hen voor de farao.
ויתן
(vayitten)
en gaf
לכל
(lekhol)
aan ieder
אחד
(echad)
één
מאחיו
(me'achiv)
voor zijn broers
חליפות
(chalifot)
stellen van
בגדים
(begadim)
kleren
כבגדי
(kivgdei)
zoals de kleren van
המלוכה
(hammelukhah)
het koningschap
ומאה
(umeah)
en honderd
כסף
(kesef)
zilver
עמהם
(immahem)
daarbij
ויתן
(vayitten)
en gaf
לבנימין
(livnyamin)
aan Benjamin
אליו
(elav)
bovendien
חמש
(chamesh)
vijf
חליפות
(chalifot)
stellen van
בגדים
(begadim)
kleren
בגדי
(bigdey)
de kleren van
זהב
(zahav)
goud
וכסף
(vekhesef)
en zilver
ושלוש
(veshalosh)
en drie
מאות
(me'ot)
honderd
כסף
(kesef)
zilver
ויצו
(vayetsav)
en hij gebood
יוסף
(Yosef)
Jozef
אליהם
(aleihem)
aan hen
וילבשו
(vayilbeshu)
en zij kleedden zich
כולם
(kullam)
allen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הבגדים
(habbegadim)
de kleren
האלה
(ha'elleh)
deze
ויביאם
(vayevi'em)
en hij bracht hen
לפני
(lifnei)
voor
פרעה
(par'oh)
Farao
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:22 (aan Benjamin gaf hij driehonderd zilverstukken en vijf stellen kleren).

Zie ookGen 45:22
78De farao zag dat alle broers van Jozef helden waren en mooi van gestalte, en hij verheugde zich zeer.
וירא
(vayyera)
en hij zag
פרעה
(par'oh)
Farao
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אחי
(echi)
de broers van
יוסף
(Yosef)
Jozef
כי
(ki)
dat
כולם
(kullam)
allen
גיבורים
(gibborim)
helden
ויפה
(veyefeh)
en mooi
תואר
(to'ar)
van gestalte
וישמח
(vayismach)
en hij verheugde zich
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
79Daarna gingen zij van de farao weg om naar het land Kanaän te gaan, naar hun vader, en hun broer Benjamin was met hen.
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
אחרי
(acharei)
na
כן
(ken)
zo
מלפני
(millifnei)
van voor
פרעה
(par'oh)
Farao
ללכת
(lalekhet)
om te gaan
ארצה
(artsah)
naar het land
כנען
(Kena'an)
Kanaän
אל
(el)
naar
אביהם
(avihem)
hun vader
ובנימין
(uvinyamin)
en Benjamin
אחיהם
(achihem)
hun broer
איתם
(ittam)
met hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

80Jozef stond op en gaf hun elf wagens van de farao, en Jozef gaf hun zijn eigen wagen waarop hij gereden had op de dag dat hij koning werd over Egypte, om zijn vader daarin naar Egypte te brengen. Jozef zond aan alle kinderen van zijn broers kleren naar hun aantal, en honderd zilverstukken aan ieder van hen; en ook aan de vrouwen van zijn broers zond hij kleren naar hun aantal, uit de kleren van de vrouwen van de koning, en hij zond hun reukwerk en schoonheidsmiddelen.
ויקם
(vayyaqom)
en hij stond op
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויתן
(vayitten)
en gaf
להם
(lahem)
hun
עשתי
(ashte)
elf
עשרה
(esreh)
—
מרכבות
(merkavot)
wagens
מאת
(me'et)
van
פרעה
(par'oh)
Farao
ויתן
(vayitten)
en gaf
להם
(lahem)
hun
יוסף
(Yosef)
Jozef
מרכבתו
(markavto)
zijn wagen
אשר
(asher)
die
רכב
(rekhev)
reed
עליה
(aleha)
erop
ביום
(beyom)
op de dag
מלכו
(malkho)
hij koning werd
על
(al)
over
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
להביא
(lehavi)
te brengen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אביו
(aviv)
zijn vader
עליה
(aleha)
daarin
אל
(el)
naar
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
יוסף
(Yosef)
Jozef
לכל
(lekhol)
aan alle
ילדי
(yaldei)
kinderen van
אחיו
(achiv)
zijn broers
בגדים
(begadim)
kleren
כמספרם
(kemispram)
naar hun aantal
ומאה
(umeah)
en honderd
כסף
(kesef)
zilver
לכל
(lekhol)
aan ieder
אחד
(echad)
één
מהם
(mehem)
van hen
וגם
(vegam)
en ook
לנשי
(lenashei)
aan de vrouwen van
אחיו
(achiv)
zijn broers
שלח
(Shelach)
zond
בגדים
(begadim)
kleren
כמספרן
(kemisparan)
naar hun aantal
מבגדי
(mibigdei)
uit de kleren van
נשי
(neshei)
vrouwen van
המלך
(hammelekh)
de koning
וקטורת
(uqetoret)
en reukwerk
ותמרוקין
(vetamruqin)
en schoonheidsmiddelen
שלח
(Shelach)
zond
אליהן
(aleyhen)
hun
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:19–21 (wagens uit Egypte voor hun kinderen en vrouwen).

81Hij gaf aan ieder van zijn broers tien mannen om met hem naar het land Kanaän te gaan, om hem te dienen en om hun zonen en alles wat van hen was te dragen bij de komst naar Egypte.
ויתן
(vayitten)
en gaf
לכל
(lekhol)
aan ieder
אחד
(echad)
één
מאחיו
(me'achiv)
voor zijn broers
עשרה
(esreh)
tien
אנשים
(anashim)
mannen
ללכת
(lalekhet)
om te gaan
עמו
(immo)
met hem
ארצה
(artsah)
naar het land
כנען
(Kena'an)
Kanaän
לשרתו
(lesharto)
om hem te dienen
ולשאת
(velasset)
en te dragen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בניהם
(beneyhem)
hun zonen
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
להם
(lahem)
hun
לבוא
(lavo)
bij de komst
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

82Jozef zond door de hand van Benjamin, zijn broer, tien stellen kleren voor zijn tien zonen, een deel boven de kinderen van de zonen van Jakob.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
יוסף
(Yosef)
Jozef
ביד
(beyad)
in de hand van
בנימין
(binyamin)
Benjamin
אחיו
(achiv)
zijn broer
עשרה
(esreh)
tien
בגדים
(begadim)
kleren
לעשרת
(la'asaret)
voor tien
בניו
(banav)
zijn zonen
שכם
(Shekhem)
een deel
אחד
(echad)
één
על
(al)
boven
ילדי
(yaldei)
kinderen van
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 48:22 (שכם אחד, ‘één deel’, dat Jakob aan Jozef gaf boven zijn broers).

Zie ookGen 48:22
83Hij zond aan ieder vijftig zilverstukken en tien wagens van de farao. Aan zijn vader zond hij tien ezels, beladen met al het goede van Egypte, en tien ezelinnen, beladen met graan, brood en voedsel voor zijn vader en voor allen die bij hem waren, als reisvoorraad voor de weg.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
לכל
(lekhol)
aan ieder
אחד
(echad)
één
חמישים
(chamishim)
vijftig
כסף
(kesef)
zilver
ועשר
(va'asar)
en tien
מרכבות
(merkavot)
wagens
מאת
(me'et)
van
פרעה
(par'oh)
Farao
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
לאביו
(le'aviv)
aan zijn vader
עשרה
(esreh)
tien
חמורים
(chamorim)
ezels
נושאים
(nos'im)
beladen met
מכל
(mikkol)
van al
טוב
(tov)
het goede van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ועשר
(va'asar)
en tien
אתונות
(atonot)
ezelinnen
נושאות
(nos'ot)
beladen met
בר
(bar)
graan
ולחם
(valechem)
en brood
ומזון
(umazon)
en voedsel
לאביו
(le'aviv)
aan zijn vader
ולכל
(ulkhol)
en voor allen
אשר
(asher)
die
איתו
(ito)
met hem
לצדה
(letsedah)
als reisvoorraad
לדרך
(laderekh)
voor de weg
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:23 (tien ezels beladen met het beste van Egypte, tien ezelinnen met graan, brood en voedsel voor onderweg).

Zie ookGen 45:23
84Aan Dina, zijn zus, zond hij gewaden van goud en zilver, reukwerk, mirre, aloë en zeer veel schoonheidsmiddelen voor vrouwen; en ook aan de vrouwen van Benjamin zond hij hetzelfde van de vrouwen van de farao.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
לדינה
(ledinah)
aan Dina
אחותו
(achoto)
zijn zus
בגדי
(bigdey)
de kleren van
זהב
(zahav)
goud
וכסף
(vekhesef)
en zilver
וקטורת
(uqetoret)
en reukwerk
ומור
(umor)
en mirre
ואהלים
(ve'ohalim)
en aloë
ותמרוקי
(utamruqei)
en schoonheidsmiddelen voor
נשים
(nashim)
vrouwen
הרבה
(harbeh)
zeer veel
מאוד
(me'od)
zeer
וגם
(vegam)
en ook
לנשי
(lenashei)
aan de vrouwen van
בנימין
(binyamin)
Benjamin
שלח
(Shelach)
zond
כזאת
(kezot)
hetzelfde
מאת
(me'et)
van
נשי
(neshei)
vrouwen van
פרעה
(par'oh)
Farao
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
85Hij gaf aan allen, aan zijn broers en ook aan hun vrouwen, van alle sjohamstenen en bedolach, smaragd en topaas, en van alle kostbaarheden van de groten van Egypte: er bleef niets over dat Jozef niet gaf aan heel het huis van zijn vader, van alles wat kostbaar was.
ויתן
(vayitten)
en gaf
לכולם
(lekhulam)
aan allen
לאחיו
(le'achiv)
aan zijn broers
גם
(gam)
ook
לנשיהם
(lenesheihem)
aan hun vrouwen
מכל
(mikkol)
van alle
אבני
(avnei)
stenen van
שוהם
(shoham)
sjoham
ובדולח
(uvedolach)
en bedolach
ברקת
(bareqet)
smaragd
ופטדה
(ufitdah)
en topaas
ומכל
(umikkol)
en van alle
סגולות
(segullot)
kostbaarheden van
גדולי
(gedoley)
de groten van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
לא
(lo)
niet
נותר
(notar)
bleef over
דבר
(davar)
iets
אשר
(asher)
die
לא
(lo)
niet
נתן
(natan)
hij gaf
יוסף
(Yosef)
Jozef
לכל
(lekhol)
aan heel
בית
(bet)
het huis van
אביו
(aviv)
zijn vader
מכל
(mikkol)
van alles
דבר
(davar)
wat
חמדה
(chemdah)
kostbaarheid
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Afscheid aan de grens

86Hij zond zijn broers weg en zij gingen; en ook Benjamin, zijn broer, zond hij met hen mee om naar het land Kanaän te gaan.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיו
(achiv)
zijn broers
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
בנימין
(binyamin)
Benjamin
אחיו
(achiv)
zijn broer
שלח
(Shelach)
zond
עמהם
(immahem)
met hen
ללכת
(lalekhet)
om te gaan
ארצה
(artsah)
naar het land
כנען
(Kena'an)
Kanaän
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

87Jozef ging met hen mee om hen onderweg uit te geleiden tot de grens van Egypte, en hij gaf hun bevelen betreffende zijn vader en zijn huis, om naar Egypte te komen.
ויצא
(vayetse)
en hij ging weg
יוסף
(Yosef)
Jozef
עמהם
(immahem)
met hen
לשלחם
(leshallecham)
om hen uit te geleiden
בדרך
(baderekh)
onderweg
עד
(ad)
tot
גבול
(gevul)
de grens van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ויצום
(vayetsavvem)
en gebood hun
על
(al)
over
אביו
(aviv)
zijn vader
ועל
(ve'al)
en over
ביתו
(beito)
zijn huis
לבוא
(lavo)
te komen
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

88Hij zei tegen hen: „Twist niet onderweg, want van Yahweh was deze zaak, om een groot volk van honger in leven te houden; want er zijn nog vijf jaren honger in het land.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
אל
(el)
niet
תרגזו
(tirgezu)
twist
בדרך
(baderekh)
onderweg
כי
(ki)
want
מאת
(me'et)
van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
היה
(hayah)
was
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
למען
(lema'an)
opdat
חיות
(chayyot)
in leven te houden
עם
(im)
volk
רב
(rav)
groot
מרעב
(mera'av)
van honger
כי
(ki)
want
עוד
(od)
nog
חמש
(chamesh)
vijf
שנים
(shanim)
jaren
רעב
(ra'av)
honger
בארץ
(ba'arets)
in het land
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:24 (‘Twist niet onderweg’) en Gen. 45:6 (nog vijf jaren zonder ploegen en oogsten).

89Hij gebood hun: „Wanneer jullie in het land Kanaän komen, ga in deze zaak niet plotseling bij mijn vader binnen, maar handel naar jullie wijsheid.”
ויצו
(vayetsav)
en hij gebood
אותם
(otam)
hen
לאמור
(lemor)
zeggende
בבואכם
(bevo'akhem)
wanneer jullie komen
ארץ
(erets)
het land
כנען
(Kena'an)
Kanaän
אל
(el)
niet
תבואו
(tavo'u)
komen
פתאום
(pit'om)
plotseling
לפני
(lifnei)
voor
אבי
(avi)
mijn vader
בדבר
(bedabber)
in deze zaak
הזה
(hazzeh)
deze
כי
(ki)
maar
עשו
(asu)
handelend
תעשו
(ta'asu)
zullen jullie handelen
כחכמתכם
(kechokhmatkhem)
naar jullie wijsheid
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

90Jozef hield op hun te bevelen, wendde zich om en keerde terug naar Egypte; en de zonen van Jakob gingen met vreugde en goedheid naar het land Kanaän, naar Jakob, hun vader.
ויכל
(vayekhal)
en hield op
יוסף
(Yosef)
Jozef
לצוות
(letsavvot)
te bevelen
אותם
(otam)
hen
ויפן
(vayyifen)
en wendde zich
וישב
(vayyashev)
en keerde terug
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
ובני
(uvnei)
en de zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
הלכו
(halekhu)
gingen
ארצה
(artsah)
naar het land
כנען
(Kena'an)
Kanaän
בשמחה
(besimchah)
met vreugde
ובטובה
(uvetovah)
en met goedheid
אל
(el)
naar
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אביהם
(avihem)
hun vader
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

91Zij kwamen tot de grens van het land en zeiden tegen elkaar: „Wat zullen wij in deze zaak doen voor onze vader? Want als wij plotseling bij hem komen en hem de zaak vertellen, zal hij zeer schrikken van onze woorden en niet naar ons willen luisteren.”
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
עד
(ad)
tot
גבול
(gevul)
de grens van
הארץ
(ha'arets)
het land
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
איש
(ish)
een man
אל
(el)
tot
רעהו
(re'ehu)
zijn naaste
מה
(mah)
wat
נעשה
(na'aseh)
zullen wij doen
בדבר
(bedabber)
in deze zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לפני
(lifnei)
voor
אבינו
(avinu)
onze vader
כי
(ki)
want
אם
(em)
als
נבוא
(navo)
wij komen
אליו
(elav)
bij hem
פתאום
(pit'om)
plotseling
ונגד
(venugad)
en wij hem vertellen
לו
(lo)
voor hem
הדבר
(haddavar)
de zaak
ויבהל
(vayibbahel)
hij schrikt
מאוד
(me'od)
zeer
מדברינו
(midevarenu)
van onze woorden
ולא
(velo)
en niet
יאבה
(yove)
zal willen
לשמוע
(lishmo'a)
te luisteren
אלינו
(elenu)
naar ons
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Serach

92Zij gingen verder, tot zij dicht bij hun huizen kwamen, en vonden Serach, de dochter van Aser, die hen tegemoet ging; het meisje was zeer goed, wijs en kundig om op de harp te spelen.
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
להם
(lahem)
zich
עד
(ad)
tot
קרבם
(qirvam)
zij dichtbij kwamen
אל
(el)
bij
בתיהם
(bateihem)
hun huizen
וימצאו
(vayimtse'u)
en zij vonden
את
(et)
—
שרח
(serach)
Serach
בת
(bat)
dochter van
אשר
(asher)
Aser
אשר
(asher)
die
יוצאת
(yotset)
die uitging
לקראתם
(liqratam)
op hen af
והנערה
(vehanna'arah)
en het meisje
טובה
(tovah)
goed
עד
(ad)
tot
מאוד
(me'od)
zeer
וחכמה
(vachakhamah)
en wijs
ויודעת
(veyoda'at)
en kundig
לנגן
(lenaggen)
te spelen
בכינור
(bakinnor)
op de harp
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 46:17 (Serach, de zuster van de zonen van Aser).

Hier wordt zij ‘dochter van Aser’ genoemd, zoals ook in de Engelse vertaling.

93Zij riepen haar, en zij kwam tot hen en kuste hen. Zij namen haar mee en gaven haar een harp en zeiden: „Kom toch voor onze vader, ga voor hem zitten, sla op de harp en spreek voor hem deze woorden.”
ויקראו
(vayiqre'u)
en zij riepen
אליה
(eleha)
tot haar
ותבוא
(vattavo)
en kwam
אליהם
(aleihem)
tot hen
ותשק
(vatishaq)
en kuste
להם
(lahem)
hen
ויקחוה
(vayiqchuhah)
en zij namen haar
ויתנו
(vayittenu)
en zij gaven
לה
(lah)
haar
כינור
(kinnor)
harp
אחד
(echad)
een
לאמור
(lemor)
zeggende
בואי
(bo'i)
kom
נא
(na)
toch
לפני
(lifnei)
voor
אבינו
(avinu)
onze vader
וישבת
(veyashavta)
en ga zitten
לפניו
(lefanav)
voor hem
והך
(vehakh)
en sla
בכינור
(bakinnor)
op de harp
ודיברת
(vedibbarta)
en spreek
ואמרת
(ve'amarta)
en zeg
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
לפניו
(lefanav)
voor hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
94Zij gaven haar bevel naar hun huis te gaan, en zij nam de harp, haastte zich, ging voor hen uit en ging naast Jakob zitten.
ויצוו
(vayetsavvu)
en zij geboden
אותה
(otah)
haar
ללכת
(lalekhet)
te gaan
אל
(el)
naar
ביתם
(beytam)
hun huis
ותיקח
(vatiqqach)
en zij nam
הכינור
(hakinnor)
de harp
ותמהר
(vatemaher)
en zij haastte zich
ותלך
(vattelekh)
en zij ging
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
ותשב
(vatashav)
en ging zitten
אצל
(etsel)
naast
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
95Zij bespeelde de harp goed, speelde en zei met de lieflijkheid van haar woorden: „Jozef, mijn oom, leeft, en hij is heerser in heel Egypte en is niet gestorven.”
ותיטיב
(vatetev)
en zij bespeelde goed
הכינור
(hakinnor)
de harp
ותנגן
(vatenaggen)
en speelde
ותאמר
(vatomer)
en zei
בנועם
(bene'im)
met de lieflijkheid van
דבריה
(devareiha)
haar woorden
יוסף
(Yosef)
Jozef
דודי
(dodi)
mijn oom
חי
(chai)
leeft
הוא
(hu)
hij
וכי
(vekhi)
en dat
הוא
(hu)
hij
מושל
(moshel)
heerser
בכל
(bekhol)
in heel
ארץ
(erets)
land van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ולא
(velo)
en niet
מת
(met)
dood
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

96Zij ging voort met spelen en deze woorden te spreken, en Jakob hoorde haar woorden en het was hem aangenaam.
ותוסף
(vattosef)
en zij ging voort
ותנגן
(vatenaggen)
en speelde
ותדבר
(vatedabber)
en sprak
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
וישמע
(vayishma)
en hoorde
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דבריה
(devareiha)
haar woorden
ויערב
(vaye'erav)
en het was hem aangenaam
לו
(lo)
hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
97Hij hoorde haar nog terwijl zij ze twee- en driemaal zei, en de vreugde kwam in het hart van Jakob door de lieflijkheid van haar woorden; de Geest van Elohim kwam op hem en hij wist dat al haar woorden waar waren.
וישמע
(vayishma)
en hoorde
עוד
(od)
nog
בדברה
(bedabberah)
terwijl zij ze zei
פעמיים
(pa'amayim)
tweemaal
ושלוש
(veshalosh)
en driemaal
ותבוא
(vattavo)
en kwam
השמחה
(hasimchah)
de vreugde
בלב
(belev)
in het hart van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מנועם
(minno'am)
vanwege de lieflijkheid van
דבריה
(devareiha)
haar woorden
ותהי
(vatehi)
en kwam
עליו
(alav)
op hem
רוח
(ruach)
Geest van
אלוקים
(Elohim)
Elohim
וידע
(vayyeda)
en hij wist
כי
(ki)
dat
כל
(kol)
alle
דבריה
(devareiha)
haar woorden
נכונה
(nekhonah)
juist
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
98Jakob zegende Serach toen zij deze woorden voor hem sprak, en zei tegen haar: „Mijn dochter, moge de dood tot in eeuwigheid niet over je heersen, want je hebt mijn geest doen leven. Spreek toch nog voor mij zoals je gesproken hebt, want je hebt mij verblijd met al je woorden.”
ויברך
(vayevarekh)
en zegende
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שרח
(serach)
Serach
בדברה
(bedabberah)
terwijl zij sprak
הדברים
(haddevarim)
de dingen
האלה
(ha'elleh)
deze
לפניו
(lefanav)
voor hem
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליה
(eleha)
tot haar
בתי
(biti)
mijn dochter
אל
(el)
niet
ימשול
(yimshol)
moge heersen
מות
(mot)
de dood
בך
(bekha)
over jou
עד
(ad)
tot
עולם
(olam)
eeuwig
כי
(ki)
want
החיית
(hechiyit)
je hebt doen leven
את
(et)
(lijdend voorwerp)
רוחי
(ruchi)
mijn geest
אך
(akh)
maar
דברי
(divrei)
spreek
נא
(na)
toch
עוד
(od)
opnieuw
לפניי
(lefanai)
voor mij
כאשר
(ka'asher)
zoals
דיברת
(dibbarta)
je hebt gesproken
כי
(ki)
want
שמחתני
(simmachtani)
je hebt mij verblijd
בכל
(bekhol)
in heel
דברייך
(devarayikh)
je woorden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
99Zij ging voort met spelen van deze woorden, en Jakob hoorde het, het was hem aangenaam en hij verheugde zich, en de Geest van Elohim kwam op hem.
ותוסף
(vattosef)
en zij ging voort
ותנגן
(vatenaggen)
en speelde
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
ויעקב
(veya'aqov)
en Jakob
שומע
(shome'a)
hoorde
ויערב
(vaye'erav)
en het was hem aangenaam
לו
(lo)
hem
וישמח
(vayismach)
en hij verheugde zich
ותהי
(vatehi)
en kwam
עליו
(alav)
op hem
רוח
(ruach)
Geest van
אלוקים
(Elohim)
Elohim
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Jakobs zonen komen terug

100Terwijl hij nog met haar sprak, zie, zijn zonen kwamen bij hem met paarden en wagens en koninklijke gewaden, en dienaren renden voor hen uit.
עודנו
(odenu)
terwijl hij nog
מדבר
(medabber)
sprak
עמה
(immah)
met haar
והנה
(vehinneh)
en zie
בניו
(banav)
zijn zonen
באו
(ba'u)
kwamen
אליו
(elav)
bij hem
בסוסים
(basusim)
op paarden
ומרכבות
(umerkavot)
en wagens
ובגדי
(uvigdei)
en kleren van
מלכות
(malkhut)
koningschap
ועבדים
(va'avadim)
en dienaren
רצים
(ratsim)
rennend
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 45:27
101Jakob stond op, hun tegemoet, en zag zijn zonen gekleed in koninklijk gewaad, en zag al het goede dat Jozef hun gezonden had.
ויקם
(vayyaqom)
en hij stond op
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
לקראתם
(liqratam)
hun tegemoet
וירא
(vayyera)
en hij zag
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בניו
(banav)
zijn zonen
מלובשים
(meluvashim)
gekleed
בלבוש
(belevush)
in het gewaad van
מלכות
(malkhut)
koningschap
וירא
(vayyera)
en hij zag
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הטובה
(hattovah)
het goede
אשר
(asher)
die
שלח
(Shelach)
hij zond
יוסף
(Yosef)
Jozef
אליהם
(aleihem)
aan hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
102Zij zeiden tegen hem: „Weet dat Jozef, onze broer, leeft en dat hij de heerser is in heel het land Egypte; hij is het die tot ons gesproken heeft, zoals wij tot je gesproken hebben.”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליו
(elav)
tegen hem
התבשר
(hitbasser)
weet
כי
(ki)
dat
יוסף
(Yosef)
Jozef
אחינו
(acheinu)
onze broer
חי
(chai)
leeft
והוא
(vehu)
en hij
המושל
(hamoshel)
de heerser
בכל
(bekhol)
in heel
ארץ
(erets)
land van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
והוא
(vehu)
en hij
אשר
(asher)
die
דיבר
(dibber)
sprak
אלינו
(elenu)
tot ons
ככל
(kekhol)
volgens alles
אשר
(asher)
die
דיברנו
(dibbarnu)
wij spraken
אליך
(elekha)
tot je
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

103Jakob hoorde alle woorden van zijn zonen, en zijn hart verstijfde bij hun woorden, want hij geloofde hun niet, tot hij zag alles wat Jozef hun gegeven had, wat hij hem gezonden had, en al de tekenen die Jozef tot hen gesproken had.
וישמע
(vayishma)
en hoorde
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
דברי
(divrei)
woorden van
בניו
(banav)
zijn zonen
ויפג
(vayafag)
en verstijfde
לבו
(libbo)
zijn hart
אל
(el)
bij
דבריהם
(divreihem)
hun woorden
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
האמין
(he'emin)
geloofde
להם
(lahem)
hun
עד
(ad)
tot
ראותו
(re'oto)
zijn zien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
נתן
(natan)
hij gaf
להם
(lahem)
hun
יוסף
(Yosef)
Jozef
ואשר
(va'asher)
en wat
שלח
(Shelach)
hij zond
לו
(lo)
hem
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
האותות
(ha'otot)
de tekenen
אשר
(asher)
die
דיבר
(dibber)
had gesproken
יוסף
(Yosef)
Jozef
אליהם
(aleihem)
tot hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:26–27 (zijn hart verstijfde, want hij geloofde hen niet; toen hij de wagens zag, leefde zijn geest op).

104Zij openden hun zakken voor hem en lieten hem alles zien wat Jozef gezonden had. Jakob wist dat zij de waarheid gesproken hadden, en hij verheugde zich zeer over zijn zoon.
ויפתחו
(vayipathu)
en zij openden
לפניו
(lefanav)
voor hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שקיהם
(saqeihem)
hun zakken
ויראוהו
(vayir'uhu)
en toonden hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
שלח
(Shelach)
hij zond
יוסף
(Yosef)
Jozef
וידע
(vayyeda)
en hij wist
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
dat
נכונה
(nekhonah)
de waarheid
דיברו
(dibberu)
zij spraken
וישמח
(vayismach)
en hij verheugde zich
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
over
בנו
(beno)
zijn zoon
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Jakob wil gaan

105Jakob zei: „Het is genoeg voor mij dat Jozef, mijn zoon, nog leeft; nu zal ik gaan en hem zien voordat ik sterf.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
רב
(rav)
genoeg
לי
(li)
voor mij
אשר
(asher)
dat
עוד
(od)
nog
יוסף
(Yosef)
Jozef
בני
(bnei)
mijn zoon
חי
(chai)
leeft
עתה
(attah)
nu
אלכה
(elekha)
ik zal gaan
ואראנו
(ve'er'enu)
en ik zal hem zien
בטרם
(beterem)
voordat
אמות
(amut)
ik zou sterven
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 45:28 (‘Het is genoeg!

Mijn zoon Jozef leeft nog; ik zal gaan en hem zien voordat ik sterf’).

Zie ookGen 45:28
106Zijn zonen vertelden hem alles wat hun overkomen was, en Jakob zei: „Ik wil naar Egypte afdalen om mijn zoon en zijn kinderen te zien.”
ויגידו
(vayaggidu)
en zij vertelden
לו
(lo)
voor hem
בניו
(banav)
zijn zonen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הקורות
(haqqorot)
wat hun overkomen was
אותם
(otam)
hen
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ארדה
(ered)
ik wil afdalen
לי
(li)
voor mij
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
לראות
(lir'ot)
zien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בני
(bnei)
mijn zoon
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
ילדיו
(yeladav)
zijn kinderen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

107Jakob stond op en kleedde zich in de kleren die Jozef hem gezonden had, en zette de tulband op zijn hoofd die Jozef hem gezonden had, nadat hij zich gewassen en al zijn haar geschoren had.
ויקם
(vayyaqom)
en hij stond op
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
וילבש
(vayilbash)
en kleedde zich
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הבגדים
(habbegadim)
de kleren
אשר
(asher)
die
שלח
(Shelach)
hij zond
לו
(lo)
voor hem
יוסף
(Yosef)
Jozef
וישם
(vayasem)
en zette
את
(et)
(lijdend voorwerp)
המצנפת
(hammitsnefet)
de tulband
על
(al)
op
ראשו
(rosho)
zijn hoofd
אשר
(asher)
die
שלח
(Shelach)
hij zond
לו
(lo)
voor hem
יוסף
(Yosef)
Jozef
אחרי
(acharei)
na
אשר
(asher)
dat
רחץ
(rachats)
hij gewassen had
וגילח
(vegillach)
en geschoren
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
שיערו
(se'aro)
zijn haar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
108Ook alle mensen van het huis van Jakob en hun vrouwen kleedden zich in alles wat Jozef hun gezonden had, en zij waren zeer vrolijk over Jozef, dat hij nog leeft en dat hij heerser is in Egypte.
וילבשו
(vayilbeshu)
en zij kleedden zich
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mensen van
בית
(bet)
het huis van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ונשיהם
(venasheihem)
en hun vrouwen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
שלח
(Shelach)
hij had gezonden
אליהם
(aleihem)
tot hen
יוסף
(Yosef)
Jozef
וישמחו
(vayismechu)
en zij waren vrolijk
מאוד
(me'od)
zeer
ביוסף
(beyosef)
over Jozef
כי
(ki)
dat
עודנו
(odenu)
nog
חי
(chai)
leeft
וכי
(vekhi)
en dat
הוא
(hu)
hij
המושל
(hamoshel)
de heerser
במצרים
(bemitsrayim)
in Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

109Alle bewoners van Kanaän hoorden dit, en zij kwamen en deelden zeer in Jakobs vreugde over Jozef, dat hij nog leefde.
וישמעו
(vayishme'u)
en zij hoorden
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
וישמחו
(vayismechu)
en verheugden
את
(et)
met
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ביוסף
(beyosef)
over Jozef
מאוד
(me'od)
zeer
כי
(ki)
want
עודנו
(odenu)
nog
חי
(chai)
leeft
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het feest in Kanaän

110Jakob maakte voor hen een maaltijd van drie dagen, en alle koningen van Kanaän en de groten van het land aten, dronken en waren vrolijk in het huis van Jakob.
ויעש
(vayya'as)
en maakte
להם
(lahem)
hun
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
משתה
(mishteh)
een maaltijd
שלושת
(sheloshet)
drie
ימים
(yamim)
dagen
ויאכלו
(vayokhlu)
en zij aten
וישתו
(vayishtu)
en zij dronken
וישמחו
(vayismechu)
en zij waren vrolijk
בבית
(babbayit)
in het huis van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כל
(kol)
alle
מלכי
(malkhei)
koningen van
כנען
(Kena'an)
Kanaän
וכל
(vekhol)
en alle
גדולי
(gedoley)
de groten van
הארץ
(ha'arets)
het land
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.