Elohim Bijbel

Johannes 21

123456789101112131415161718192021

De vangst bij de zee van Tiberias, Petrus en het slot van het evangelie

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Yeshua aan de zee van Tiberias

1Hierna liet Yeshua Zich opnieuw aan de leerlingen zien, bij de zee van Tiberias. Hij liet Zich zo zien:
Μετὰ
(Meta)
na
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
ἐφανέρωσεν
(ephanerosen)
maakte zichtbaar
ἑαυτὸν
(heauton)
Zichzelf
πάλιν
(palin)
opnieuw
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
ἐπὶ
(epi)
bij
τῆς
(tes)
de
θαλάσσης
(thalasses)
zee
τῆς
(tes)
van de
Τιβεριάδος
(Tiberiados)
Tiberias
ἐφανέρωσεν
(ephanerosen)
maakte zichtbaar
δὲ
(de)
maar
οὕτως
(houtos)
zo
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Uitleg

θάλασσα (thalassa), ‘zee’: het gaat om het meer van Galilea.

Tiberias is de naam van de stad aan de westkant van het meer (zie 6:1 en 6:23). φανερόω (phaneroo), ‘laten zien’, zoals in Mark. 16:12 en 16:14.

2Samen waren Simon Petrus, Tomas, die Didymus genoemd wordt, Nathanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en 2 anderen van Zijn leerlingen.
ἦσαν
(esan)
waren
ὁμοῦ
(homou)
samen
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
καὶ
(kai)
en
Θωμᾶς
(Thomas)
Tomas
ὁ
(ho)
de
λεγόμενος
(legomenos)
genoemde
Δίδυμος
(Didymos)
Didymus
καὶ
(kai)
en
Ναθαναὴλ
(Nathanael)
Nathanaël
ὁ
(ho)
de
ἀπὸ
(apo)
uit
Κανὰ
(Kana)
Kana
τῆς
(tes)
van de
Γαλιλαίας
(Galilaias)
Galilea
καὶ
(kai)
en
οἱ
(hoi)
de
τοῦ
(tou)
van de
Ζεβεδαίου
(Zebedaiou)
Zebedeüs
καὶ
(kai)
en
ἄλλοι
(alloi)
anderen
ἐκ
(ek)
uit
τῶν
(ton)
de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
δύο
(dyo)
twee
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Kana in Galilea (ligging onzeker): Kana in Galilea is waarschijnlijk Khirbet Qana of Kafr Kanna, ongeveer 12 km ten noordnoordoosten van Nazaret.

Welke van de twee het is, is niet zeker.

Het is een ander Kana dan dat bij Tyrus (Jozua 19:28).

Zie Galilea: Galilea is het noorden van het land, ten westen van de Jordaan en het meer van Galilea.

Nazaret en Kapernaüm liggen in dit gebied.

Uitleg

Κανά (Kana): Kana in Galilea (zie 2:1).

Het Grieks heeft ‘die van Zebedeüs’; dat zijn de zonen van Zebedeüs, Jakobus en Johannes (vergelijk Matt. 4:21).

Zie ook Joh. 1:45–51; 11:16.

3Simon Petrus zei tegen hen: „Ik ga vissen.” Zij zeiden tegen hem: „Wij gaan ook met je mee.” Zij gingen weg en stapten in de boot, maar in die nacht vingen zij niets.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
Ὑπάγω
(Hypago)
ga
ἁλιεύειν
(halieuein)
vissen
λέγουσιν
(legousin)
zeggen
αὐτῷ
(auto)
hem
Ἐρχόμεθα
(Erchometha)
komen wij
καὶ
(kai)
ook
ἡμεῖς
(hemeis)
wij
σὺν
(syn)
met
σοί
(soi)
jou
ἐξῆλθον
(exelthon)
gingen uit
καὶ
(kai)
en
ἐνέβησαν
(enebesan)
stapten in
εἰς
(eis)
in
τὸ
(to)
de
πλοῖον
(ploion)
boot
καὶ
(kai)
en
ἐν
(en)
in
ἐκείνῃ
(ekeine)
die
τῇ
(te)
de
νυκτὶ
(nykti)
nacht
ἐπίασαν
(epiasan)
vingen
οὐδέν
(ouden)
niets
Bron: SBLGNT
Uitleg

πλοῖον (ploion), ‘boot’.

Vergelijk Luc. 5:1–11, waar Petrus na een nacht zonder vangst een grote vangst doet.

4Toen het al ochtend werd, stond Yeshua op het strand. De leerlingen wisten echter niet dat het Yeshua was.
Πρωΐας
(Proias)
ochtend
δὲ
(de)
maar
ἤδη
(ede)
al
γενομένης
(genomenes)
wordend
ἔστη
(este)
stond
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
εἰς
(eis)
op
τὸν
(ton)
het
αἰγιαλόν
(aigialon)
strand
οὐ
(ou)
niet
μέντοι
(mentoi)
echter
ᾔδεισαν
(edeisan)
wisten
οἱ
(hoi)
de
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
ὅτι
(hoti)
dat
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
5Yeshua zei dus tegen hen: „Kinderen, hebben jullie soms iets te eten?” Zij antwoordden Hem: „Nee.”
λέγει
(legei)
zegt
οὖν
(oun)
dus
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Παιδία
(Paidia)
kinderen
μή
(me)
soms
τι
(ti)
iets
προσφάγιον
(prosphagion)
bijgerecht
ἔχετε
(echete)
hebben jullie
ἀπεκρίθησαν
(apekrithesan)
antwoordden
αὐτῷ
(auto)
Hem
Οὔ
(Ou)
nee
Bron: SBLGNT
Uitleg

παιδίον (paidion), ‘kind’: een liefdevolle aanspreking. προσφάγιον (prosphagion), ‘iets te eten’: eigenlijk wat men bij het brood eet, zoals vis. μή τι (me ti) verwacht als antwoord ‘nee’; daarom ‘soms’.

6Hij zei tegen hen: „Werp het net aan de rechterkant van de boot, en jullie zullen vinden.” Zij wierpen het dus uit, en door de grote hoeveelheid vissen konden zij het niet meer binnenhalen.
ὁ
(ho)
de
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτοῖς
(autois)
hun
Βάλετε
(Balete)
werpt
εἰς
(eis)
naar
τὰ
(ta)
de
δεξιὰ
(dexia)
rechter
μέρη
(mere)
kant
τοῦ
(tou)
van de
πλοίου
(ploiou)
boot
τὸ
(to)
het
δίκτυον
(diktyon)
net
καὶ
(kai)
en
εὑρήσετε
(heuresete)
zult vinden
ἔβαλον
(ebalon)
wierpen
οὖν
(oun)
dus
καὶ
(kai)
en
οὐκέτι
(ouketi)
niet meer
αὐτὸ
(auto)
het
ἑλκύσαι
(helkysai)
binnenhalen
ἴσχυον
(ischyon)
konden
ἀπὸ
(apo)
vanwege
τοῦ
(tou)
de
πλήθους
(plethous)
grote hoeveelheid
τῶν
(ton)
van de
ἰχθύων
(ichthyon)
vissen
Bron: SBLGNT
7Die leerling die Yeshua liefhad, zei dus tegen Petrus: „Het is de Heer!” Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, bond hij zijn bovenkleed om, want hij was naakt, en wierp zich in de zee.
λέγει
(legei)
zegt
οὖν
(oun)
dus
ὁ
(ho)
de
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
ὃν
(hon)
wie
ἠγάπα
(egapa)
liefhad
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τῷ
(to)
aan de
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
Ὁ
(Ho)
de
κύριός
(kyrios)
Heer
ἐστιν
(estin)
is
Σίμων
(Simon)
Simon
οὖν
(oun)
dus
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ἀκούσας
(akousas)
horend
ὅτι
(hoti)
dat
ὁ
(ho)
de
κύριός
(kyrios)
Heer
ἐστιν
(estin)
is
τὸν
(ton)
het
ἐπενδύτην
(ependyten)
bovenkleed
διεζώσατο
(diezosato)
omgordde zich
ἦν
(en)
was
γὰρ
(gar)
want
γυμνός
(gymnos)
naakt
καὶ
(kai)
en
ἔβαλεν
(ebalen)
wierp
ἑαυτὸν
(heauton)
zichzelf
εἰς
(eis)
in
τὴν
(ten)
de
θάλασσαν
(thalassan)
zee
Bron: SBLGNT
Plaats

Zie Zee van Galilea (Kinneret): De zee van Galilea is het meer van Galilea (Kinneret), een zoetwatermeer in het noorden van het huidige Israël.

Waar alleen ‘de zee’ staat, is dit meer bedoeld.

Uitleg

ἐπενδύτης (ependytes), ‘bovenkleed’: een kledingstuk dat over andere kleding gedragen wordt. γυμνός (gymnos), ‘naakt’: het kan ook betekenen: zonder bovenkleed, alleen in het onderkleed.

Zie ook Joh. 13:23; 19:26; 20:2.

8De andere leerlingen kwamen met het bootje, want zij waren niet ver van het land, maar ongeveer 200 el ervandaan. Zij sleepten het net met de vissen mee.
οἱ
(hoi)
de
δὲ
(de)
maar
ἄλλοι
(alloi)
andere
μαθηταὶ
(mathetai)
leerlingen
τῷ
(to)
met het
πλοιαρίῳ
(ploiario)
bootje
ἦλθον
(elthon)
kwamen
οὐ
(ou)
niet
γὰρ
(gar)
want
ἦσαν
(esan)
waren
μακρὰν
(makran)
ver
ἀπὸ
(apo)
van
τῆς
(tes)
het
γῆς
(ges)
land
ἀλλὰ
(alla)
maar
ὡς
(hos)
ongeveer
ἀπὸ
(apo)
van
πηχῶν
(pechon)
ellen
διακοσίων
(diakosion)
tweehonderd
σύροντες
(syrontes)
slepend
τὸ
(to)
het
δίκτυον
(diktyon)
net
τῶν
(ton)
van de
ἰχθύων
(ichthyon)
vissen
Bron: SBLGNT
Uitleg

πῆχυς (pechys), ‘el’: ongeveer 45 cm; 200 el is dus ongeveer 90 meter. πλοιάριον (ploiarion), ‘bootje’: een verkleinwoord van πλοῖον.

9Toen zij aan land gingen, zagen zij een kolenvuur liggen, met vis erop, en brood.
Ὡς
(Hos)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἀπέβησαν
(apebesan)
stapten uit
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
γῆν
(gen)
land
βλέπουσιν
(blepousin)
zien
ἀνθρακιὰν
(anthrakian)
kolenvuur
κειμένην
(keimenen)
liggend
καὶ
(kai)
en
ὀψάριον
(opsarion)
vis
ἐπικείμενον
(epikeimenon)
erop liggend
καὶ
(kai)
en
ἄρτον
(arton)
brood
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀνθρακιά (anthrakia), ‘kolenvuur’: het woord komt in dit evangelie ook voor in 18:18, bij het vuur waar Petrus zich warmde. ὀψάριον (opsarion), ‘vis’: vis als eten, zoals in 6:9.

10Yeshua zei tegen hen: „Breng wat van de vis die jullie nu gevangen hebben.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἐνέγκατε
(Enenkate)
brengt
ἀπὸ
(apo)
van
τῶν
(ton)
de
ὀψαρίων
(opsarion)
vissen
ὧν
(hon)
die
ἐπιάσατε
(epiasate)
hebben gevangen
νῦν
(nyn)
nu
Bron: SBLGNT
11Simon Petrus ging aan boord en trok het net aan land, vol grote vissen: 153. Hoewel het er zoveel waren, scheurde het net niet.
ἀνέβη
(anebe)
ging omhoog
οὖν
(oun)
dus
Σίμων
(Simon)
Simon
Πέτρος
(Petros)
Petrus
καὶ
(kai)
en
εἵλκυσεν
(heilkysen)
trok
τὸ
(to)
het
δίκτυον
(diktyon)
net
εἰς
(eis)
naar
τὴν
(ten)
het
γῆν
(gen)
land
μεστὸν
(meston)
vol
ἰχθύων
(ichthyon)
vissen
μεγάλων
(megalon)
grote
ἑκατὸν
(hekaton)
honderd
πεντήκοντα
(pentekonta)
vijftig
τριῶν
(trion)
drie
καὶ
(kai)
en
τοσούτων
(tosouton)
zovele
ὄντων
(onton)
zijnde
οὐκ
(ouk)
niet
ἐσχίσθη
(eschisthe)
scheurde
τὸ
(to)
het
δίκτυον
(diktyon)
net
Bron: SBLGNT
Uitleg

De tekst zegt niet wat het aantal 153 betekent. ἀνέβη (anebe), ‘ging omhoog’: aan boord.

12Yeshua zei tegen hen: „Kom, ontbijt.” Niemand van de leerlingen durfde Hem te vragen: „Wie ben U?” Zij wisten dat het de Heer was.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτοῖς
(autois)
hun
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Δεῦτε
(Deute)
komt
ἀριστήσατε
(aristesate)
ontbijt
οὐδεὶς
(oudeis)
niemand
δὲ
(de)
maar
ἐτόλμα
(etolma)
durfde
τῶν
(ton)
van de
μαθητῶν
(matheton)
leerlingen
ἐξετάσαι
(exetasai)
te vragen
αὐτόν
(auton)
Hem
Σὺ
(Sy)
U
τίς
(tis)
wie
εἶ
(ei)
bent
εἰδότες
(eidotes)
wetend
ὅτι
(hoti)
dat
ὁ
(ho)
de
κύριός
(kyrios)
Heer
ἐστιν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀριστάω (aristao), ‘ontbijten’: de eerste maaltijd van de dag. ἐξετάζω (exetazo), ‘vragen’: ook ‘onderzoeken’.

13Yeshua kwam, nam het brood en gaf het aan hen, en evenzo de vis.
ἔρχεται
(erchetai)
komt
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
καὶ
(kai)
en
λαμβάνει
(lambanei)
neemt
τὸν
(ton)
het
ἄρτον
(arton)
brood
καὶ
(kai)
en
δίδωσιν
(didosin)
geeft
αὐτοῖς
(autois)
hun
καὶ
(kai)
en
τὸ
(to)
de
ὀψάριον
(opsarion)
vis
ὁμοίως
(homoios)
evenzo
Bron: SBLGNT
Uitleg

Vergelijk 6:11, waar Yeshua het brood nam en uitdeelde.

14Dit was al de derde keer dat Yeshua Zich aan de leerlingen liet zien, nadat Hij uit de doden was opgewekt.
τοῦτο
(touto)
dit
ἤδη
(ede)
al
τρίτον
(triton)
derde
ἐφανερώθη
(ephanerothe)
liet Zich zien
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
τοῖς
(tois)
aan de
μαθηταῖς
(mathetais)
leerlingen
ἐγερθεὶς
(egertheis)
opgewekt
ἐκ
(ek)
uit
νεκρῶν
(nekron)
doden
Bron: SBLGNT
Uitleg

De eerste 2 keren staan in 20:19–23 en 20:26–29. ἐγερθείς (egertheis), ‘opgewekt’, zoals in Matt. 28:6.

Zie ookMat 28:6

Yeshua en Petrus

15Toen zij ontbeten hadden, zei Yeshua tegen Simon Petrus: „Simon, zoon van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen?” Petrus zei tegen Hem: „Ja, Heer, U weet dat ik U liefheb.” Yeshua zei tegen hem: „Weid Mijn lammeren.”
Ὅτε
(Hote)
toen
οὖν
(oun)
dus
ἠρίστησαν
(eristesan)
ontbeten hadden
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
Σίμωνι
(Simoni)
Simon
Πέτρῳ
(Petro)
Petrus
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Σίμων
(Simon)
Simon
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
ἀγαπᾷς
(agapas)
heb je lief
με
(me)
Mij
πλέον
(pleon)
meer
τούτων
(touton)
dan dezen
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ναί
(Nai)
ja
κύριε
(kyrie)
Heer
σὺ
(sy)
U
οἶδας
(oidas)
weet
ὅτι
(hoti)
dat
φιλῶ
(philo)
heb lief
σε
(se)
U
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Βόσκε
(Boske)
weid
τὰ
(ta)
de
ἀρνία
(arnia)
lammeren
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀγαπάω (agapao) en φιλέω (phileo) zijn twee Griekse woorden voor ‘liefhebben’.

Yeshua gebruikt in 21:15 en 21:16 ἀγαπάω; Petrus antwoordt steeds met φιλέω; in 21:17 gebruikt Yeshua zelf φιλέω.

Wij vertalen beide met ‘liefhebben’. πλέον τούτων (pleon touton), ‘meer dan dezen’: meer dan deze anderen, of meer dan deze dingen (de vis, het werk). βόσκω (bosko), ‘weiden’, en ποιμαίνω (poimaino), ‘hoeden’ (21:16): Yeshua spreekt eerst van ‘lammeren’, dan van ‘schapen’.

Het Grieks heeft bij ‘zei tegen’ geen namen; wij noemen Petrus en Yeshua.

Zie ook Joh. 10:11–16; 18:17, 18:25–27.

16Yeshua zei opnieuw, voor de tweede keer, tegen hem: „Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief?” Petrus zei tegen Hem: „Ja, Heer, U weet dat ik U liefheb.” Yeshua zei tegen hem: „Hoed Mijn schapen.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
πάλιν
(palin)
opnieuw
δεύτερον
(deuteron)
tweede
Σίμων
(Simon)
Simon
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
ἀγαπᾷς
(agapas)
heb je lief
με
(me)
Mij
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
Hem
Ναί
(Nai)
ja
κύριε
(kyrie)
Heer
σὺ
(sy)
U
οἶδας
(oidas)
weet
ὅτι
(hoti)
dat
φιλῶ
(philo)
heb lief
σε
(se)
U
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Ποίμαινε
(Poimaine)
hoed
τὰ
(ta)
de
πρόβατά
(probata)
schapen
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
17Yeshua zei voor de derde keer tegen hem: „Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief?” Petrus werd verdrietig omdat Hij voor de derde keer tegen hem zei: „Heb je Mij lief?” Petrus zei tegen Hem: „Heer, U weet alles. U beseft dat ik U liefheb.” Yeshua zei tegen hem: „Weid Mijn schapen.
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
τὸ
(to)
het
τρίτον
(triton)
derde
Σίμων
(Simon)
Simon
Ἰωάννου
(Ioannou)
van Johannes
φιλεῖς
(phileis)
heb je lief
με
(me)
Mij
ἐλυπήθη
(elypethe)
werd bedroefd
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
ὅτι
(hoti)
omdat
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
hem
τὸ
(to)
het
τρίτον
(triton)
derde
Φιλεῖς
(Phileis)
heb je lief
με
(me)
Mij
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
αὐτῷ
(auto)
Hem
Κύριε
(Kyrie)
Heer
πάντα
(panta)
alles
σὺ
(sy)
U
οἶδας
(oidas)
weet
σὺ
(sy)
U
γινώσκεις
(ginoskeis)
beseft
ὅτι
(hoti)
dat
φιλῶ
(philo)
heb lief
σε
(se)
U
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Βόσκε
(Boske)
weid
τὰ
(ta)
de
πρόβατά
(probata)
schapen
μου
(mou)
Mijn
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἶδα (oida) en γινώσκω (ginosko) zijn twee Griekse woorden voor ‘weten’; Petrus gebruikt beide.

Wij schrijven ‘U weet alles’ en ‘U beseft’.

18Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: toen je jonger was, gordde je jezelf en liep je waarheen je wilde. Maar wanneer je oud wordt, zul je je handen uitstrekken. Een ander zal je omgorden en brengen waarheen je niet wilt.”
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
ἀμὴν
(amen)
voorwaar
λέγω
(lego)
zeg Ik
σοι
(soi)
je
ὅτε
(hote)
toen
ἦς
(es)
was
νεώτερος
(neoteros)
jonger
ἐζώννυες
(ezonnyes)
gordde
σεαυτὸν
(seauton)
jezelf
καὶ
(kai)
en
περιεπάτεις
(periepateis)
liep rond
ὅπου
(hopou)
waarheen
ἤθελες
(etheles)
wilde
ὅταν
(hotan)
wanneer
δὲ
(de)
maar
γηράσῃς
(gerases)
oud wordt
ἐκτενεῖς
(ekteneis)
zult uitstrekken
τὰς
(tas)
de
χεῖράς
(cheiras)
handen
σου
(sou)
je
καὶ
(kai)
en
ἄλλος
(allos)
een ander
σε
(se)
je
ζώσει
(zosei)
zal omgorden
καὶ
(kai)
en
οἴσει
(oisei)
zal brengen
ὅπου
(hopou)
waarheen
οὐ
(ou)
niet
θέλεις
(theleis)
wilt
Bron: SBLGNT
19Dit zei Hij om aan te geven met wat voor dood hij Elohim zou verheerlijken. Nadat Hij dit gezegd had, zei Hij tegen hem: „Volg Mij.”
τοῦτο
(touto)
dit
δὲ
(de)
maar
εἶπεν
(eipen)
zei
σημαίνων
(semainon)
aanduidend
ποίῳ
(poio)
met wat voor
θανάτῳ
(thanato)
dood
δοξάσει
(doxasei)
zal verheerlijken
τὸν
(ton)
de
θεόν
(theon)
Elohim
καὶ
(kai)
en
τοῦτο
(touto)
dit
εἰπὼν
(eipon)
zeggend
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
Ἀκολούθει
(Akolouthei)
volg
μοι
(moi)
Mij
Bron: SBLGNT
Uitleg

δοξάζω (doxazo), ‘verheerlijken’: eer geven.

Het Grieks heeft bij ‘zou verheerlijken’ geen onderwerp; wij lezen: Petrus.

Dezelfde woorden ‘aanduidend met wat voor dood’ staan in 12:33 en 18:32.

De leerling die Yeshua liefhad

20Petrus draaide zich om en zag de leerling volgen die Yeshua liefhad. Dit was degene die ook bij de maaltijd tegen Zijn borst had geleund en had gezegd: „Heer, wie is het die U overlevert?”
Ἐπιστραφεὶς
(Epistrapheis)
omgedraaid
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
βλέπει
(blepei)
ziet
τὸν
(ton)
de
μαθητὴν
(matheten)
leerling
ὃν
(hon)
wie
ἠγάπα
(egapa)
liefhad
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἀκολουθοῦντα
(akolouthounta)
volgend
ὃς
(hos)
die
καὶ
(kai)
ook
ἀνέπεσεν
(anepesen)
leunde
ἐν
(en)
tijdens
τῷ
(to)
de
δείπνῳ
(deipno)
maaltijd
ἐπὶ
(epi)
tegen
τὸ
(to)
de
στῆθος
(stethos)
borst
αὐτοῦ
(autou)
Zijn
καὶ
(kai)
en
εἶπεν
(eipen)
zei
Κύριε
(Kyrie)
Heer
τίς
(tis)
wie
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
παραδιδούς
(paradidous)
overleverende
σε
(se)
U
Bron: SBLGNT
Uitleg

Zie Joh. 13:23–25: de leerling die Yeshua liefhad, leunde bij de maaltijd tegen Zijn borst en vroeg wie Hem zou overleveren.

21Toen Petrus hem zag, zei hij tegen Yeshua: „Heer, en deze, wat dan?”
τοῦτον
(touton)
deze
οὖν
(oun)
dus
ἰδὼν
(idon)
ziende
ὁ
(ho)
de
Πέτρος
(Petros)
Petrus
λέγει
(legei)
zegt
τῷ
(to)
aan de
Ἰησοῦ
(Iesou)
Yeshua
Κύριε
(Kyrie)
Heer
οὗτος
(houtos)
deze
δὲ
(de)
maar
τί
(ti)
wat
Bron: SBLGNT
Uitleg

Het Grieks heeft geen werkwoord: ‘Heer, maar deze, wat?’

Wij schrijven ‘en deze, wat dan?’.

22Yeshua zei tegen hem: „Als Ik wil dat hij blijft tot Ik kom, wat gaat het jou aan? Jij, volg Mij.”
λέγει
(legei)
zegt
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
Ἐὰν
(Ean)
als
αὐτὸν
(auton)
hem
θέλω
(thelo)
wil Ik
μένειν
(menein)
blijven
ἕως
(heos)
totdat
ἔρχομαι
(erchomai)
kom Ik
τί
(ti)
wat
πρὸς
(pros)
tot
σέ
(se)
jou
σύ
(sy)
jij
μοι
(moi)
Mij
ἀκολούθει
(akolouthei)
volg
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἔρχομαι (erchomai), ‘Ik kom’: wat ‘totdat Ik kom’ precies betekent, zegt de tekst niet.

23Dit woord ging dus rond onder de broers: die leerling sterft niet. Maar Yeshua had niet tegen hem gezegd dat hij niet sterft, maar: „Als Ik wil dat hij blijft tot Ik kom, wat gaat het jou aan?”
ἐξῆλθεν
(exelthen)
ging uit
οὖν
(oun)
dus
οὗτος
(houtos)
dit
ὁ
(ho)
het
λόγος
(logos)
woord
εἰς
(eis)
naar
τοὺς
(tous)
de
ἀδελφοὺς
(adelphous)
broers
ὅτι
(hoti)
dat
ὁ
(ho)
de
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
ἐκεῖνος
(ekeinos)
die
οὐκ
(ouk)
niet
ἀποθνῄσκει
(apothneskei)
sterft
οὐκ
(ouk)
niet
εἶπεν
(eipen)
zei
δὲ
(de)
maar
αὐτῷ
(auto)
hem
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ὅτι
(hoti)
dat
οὐκ
(ouk)
niet
ἀποθνῄσκει
(apothneskei)
sterft
ἀλλ’
(all’)
maar
Ἐὰν
(Ean)
als
αὐτὸν
(auton)
hem
θέλω
(thelo)
wil Ik
μένειν
(menein)
blijven
ἕως
(heos)
totdat
ἔρχομαι
(erchomai)
kom Ik
τί
(ti)
wat
πρὸς
(pros)
tot
σέ
(se)
jou
Bron: SBLGNT
Uitleg

ἀδελφοί (adelphoi), ‘broers’: hier de gelovigen, de gemeenschap van leerlingen.

Het getuigenis van de leerling

24Dit is de leerling die van deze dingen getuigt en die dit geschreven heeft. En wij weten dat zijn getuigenis waar is.
Οὗτός
(Houtos)
dit
ἐστιν
(estin)
is
ὁ
(ho)
de
μαθητὴς
(mathetes)
leerling
ὁ
(ho)
de
μαρτυρῶν
(martyron)
getuigende
περὶ
(peri)
over
τούτων
(touton)
deze dingen
καὶ
(kai)
en
ὁ
(ho)
de
γράψας
(grapsas)
geschreven hebbende
ταῦτα
(tauta)
deze dingen
καὶ
(kai)
en
οἴδαμεν
(oidamen)
weten wij
ὅτι
(hoti)
dat
ἀληθὴς
(alethes)
waar
αὐτοῦ
(autou)
zijn
ἡ
(he)
de
μαρτυρία
(martyria)
getuigenis
ἐστίν
(estin)
is
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἴδαμεν (oidamen), ‘wij weten’: het Grieks wisselt hier van ‘hij’ naar ‘wij’.

Wie met ‘wij’ bedoeld wordt, zegt de tekst niet.

Zie ook Joh. 19:35.

Zie ookJoh 19:35
25Yeshua heeft ook nog veel andere dingen gedaan. Als die één voor één opgeschreven werden, dan denk ik dat zelfs de wereld de boeken die geschreven zouden worden niet zou kunnen bevatten.
ἔστιν
(estin)
is
δὲ
(de)
maar
καὶ
(kai)
ook
ἄλλα
(alla)
andere
πολλὰ
(polla)
vele
ἃ
(ha)
die
ἐποίησεν
(epoiesen)
deed
ὁ
(ho)
de
Ἰησοῦς
(Iesous)
Yeshua
ἅτινα
(hatina)
welke
ἐὰν
(ean)
als
γράφηται
(graphetai)
wordt geschreven
καθ’
(kath’)
per
ἕν
(hen)
één
οὐδ’
(oud’)
zelfs niet
αὐτὸν
(auton)
zelf
οἶμαι
(oimai)
denk ik
τὸν
(ton)
de
κόσμον
(kosmon)
wereld
χωρήσειν
(choresein)
zou bevatten
τὰ
(ta)
de
γραφόμενα
(graphomena)
geschreven wordende
βιβλία
(biblia)
boeken
Bron: SBLGNT
Uitleg

οἶμαι (oimai), ‘ik denk’: hier staat ‘ik’, in 21:24 stond ‘wij’.

Vergelijk 20:30.