Elohim Bijbel

Jasher 33

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

Sichem en Dina; de besnijdenis

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jakob bij Sichem

1Na enige tijd trok Jakob weg van de grens van het land, en hij kwam in het land Salem, dat is de stad Sichem, die in het land Kanaän ligt, en hij sloeg zijn kamp op voor de stad.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
מימים
(miyyamim)
na enige tijd
ויסע
(vayyisa)
en trok weg
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
מגבול
(migvul)
van de grens van
הארץ
(ha'arets)
het land
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
בארץ
(ba'arets)
in het land
שלם
(shalem)
Salem
היא
(hi)
dat is
עיר
(ir)
stad
שכם
(Shekhem)
Sichem
אשר
(asher)
die
בארץ
(ba'arets)
in het land
כנען
(Kena'an)
Kanaän
ויחן
(vayichan)
en hij sloeg zijn kamp op
את
(et)
(obj.)
פני
(pnei)
voor
העיר
(ha'ir)
de stad
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 33:17–18 (Sukkot en Sichem).

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.

2Hij kocht het stuk van het veld dat daar was, van de zonen van Hamor, de mannen van het land, voor vijf sjekel.
ויקן
(vayiqen)
en hij kocht
את
(et)
(obj.)
חלקת
(chelqat)
het stuk van
השדה
(hasadeh)
het veld
אשר
(asher)
die
שם
(shem)
daar
מאת
(me'et)
van
בני
(bnei)
zonen van
חמור
(chamor)
Hamor
אנשי
(anshei)
mannen van
הארץ
(ha'arets)
het land
בחמשת
(bachamishat)
voor
שקלים
(sheqalim)
sjekel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 33:19.

In Genesis wordt het land gekocht voor honderd kesita’s; hier voor vijf sjekel.

Uitleg

Een sjekel is ongeveer 11,4 gram zilver.

Zie ookGen 33:19
3Jakob bouwde daar een huis voor zichzelf, sloeg daar zijn tent op en maakte hutten voor zijn vee; daarom noemde hij de naam van die plaats Sukkot.
ויבן
(vayiven)
en hij bouwde
לו
(lo)
voor zichzelf
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בית
(bet)
het huis van
שם
(shem)
daar
ויט
(vayet)
en hij sloeg op
שם
(shem)
daar
אהלו
(oholo)
zijn tent
ולמקנהו
(ulemiqnehu)
en voor zijn vee
עשה
(asah)
maakte
סוכות
(sukkot)
hutten
על
(al)
op
כן
(ken)
zo
קרא
(qara)
noemde
שם
(shem)
de naam van
המקום
(hammaqom)
de plaats
ההוא
(hahu)
die
סוכות
(sukkot)
Sukkot
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 33:17 (Sukkot).

Zie ookGen 33:17
4Jakob bleef in Sukkot een jaar en zes maanden.
וישב
(vayyashev)
en hij bleef
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בסוכות
(bassukkot)
in Sukkot
ימים
(yamim)
dagen
שנה
(shanah)
jaar
ושישה
(veshishah)
en zes
חודשים
(chodashim)
maanden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sukkot: Sukkot lag ten oosten van de Jordaan, bij de monding van de Jabbok; de precieze plaats is niet zeker.

Dina en Sichem

5In die tijd gingen enkele vrouwen van de bewoners van het land, van de stad Sichem, uit om reidansen te dansen en zich te verheugen in de vreugde van de dochters van de mannen van de stad. Toen zij uitgingen, gingen ook Rachel en Lea, de vrouwen van Jakob, met hun slavinnen uit, om de vreugde van de dochters van de stad te zien.
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
יצאו
(yatse'u)
zij gingen uit
מנשי
(minneshe)
van de vrouwen van
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
הארץ
(ha'arets)
het land
עיר
(ir)
stad
שכם
(Shekhem)
Sichem
לחול
(lachul)
om te dansen
במחולות
(bimcholot)
in reidansen
ולשמוח
(velismoach)
en zich te verheugen
בשמחת
(besimchat)
in de vreugde van
בנות
(banot)
dochters van
אנשי
(anshei)
mannen van
העיר
(ha'ir)
de stad
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בצאתן
(betsetan)
toen zij uitgingen
ותצאן
(vattetse'na)
en zij gingen uit
רחל
(Rachel)
Rachel
ולאה
(uLe'ah)
en Lea
נשי
(neshei)
vrouwen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
עם
(im)
met
שפחותיהן
(shifchoteihen)
hun slavinnen
לראות
(lir'ot)
om te zien
בשמחת
(besimchat)
in de vreugde van
בנות
(banot)
dochters van
אנשי
(anshei)
mannen van
העיר
(ha'ir)
de stad
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Zie ookGen 34:1
6Ook Dina, de dochter van Jakob, ging met hen mee; zij zagen de dochters van de stad en zaten daar voor de dochters van de stad. Alle mannen van de stad stonden bij hen om naar hun vreugde te kijken, en alle groten van de stad waren daar.
ותצא
(vatetse)
en ging uit
גם
(gam)
ook
דינה
(Dinah)
Dina
בת
(bat)
dochter van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
עמהן
(immahen)
met hen mee
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
את
(et)
(obj.)
בנות
(banot)
dochters
העיר
(ha'ir)
de stad
וישבו
(vayeshvu)
en zij zaten
שם
(shem)
daar
לפני
(lifnei)
voor
בנות
(banot)
dochters
העיר
(ha'ir)
de stad
וכל
(vekhol)
en alle
אנשי
(anshei)
mannen van
העיר
(ha'ir)
de stad
עומדים
(omdim)
staande
עליהם
(aleihem)
bij hen
לראות
(lir'ot)
om te zien
בשמחתם
(besimchatam)
in hun vreugde
וכל
(vekhol)
en alle
גדולי
(gedoley)
de groten van
העיר
(ha'ir)
de stad
שם
(shem)
daar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
7Ook Sichem, de zoon van Hamor, de vorst van het land, stond daar om te kijken.
וגם
(vegam)
en ook
שכם
(Shekhem)
Sichem
בן
(ben)
zoon van
חמור
(chamor)
Hamor
נשיא
(nasi)
vorst
הארץ
(ha'arets)
het land
עומד
(omed)
staande
שם
(shem)
daar
לראות
(lir'ot)
om te zien
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
8Sichem zag Dina, de dochter van Jakob, zitten met haar moeder voor de dochters van de stad, en het meisje beviel hem zeer. Hij vroeg zijn vrienden en zijn mannen: „Wiens dochter is dat meisje dat tussen de vrouwen zit en dat ik in deze stad niet ken?”
וירא
(vayyera)
en hij zag
שכם
(Shekhem)
Sichem
את
(et)
(obj.)
דינה
(Dinah)
Dina
בת
(bat)
dochter van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
יושבת
(yoshevet)
zittend
עם
(im)
met
אמה
(ammah)
haar moeder
לפני
(lifnei)
voor
בנות
(banot)
dochters
העיר
(ha'ir)
de stad
ותישר
(vattisher)
en zij beviel
הנערה
(hanna'arah)
het meisje
בעיניו
(be'einav)
in zijn ogen
מאוד
(me'od)
zeer
וישאל
(vayish'al)
en hij vroeg
שכם
(Shekhem)
Sichem
את
(et)
(obj.)
רעיו
(re'av)
zijn vrienden
ואת
(ve'et)
en (obj.)
אנשיו
(anashav)
zijn mannen
לאמור
(lemor)
zeggende
בת
(bat)
dochter van
מי
(mi)
wie
הנערה
(hanna'arah)
het meisje
ההיא
(hahi)
die
היושבת
(hayyoshevet)
die zit
בין
(bein)
tussen
הנשים
(hannashim)
de vrouwen
אשר
(asher)
die
לא
(lo)
niet
ידעתי
(yada'ti)
ik ken
אותה
(otah)
haar
בעיר
(ba'ir)
in de stad
הזאת
(hazzo't)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:1–3.

9Zij zeiden tegen hem: „Dit is de dochter van Jakob, de zoon van Abraham, de Hebreeër, die al enige tijd in deze stad woont; en toen zij hoorde dat de dochters van het land uitgingen om zich te verheugen, ging zij uit met haar moeder en haar slavinnen en ging tussen hen zitten, zoals ik het zag.”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליו
(elav)
tot hem
זאת
(zot)
dit is
בת
(bat)
dochter van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
בן
(ben)
zoon van
אברהם
(avraham)
Abraham
העברי
(ha'ivri)
de Hebreeër
היושב
(hayyoshev)
die woont
בעיר
(ba'ir)
in de stad
הזאת
(hazzo't)
deze
זה
(ze)
sinds
ימים
(yamim)
dagen
ותשמע
(vattishma)
en zij hoorde
כי
(ki)
dat
בנות
(banot)
dochters
הארץ
(ha'arets)
het land
יצאו
(yatse'u)
zij gingen uit
לשמוח
(lismoach)
om zich te verheugen
ותצא
(vatetse)
en ging uit
עם
(im)
met
אמה
(ammah)
haar moeder
ועם
(ve'im)
en met
שפחותיה
(shifchotehah)
haar slavinnen
ותשב
(vatashav)
en zij ging zitten
בתוכם
(betokham)
onder hen
כאשר
(ka'asher)
zoals
ראיתי
(ra'iti)
ik zag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

De tekst heeft ‘de zoon van Abraham, de Hebreeër’; Jakob is de kleinzoon van Abraham (Gen. 25:26).

De Engelse vertaling heeft ‘zoon van Isaak’.

Zie ookGen 25:26
10Sichem zag Dina, de dochter van Jakob, en terwijl hij haar zag, werd zijn ziel aan Dina gebonden.
וירא
(vayyera)
en hij zag
שכם
(Shekhem)
Sichem
את
(et)
(obj.)
דינה
(Dinah)
Dina
בת
(bat)
dochter van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
הוא
(hu)
hij
רואה
(ro'eh)
ziende
אותה
(otah)
haar
ונפשו
(venafsho)
en zijn ziel
נקשרה
(niqshera)
werd gebonden
בדינה
(bedinah)
aan Dina
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
11Hij liet haar halen en nam haar met geweld; Dina kwam in het huis van Sichem, en hij greep haar met kracht, lag bij haar en vernederde haar. Hij had haar zeer lief en liet haar in zijn huis wonen.
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
ויקחה
(vayiqachah)
en hij nam haar
בחזקה
(bechazaqah)
met geweld
ותבוא
(vattavo)
en kwam
דינה
(Dinah)
Dina
בית
(bet)
het huis van
שכם
(Shekhem)
Sichem
ויאחז
(vaye'echaz)
en greep
בה
(bah)
haar
בחוזקה
(bechozqah)
met kracht
וישכב
(vayishkav)
lag
אותה
(otah)
haar
ויענה
(vaye'anneh)
en hij vernederde haar
ויאהבה
(vaye'ehavehah)
en hij beminde haar
מאוד
(me'od)
zeer
ויושיבה
(vayoshivah)
en hij liet haar wonen
בביתו
(beveyto)
in zijn huis
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:2.

Zie ookGen 34:2

Jakob hoort het

12Zij kwamen en vertelden het Jakob; en toen Jakob hoorde dat Sichem zijn dochter Dina onrein had gemaakt, zond Jakob twee van zijn dienaren om Dina uit het huis van Sichem te halen.
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
ויגידו
(vayaggidu)
en zij vertelden
הדבר
(haddavar)
de zaak
ליעקב
(leya'aqov)
aan Jakob
וישמע
(vayishma)
en hij hoorde
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
dat
טמא
(timme)
had onrein gemaakt
שכם
(Shekhem)
Sichem
את
(et)
(obj.)
דינה
(Dinah)
Dina
בתו
(bito)
zijn dochter
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
שנים
(shanim)
twee
מעבדיו
(me'avadav)
van zijn dienaren
להביא
(lehavi)
te brengen
את
(et)
(obj.)
דינה
(Dinah)
Dina
מבית
(mibbayit)
uit het huis van
שכם
(Shekhem)
Sichem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

שנים (‘twee’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘twaalf’.

Zie Gen. 34:5.

Zie ookGen 34:5
13Zij gingen en kwamen bij het huis van Sichem om Dina van daar mee te nemen. Toen zij kwamen, ging Sichem met zijn mannen naar hen toe en verdreef hen uit zijn huis; hij liet hen niet toe bij Dina te komen, maar Sichem zat met Dina en kuste en omhelsde haar voor hun ogen.
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
בית
(bet)
het huis van
שכם
(Shekhem)
Sichem
לקחת
(laqachat)
om te nemen
את
(et)
(obj.)
דינה
(Dinah)
Dina
משם
(misham)
vandaar
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בבואם
(bevo'am)
toen zij kwamen
ויצא
(vayetse)
en hij ging uit
שכם
(Shekhem)
Sichem
אליהם
(aleihem)
naar hen
עם
(im)
met
אנשיו
(anashav)
zijn mannen
ויגרשם
(vayegarshem)
en hij verdreef hen
מביתו
(mibbeto)
uit zijn huis
ולא
(velo)
en niet
נתנום
(netanum)
lieten hen toe
לבוא
(lavo)
binnen te gaan
לפני
(lifnei)
voor
דינה
(Dinah)
Dina
אך
(akh)
maar
ישב
(yashav)
zat
שכם
(Shekhem)
Sichem
את
(et)
(obj.)
דינה
(Dinah)
Dina
וינשקה
(vayyishshaqah)
en hij kuste haar
ויחבקה
(vaychabqah)
en hij omhelsde haar
לעיניהם
(le'eneihem)
voor hun ogen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
14De dienaren van Jakob kwamen terug en vertelden het hem: „Toen wij kwamen, verdreef hij ons, hij en zijn mannen, en zus en zo deed Sichem aan Dina voor onze ogen.”
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
עבדי
(avdei)
dienaren van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ויגידו
(vayaggidu)
en zij vertelden
לו
(lo)
voor hem
לאמור
(lemor)
zeggende
בבואנו
(bevo'enu)
toen wij kwamen
ויגרשנו
(vayegarshenu)
en hij verdreef ons
הוא
(hu)
hij
ואנשיו
(ve'anashav)
en zijn mannen
וכזאת
(vekhazzot)
en zus
וכזאת
(vekhazzot)
en zo
עשה
(asah)
deed
שכם
(Shekhem)
Sichem
לדינה
(ledinah)
aan Dina
לעינינו
(le'eneinu)
voor onze ogen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
15Jakob wist ook dat Sichem zijn dochter onrein had gemaakt, maar hij sprak niets; zijn zonen weidden zijn vee op het veld, en Jakob zweeg tot hun komst.
וידע
(vayyeda)
en hij wist
עוד
(od)
ook
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
dat
טמא
(timme)
had onrein gemaakt
שכם
(Shekhem)
Sichem
את
(et)
(obj.)
בתו
(bito)
zijn dochter
אך
(akh)
maar
לא
(lo)
niet
דיבר
(dibber)
had gesproken
מאומה
(me'umah)
iets
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
היו
(hayu)
zij waren
רועים
(ro'im)
weidend
את
(et)
(obj.)
מקנהו
(miqnehu)
zijn vee
בשדה
(bassadeh)
in het veld
ויחריש
(vayacharish)
en zweeg
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
עד
(ad)
tot
בואם
(bo'am)
hun komst
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:5.

Zie ookGen 34:5

Hamor en Sichem

16Voordat zijn zonen kwamen, zond Jakob twee meisjes, dochters van zijn dienaren, om Dina in het huis van Sichem te bewaken en bij haar te blijven. En Sichem zond drie mannen, zijn vrienden, naar zijn vader Hamor, de zoon van Chiddekem, de zoon van Pered, met de woorden: „Neem dit meisje voor mij tot vrouw.”
וישלח
(vayishlach)
en hij zond
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
טרם
(terem)
voordat
באו
(ba'u)
zij kwamen
בניו
(banav)
zijn zonen
שתי
(shetei)
twee
נערות
(na'arot)
meisjes
מבנות
(mibbenot)
uit de dochters van
עבדיו
(avadav)
zijn dienaren
לשמור
(lishmor)
om te bewaken
את
(et)
(obj.)
דינה
(Dinah)
Dina
בבית
(babbayit)
in het huis van
שכם
(Shekhem)
Sichem
ולשבת
(velashevet)
en te zitten
איתה
(ittah)
met haar
ושכם
(ushkhem)
en Sichem
שלך
(shalach)
zond
שלושה
(shelosha)
drie
אנשים
(anashim)
mannen
מרעיו
(mere'av)
zijn vrienden
אל
(el)
naar
חמור
(chamor)
Hamor
בן
(ben)
zoon van
חדקם
(Chiddeqem)
Chiddekem
בן
(ben)
zoon van
פרד
(Pered)
Pered
אביו
(aviv)
zijn vader
לאמור
(lemor)
zeggende
קח
(qach)
neem
לי
(li)
voor mij
את
(et)
(obj.)
הנערה
(hanna'arah)
het meisje
הזאת
(hazzo't)
deze
לאישה
(le'ishah)
tot vrouw
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

ושכם שלך (‘en Sichem … ’) staat er; gelezen als ושכם שלח, ‘en Sichem zond’.

Zie Gen. 34:4.

Zie ookGen 34:4
17Hamor, de zoon van Chiddekem, de Chiviet, kwam in het huis van Sichem, zijn zoon, en zat voor hem. Hamor zei tegen Sichem, zijn zoon: „Is er onder de dochters van je volk geen vrouw die je zou nemen, dat je een Hebreeuwse vrouw neemt die niet van je volk is?”
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
חמור
(chamor)
Hamor
בן
(ben)
zoon van
חדקם
(Chiddeqem)
Chiddekem
החוי
(hachivvi)
de Chiviet
בית
(bet)
het huis van
שכם
(Shekhem)
Sichem
בנו
(beno)
zijn zoon
וישב
(vayyashev)
en hij zat
לפניו
(lefanav)
voor hem
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
חמור
(chamor)
Hamor
אל
(el)
tegen
שכם
(Shekhem)
Sichem
בנו
(beno)
zijn zoon
האין
(ha'ein)
is er niet
בבנות
(bivnot)
onder de dochters van
עמך
(immekha)
je volk
אישה
(ishah)
een vrouw
אשר
(asher)
die
תיקח
(tiqqach)
je zou nemen
אישה
(ishah)
een vrouw
עברית
(ivriyyah)
een Hebreeuwse
אשר
(asher)
die
לא
(lo)
niet
מעמך
(me'ammekha)
van je volk
היא
(hi)
zij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:4.

De woorden van Hamor tot Sichem staan niet in Genesis.

Zie ookGen 34:4
18Sichem zei tegen hem: „Neem haar voor mij, want zij is goed in mijn ogen.” Hamor deed wat zijn zoon zei, want hij was zeer geëerd in zijn ogen.
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
שכם
(Shekhem)
Sichem
אליו
(elav)
tot hem
אותה
(otah)
haar
קח
(qach)
neem
לי
(li)
voor mij
כי
(ki)
want
היא
(hi)
zij
ישרה
(yesharah)
goed
בעיני
(be'einei)
in mijn ogen
ויעש
(vayya'as)
en hij deed
חמור
(chamor)
Hamor
כדבר
(kidvar)
volgens het woord van
בנו
(beno)
zijn zoon
כי
(ki)
want
הוא
(hu)
hij
נכבד
(nikhbad)
geëerd
מאוד
(me'od)
zeer
בעיניו
(be'einav)
in zijn ogen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
19Hamor ging naar Jakob om daarover met hem te spreken. Toen Hamor het huis van zijn zoon Sichem had verlaten en nog niet bij Jakob was om met hem te spreken, zie, de zonen van Jakob kwamen van het veld, want zij hadden gehoord wat Sichem, de zoon van Hamor, had gedaan.
ויצא
(vayetse)
en hij ging weg
חמור
(chamor)
Hamor
אל
(el)
naar
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
לדבר
(laddavar)
om te spreken
איתו
(ito)
met hem
בדבר
(bedabber)
over de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בצאת
(betset)
bij het uitgaan van
חמור
(chamor)
Hamor
מבית
(mibbayit)
uit het huis van
שכם
(Shekhem)
Sichem
בנו
(beno)
zijn zoon
טרם
(terem)
voordat
בואו
(bo'o)
zijn komst
אל
(el)
bij
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
לדבר
(laddavar)
om te spreken
איתו
(ito)
met hem
והנה
(vehinneh)
en zie
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
באו
(ba'u)
kwamen
מן
(min)
van
השדה
(hasadeh)
het veld
כאשר
(ka'asher)
toen
שמעו
(shame'u)
zij hoorden
את
(et)
(obj.)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
wat
עשה
(asah)
had gedaan
שכם
(Shekhem)
Sichem
בן
(ben)
zoon van
חמור
(chamor)
Hamor
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:6–7.

20De mannen waren zeer bedroefd om hun zus, en zij werden zeer toornig; allen kwamen in brandende toorn, vóór het tijdstip van het binnenhalen van het vee.
ויתיעצו
(vayityatsu)
en zij werden bedroefd
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
over
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויחר
(vayyichar)
en ontbrandde
להם
(lahem)
hen
מאוד
(me'od)
zeer
על
(al)
omtrent
אודות
(odot)
(samen: omtrent)
אחותם
(achotam)
hun zus
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
כולם
(kullam)
allen
בחרי
(bacharí)
in het ontbranden van
אף
(af)
toorn
טרם
(terem)
voordat
עת
(et)
tijd van
האסף
(he'asef)
het binnenhalen van
המקנה
(hammiqneh)
het vee
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

ויתיעצו (‘en zij beraadslaagden’) staat er; Gen. 34:7 heeft ויתעצבו, ‘zij werden bedroefd’, zoals ook de Engelse vertaling.

Vertaald als ‘bedroefd’.

Zie ookGen 34:7

De zonen van Jakob

21Zij kwamen en zaten voor hun vader en spraken in brandende toorn tot hem: „Is niet de dood verschuldigd aan die man en zijn huis? Want Yahweh, Elohim van heel de aarde, heeft Noach en zijn zonen geboden dat niemand zal roven en niemand overspel zal plegen, tot in eeuwigheid; en zie, Sichem heeft geroofd en overspel gepleegd met onze zus, en niemand van alle mannen van de stad heeft een woord tot hem gesproken.
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
וישבו
(vayeshvu)
en zij zaten
לפני
(lifnei)
voor
אביהם
(avihem)
hun vader
וידברו
(vayedabberu)
en zij spraken
אליו
(elav)
tot hem
בחרי
(bacharí)
in het ontbranden van
אף
(af)
toorn
לאמור
(lemor)
zeggende
הלא
(halo)
immers
משפט
(mishpat)
vonnis van
מות
(mot)
dood
לאיש
(le'ish)
voor de man
ההוא
(hahu)
die
ולביתו
(uleveto)
en voor zijn huis
כי
(ki)
want
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אלוקי
(elohei)
Elohim van
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
ציוה
(tsiwwah)
had geboden
את
(et)
(obj.)
נח
(Noach)
Noach
ואת
(ve'et)
en (obj.)
בניו
(banav)
zijn zonen
לבלתי
(levilti)
opdat niet
יגזול
(yigzol)
zal roven
ולבלתי
(velivlti)
en niet
ינאף
(yin'af)
zal overspel plegen
איש
(ish)
iemand
עד
(ad)
tot
עולם
(olam)
eeuwig
והנה
(vehinneh)
en zie
שכם
(Shekhem)
Sichem
גזל
(gazal)
heeft geroofd
ונאף
(veni'af)
en heeft overspel gepleegd
את
(et)
met
אחותינו
(achotenu)
onze zus
ואין
(veein)
en er is niet
דובר
(dubbar)
sprekend
אליו
(elav)
tot hem
דבר
(davar)
een woord
מכל
(mikkol)
van alle
אנשי
(anshei)
mannen van
העיר
(ha'ir)
de stad
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Zie Gen. 34:7.

Het gebod aan Noach tegen roven en overspel staat niet in Genesis; zie Gen. 9:1–7 voor wat Noach en zijn zonen geboden wordt.

22Weet je niet, of heb je niet gehoord, dat het doodvonnis geldt voor Sichem, voor zijn vader en voor heel de stad, vanwege wat hij gedaan heeft?”
הלא
(halo)
immers
ידעתם
(yeda'tem)
jullie weten
אם
(em)
of
לא
(lo)
niet
שמעתם
(shema'tem)
jullie hebben gehoord
כי
(ki)
dat
משפט
(mishpat)
vonnis van
מות
(mot)
dood
לשכם
(lishkhem)
aan Sichem
ולאביו
(ule'aviv)
en aan zijn vader
ולכל
(ulkhol)
en voor al
העיר
(ha'ir)
de stad
בדבר
(bedabber)
vanwege de zaak
אשר
(asher)
wat
עשה
(asah)
heeft gedaan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

ידעתם (‘jullie weten’, meervoud) staat er; vertaald als enkelvoud, omdat de zonen tot hun vader spreken.

23Terwijl zij hierover voor hun vader spraken, zie, Hamor, de vader van Sichem, kwam om de woorden van zijn zoon Sichem over Dina tot Jakob te spreken, en hij zat voor Jakob en voor zijn zonen.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
הם
(hem)
zij
מדברים
(medabberim)
spraken
לפני
(lifnei)
voor
אביהם
(avihem)
hun vader
בדבר
(bedabber)
over de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
והנה
(vehinneh)
en zie
חמור
(chamor)
Hamor
אבי
(avi)
vader van
שכם
(Shekhem)
Sichem
בא
(ba)
kwam
לדבר
(laddavar)
om te spreken
אל
(el)
met
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אל
(el)
tot
דברי
(divrei)
woorden van
שכם
(Shekhem)
Sichem
בנו
(beno)
zijn zoon
על
(al)
op
אודות
(odot)
over
דינה
(Dinah)
Dina
וישב
(vayyashev)
en hij zat
לפני
(lifnei)
voor
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ולפני
(velifnei)
en voor
בניו
(banav)
zijn zonen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Hamor spreekt

24Hamor sprak tot hen: „De ziel van mijn zoon Sichem verlangt naar jullie dochter; geef haar hem toch tot vrouw. Word met ons door huwelijk verbonden: geef ons jullie dochters, en wij geven jullie onze dochters; jullie zullen bij ons wonen in ons land en wij zullen één volk worden in het land.
וידבר
(vayedabber)
en hij sprak
חמור
(chamor)
Hamor
אליהם
(aleihem)
tot hen
לאמור
(lemor)
zeggende
שכם
(Shekhem)
Sichem
בני
(bnei)
mijn zoon
חשקה
(chashqah)
verlangt
נפשו
(nafsho)
zijn ziel
בבתכם
(bevittkhem)
naar jullie dochter
תנו
(tenu)
geef
נא
(na)
toch
אותה
(otah)
haar
לו
(lo)
hem
לאישה
(le'ishah)
aan haar man
והתחתנו
(vehitchattenu)
en word door huwelijk verbonden
אותנו
(otanu)
met ons
את
(et)
(obj.)
בנותיכם
(benotekhem)
jullie dochters
תתנו
(titenu)
geven jullie
לנו
(lanu)
ons
ואת
(ve'et)
en (obj.)
בנותינו
(benotenu)
onze dochters
ניתן
(nitten)
geven wij
לכם
(lakhem)
aan jullie
וישבתם
(vishavtem)
en jullie zullen wonen
איתנו
(ittanu)
met ons
בארצנו
(be'artsenu)
in ons land
והיינו
(vehayinu)
en wij zullen worden
לעם
(le'am)
tot een volk
אחד
(echad)
één
בארץ
(ba'arets)
in het land
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:8–10.

25Want zie, ons land is ruim; blijf er dus wonen, drijf er handel, neem er bezit en doe er al wat jullie wensen, en niemand zal een woord tot jullie spreken om het te beletten.”
כי
(ki)
want
הנה
(hinneh)
zie
ארצנו
(artsenu)
ons land
רחבת
(rachavat)
ruim
ידים
(yadayim)
(samen: ruim)
היא
(hi)
zij
שבו
(shavu)
blijft
וסחרו
(vesacharu)
en drijf handel
והאחזו
(vehe'achzu)
en neem bezit
בה
(bah)
in haar
ועשיתם
(va'asitem)
en doet
בה
(bah)
in haar
כל
(kol)
alle
חפציכם
(chafetsekhem)
jullie wensen
ואין
(veein)
en er is niemand
דובר
(dubbar)
sprekend
אליכם
(aleikhem)
tot jullie
דבר
(davar)
een woord
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 34:10
26Hamor hield op met spreken tot Jakob en zijn zonen, en zie, zijn zoon Sichem was hem achterna gekomen, en hij zat voor hen.
ויכל
(vayekhal)
en hij hield op
חמור
(chamor)
Hamor
לדבר
(laddavar)
om te spreken
אל
(el)
tot
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ואל
(ve'el)
en tot
בניו
(banav)
zijn zonen
והנה
(vehinneh)
en zie
שכם
(Shekhem)
Sichem
בנו
(beno)
zijn zoon
בא
(ba)
kwam
אחריו
(acharav)
achter hem
וישב
(vayyashev)
en hij zat
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
27Sichem sprak voor Jakob en zijn zonen: „Als ik gunst mag vinden in jullie ogen, geef mij dan jullie dochter; en wat jullie ook tot mij zeggen, zal ik voor haar doen.
וידבר
(vayedabber)
en hij sprak
שכם
(Shekhem)
Sichem
לפני
(lifnei)
voor
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ובניו
(uvanav)
en zijn zonen
לאמור
(lemor)
zeggende
אמצא
(emtsa)
moge ik vinden
חן
(chen)
gunst
בעיניכם
(be'eineikhem)
in jullie ogen
אשר
(asher)
wat
תתנו
(titenu)
jullie geven
אלי
(elai)
mij
בתכם
(bittekhem)
jullie dochter
ואשר
(va'asher)
en wat
תאמרו
(tomru)
jullie zeggen
אלי
(elai)
mij
אעשה
(e'eseh)
ik zal doen
לה
(lah)
voor haar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:11–12.

28Leg mij zeer veel bruidsschat en gift op, en ik zal het geven; en wat jullie tot mij zeggen zal ik doen, en wie zich verzet tegen wat jullie zeggen, zal sterven; geef mij het meisje tot vrouw.”
הרבו
(harbu)
maak veel
עלי
(alay)
op mij
מאוד
(me'od)
zeer
מוהר
(mohar)
bruidsschat
ומתן
(umattan)
en gift
ואתנה
(ve'ettenah)
en ik zal geven
ואשר
(va'asher)
en wat
תאמרו
(tomru)
jullie zeggen
אלי
(elai)
tot mij
אעשה
(e'eseh)
ik zal doen
ואשר
(va'asher)
en wie
ימרה
(yamreh)
zich verzet tegen
את
(et)
(obj.)
פיכם
(pikhem)
jullie mond
ימות
(yamut)
zal sterven
ותנו
(utenu)
en geef
לי
(li)
mij
את
(et)
(obj.)
הנערה
(hanna'arah)
het meisje
לאישה
(le'ishah)
tot vrouw
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De list van Simeon en Levi

29Simeon en Levi antwoordden Hamor en zijn zoon Sichem met list: „Alles wat jullie tot ons hebben gesproken, zullen wij zo voor jullie doen;
ויענו
(vaya'anu)
en zij antwoordden
שמעון
(Shim'on)
Simeon
ולוי
(uLevi)
en Levi
את
(et)
(obj.)
חמור
(chamor)
Hamor
ואת
(ve'et)
en (obj.)
שכם
(Shekhem)
Sichem
בנו
(beno)
zijn zoon
במרמה
(bemirmah)
met list
לאמור
(lemor)
zeggende
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
דיברתם
(dibbartem)
jullie hebben gesproken
אלינו
(elenu)
tot ons
כן
(ken)
zo
נעשה
(na'aseh)
wij zullen doen
לכם
(lakhem)
aan jullie
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:13.

Zie ookGen 34:13
30en zie, onze zus is in jullie huis. Maar laat het rusten tot wij naar onze vader Isaak hebben gezonden over deze zaak.
והנה
(vehinneh)
en zie
אחותינו
(achotenu)
onze zus
בביתכם
(bevetkhem)
in jullie huis
אך
(akh)
maar
הרפו
(harpu)
laat het rusten
ממנו
(mimmennu)
ervan
עד
(ad)
tot
אשר
(asher)
(dat)
נשלח
(nishlach)
wij zullen zenden
אל
(el)
tot
יצחק
(Yitschaq)
Isaak
אבינו
(avinu)
onze vader
על
(al)
over
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
31Want wij kunnen niets doen zonder zijn woord, want hij kent de wegen van onze vader Abraham; en wat hij tot ons zal zeggen, zullen wij jullie vertellen; wij zullen niets voor jullie verbergen.”
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
נוכל
(nukhal)
wij kunnen
לעשות
(la'asot)
om te doen
דבר
(davar)
iets
בלתי
(bilti)
zonder
דברו
(dabberu)
zijn woord
כי
(ki)
want
הוא
(hu)
hij
ידע
(yada)
kent
את
(et)
(obj.)
דרכי
(darkhei)
wegen van
אברהם
(avraham)
Abraham
אבינו
(avinu)
onze vader
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
הדבר
(haddavar)
het woord
אשר
(asher)
wat
יאמר
(yomar)
zal zeggen
אלינו
(elenu)
tot ons
והגדנו
(vehiggadnu)
en wij zullen vertellen
אליכם
(aleikhem)
tot jullie
לא
(lo)
niet
נכחד
(nakchid)
wij zullen verbergen
מכם
(mikkem)
van jullie
דבר
(davar)
iets
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
32Simeon en Levi spraken dit tot Sichem en zijn vader om een voorwendsel te vinden en raad te zoeken over wat te doen aan Sichem en zijn stad in deze zaak.
ושמעון
(veShim'on)
en Simeon
ולוי
(uLevi)
en Levi
דברו
(dabberu)
zij spraken
את
(et)
(obj.)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אל
(el)
tegen
שכם
(Shekhem)
Sichem
ואל
(ve'el)
en tegen
אביו
(aviv)
zijn vader
למען
(lema'an)
opdat
מצוא
(metso)
om te vinden
עלילה
(alilah)
voorwendsel
ולבקש
(uleva-qesh)
en te zoeken
עצה
(etsah)
raad
מה
(mah)
wat
לעשות
(la'asot)
om te doen
אל
(el)
aan
שכם
(Shekhem)
Sichem
ואל
(ve'el)
en aan
עירו
(iro)
zijn stad
בדבר
(bedabber)
in de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
33Toen Sichem en zijn vader de woorden van Simeon en Levi tot hen hoorden, behaagde het hun, en Sichem en zijn vader gingen weg en gingen naar hun huis.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כשמוע
(kishmo'a)
toen zij hoorden
שכם
(Shekhem)
Sichem
ואביו
(ve'aviv)
en zijn vader
את
(et)
(obj.)
דברי
(divrei)
woorden van
שמעון
(Shim'on)
Simeon
ולוי
(uLevi)
en Levi
אליהם
(aleihem)
tot hen
וייטב
(vayyitav)
en het behaagde
בעיניהם
(be'eneihem)
in hun ogen
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
שכם
(Shekhem)
Sichem
ואביו
(ve'aviv)
en zijn vader
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
אל
(el)
naar
ביתם
(beytam)
hun huis
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
34Toen zij gegaan waren, spraken de zonen van Jakob tot hun vader: „Zie, ik weet dat het doodvonnis geldt voor deze goddelozen en voor hun stad, omdat zij hebben overtreden wat onze Elohim Noach en zijn zonen en zijn nageslacht na hem had geboden.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בלכתם
(belekhtam)
toen zij gingen
וידברו
(vayedabberu)
en zij spraken
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
אל
(el)
tegen
אביהם
(avihem)
hun vader
לאמור
(lemor)
zeggende
הנה
(hinneh)
zie
ידעתי
(yada'ti)
ik weet
כי
(ki)
dat
משפט
(mishpat)
vonnis van
מות
(mot)
dood
יש
(yesh)
is
לרשעים
(larsha'im)
voor de goddelozen
האלה
(ha'elleh)
deze
ולעירם
(ule'iram)
en voor hun stad
כי
(ki)
omdat
עברו
(avru)
hebben overtreden
את
(et)
(obj.)
אשר
(asher)
wat
ציוה
(tsiwwah)
had geboden
אלוקינו
(elohenu)
onze Elohim
את
(et)
(obj.)
נח
(Noach)
Noach
ואת
(ve'et)
en (obj.)
בניו
(banav)
zijn zonen
וזרעו
(vezar'o)
en zijn nageslacht
אחריו
(acharav)
na hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:7.

Zie ookGen 34:7
35En ook omdat hij dit aan onze zus Dina heeft gedaan en haar onrein heeft gemaakt, want zo’n schanddaad zal in ons midden tot in eeuwigheid niet gedaan worden.
וגם
(vegam)
en ook
אשר
(asher)
omdat
עשה
(asah)
heeft gedaan
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לדינה
(ledinah)
aan Dina
אחותינו
(achotenu)
onze zus
אשר
(asher)
die
טמא
(timme)
had onrein gemaakt
אותה
(otah)
haar
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
תעשה
(ta'aseh)
zal gedaan worden
הנבלה
(hannevalah)
de schanddaad
הזאת
(hazzo't)
deze
בתוכנו
(betokhenu)
in ons midden
עד
(ad)
tot
עולם
(olam)
eeuwig
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
36Bedenk nu wat jullie zullen doen, en zoek raad en voorwendsel wat met hen te doen, om alle bewoners van deze stad te doden.”
עתה
(attah)
nu
דעו
(de'u)
weet
וראו
(ure'u)
en zie
מה
(mah)
wat
תעשו
(ta'asu)
jullie zullen doen
ובקשו
(uvaqshu)
en zoek
עצה
(etsah)
raad
ועלילה
(ve'alilah)
en voorwendsel
מה
(mah)
wat
לעשות
(la'asot)
om te doen
להם
(lahem)
met hen
להמית
(lehamit)
te doden
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
העיר
(ha'ir)
de stad
הזאת
(hazzo't)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:13.

Zie ookGen 34:13

Het plan

37Simeon zei tegen hen: „Hier is een goed plan voor jullie: zeg tot hen dat elke man bij hen besneden moet worden zoals wij besneden zijn. En als zij dat niet willen, nemen wij onze dochter van hen af en gaan weg.
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
שמעון
(Shim'on)
Simeon
הנה
(hinneh)
zie
לכם
(lakhem)
voor jullie
עצה
(etsah)
een plan
נכונה
(nekhonah)
goed
אשר
(asher)
die
תאמרו
(tomru)
zegt
אליהם
(aleihem)
tot hen
להמול
(lehimmol)
besneden te worden
להם
(lahem)
bij hen
כל
(kol)
alle
זכר
(zakhar)
mannelijk
כאשר
(ka'asher)
zoals
אנחנו
(anachnu)
wij
נמולים
(nemulim)
besneden
ואם
(ve'im)
en indien
לא
(lo)
niet
יחפצו
(yachpetsu)
zij willen
להם
(lahem)
voor zich
בדבר
(bedabber)
in de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ולקחנו
(velaqachnu)
en wij zullen nemen
את
(et)
(obj.)
בתנו
(bittenu)
onze dochter
מאיתם
(me'itam)
bij hen vandaan
והלכנו
(vehalakhnu)
en wij zullen gaan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

Het plan van Simeon om de mannen te besnijden en hen dan te doden staat niet als zodanig in Genesis.

Zie Gen. 34:13–15 en Gen. 34:25.

38Als zij toestemmen dit te doen en het doen, dan zullen wij, wanneer zij pijn lijden, met ons zwaard over hen komen, over een volk dat rustig en vertrouwend is, en wij zullen elke man onder hen doden.”
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
כאשר
(ka'asher)
wanneer
יאבו
(yo'vu)
toestemmen
לעשות
(la'asot)
om te doen
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ועשו
(ve'esav)
en zij deden
אותו
(oto)
het
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
בהיותם
(bihyotam)
terwijl zij waren
כואבים
(ko'avim)
pijn lijdend
ובאנו
(uva'nu)
en wij zullen komen
בחרבנו
(becharbenu)
met ons zwaard
עליהם
(aleihem)
over hen
על
(al)
over
עם
(im)
een volk
שוקט
(shoqet)
rustig
ובוטח
(uvotéach)
en vertrouwend
והרגנו
(vehargnu)
en wij zullen doden
להם
(lahem)
onder hen
כל
(kol)
alle
זכר
(zakhar)
mannelijk
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
39Het plan van Simeon behaagde hun, en Simeon en Levi besloten zo met hen te handelen.
ותיטב
(vatitav)
en het behaagde
עצת
(atsat)
het plan van
שמעון
(Shim'on)
Simeon
בעיניהם
(be'eneihem)
in hun ogen
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
שמעון
(Shim'on)
Simeon
ולוי
(uLevi)
en Levi
לעשות
(la'asot)
om te doen
להם
(lahem)
met hen
כדבר
(kidvar)
zoals het woord
הזה
(hazzeh)
dit
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het antwoord

40De volgende ochtend kwamen Sichem en zijn vader Hamor opnieuw bij Jakob en zijn zonen, om over Dina te spreken en te horen wat de zonen van Jakob op hun woorden zouden antwoorden.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
ממחרת
(mimmochorat)
de volgende dag
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
שכם
(Shekhem)
Sichem
וחמור
(vachamor)
en Hamor
אביו
(aviv)
zijn vader
עוד
(od)
opnieuw
אל
(el)
naar
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ואל
(ve'el)
en naar
בנו
(beno)
zijn zonen
לדבר
(laddavar)
om te spreken
על
(al)
omtrent
אודות
(odot)
(samen: omtrent)
דינה
(Dinah)
Dina
ולשמוע
(ulishmo'a)
en te horen
מה
(mah)
wat
ישיבו
(yashivu)
zullen antwoorden
אותם
(otam)
hen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
על
(al)
op
דבריהם
(divreihem)
hun woorden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

ואל בנו (‘en tot zijn zoon’) staat er; gelezen als ואל בניו, ‘en tot zijn zonen’.

41De zonen van Jakob spraken met list tot hen: „Wij hebben al jullie woorden aan onze vader Isaak verteld, en jullie woorden behaagden hem.
וידברו
(vayedabberu)
en zij spraken
אליהם
(aleihem)
tot hen
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
במרמה
(bemirmah)
met list
לאמור
(lemor)
zeggende
הגד
(hagged)
zeker
הגדנו
(higgadnu)
wij hebben verteld
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
דבריכם
(divreikhem)
jullie woorden
לאבינו
(le'avinu)
aan onze vader
ליצחק
(leyitschaq)
aan Isaak
וייטבו
(veyitevu)
en zij behaagden
דבריכם
(divreikhem)
jullie woorden
בעיניו
(be'einav)
in zijn ogen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 34:13
42Maar hij sprak tot ons: ‘Zo heeft Abraham, zijn vader, hem geboden van onze Elohim, de Heer van heel de aarde: ieder man die niet van zijn nageslacht is en een van zijn dochters wil nemen, moet bij zich elke man laten besnijden zoals wij besneden zijn; daarna mogen wij hem onze dochter tot vrouw geven.’
אך
(akh)
maar
דיבר
(dibber)
hij sprak
אלינו
(elenu)
tot ons
לאמור
(lemor)
zeggende
כה
(koh)
zo
ציוה
(tsiwwah)
had geboden
אברהם
(avraham)
Abraham
אביו
(aviv)
zijn vader
אותו
(oto)
hem
מאת
(me'et)
van
אלוקינו
(elohenu)
onze Elohim
אדון
(Adon)
heer
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
כי
(ki)
dat
כל
(kol)
ieder
איש
(ish)
man
אשר
(asher)
die
לא
(lo)
niet
מבניו
(mibbanav)
van zijn zonen
אשר
(asher)
die
יחפוץ
(yachpots)
wil
לקחת
(laqachat)
om te nemen
מבנותיו
(mibbenotav)
van zijn dochters
ומל
(umal)
en laat besnijden
לו
(lo)
bij zich
כל
(kol)
alle
זכר
(zakhar)
mannelijk
כאשר
(ka'asher)
zoals
אנחנו
(anachnu)
wij
נמולים
(nemulim)
besneden
ואחר
(ve'achar)
en daarna
ניתן
(nitten)
wij zullen geven
לו
(lo)
hem
את
(et)
(obj.)
בתנו
(bittenu)
onze dochter
לאישה
(le'ishah)
tot vrouw
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:14–17.

De besnijdenis: zie Gen. 17:10–14.

43Nu hebben wij jullie al onze wegen bekendgemaakt die onze vader tot ons sprak, want wij kunnen deze zaak, waarover jullie tot ons spraken, niet doen: onze dochter geven aan een man die een voorhuid heeft, want dat is een schande voor ons.
עתה
(attah)
nu
הודענו
(hodanu)
wij hebben bekendgemaakt
לכם
(lakhem)
aan jullie
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
דרכינו
(derakhenu)
onze wegen
אשר
(asher)
wat
דיבר
(dibber)
had gesproken
אלינו
(elenu)
tot ons
אבינו
(avinu)
onze vader
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
נוכל
(nukhal)
kunnen wij
לעשות
(la'asot)
om te doen
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
waarover
דיברתם
(dibbartem)
jullie hebben gesproken
אלינו
(elenu)
tot ons
לתת
(latet)
te geven
את
(et)
(obj.)
בתנו
(bittenu)
onze dochter
לאיש
(le'ish)
aan een man
אשר
(asher)
die
לו
(lo)
hij heeft
ערלה
(orlah)
voorhuid
כי
(ki)
want
חרפה
(cherpah)
schande
היא
(hi)
is
לנו
(lanu)
voor ons
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
44Maar hierin willen wij jullie ter wille zijn: jullie onze dochter te geven en voor ons jullie dochters te nemen, en wij zullen bij jullie wonen en één volk worden zoals jullie hebben gesproken, als jullie luisteren en bereid zijn te zijn zoals wij: dat bij jullie elke man besneden wordt zoals wij besneden zijn.
בזאת
(bezot)
hierin
נאות
(ne'ot)
stemmen wij toe
לכם
(lakhem)
jullie
לתת
(latet)
te geven
לכם
(lakhem)
aan jullie
את
(et)
(obj.)
בתנו
(bittenu)
onze dochter
ולקחת
(velaqachat)
en te nemen
לנו
(lanu)
voor ons
את
(et)
(obj.)
בנותיכם
(benotekhem)
jullie dochters
וישבנו
(veyashavnu)
en wij zullen wonen
איתכם
(ittekhem)
met jullie
והיינו
(vehayinu)
en wij zullen worden
לעם
(le'am)
tot een volk
אחד
(echad)
één
כאשר
(ka'asher)
zoals
דיברתם
(dibbartem)
jullie hebben gesproken
אם
(em)
indien
תשמעו
(tishme'u)
jullie luisteren
ותאבו
(vetove'u)
en jullie willen
אלינו
(elenu)
naar ons
להיות
(lihyot)
te zijn
כמונו
(kamonu)
zoals wij
להמול
(lehimmol)
besneden te worden
לכם
(lakhem)
bij jullie
כל
(kol)
alle
זכר
(zakhar)
mannelijk
כאשר
(ka'asher)
zoals
אנחנו
(anachnu)
wij
נמולים
(nemulim)
besneden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
45En als jullie niet naar ons luisteren om besneden te worden zoals wij, zoals wij hebben geboden, dan komen wij naar jullie, nemen onze dochter van jullie af en gaan weg.”
ואם
(ve'im)
en als
לא
(lo)
niet
תשמעו
(tishme'u)
jullie luisteren
אלינו
(elenu)
naar ons
להמול
(lehimmol)
besneden te worden
כמונו
(kamonu)
zoals wij
כאשר
(ka'asher)
zoals
ציוינו
(tsivvinu)
wij hebben geboden
אנחנו
(anachnu)
wij
ובאנו
(uva'nu)
en wij zullen komen
אליכם
(aleikhem)
tot jullie
ולקחנו
(velaqachnu)
en wij zullen nemen
את
(et)
(obj.)
בתנו
(bittenu)
onze dochter
מאתכם
(me'itkhem)
van jullie
והלכנו
(vehalakhnu)
en wij zullen gaan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
46Sichem en zijn vader Hamor luisterden naar de zonen van Jakob om hun woorden uit te voeren, want Sichem had zeer behagen in Dina en zijn ziel kleefde aan haar.
וישמעו
(vayishme'u)
en zij luisterden
שכם
(Shekhem)
Sichem
וחמור
(vachamor)
en Hamor
אביו
(aviv)
zijn vader
לעשות
(la'asot)
om te doen
את
(et)
(obj.)
דברי
(divrei)
woorden van
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
כי
(ki)
want
חפץ
(chafets)
had behagen
שכם
(Shekhem)
Sichem
בדינה
(bedinah)
in Dina
מאוד
(me'od)
zeer
ונפשו
(venafsho)
en zijn ziel
דבקה
(devaqah)
kleefde
בה
(bah)
aan haar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 34:18

De besnijdenis van Sichem

47Sichem en zijn vader Hamor haastten zich naar de poort van hun stad, verzamelden alle mannen van hun stad en vertelden hun de woorden van de zonen van Jakob:
וימהרו
(vayemaharu)
en zij haastten zich
שכם
(Shekhem)
Sichem
וחמור
(vachamor)
en Hamor
אביו
(aviv)
zijn vader
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
אל
(el)
naar
שער
(sha'ar)
poort van
עירם
(iram)
hun stad
ויאספו
(vaye'esfu)
en zij verzamelden
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mannen van
עירם
(iram)
hun stad
וידברו
(vayedabberu)
en zij spraken
אליהם
(aleihem)
tot hen
דברי
(divrei)
woorden van
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
לאמור
(lemor)
zeggende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:18–24.

48„Wij kwamen bij die mannen, de zonen van Jakob, en wij spraken met hen over alles aangaande hun dochter, en die mannen stemden met ons in om al onze woorden te doen — en bovendien: zie, ons land is ruim voor hen, en zij zullen er wonen en er handel drijven, en wij zullen één volk met hen worden; hun dochters nemen wij voor ons, en onze dochters geven wij hun tot vrouwen.
באנו
(ba'nu)
wij zijn gekomen
אל
(el)
bij
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
ההם
(hahem)
die
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
ונדבר
(venedabber)
en wij spraken
אליהם
(aleihem)
met hen
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
אודות
(odot)
aangaande
בתם
(bittam)
hun dochter
ויאותו
(vaye'otu)
en zij stemden toe
לנו
(lanu)
met ons
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
ההם
(hahem)
die
לעשות
(la'asot)
om te doen
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
דברינו
(devarenu)
onze woorden
וגם
(vegam)
en ook
הם
(hem)
zij
הנה
(hinneh)
zie
ארצנו
(artsenu)
ons land
רחבת
(rachavat)
ruim
ידים
(yadayim)
(samen: ruim)
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
וישבו
(vayeshvu)
en zij wonen
בה
(bah)
in haar
ויסחרו
(veyischaru)
en zij zullen handel drijven
אותה
(otah)
erin
והיינו
(vehayinu)
en wij zullen worden
לעם
(le'am)
tot een volk
אחד
(echad)
één
עמהם
(immahem)
met hen
בנותם
(benotam)
hun dochters
ניקח
(niqach)
wij zullen nemen
לנו
(lanu)
voor ons
ובנותינו
(uvenotenu)
en onze dochters
ניתן
(nitten)
wij zullen geven
להם
(lahem)
aan hen
לנשים
(lenashim)
tot vrouwen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
49Maar alleen hierin zullen die mannen met ons instemmen in deze zaak: dat bij ons elke man besneden wordt zoals zij besneden zijn, zoals hun door hun Elohim is geboden. En wanneer wij al hun woorden hebben gedaan om besneden te worden, zullen zij bij ons wonen, en al hun vee en bezit is dan van ons, en wij zullen één volk met hen worden.”
אך
(akh)
alleen
בזאת
(bezot)
hierin
יאותו
(ye'otu)
zij zullen toestemmen
לנו
(lanu)
met ons
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
ההם
(hahem)
die
לדבר
(laddavar)
in de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
להמול
(lehimmol)
besneden te worden
לנו
(lanu)
bij ons
כל
(kol)
alle
זכר
(zakhar)
mannelijk
כאשר
(ka'asher)
zoals
הם
(hem)
zij
נמולים
(nemulim)
besneden
כאשר
(ka'asher)
zoals
צוו
(tsuvvu)
zijn geboden
מאלוקיהם
(me'Elohehem)
door hun Elohim
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
בעשותינו
(be'asotenu)
wanneer wij doen
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
דבריהם
(divreihem)
hun woorden
להימול
(lehimmol)
besneden te worden
לנו
(lanu)
wij
וישבו
(vayeshvu)
en zij zullen wonen
איתנו
(ittanu)
met ons
וכל
(vekhol)
en alle
מקניהם
(miqneihem)
hun vee
וקניינם
(veqinyanam)
en hun bezit
לנו
(lanu)
van ons
הוא
(hu)
zal zijn
והיינו
(vehayinu)
en wij zullen worden
לעם
(le'am)
tot een volk
אחד
(echad)
één
איתם
(ittam)
bij hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
50Toen alle mannen van de stad alle woorden van Sichem en zijn vader Hamor hoorden, stemden alle mannen van hun stad in met deze zaak, en zij luisterden naar hen om besneden te worden, want Sichem en zijn vader Hamor waren zeer geëerd bij hen, want zij waren de vorsten van het land.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כשמוע
(kishmo'a)
toen zij hoorden
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mannen van
העיר
(ha'ir)
de stad
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
דברי
(divrei)
woorden van
שכם
(Shekhem)
Sichem
וחמור
(vachamor)
en Hamor
אביו
(aviv)
zijn vader
ויאותו
(vaye'otu)
en zij stemden toe
להם
(lahem)
met hen
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mannen van
עירם
(iram)
hun stad
בדבר
(bedabber)
in de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
וישמעו
(vayishme'u)
en zij luisterden
להם
(lahem)
naar hen
להמול
(lehimmol)
besneden te worden
כי
(ki)
want
היו
(hayu)
zij waren
שכם
(Shekhem)
Sichem
וחמור
(vachamor)
en Hamor
אביו
(aviv)
zijn vader
נכבדים
(nikhbadim)
geëerd
בעיניהם
(be'eneihem)
in hun ogen
מאוד
(me'od)
zeer
כי
(ki)
want
הם
(hem)
zij
נשיאי
(nesi'ei)
vorsten van
הארץ
(ha'arets)
het land
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
51De volgende dag stonden Sichem en zijn vader Hamor 's morgens vroeg op, verzamelden alle mannen van hun stad in het midden van de stad en riepen de zonen van Jakob, en zij besneden elke man van hen op die dag en de dag daarna.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
ממחרת
(mimmochorat)
de volgende dag
וישכימו
(vayashkimu)
en zij stonden vroeg op
בבוקר
(baboqer)
in de ochtend
שכם
(Shekhem)
Sichem
וחמור
(vachamor)
en Hamor
אביו
(aviv)
zijn vader
ויקבצו
(vayiqbetsu)
en zij verzamelden
את
(et)
(obj.)
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mannen van
עירם
(iram)
hun stad
אל
(el)
in
תוך
(tokh)
het midden van
העיר
(ha'ir)
de stad
ויקראו
(vayiqre'u)
en zij riepen
אל
(el)
de
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
וימולו
(vayamullu)
en zij besneden
להם
(lahem)
hun
כל
(kol)
alle
זכר
(zakhar)
mannelijk
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
ומחרתו
(umochorato)
en de dag daarna
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:24.

Zie ookGen 34:24
52Zij besneden Sichem en zijn vader Hamor en de vijf broers van Sichem; toen stonden zij op en ging ieder naar zijn huis. Want van Yahweh was deze zaak voor de stad Sichem, en van Yahweh was het plan van Simeon in deze zaak, opdat Yahweh de stad Sichem zou geven in de hand van de twee zonen van Jakob.
ואת
(ve'et)
en (obj.)
שכם
(Shekhem)
Sichem
ואת
(ve'et)
en (obj.)
חמור
(chamor)
Hamor
אביו
(aviv)
zijn vader
מלו
(mullu)
zij besneden
ואת
(ve'et)
en (obj.)
חמשת
(chamishat)
vijf
אחי
(echi)
broers van
שכם
(Shekhem)
Sichem
ויקומו
(vayaqumu)
en zij stonden op
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
וישב
(vayyashev)
en hij keerde terug
כל
(kol)
ieder
אחד
(echad)
één
בביתו
(beveyto)
in zijn huis
כי
(ki)
want
מיהוה
(meYahweh)
van Yahweh
היה
(hayah)
was
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לעיר
(la'ir)
over de stad
שכם
(Shekhem)
Sichem
ומאת
(umeat)
en van
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
היתה
(hayetah)
was
עצת
(atsat)
raad van
שמעון
(Shim'on)
Simeon
בדבר
(bedabber)
in de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
למען
(lema'an)
opdat
תת
(tet)
geven
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(obj.)
עיר
(ir)
stad
שכם
(Shekhem)
Sichem
ביד
(beyad)
in de hand van
שני
(shenei)
twee
בני
(bnei)
zonen van
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 34:24.

De opmerking dat deze zaak van Yahweh was, staat niet in Genesis.

Zie Sichem: Sichem lag bij het huidige Nablus, tussen de bergen Gerizim en Ebal.

Zie ookGen 34:24