Elohim Bijbel

Jasher 44

12345678910111213141516171819202122232425262728293031323334353637383940414243444546474849505152535455565758596061626364656667686970717273747576777879808182838485868788899091

Jozef bij Potifar en Zelicha

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Jozef verkocht aan Potifar

1De zonen van Ismaël, die Jozef van de Midianieten hadden gekocht, die hem van zijn broers hadden gekocht, gingen met Jozef naar Egypte en kwamen tot de grens van Egypte. Toen zij Egypte naderden, ontmoetten zij vier mannen uit de zonen van Medan, de zoon van Abraham, die uit het land Egypte op hun weg waren gegaan.
ובני
(uvnei)
en de zonen van
ישמעאל
(yishma'e'l)
Ismaël
אשר
(asher)
die
קנו
(kanu)
zij hadden gekocht
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
מאת
(me'et)
van
המדינים
(hammidyanim)
de Midianieten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אחיו
(achiv)
zijn broers
הלכו
(halekhu)
zij gingen
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
עם
(im)
met
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
עד
(ad)
tot
גבול
(gevul)
de grens van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כאשר
(ka'asher)
toen
הקריבו
(hiqrivu)
zij naderden
להוא
(lahu)
ernaar
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
ויפגעו
(vayifge'u)
en zij ontmoetten
ארבעה
(arba'ah)
vier
אנשים
(anashim)
mannen
מבני
(mibbnei)
van de zonen van
מדן
(medan)
Medan
בן
(ben)
zoon van
אברהם
(avraham)
Abraham
יצאו
(yatse'u)
zij gingen uit
מארץ
(me'erets)
uit het land
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
לדרכם
(ledarkam)
op hun weg
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 37:36 en 39:1.

Daar verkopen de Medanieten hem aan Potifar; Jasher laat de Ismaëlieten Jozef aan vier Medanieten verkopen, die hem aan Potifar verkopen.

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

2De Ismaëlieten zeiden tegen hen: „Willen jullie deze slaaf van ons kopen?” Zij zeiden: „Geef hem ons.” Zij gaven Jozef aan hen, en zij zagen hem, en zie, hij was een zeer mooie jongeman; en zij kochten hem van hen voor vijf sjekel.
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליהם
(aleihem)
tot hen
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
התחפצו
(hatachpetsu)
verlangen jullie
בעבד
(be'eved)
naar de slaaf
הזה
(hazzeh)
deze
לקנות
(liknot)
te kopen
אותו
(oto)
hem
ממנו
(mimmennu)
van ons
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
תנוהו
(tenuhu)
geef hem
לנו
(lanu)
aan ons
ויתנו
(vayittenu)
en zij gaven
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
אליהם
(aleihem)
aan hen
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
אותו
(oto)
hem
והנה
(vehinneh)
en zie
נער
(na'ar)
jongen
יפה
(yafah)
mooi
מראה
(mar'eh)
van aanzien
מאוד
(me'od)
zeer
ויקנוהו
(vayiqnuhu)
en zij kochten hem
מהם
(mehem)
van hen
בחמשת
(bachamishat)
voor vijf
שקלים
(sheqalim)
sjekel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

בחמשת שקלים (‘voor vijf sjekel’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘twintig sjekel’.

Een sjekel is ongeveer 11,4 gram zilver.

3De Ismaëlieten gingen op hun weg naar Egypte, en ook de Medanieten keerden die dag naar Egypte terug. De Medanieten zeiden tegen elkaar: „Zie, wij hebben gehoord dat Potifar, hofdienaar van de farao, bevelhebber van de lijfwacht, een goede slaaf zoekt die voor hem zal staan om hem te dienen, en die hij over zijn huis en over alles wat hem toebehoort wil aanstellen.
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
לדרכם
(ledarkam)
op hun weg
וגם
(vegam)
en ook
המדנים
(hamedanim)
de Medanieten
שבו
(shavu)
zij keerden terug
מצרימה
(mitsraymah)
naar Egypte
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
המדנים
(hamedanim)
de Medanieten
איש
(ish)
een man
לרעהו
(lere'ehu)
tot zijn naaste
הנה
(hinneh)
zie
שמענו
(shamanu)
wij hebben gehoord
כי
(ki)
dat
פוטיפר
(potifar)
Potifar
סריס
(saris)
hofdienaar van
פרעה
(par'oh)
Farao
שר
(sar)
bevelhebber van
הטבחים
(hatabachim)
de slachters
מבקש
(mevaqesh)
zoekt
עבד
(eved)
slaaf
טוב
(tov)
goed
אשר
(asher)
die
יעמוד
(ya'amod)
zal staan
לפניו
(lefanav)
voor hem
לשרתו
(lesharto)
om hem te dienen
ולהפקיד
(ulehafqid)
en aan te stellen
אותו
(oto)
hem
על
(al)
over
ביתו
(beito)
zijn huis
ועל
(ve'al)
en over
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
לו
(lo)
voor hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

4Kom nu, laten wij hem aan hem verkopen voor de prijs die wij willen, als hij ons kan geven wat wij voor hem vragen.”
עתה
(attah)
nu
לכו
(lekhu)
kom
ונמכרנו
(venimkerenu)
en laten wij hem verkopen
אליו
(elav)
aan hem
כאשר
(ka'asher)
naar wat
נחפוץ
(nachpots)
wij verlangen
אם
(em)
als
יוכל
(yukhal)
hij kan
לתת
(latet)
te geven
לנו
(lanu)
voor ons
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
חפצנו
(chefsenu)
onze wens
בו
(bo)
voor hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
5Die Medanieten gingen naar het huis van Potifar en zeiden tegen hem: „Wij hebben gehoord dat je een goede slaaf zoekt om je te dienen. Zie, wij hebben een slaaf bij ons die naar je zin is; als je ons kunt geven wat wij ervoor wensen, verkopen wij hem aan je.”
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
המדנים
(hamedanim)
de Medanieten
ההם
(hahem)
die
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
בית
(bet)
het huis van
פוטיפר
(potifar)
Potifar
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליו
(elav)
tegen hem
שמענו
(shamanu)
wij hebben gehoord
אשר
(asher)
dat
אתה
(attah)
jij
מבקש
(mevaqesh)
zoek
עבד
(eved)
slaaf
טוב
(tov)
goed
לשרתך
(lesharetkha)
om je te dienen
הנה
(hinneh)
zie
איתנו
(ittanu)
met ons
עבד
(eved)
slaaf
אשר
(asher)
die is
כרצונך
(kirtsonekha)
naar je wil
אם
(em)
als
תוכל
(tukhal)
kan
לתת
(latet)
te geven
לנו
(lanu)
voor ons
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
die
חפצנו
(chefsenu)
onze wens
בו
(bo)
in hem
ונמכרנו
(venimkerenu)
en laten wij hem verkopen
לך
(lekha)
aan jou
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
6Potifar zei: „Breng hem voor mij, dan zal ik hem zien; en als hij goed is in mijn ogen, zal ik jullie geven wat jullie ervoor willen.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
פוטיפר
(potifar)
Potifar
הביאוהו
(havi'uhu)
breng hem
לפני
(lifnei)
voor
ואראנו
(ve'er'enu)
en ik zal hem zien
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
אם
(em)
als
ייטב
(yetav)
goed is
בעיניי
(be'einai)
in mijn ogen
ונתתי
(venatati)
en ik zal geven
לכם
(lakhem)
aan jullie
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
die
תחפצו
(tachpetsu)
jullie willen
בו
(bo)
voor hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
7De Medanieten gingen en brachten Jozef en lieten hem voor Potifar staan. Hij zag hem, en hij beviel hem zeer. Potifar zei tegen hen: „Zeg mij toch wat jullie voor deze jongen willen.”
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
המדנים
(hamedanim)
de Medanieten
ויביאו
(vayavi'u)
en zij brachten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויעמידוהו
(vaya'amiduhu)
en zij lieten hem staan
לפני
(lifnei)
voor
פוטיפר
(potifar)
Potifar
ויראהו
(vayar'ehu)
en hij zag hem
ויישר
(vayiyshar)
en het was goed
בעיניו
(be'einav)
in zijn ogen
מאוד
(me'od)
zeer
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
פוטיפר
(potifar)
Potifar
הגידו
(higgidu)
zegt
נא
(na)
toch
לי
(li)
voor mij
אשר
(asher)
die
תחפצו
(tachpetsu)
jullie willen
בנער
(bane'ar)
voor de jongen
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
8Zij zeiden: „Vierhonderd zilverstukken willen wij voor hem.” Potifar zei: „Ik zal ze jullie geven als jullie degene die hem aan jullie verkocht heeft bij mij brengen en mij zijn verhaal vertellen, want misschien is hij gestolen. Deze jongen is immers geen slaaf en geen zoon van een slaaf, want ik zie goed en mooi bloed in hem.”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
ארבע
(arba)
vier
מאות
(me'ot)
honderd
כסף
(kesef)
zilver
חפצנו
(chefsenu)
onze wens
בו
(bo)
in hem
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
פוטיפר
(potifar)
Potifar
אני
(ani)
ik
אתן
(etten)
zal ik geven
לכם
(lakhem)
aan jullie
אם
(em)
als
תביאו
(tavi'u)
jullie brengen
אליי
(elai)
tot mij
מוכרו
(mokhro)
zijn verkoper
אליכם
(aleikhem)
aan jullie
ותגידו
(vetagidu)
en jullie vertellen
לי
(li)
voor mij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברו
(dabberu)
zijn verhaal
אולי
(ulai)
misschien
גנוב
(ganov)
gestolen
הוא
(hu)
hij
כי
(ki)
want
הנער
(hanna'ar)
de jongen
הזה
(hazzeh)
deze
לא
(lo)
niet
עבד
(eved)
slaaf
ולא
(velo)
en niet
בן
(ben)
zoon van
עבד
(eved)
slaaf
הוא
(hu)
hij
כי
(ki)
want
דם
(dam)
bloed
טוב
(tov)
goed
ויפה
(veyefeh)
en mooi
אני
(ani)
ik
רואה
(ro'eh)
ziet
בו
(bo)
in hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

כי דם טוב ויפה אני רואה בו (‘want ik zie goed en mooi bloed in hem’): ‘bloed’ staat hier voor afkomst.

De Engelse vertaling heeft ‘the appearance of a goodly and handsome person’.

9De Medanieten gingen en brachten de Ismaëlieten bij hem, die hem aan hen verkocht hadden; zij gaven het toe en zeiden: „Hij is een slaaf, en wij hebben hem aan hen verkocht.”
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
המדנים
(hamedanim)
de Medanieten
ויביאו
(vayavi'u)
en zij brachten
לו
(lo)
bij hem
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
אשר
(asher)
die
מכרוהו
(mekharuhu)
hadden hem verkocht
אליהם
(aleihem)
tot hen
ויודו
(vayyodu)
en zij erkenden
אליו
(elav)
tegen hem
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
עבד
(eved)
slaaf
הוא
(hu)
hij
ואנחנו
(va'anachnu)
en wij
מכרנו
(makharnu)
hebben verkocht
אותו
(oto)
hem
אליהם
(aleihem)
aan hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
10Potifar hoorde de woorden van de Ismaëlieten, en Potifar woog de Medanieten het zilver af waarover zij gesproken hadden, vierhonderd zilverstukken, en gaf het in de hand van de Ismaëlieten om het aan de Medanieten te geven. De Medanieten namen het zilver uit de hand van de Ismaëlieten en gingen hun weg, en ook de Ismaëlieten keerden naar hun woonplaats terug.
וישמע
(vayishma)
en hoorde
פוטיפר
(potifar)
Potifar
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
וישקול
(vayishqol)
en woog af
פוטיפר
(potifar)
Potifar
אל
(el)
aan
המדנים
(hamedanim)
de Medanieten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הכסף
(hakkesef)
het zilver
אשר
(asher)
die
דיברו
(dibberu)
zij hadden genoemd
לו
(lo)
voor hem
ארבע
(arba)
vier
מאות
(me'ot)
honderd
כסף
(kesef)
zilver
ויתנהו
(vayittenehu)
en hij gaf het
ביד
(beyad)
in de hand van
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
לתתו
(latito)
om het te geven
אל
(el)
tot
המדנים
(hamedanim)
de Medanieten
ויקחו
(vayyiqchu)
en zij namen
המדנים
(hamedanim)
de Medanieten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הכסף
(hakkesef)
het zilver
מיד
(miyyad)
uit de hand van
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
לדרכם
(ledarkam)
op hun weg
וגם
(vegam)
en ook
הישמעאלים
(hayishme'elim)
de Ismaëlieten
שבו
(shavu)
zij keerden terug
אל
(el)
tot
מקומם
(meqomam)
hun plaats
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
11Potifar nam Jozef en bracht hem naar zijn huis, en Jozef diende hem. Jozef vond gunst in de ogen van Potifar, die hem vertrouwde en hem aanstelde over zijn huis, en alles wat hij had, gaf hij in zijn hand.
ויקח
(vayikkach)
en hij nam
פוטיפר
(potifar)
Potifar
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויביאהו
(vayevi'ehu)
en hij bracht hem
אל
(el)
tot
ביתו
(beito)
zijn huis
וישרת
(vayesharet)
en hij diende
אותו
(oto)
hem
וימצא
(vayimtsa)
en hij vond
יוסף
(Yosef)
Jozef
חן
(chen)
gunst
בעיני
(be'einei)
in de ogen van
פוטיפר
(potifar)
Potifar
ויאמן
(vaya'amen)
en hij vertrouwde
בו
(bo)
in hem
ויפקדהו
(vayafqidehu)
en hij stelde hem aan
על
(al)
over
ביתו
(beito)
zijn huis
וכל
(vekhol)
en alle
אשר
(asher)
die
לו
(lo)
hem toebehoorde
נתן
(natan)
gaf hij
בידו
(beyado)
in zijn hand
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Yahweh met Jozef

12Yahweh was met Jozef, en hij werd een man die slaagde; en Yahweh zegende het huis van Potifar vanwege Jozef.
ויהי
(vayehi)
en was
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
met
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויהי
(vayehi)
en hij werd
איש
(ish)
een man
מצליח
(matsliach)
die slaagde
ויברך
(vayevarekh)
en Hij zegende
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בית
(bet)
het huis van
פוטיפר
(potifar)
Potifar
בגלל
(biglal)
vanwege
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 39:2–5 (Yahweh was met Jozef en zegende het huis van de Egyptenaar om Jozefs wil).

13Potifar liet alles wat hij had in de hand van Jozef, en Jozef was degene die uitging en degene die inging, en op zijn bevel geschiedde alles in het huis van Potifar.
ויעזוב
(vaya'azov)
en liet
פוטיפר
(potifar)
Potifar
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
לו
(lo)
hem toebehoorde
ביד
(beyad)
in de hand van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויהי
(vayehi)
en was
יוסף
(Yosef)
Jozef
הוא
(hu)
hij
המוציא
(hamotsi)
die uitbracht
והוא
(vehu)
en hij
המביא
(hamevi)
die binnenbracht
ועל
(ve'al)
en op
פיו
(pihu)
zijn mond
יהיה
(yihyeh)
geschiedde
כל
(kol)
alle
דבר
(davar)
zaak
בבית
(babbayit)
in huis
פוטיפר
(potifar)
Potifar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
14Jozef was achttien jaar oud, een mooie jongeling, met mooie ogen en een goed voorkomen, en zijn gelijke was er niet in heel het land Egypte.
ויוסף
(vayosef)
en Jozef
בן
(ben)
zoon van
שמונה
(shemonah)
acht
עשרה
(esreh)
tien
שנה
(shanah)
jaar
יפה
(yafah)
mooi
בחור
(bachur)
jongeling
יפה
(yafah)
mooi
עיניים
('enayim)
ogen
וטוב
(vetov)
en goed
רואי
(ro'i)
van aanblik
וכמוהו
(vekhamohu)
en zoals hij
לא
(lo)
niet
היה
(hayah)
was
בכל
(bekhol)
in heel
ארץ
(erets)
land van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookGen 39:6

Zelicha

15In die tijd, terwijl Jozef in het huis van zijn heer was, in en uit het huis ging en Yahweh diende, sloeg Zelicha, de vrouw van zijn heer, haar ogen naar Jozef op en zag hem, en zie, hij was een jongeman, mooi van gestalte en zeer mooi van aanzien.
בעת
(be'et)
in de tijd
ההיא
(hahi)
die
בהיות
(bihyot)
terwijl hij was
יוסף
(Yosef)
Jozef
בבית
(babbayit)
in huis
אדוניו
(adonav)
zijn heer
יוצא
(yotse)
uitgaand
ובא
(uva)
en kwam
בבית
(babbayit)
in huis
ומשרת
(umesharet)
en dienend
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
ותשא
(vatissa)
en zij hief op
זליכא
(zelikha)
Zelicha
אשת
(eshet)
vrouw van
אדוניו
(adonav)
zijn heer
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עיניה
(eineha)
haar ogen
אל
(el)
naar
יוסף
(Yosef)
Jozef
ותראהו
(vatir'ehu)
en zij zag hem
והנה
(vehinneh)
en zie
נער
(na'ar)
jongen
יפה
(yafah)
mooi
תואר
(to'ar)
van gestalte
ויפה
(veyefeh)
en mooi
מראה
(mar'eh)
van aanzien
מאוד
(me'od)
zeer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

ומשרת את ה׳ (‘en Yahweh dienend’) staat er; de Engelse vertaling heeft ‘attending his master’.

Zie Gen. 39:7 (de vrouw van zijn heer sloeg haar ogen op Jozef).

Zie ookGen 39:7
16Zij begeerde zijn schoonheid in haar hart, en haar ziel hechtte zich zeer aan Jozef. Dag na dag zette zij hem aan om bij haar te zijn, en dag na dag kleedde zij hem in kleren. Zelicha verleidde Jozef dag na dag met allerlei woorden, dag na dag, maar Jozef hief zijn ogen niet op om naar de vrouw van zijn heer te kijken.
ותחמוד
(vatachmod)
en zij begeerde
יופיו
(yofyo)
zijn schoonheid
בלבה
(belibah)
in haar hart
ותדבק
(vattidbaq)
en zij hechtte zich
נפשה
(nafshah)
haar ziel
ביוסף
(beyosef)
Jozef
מאוד
(me'od)
zeer
ותסיתהו
(vatesiteh u)
en zij zette hem aan
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
להיות
(lihyot)
te zijn
איתה
(ittah)
bij haar
ותלבישהו
(vatalbishehu)
en zij kleedde hem
בגדים
(begadim)
kleren
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
ותפתה
(vatefatte)
en zij verleidde
זליכה
(zelikha)
Zelicha
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
בכל
(bekhol)
met elk
דבר
(davar)
woord
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
ולא
(velo)
en niet
נשא
(nasa)
hief op
יוסף
(Yosef)
Jozef
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עיניו
(einav)
zijn ogen
לראות
(lir'ot)
te kijken naar
באשת
(be'eshet)
de vrouw van
אדוניו
(adonav)
zijn heer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
17Zelicha zei tegen hem: „Wat is je uiterlijk goed, en je gestalte zeer mooi! Ik heb toch onder alle slaven gekeken, en nooit heb ik een slaaf gezien die zo mooi is als jij.” Jozef zei tegen haar: „Heeft Hij die mij in de buik van mijn moeder geschapen heeft niet ook alle mensen geschapen?”
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליו
(elav)
tegen hem
זליכה
(zelikha)
Zelicha
מה
(mah)
hoe
טוב
(tov)
goed
מראיך
(mar'ekha)
je uiterlijk
ותוארך
(vetoarekh)
en je gestalte
מאוד
(me'od)
zeer
הלא
(halo)
immers
ראיתי
(ra'iti)
ik heb gezien
בכל
(bekhol)
onder alle
עבד
(eved)
slaaf
ולא
(velo)
en niet
ראיתי
(ra'iti)
ik heb gezien
עבד
(eved)
slaaf
יפה
(yafah)
mooi
כמותך
(kamotekha)
zoals jij
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליה
(eleha)
haar
יוסף
(Yosef)
Jozef
הלא
(halo)
immers
אשר
(asher)
Hij die
בראני
(bera'ani)
mij heeft geschapen
בבטן
(bebeten)
in de buik van
אמי
(immi)
mijn moeder
הוא
(hu)
Hij
אשר
(asher)
die
ברא
(bara)
heeft geschapen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
האדם
(ha'adam)
de mensheid
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
18Zij zei tegen hem: „Hoe mooi zijn je ogen, waarmee je alle inwoners van Egypte, man en vrouw, verblind hebt.” Hij zei tegen haar: „Hoe goed zijn zij zolang ik leef; maar als je ze in het graf zag, zou je er zeker voor terugdeinzen.”
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליו
(elav)
tegen hem
מה
(mah)
hoe
נאוו
(na'avu)
zijn mooi
עיניך
(eneykha)
je ogen
כי
(ki)
want
הרהבת
(hirhavta)
heb je verblind
בהם
(bahem)
in hen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
איש
(ish)
een man
ואישה
(ve'ishah)
en vrouw
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליה
(eleha)
haar
מה
(mah)
hoe
טובם
(tovam)
hoe goed zijn zij
בעודני
(be'odeni)
zolang ik
חי
(chai)
levend
ואם
(ve'im)
en als
ראיתם
(re'item)
je zag hen
בקבר
(baqever)
in het graf
הלא
(halo)
zeker
תנוד
(tanud)
zou je terugdeinzen
מהם
(mehem)
voor hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

19Zij zei tegen hem: „Hoe mooi en hoe lieflijk zijn al je woorden! Neem toch de harp die in huis is en speel met je hand, en laat mij je woorden horen.”
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליו
(elav)
tegen hem
מה
(mah)
hoe
יפו
(yafu)
zijn mooi
ומה
(umah)
en hoe
נעמו
(na'amu)
zijn lieflijk
כל
(kol)
alle
דבריך
(devarekha)
je woorden
קח
(qach)
neem
נא
(na)
toch
לך
(lekha)
aan jou
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הכינור
(hakinnor)
de harp
אשק
(ashaq)
die
בבית
(babbayit)
in huis
ונגן
(venagen)
en speel
בידך
(beyadekha)
in je hand
ואשמע
(ve'eshma)
en laat mij horen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דבריך
(devarekha)
je woorden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

אשק בבית (‘die is in huis’) staat er; אשק is gelezen als אשר, ‘die’.

20Hij zei tegen haar: „Hoe mooi en hoe lieflijk zijn mijn woorden wanneer ik de lof van mijn Elohim en Zijn roem bezing.” Zij zei tegen hem: „Hoe zeer mooi is het haar van je hoofd! Zie, de gouden kam die in huis is; neem hem toch en kam het haar van je hoofd.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליה
(eleha)
haar
מה
(mah)
hoe
יפו
(yafu)
zijn mooi
ומה
(umah)
en hoe
נעמו
(na'amu)
zijn lieflijk
דבריי
(devarai)
mijn woorden
בשבחי
(bishvachi)
in mijn loven
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שבח
(shevach)
de lof van
אלוקיי
(elohai)
mijn Elohim
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
תהילתו
(tehilato)
Zijn roem
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליו
(elav)
tegen hem
מה
(mah)
hoe
יפה
(yafah)
mooi
מאוד
(me'od)
zeer
שיער
(se'ar)
haar
ראשך
(rosh'kha)
je hoofd
הנה
(hinneh)
zie
מסרק
(masreq)
de kam van
הזהב
(hazzahav)
het goud
אשר
(asher)
die
בבית
(babbayit)
in huis
קח
(qach)
neem
נא
(na)
toch
לך
(lekha)
aan jou
והסרק
(vehasreq)
en kam
את
(et)
(lijdend voorwerp)
שיער
(se'ar)
haar
ראשך
(rosh'kha)
je hoofd
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
21Hij zei tegen haar: „Hoe lang nog spreek je zulke woorden tot mij? Laat al deze woorden van mij af, sta op en doe al het werk van je huis.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליה
(eleha)
haar
עד
(ad)
tot
מתי
(matai)
wanneer
תדברי
(tedabri)
spreek je
אליי
(elai)
tot mij
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
עזוב
(azov)
laat af
לך
(lekha)
aan jou
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הדברים
(haddevarim)
de dingen
האלה
(ha'elleh)
deze
מעליי
(me'alai)
van mij
וקום
(vequm)
en sta op
ועשה
(ve'asah)
en doe
לך
(lekha)
aan jou
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
דברי
(divrei)
woorden van
ביתך
(beitekha)
je huis
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
22Zij zei tegen hem: „Er is niets te doen in mijn huis, en er is geen woord dan je woorden en je uitspraken.” Maar toch keek Jozef niet naar haar en sloeg zijn ogen niet naar haar op; hij richtte zijn ogen omlaag naar de grond.
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליו
(elav)
tegen hem
אין
(ein)
er is niet
דבר
(davar)
zaak
בביתי
(beveiti)
in mijn huis
ואין
(veein)
en niet
מאמר
(ma'amar)
een uitspraak
כי
(ki)
—
אם
(em)
behalve
דבריך
(devarekha)
je woorden
ומאמריך
(uma'amarayikh)
en je uitspraken
ובכל
(uvkhol)
en ondanks
זאת
(zot)
dit
לא
(lo)
niet
הביט
(hibbit)
keek
יוסף
(Yosef)
Jozef
אליה
(eleha)
haar
ולא
(velo)
en niet
נשא
(nasa)
hief op
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עיניו
(einav)
zijn ogen
בה
(bah)
naar haar
ויתן
(vayitten)
en gaf
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עיניו
(einav)
zijn ogen
בארץ
(ba'arets)
op de grond
למטה
(lemata)
naar beneden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
23Zelicha beminde Jozef in haar hart en wilde bij hem liggen. Wanneer hij in huis zat om zijn werk te doen, kwam Zelicha en ging voor hem zitten, en zij zette hem dag na dag met woorden aan om bij haar te liggen of naar haar te kijken, maar Jozef wilde niet naar haar luisteren.
ותאהב
(vate'ehav)
en zij werd verliefd
זליכה
(zelikha)
Zelicha
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
בלבה
(belibah)
in haar hart
לשכב
(lishkav)
om te liggen
עמה
(immah)
met haar
והיה
(vehayah)
en het was
בעת
(be'et)
in de tijd
אשר
(asher)
die
ישב
(yashav)
zat
בבית
(babbayit)
in huis
לעשות
(la'asot)
om te doen
מלאכתו
(mela'khto)
zijn werk
ותבוא
(vattavo)
en kwam
זליכה
(zelikha)
Zelicha
ותשב
(vatashav)
en zij ging zitten
לפניו
(lefanav)
voor hem
ותסיתהו
(vatesiteh u)
en zij zette hem aan
בדברים
(baddevarim)
met woorden
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
לשכב
(lishkav)
om te liggen
עמה
(immah)
met haar
או
(o)
of
להביט
(lehabit)
om te kijken
אליה
(eleha)
haar
ולא
(velo)
en niet
אבה
(avah)
wilde
יוסף
(Yosef)
Jozef
לשמוע
(lishmo'a)
te luisteren
אליה
(eleha)
haar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
24Zij zei tegen hem: „Als je mijn woorden niet doet, zal ik je kastijden met het oordeel van de dood en een ijzeren juk op je leggen.”
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליו
(elav)
tegen hem
אם
(em)
als
לא
(lo)
niet
תעשה
(ta'aseh)
je doet
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
אייסרך
(ayasrekha)
zal ik je kastijden
במשפט
(bamishpat)
met het oordeel van
מות
(mot)
dood
ואתנה
(ve'ettenah)
en ik zal leggen
עליך
(aleikha)
op je
עול
(ol)
een juk
ברזל
(barzel)
ijzer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
25Jozef zei tegen haar: „Is het niet Elohim, die de mens geschapen heeft, die gebondenen losmaakt? Hij is het die mij zal redden uit je gevangenschap en uit je oordelen.”
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליה
(eleha)
haar
יוסף
(Yosef)
Jozef
הלא
(halo)
immers
האלוקים
(ha'Elohim)
Elohim
אשר
(asher)
die
ברא
(bara)
schiep
את
(et)
(lijdend voorwerp)
האדם
(ha'adam)
de mens
הוא
(hu)
Hij
מתיר
(matir)
die ontbindt
אסורים
(asurim)
gebondenen
והוא
(vehu)
en Hij
אשר
(asher)
die
יציל
(yatsil)
zal redden
אותי
(oti)
mij
ממאסריך
(mimasarayikh)
van je gevangenschap
וממשפטיך
(umimishpatayikh)
en van je oordelen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
26Toen zij hem niet kon verleiden en haar ziel aan hem gehecht bleef, viel Zelicha in een zware ziekte van verlangen naar hem.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כאשר
(ka'asher)
toen
לא
(lo)
niet
יכלה
(yakhelah)
zij kon
עליו
(alav)
over hem
לפתותו
(lefatoto)
om hem te verleiden
ונפשה
(venafshah)
en haar ziel
דבקה
(devaqah)
kleefde
בו
(bo)
aan hem
ותיפול
(vattippol)
en viel
זליכה
(zelikha)
Zelicha
בחולי
(bacholi)
in ziekte
כבד
(kaved)
zwaar
מתאותו
(mita'avato)
van verlangen naar hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De vrouwen van Egypte

27Alle vrouwen van Egypte kwamen haar bezoeken en zeiden tegen haar: „Waarom ben je zo uitgeteerd en mager, terwijl je niets tekortkomt? Ben je niet de vrouw van een geëerd en groot vorst in de ogen van de koning? Ontbreekt je iets van alles wat je ziel begeert?”
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
כל
(kol)
alle
נשי
(neshei)
vrouwen van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
לבקרה
(levaqra)
om haar te bezoeken
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליה
(eleha)
haar
מדוע
(maddu'a)
waarom
את
(et)
jij
ככה
(kakhah)
zo
דלה
(dalla)
uitgeteerd
ורזה
(veraza)
en mager
ואת
(ve'et)
en jij
לא
(lo)
niet
חסרת
(chasarta)
ontbreekt je
דבר
(davar)
iets
הלא
(halo)
immers
אשת
(eshet)
vrouw van
שר
(sar)
vorst
נכבד
(nikhbad)
geëerd
וגדול
(vegadol)
en groot
בעיני
(be'einei)
in de ogen van
המלך
(hammelekh)
de koning
את
(et)
jij
החסרת
(hachasarta)
ontbreekt je
דבר
(davar)
iets
מכל
(mikkol)
van elke
אשר
(asher)
die
תאוה
(te'aveh)
begeert
נפשך
(nafshekha)
je ziel
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

28Zelicha antwoordde hun: „Vandaag zal het jullie bekend worden waardoor mij dit is overkomen, wat jullie bij mij zien.” Zij gebood haar dienstmeisjes brood voor alle vrouwen neer te zetten, en zij deden zo; zij richtte voor hen een maaltijd aan, en alle vrouwen aten in het huis van Zelicha.
ותען
(vata'an)
en antwoordde
זליכה
(zelikha)
Zelicha
אתהן
(ottehen)
aan hen
לאמור
(lemor)
zeggende
היום
(hayyom)
vandaag
יוודע
(yivada)
zal bekend worden
לכן
(lakhen)
aan jullie
על
(al)
vanwege
מה
(mah)
wat
היה
(hayah)
is geweest
לי
(li)
voor mij
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
die
ראיתם
(re'item)
jullie hebben gezien
אותי
(oti)
mij
בו
(bo)
in
ותצו
(vatetsav)
en zij gebood
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נערותיה
(na'arotehah)
haar dienstmeisjes
וישימו
(vayasimu)
en zij zetten
לחם
(lechem)
brood
לכל
(lekhol)
voor alle
הנשים
(hannashim)
de vrouwen
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
כן
(ken)
zo
ותעש
(vata'as)
en zij maakte
להן
(lahen)
aan hen
משתה
(mishteh)
maaltijd
ויאכלו
(vayokhlu)
en zij aten
כל
(kol)
alle
הנשים
(hannashim)
de vrouwen
בבית
(babbayit)
in huis
זליכה
(zelikha)
Zelicha
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
29Zij gaf hun citroenen in handen en gaf hun messen om de citroenen te schillen en te eten. Zij gebood dat men Jozef kostbare kleren aan zou doen en hem voor hen zou brengen. Jozef kwam voor hen, en alle vrouwen keken naar Jozef; zij zagen Jozef en wendden hun ogen niet van hem af, en zij sneden zich allen in de handen met de messen die in hun handen waren, en alle citroenen die in hun handen waren, werden vol van hun bloed.
ותיתן
(vattitten)
en zij gaf
בידם
(beyadam)
in hun hand
אתרוגים
(etrogim)
citroenen
ותיתן
(vattitten)
en zij gaf
להן
(lahen)
aan hen
סכינים
(sakkinim)
messen
לקלף
(leqalef)
om te schillen
האתרוגים
(ha'etrogim)
de citroenen
לאכלם
(le'ekhlam)
om ze te eten
ותצו
(vatetsav)
en zij gebood
וילבישו
(vayalbishu)
en zij kleedden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
בגדים
(begadim)
kleren
יקרים
(yeqarim)
kostbare
ולהביאו
(ulehevi'o)
en hem te brengen
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
יוסף
(Yosef)
Jozef
לפניהם
(lifneihem)
voor hen
ויביטו
(vayabitu)
en zij keken
כל
(kol)
alle
הנשים
(hannashim)
de vrouwen
ביוסף
(beyosef)
Jozef
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
ולא
(velo)
en niet
הפנו
(hifnu)
zij wendden af
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עיניהם
(eineihem)
hun ogen
ממנו
(mimmennu)
van hem
ויחתכו
(vayachtekhu)
en zij sneden
כולם
(kullam)
allen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ידיהים
(yedeihem)
hun handen
בסכינין
(besakinin)
met de messen
אשר
(asher)
die
בידיהן
(beyadeihen)
in hun handen
וימלאו
(vayyimle'u)
en werden vol
כל
(kol)
alle
האתרוגים
(ha'etrogim)
de citroenen
אשר
(asher)
die
בידיהן
(beyadeihen)
in hun handen
בדמם
(bedamam)
met hun bloed
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
30Zij wisten niet wat zij gedaan hadden, maar bleven kijken naar de schoonheid van Jozef en wendden hun oogleden niet van hem af.
ולא
(velo)
en niet
ידעו
(yade'u)
zij wisten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
die
עשו
(asu)
zij hadden gedaan
אך
(akh)
maar
הביטו
(hibbitu)
zij bleven kijken
לראות
(lir'ot)
zien
ביופי
(beyofi)
naar de schoonheid van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ולא
(velo)
en niet
הפנו
(hifnu)
zij wendden af
ממנו
(mimmennu)
van hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עפעפיהן
(ap'appeihen)
hun oogleden
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
31Zelicha zag wat zij gedaan hadden en zei tegen hen: „Wat is dit voor een daad die jullie hebben gedaan? Ik heb jullie toch citroenen gegeven om te eten, en jullie hebben jullie handen allemaal gesneden.”
ותראה
(vatere)
en zij zag
זליכה
(zelikha)
Zelicha
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
die
עשו
(asu)
zij hadden gedaan
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליהן
(aleyhen)
tot hen
מה
(mah)
wat
המעשה
(hamma'aseh)
de daad
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
die
עשיתן
(asitten)
jullie hebben gedaan
הלא
(halo)
immers
אתרוגים
(etrogim)
citroenen
נתתי
(natati)
ik gaf
לפניכם
(lifnekhem)
voor jullie
לאכול
(le'ekhol)
om te eten
ותחתכו
(vatachtekhu)
en jullie sneden
אתם
(ittam)
jullie
כולכם
(kulkhem)
jullie allen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ידיכן
(yedeikhen)
jullie handen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
32Alle vrouwen zagen hun handen, en zie, ze waren vol bloed, en hun bloed liep neer over al hun kleren. Zij zeiden tegen haar: „Deze slaaf van je in je huis heeft ons verblind, en wij konden onze oogleden niet van hem afwenden vanwege zijn schoonheid.”
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
כל
(kol)
alle
הנשים
(hannashim)
de vrouwen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ידיהן
(yedeihen)
hun handen
והנה
(vehinneh)
en zie
מלאים
(mele'im)
vol
דם
(dam)
bloed
וירד
(vayered)
en liep neer
דמן
(daman)
hun bloed
על
(al)
op
כל
(kol)
alle
בגדיהן
(bigdeihen)
hun kleren
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליה
(eleha)
haar
כי
(ki)
—
זה
(ze)
dit
העבד
(ha'eved)
de slaaf
אשר
(asher)
die
לך
(lekha)
aan jou
בביתך
(bevetekha)
in je huis
הרהיבנו
(hirhivanu)
heeft ons verblind
ולא
(velo)
en niet
יכולנו
(yakholnu)
wij konden
להסיר
(lehasir)
weg te nemen
עפעפינו
(ap'appeinu)
onze oogleden
ממנו
(mimmennu)
van hem
מיופיו
(miyofyo)
vanwege zijn schoonheid
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
33Zij zei tegen hen: „Is het jullie niet in één ogenblik overkomen, toen jullie hem zagen, en konden jullie je niet bedwingen om hem? En ik, die hem voortdurend in mijn huis heb en hem dag na dag zie gaan en komen in mijn huis, hoe zou ik hierdoor niet uitteren en sterven?”
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
הלא
(halo)
immers
ברגע
(baregà)
in een ogenblik
אשר
(asher)
dat
ראיתם
(re'item)
jullie hebben gezien
אותו
(oto)
hem
קרה
(qarah)
overkwam
לכם
(lakhem)
aan jullie
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ולא
(velo)
en niet
יכולתם
(yekholtem)
jullie konden
להתאפק
(lehit'apeq)
jullie te bedwingen
עליו
(alav)
om hem
ואף
(ve'af)
en zelfs
אנוכי
(anokhi)
ik
אשר
(asher)
terwijl
הוא
(hu)
hij
בביתי
(beveiti)
in mijn huis
תמיד
(tamid)
steeds
ואראה
(ve'er'eh)
en ik zie
אותו
(oto)
hem
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
הולך
(holekh)
gaand
ובא
(uva)
en komend
בביתי
(beveiti)
in mijn huis
ואיך
(ve'ekh)
en hoe
לא
(lo)
niet
אדל
(edal)
ik uitteer
ואמות
(va'amut)
en sterf
מזה
(mizzeh)
hierdoor
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
34Zij zeiden tegen haar: „Je spreekt de waarheid, want wie kan deze gestalte in zijn huis zien en zich van hem onthouden? Is hij niet je slaaf, en dient hij niet je huis? Waarom zeg je hem niet wat er in je hart is en laat je je ziel sterven om deze zaak?”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אליה
(eleha)
haar
אמת
(emet)
waarheid
תדברי
(tedabri)
spreek je
כי
(ki)
want
מי
(mi)
wie
יוכל
(yukhal)
kan
לראות
(lir'ot)
zien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
התואר
(hato'ar)
de gestalte
הזה
(hazzeh)
deze
בביתו
(beveyto)
in zijn huis
ויתאפק
(veyit'apeq)
en zich bedwingt
ממנו
(mimmennu)
van hem
והלא
(vehalo)
en is niet
עבדך
(avdekha)
je slaaf
הוא
(hu)
hij
ומשרת
(umesharet)
en dienend
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ביתיך
(beteykh)
je huis
ולמה
(velamah)
en waarom
לא
(lo)
niet
תדברי
(tedabri)
spreek je
אליו
(elav)
tegen hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אשר
(asher)
wat
עם
(im)
in
לבבך
(levavkha)
je hart
ותעזבי
(vata'azvi)
en laat
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נפשך
(nafshekha)
je ziel
למות
(lamut)
te sterven
בדבר
(bedabber)
om
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
35Zij zei tegen hen: „Ik doe elke dag moeite om hem aan te zetten, maar hij wil niet naar mijn woorden luisteren; ik heb hem alle goeds beloofd, en toch heb ik niets bij hem gevonden. Daarom ben ik uitgeteerd, zoals jullie mij zien.”
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
מתחזקת
(mitchazeqet)
doe ik moeite
אני
(ani)
ik
בכל
(bekhol)
in heel
יום
(yom)
dag
להסיתו
(lehasito)
om hem aan te zetten
ולא
(velo)
en niet
אבה
(avah)
wilde
אל
(el)
naar
דברי
(divrei)
woorden van
ואבטיחהו
(va'avtichehu)
en ik heb beloofd
בכל
(bekhol)
in heel
טובה
(tovah)
goeds
ולא
(velo)
en niet
מצאתי
(matsati)
ik heb gevonden
בו
(bo)
in hem
דבר
(davar)
iets
על
(al)
daarom
כן
(ken)
—
דלותי
(dalloti)
ben ik uitgeteerd
כאשר
(ka'asher)
zoals
ראיתם
(re'item)
jullie hebben gezien
אותי
(oti)
mij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
36Zelicha werd zeer ziek van verlangen naar Jozef, en haar ziekte werd zwaar van liefde voor hem; en alle mensen van het huis van Zelicha en haar man wisten niets van deze zaak, dat Zelicha ziek was uit liefde voor Jozef.
וזליכה
(vezelikha)
en Zelicha
חלתה
(chalta)
werd ziek
מאוד
(me'od)
zeer
מתאות
(mita'avat)
van verlangen naar
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויכבד
(vayikhbad)
en zwaar werd
עליה
(aleha)
op haar
חוליה
(choleha)
haar ziekte
מאהבתו
(me'ahavato)
van liefde voor hem
וכל
(vekhol)
en alle
אנשי
(anshei)
mensen van
בית
(bet)
het huis van
זליכה
(zelikha)
Zelicha
ואישה
(ve'ishah)
en haar man
לא
(lo)
niet
ידעו
(yade'u)
zij wisten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
וכי
(vekhi)
en dat
חלתה
(chalta)
werd ziek
זליכה
(zelikha)
Zelicha
מאהבת
(me'ahavat)
uit liefde voor
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
37Alle mensen van haar huis vroegen haar: „Waarom ben je zo uitgeteerd en ziek, terwijl je niets tekortkomt?” Zij zei tegen hen: „Ik ken dit niet, wat mij dag na dag overkomt.”
וישאלוה
(vayish'aluha)
en zij vroegen haar
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mensen van
ביתה
(baytah)
van haar huis
מדוע
(maddu'a)
waarom
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ככה
(kakhah)
zo
דלה
(dalla)
uitgeteerd
וחולה
(vecholah)
en ziek
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
לא
(lo)
niet
חסרת
(chasarta)
ontbreekt je
דבר
(davar)
iets
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
לא
(lo)
niet
ידעתי
(yada'ti)
ik ken
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
אשר
(asher)
die
בא
(ba)
kwam
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
אליי
(elai)
tot mij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
38Alle vrouwen en al haar vriendinnen kwamen dag na dag om haar te zien en met haar te spreken, en zij zei tegen hen: „Dit is niets anders dan uit liefde voor Jozef.” Zij zeiden tegen haar: „Verleid hem en houd hem in het geheim vast; misschien luistert hij naar je en neemt hij van je af alleen deze dood.”
וכל
(vekhol)
en alle
הנשים
(hannashim)
de vrouwen
וכל
(vekhol)
en alle
מאהבותיה
(me'ohavotehah)
van haar vriendinnen
באות
(ba'ot)
komend
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
לראותה
(lir'otah)
om haar te zien
ולדבר
(uledabber)
en om te spreken
עמה
(immah)
met haar
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליהן
(aleyhen)
tot hen
אין
(ein)
is niet
זה
(ze)
dit
כי
(ki)
dan
אם
(em)
—
מאהבת
(me'ahavat)
uit liefde voor
יוסף
(Yosef)
Jozef
ותאמרן
(vato'marna)
en zij zeiden
אליה
(eleha)
haar
פתי
(patti)
verleid
אותו
(oto)
hem
והחזיקי
(vehachaziqi)
en houd vast
בו
(bo)
hem
בסתר
(baseter)
in het geheim
אולי
(ulai)
misschien
ישמע
(yishma)
hij zal luisteren
אלייך
(eleykh)
tot jou
ויסיר
(veyasir)
en dat hij wegneemt
מעלייך
(me'alayikh)
van je af
רק
(raq)
alleen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
המות
(hammavet)
dit sterven
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
39Zelicha werd steeds zieker uit liefde voor Jozef, en zij werd steeds meer uitgeteerd, tot zij geen kracht meer had om te staan.
ותוסף
(vattosef)
en zij ging voort
זליכה
(zelikha)
Zelicha
לחלות
(lachalot)
ziek te worden
מאהבת
(me'ahavat)
uit liefde voor
יוסף
(Yosef)
Jozef
ותלך
(vattelekh)
en zij ging
הלוך
(halokh)
steeds verder
ודלה
(vedalla)
en uitgeteerd
עד
(ad)
tot
כי
(ki)
dat
לא
(lo)
niet
היה
(hayah)
was
בה
(bah)
in haar
כח
(koach)
kracht
לעמוד
(la'amod)
te staan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
40Op een dag was Jozef in huis het werk van zijn heer aan het doen, en Zelicha kwam in het geheim en viel plotseling op hem; Jozef stond tegen haar op, bleek sterker dan zij en deed haar op de grond zitten.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
היום
(hayyom)
op een dag
ויוסף
(vayosef)
en Jozef
עושה
(oseh)
deed
מלאכת
(melakhat)
het werk van
אדוניו
(adonav)
zijn heer
בבית
(babbayit)
in huis
ותבא
(vattavo)
en kwam
זליכה
(zelikha)
Zelicha
בסתר
(baseter)
in het geheim
ותיפול
(vattippol)
en viel
עליו
(alav)
op hem
פתאום
(pit'om)
plotseling
ויקם
(vayyaqom)
en hij stond op
יוסף
(Yosef)
Jozef
עליה
(aleha)
tegen haar
ויתחזק
(vayitchazzeq)
en hij werd sterk
ממנה
(mimmenah)
van haar
ויושיבה
(vayoshivah)
en deed haar zitten
לארץ
(la'arets)
op de grond
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Zelicha smeekt

41Zelicha weende om hem vanwege het verlangen dat in haar hart naar hem was, en zij smeekte hem met geween, terwijl haar tranen over haar gezicht liepen. Zij sprak tot hem met een stem van smeking en in bitterheid van ziel:
ותבכה
(vatevk)
en zij weende
עליו
(alav)
om hem
זליכה
(zelikha)
Zelicha
מהתאוה
(mehata'ava)
van het verlangen
אשר
(asher)
die
בלבבה
(bilvavah)
in haar hart
אליו
(elav)
tegen hem
ותתחנן
(vatitchanan)
en zij smeekte
לפניו
(lefanav)
voor hem
בבכיה
(bevikhyah)
met geween
ודמעותיה
(vedim'oteha)
en haar tranen
יורדות
(yordot)
dalend
על
(al)
op
פניה
(paneha)
haar gezicht
ותדבר
(vatedabber)
en sprak
אליו
(elav)
tegen hem
בקול
(bekol)
met een stem
תחינה
(techina)
smeking
ובמר
(uvemar)
en in bitterheid van
נפש
(nefesh)
ziel van
לאמור
(lemor)
zeggende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
42„Heb je ooit gezien, gehoord of gekend een vrouw die zo mooi is als ik, of beter dan ik, die dag na dag tot je spreekt en uitteert uit liefde voor je, en die je al deze eer bewijst — en toch luister je niet naar mijn stem?
הראית
(hare'ita)
heb je gezien
או
(o)
of
השמעת
(hashamata)
heb je gehoord
או
(o)
of
הידעת
(hayada'ta)
heb je geweten
אישה
(ishah)
een vrouw
יפה
(yafah)
mooi
כמוני
(kamoni)
zoals ik
או
(o)
of
טובה
(tovah)
beter
ממני
(mimmenni)
van mij
אשר
(asher)
die
אדבר
(adabber)
ik spreek
אליך
(elekha)
tot je
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
ואדל
(ve'edal)
en ik teer uit
מאהבתך
(me'ahavatekh)
van liefde voor jou
ואעש
(va'e'eseh)
en ik deed
לך
(lekha)
aan jou
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הכבוד
(hakavod)
de eer
הזה
(hazzeh)
deze
ולא
(velo)
en niet
שמעת
(shamata)
je hebt geluisterd
בקולי
(beqoli)
naar mijn stem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
43En als het is omdat je je heer vreest, dat hij je zal kastijden: zo waar de koning leeft, geen schuld van je heer zal je in deze zaak treffen. Luister nu toch naar mij en doe het omwille van de eer die ik je bewezen heb, en neem deze dood van mij weg; waarom zou ik sterven om jou?” En zij hield op met spreken.
ואם
(ve'im)
en als
על
(al)
omdat
אשר
(asher)
—
יראת
(yirat)
vreze van
מאדוניך
(me'adonekha)
van je heer
פן
(pen)
opdat niet
ייסר
(yeyaser)
hij kastijdt
אותך
(otekha)
jou
חי
(chai)
zo waar leeft
המלך
(hammelekh)
de koning
אם
(em)
zeker niet
יקרך
(yiqrekha)
treft je
עוון
(avon)
schuld
בדבר
(bedabber)
in de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
מאדוניך
(me'adonekha)
van je heer
ועתה
(ve'attah)
en nu
שמע
(shema)
luister
נא
(na)
toch
אליי
(elai)
tot mij
ועשה
(ve'asah)
en doe
למען
(lema'an)
omwille van
הכבוד
(hakavod)
de eer
אשר
(asher)
die
כבדתיך
(kibadtikha)
heb ik je geëerd
והסר
(vehaser)
en neem weg
מעליי
(me'alai)
van mij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
המות
(hammavet)
dit sterven
הזה
(hazzeh)
deze
ולמה
(velamah)
en waarom
אמות
(amut)
ik zou sterven
בעבוריך
(ba'avurekha)
omwille van jou
ותכל
(vatekhal)
en zij maakte een einde
לדבר
(laddavar)
om te spreken
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
44Jozef antwoordde haar: „Houd op, laat mij met rust en laat deze zaak los. Het is ondenkbaar dat ik dit mijn heer aandoe. Zie, mijn heer weet niet wat er bij mij in huis is, en alles wat hem toebehoort, heeft hij in mijn hand gegeven. Hoe zou ik deze dingen doen in het huis van mijn heer?
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
אותה
(otah)
haar
לאמור
(lemor)
zeggende
חדל
(chadal)
houd op
לך
(lekha)
aan jou
מעליי
(me'alai)
van mij
ועזוב
(va'azov)
en laat varen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
חלילה
(chalila)
ondenkbaar
לי
(li)
voor mij
לעשות
(la'asot)
om te doen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לאדוני
(la'doni)
aan mijn heer
הן
(hen)
zie
אדוני
(adoni)
mijn heer
לא
(lo)
niet
ידע
(yada)
kent
איתי
(itti)
bij mij
מה
(mah)
wat
בבית
(babbayit)
in huis
וכל
(vekhol)
en alle
אשר
(asher)
die
לו
(lo)
hem toebehoorde
נתן
(natan)
hij gaf
בידי
(beyadi)
in mijn hand
ואיך
(ve'ekh)
en hoe
אעשה
(e'eseh)
ik zal doen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדברים
(haddevarim)
de dingen
האלה
(ha'elleh)
deze
בבית
(babbayit)
in huis
אדוני
(adoni)
mijn heer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 39:8
45Want hij heeft mij ook zeer geëerd in zijn huis en mij aangesteld over zijn huis en mij verheven; er is niemand groter in dit huis dan ik, en mijn heer heeft mij niets onthouden, behalve jou, omdat jij zijn vrouw bent. Hoe kun je zulke woorden tot mij spreken, en hoe zou ik dit grote kwaad doen en zondigen tegen Elohim en tegen je man?
כי
(ki)
want
גם
(gam)
ook
הוא
(hu)
hij
כבדני
(kibbadani)
heeft mij geëerd
מאוד
(me'od)
zeer
בביתו
(beveyto)
in zijn huis
וגם
(vegam)
en ook
הפקיד
(happaqid)
heeft aangesteld
אותי
(oti)
mij
על
(al)
over
ביתו
(beito)
zijn huis
וינשאני
(vayenase'eni)
en hij verhoogde mij
אין
(ein)
er is niet
איש
(ish)
iemand
גדול
(gadol)
grote
בבית
(babbayit)
in huis
הזה
(hazzeh)
deze
ממני
(mimmenni)
van mij
ולא
(velo)
en niet
חשך
(chasakh)
heeft onthouden
אדוני
(adoni)
mijn heer
ממני
(mimmenni)
van mij
מאומה
(me'umah)
iets
כי
(ki)
behalve
אם
(em)
—
אותך
(otekha)
jou
באשר
(ba'asher)
omdat
את
(et)
jij
אישתו
(ishto)
zijn vrouw
ואיך
(ve'ekh)
en hoe
תדבר
(tedabber)
spreek je
אליי
(elai)
tot mij
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
ואיך
(ve'ekh)
en hoe
אעשה
(e'eseh)
ik zal doen
הרעה
(hara'ah)
het kwaad
הגדולה
(haggedolah)
grote
הזאת
(hazzo't)
deze
וחטאתי
(vechatati)
en ik zou zondigen
לאלוקים
(le'elohim)
tegen Elohim
ולאישך
(ule'ishekh)
en tegen je man
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
46Houd nu op, en spreek niet meer zulke woorden tot mij, want ik luister niet naar je woorden.” Maar Zelicha luisterde niet naar Jozef toen hij deze woorden tot haar sprak, en zij bleef hem dag na dag aanzetten om naar haar te luisteren.
ועתה
(ve'attah)
en nu
חדל
(chadal)
houd op
לך
(lekha)
aan jou
עוד
(od)
meer
מעליי
(me'alai)
van mij
ואל
(ve'el)
en niet
תדברי
(tedabri)
spreek je
אליי
(elai)
tot mij
עוד
(od)
meer
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
כי
(ki)
want
אינני
(eneni)
ik ben niet
שומע
(shome'a)
luisterend
אל
(el)
tot
דברייך
(devarayikh)
je woorden
וזליכה
(vezelikha)
en Zelicha
לא
(lo)
niet
שמעה
(shama'ah)
hoorde
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
בדברו
(bedabbero)
toen hij sprak
אליה
(eleha)
haar
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדברים
(haddevarim)
de dingen
האלה
(ha'elleh)
deze
אך
(akh)
maar
מסיתה
(mesita)
zette aan
אותו
(oto)
hem
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
לשמוע
(lishmo'a)
te luisteren
אליה
(eleha)
haar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het feest bij de rivier

47Hierna gebeurde het dat de rivier van Egypte vol werd tot aan al haar oevers, en alle inwoners van Egypte trokken uit en gingen de rivier bekijken, met allerlei muziekinstrumenten, volgens hun gebruik in het land Egypte. Ook de koning en de vorsten trokken uit om te kijken, met tamboerijnen en reidansen, want het was een grote vreugde voor Egypte en een feestdag, wanneer de zee van de Sichor vol wordt, en zij gingen daarheen om zich te verheugen bij het water.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
אחרי
(acharei)
na
כן
(ken)
zo
ויתמלא
(vayitmale)
en werd vol
נחל
(nachal)
beek van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
על
(al)
tot aan
כל
(kol)
alle
גדותיו
(gedotav)
zijn oevers
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
כל
(kol)
alle
יושבי
(yoshvei)
bewoners van
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
לראות
(lir'ot)
zien
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הנחל
(hannachal)
de beek
בכל
(bekhol)
met alle
כלי
(keli)
instrumenten van
שיר
(shir)
zang
כמשפטם
(kemishpatam)
volgens hun gebruik
בארץ
(ba'arets)
in het land
מצרים
(Mitsrayim)
Egypte
וגם
(vegam)
en ook
המלך
(hammelekh)
de koning
והשרים
(vehassarim)
en de vorsten
יצאו
(yatse'u)
zij gingen uit
לראות
(lir'ot)
zien
בתופים
(bettofim)
met tamboerijnen
ובמחולות
(uvimcholot)
en met reidansen
כי
(ki)
want
שמחה
(semechah)
vreugde
גדולה
(gedolah)
grote
היא
(hi)
is
למצרים
(leMitsrayim)
van Egypte
ויום
(veyom)
en een dag
טוב
(tov)
van feest
בעת
(be'et)
in de tijd
אשר
(asher)
die
יתמלא
(yitmale)
vol wordt
ים
(yam)
zee van
שיחור
(shichor)
Sichor
והלכו
(vehalekhu)
en zij gingen
שם
(shem)
daar
לשמוח
(lismoach)
om zich te verheugen
על
(al)
op
המים
(hammayim)
het water
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Egypte: Egypte ligt rond de Nijl, van de delta aan de Middellandse Zee tot ver naar het zuiden.

Zie ookGen 39:11
48Toen de Egyptenaren naar de Nijl uitgingen om zich te verheugen, volgens hun gebruik, gingen ook alle mensen van het huis van Potifar met hen mee. Maar Zelicha ging niet mee, want zij zei: „Ik ben ziek”, en zij bleef alleen thuis, opdat Jozef die dag voor haar te vinden zou zijn. Toen zij uitgegaan waren, bleef Zelicha alleen in huis, en er was niemand anders bij haar in huis.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בצאת
(betset)
bij het uitgaan van
המצריים
(hammitsriyim)
de Egyptenaren
אל
(el)
naar
היאור
(hayeor)
de Nijl
לשמוח
(lismoach)
om zich te verheugen
כמשפטם
(kemishpatam)
volgens hun gebruik
ויצאו
(vayyetse'u)
en zij gingen uit
גם
(gam)
ook
כל
(kol)
alle
אנשי
(anshei)
mensen van
בית
(bet)
het huis van
פוטיפר
(potifar)
Potifar
איתם
(ittam)
bij hen
אך
(akh)
maar
זליכה
(zelikha)
Zelicha
לא
(lo)
niet
יצאה
(yatse'a)
zij ging uit
לה
(lah)
zich
כי
(ki)
want
אמרה
(amerah)
zij zei
חולה
(chola)
ziek
אנוכי
(anokhi)
ik
ותשב
(vatashav)
en zij bleef
בבית
(babbayit)
in huis
לבדה
(levadah)
alleen
בעבור
(ba'avur)
opdat
המצא
(himatse)
te vinden zou zijn
לה
(lah)
haar
יוסף
(Yosef)
Jozef
ביום
(beyom)
op de dag
ההוא
(hahu)
die
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בצאתם
(betsetam)
bij hun uitgaan
ותישאר
(vatisha'er)
en zij bleef
זליכה
(zelikha)
Zelicha
בבית
(babbayit)
in huis
לבדה
(levadah)
alleen
ואין
(veein)
en er is niemand
אחר
(acher)
anders
בבית
(babbayit)
in huis
איתה
(ittah)
bij zich
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Uitleg

בעבור המצא לה יוסף ביום ההוא (‘opdat Jozef die dag voor haar te vinden zou zijn’): deze reden voor haar thuisblijven staat niet in de Engelse vertaling.

49Zij stond op, ging naar haar hal en kleedde zich in koninklijke gewaden. Zij zette kostbare stenen op haar hoofd, van sjohamstenen, ingelegd met goud en zilver, en zij maakte haar gezicht en haar huid mooi met alle schoonheidsmiddelen van de vrouwen. Zij liet de hal en het huis geuren met kassia en wierook en strooide mirre en aloë door heel de hal. Daarna ging zij zitten in de opening van haar hal, aan de doorgang van het huis, op de plaats waar Jozef voorbijging om zijn werk te doen. En zie, Jozef kwam van het veld en ging het huis in om het werk van zijn heer te doen.
ותקם
(vataqom)
en zij stond op
ותעל
(vata'al)
en steeg op
אל
(el)
tot
הבית
(habbayit)
het huis
אל
(el)
tot
היכלה
(heikhalah)
haar hal
ותלבוש
(vatalbesh)
en zij kleedde
בגדים
(begadim)
kleren
כבגדי
(kivgdei)
zoals de kleren van
מלכות
(malkhut)
koningschap
ותשם
(vatasem)
en legde
על
(al)
op
ראשה
(rosha)
haar hoofd
אבנים
(avanim)
stenen
יקרות
(yaqarot)
kostbaar
מאבני
(me'avnei)
van stenen van
שוהם
(shoham)
sjoham
משובצים
(meshubatsim)
ingelegd
זהב
(zahav)
goud
וכסף
(vekhesef)
en zilver
ותייפה
(vateyaffe)
en zij maakte mooi
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פניה
(paneha)
haar gezicht
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
בשרה
(besarah)
haar huid
בכל
(bekhol)
in heel
תמרוקי
(tamruqei)
de schoonheidsmiddelen van
הנשים
(hannashim)
de vrouwen
ותקטיר
(vataqtir)
en zij liet roken
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ההיכל
(haheikhal)
de hal
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
הבית
(habbayit)
het huis
בקדה
(beqidda)
met kassia
ולבונה
(ulvona)
en wierook
ותפזר
(vatefazer)
en zij strooide
בכל
(bekhol)
in heel
ההיכל
(haheikhal)
de hal
מור
(mor)
mirre
ואהלות
(ve'ahalot)
en aloë
ותשב
(vatashav)
en zij ging zitten
אחרי
(acharei)
na
כן
(ken)
zo
בפתח
(befetach)
in de opening van
היכלה
(heikhalah)
haar hal
על
(al)
aan
דרך
(derekh)
de doorgang van
הבית
(habbayit)
het huis
במקום
(bamaqom)
op de plaats
אשר
(asher)
die
יעבור
(ya'avor)
voorbijgaat
משם
(misham)
vandaar
יוסף
(Yosef)
Jozef
לעשות
(la'asot)
om te doen
מלאכתו
(mela'khto)
zijn werk
והנה
(vehinneh)
en zie
יוסף
(Yosef)
Jozef
בא
(ba)
kwam
מהשדה
(mehasadeh)
van het veld
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
הביתה
(habbaytah)
het huis in
לעשות
(la'asot)
om te doen
מלאכת
(melakhat)
het werk van
אדוניו
(adonav)
zijn heer
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
50Hij kwam bij de plaats waar hij voorbij moest gaan, zag alles wat Zelicha had gedaan en keerde terug.
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
עד
(ad)
tot
המקום
(hammaqom)
de plaats
אשר
(asher)
die
יעבור
(ya'avor)
voorbijgaat
משם
(misham)
vandaar
וירא
(vayyera)
en hij zag
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
מעשה
(ma'aseh)
het werk van
זליכה
(zelikha)
Zelicha
וישב
(vayyashev)
en hij keerde terug
אחורנית
(achoranit)
achteruit
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
51Zelicha zag Jozef achteruit van haar weglopen en riep tegen hem: „Wat is er met je, Jozef? Kom naar je werk. Zie, ik heb de weg vrijgemaakt tot je doorgang naar je plaats.”
ותרא
(vatere)
en zij zag
זליכה
(zelikha)
Zelicha
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
שב
(shav)
keerde terug
אחורנית
(achoranit)
achteruit
מפניה
(mippeneha)
voor haar
ותקרא
(vattiqra)
en zij riep
לו
(lo)
tot hem
לאמור
(lemor)
zeggende
מה
(mah)
wat
לך
(lekha)
aan jou
יוסף
(Yosef)
Jozef
בא
(ba)
kwam
אל
(el)
tot
מלאכתך
(melakhtekha)
je werk
והנני
(vehinneni)
en zie, ik
פניתי
(pinniti)
heb ik vrijgemaakt
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדרך
(haderekh)
de weg
עד
(ad)
tot
עברך
(ovrekha)
je doorgang
אל
(el)
tot
מושביך
(moshavekha)
je plaats
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
52Jozef keerde terug, ging het huis in naar zijn plaats en ging zitten om het werk van zijn heer te doen, zoals gebruikelijk. En zie, Zelicha kwam naar hem toe en bleef voor hem staan in koninklijke gewaden, en de geur van haar kleren verspreidde zich tot ver.
וישב
(vayyashev)
en hij keerde terug
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
הבית
(habbayit)
het huis
אל
(el)
tot
מקום
(maqom)
plek
מושבו
(moshavo)
zijn plaats
וישב
(vayyashev)
en hij ging zitten
לעשות
(la'asot)
om te doen
מלאכת
(melakhat)
het werk van
אדוניו
(adonav)
zijn heer
כמשפט
(kemishpat)
zoals gewoonlijk
והנה
(vehinneh)
en zie
זליכה
(zelikha)
Zelicha
באה
(ba'ah)
kwam
אליו
(elav)
naar hem toe
ותעמוד
(vata'amod)
en bleef staan
לפניו
(lefanav)
voor hem
בבגדי
(bevigdei)
in gewaden van
מלכות
(malkhut)
koningschap
וריח
(veryach)
en de geur van
שלמותיה
(salmoteha)
haar gewaden
יצא
(yatsa)
ging uit
למרחוק
(lemerachoq)
tot ver
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het zwaard en het kleed

53Zij haastte zich, greep Jozef vast bij zijn kleren en zei tegen hem: „Zo waar de koning leeft, als je niet doet wat ik zeg, zul je vandaag sterven.” Zij haastte zich, strekte haar andere hand uit, trok het zwaard onder haar kleren vandaan en legde het op de nek van Jozef. Zij zei: „Sta op en doe wat ik zeg, en zo niet, dan ben je vandaag dood.”
ותמהר
(vatemaher)
en zij haastte zich
ותחזק
(vatechezaq)
en greep vast
ביוסף
(beyosef)
Jozef
ובבגדיו
(uvivgadav)
en zijn kleren
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליו
(elav)
tegen hem
חי
(chai)
zo waar leeft
המלך
(hammelekh)
de koning
אם
(em)
als
אינך
(enkha)
je niet
עושה
(oseh)
doet
דברי
(divrei)
woorden van
כי
(ki)
want
היום
(hayyom)
vandaag
תומת
(tumat)
je zult sterven
ותמהר
(vatemaher)
en zij haastte zich
ותשלח
(vatishlach)
en strekte uit
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ידה
(yadah)
haar hand
האחרת
(ha'acheret)
het andere
ותשלוף
(vatishlof)
en zij trok
את
(et)
(lijdend voorwerp)
החרב
(hacherev)
het zwaard
מתחת
(mittachat)
van onder
בגדיה
(bigdeha)
haar kleren
ותיתן
(vattitten)
en zij gaf
על
(al)
op
צואר
(tsavar)
de nek van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ותאמר
(vatomer)
en zei
קום
(qum)
sta op
ועשה
(ve'asah)
en doe
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
ואם
(ve'im)
en als
אין
(ein)
niet
אתה
(attah)
jij
מת
(met)
dood
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 39:12 (zij greep hem bij zijn kleed; hij liet zijn kleed in haar hand achter en vluchtte naar buiten).

Zie ookGen 39:12
54Jozef werd bang voor haar toen zij dit deed, en hij stond op om voor haar te vluchten, maar zij greep zijn kleed aan de voorkant vast. Toen hij in verbijstering vluchtte, scheurde het kleed dat Zelicha vasthield; Jozef liet het kleed in de hand van Zelicha achter, vluchtte en ging naar buiten, want hij vreesde.
יוסף
(Yosef)
Jozef
מלפניה
(millefaneyha)
voor haar
בעשותה
(be'asotah)
toen zij deed
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
ויקם
(vayyaqom)
en hij stond op
לברוח
(livroach)
te vluchten
מלפניה
(millefaneyha)
voor haar
והיא
(vehi)
en zij
תפשה
(tafsa)
greep
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בגדו
(bigdo)
zijn kleed
ממול
(mimul)
tegenover
פניו
(panav)
zijn aangezicht
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בברחו
(bevorcho)
toen hij vluchtte
בבהלה
(bevahalah)
in verbijstering
ותקרע
(vatiqra)
en scheurde
הבגד
(habeged)
het kleed
אשר
(asher)
die
החזיקה
(hechziqa)
zij vasthield
בו
(bo)
in hem
זליכה
(zelikha)
Zelicha
ויעזוב
(vaya'azov)
en hij verliet
יוסף
(Yosef)
Jozef
הבגד
(habeged)
het kleed
ביד
(beyad)
in de hand van
זליכה
(zelikha)
Zelicha
וינס
(vayanos)
en vluchtte
ויצא
(vayetse)
en hij ging weg
החוצה
(hachutsa)
naar buiten
כי
(ki)
want
ירא
(yere)
vreesde
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Lezing

יוסף מלפניה (‘Jozef van voor haar’): het werkwoord ontbreekt; gelezen als ‘Jozef vreesde voor haar’, zoals de Engelse vertaling heeft.

55Zelicha zag dat de kleren van Jozef gescheurd waren en dat hij ze in haar hand had achtergelaten en gevlucht was. Zij werd zeer bang voor haar leven, dat het bekend zou worden; zij stond op en handelde met list: zij deed de kleren uit die zij droeg en trok haar andere kleren aan.
ותרא
(vatere)
en zij zag
זליכה
(zelikha)
Zelicha
כי
(ki)
dat
נקרעו
(niqre'u)
waren gescheurd
בגדי
(bigdey)
de kleren van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויעזבם
(veya'azevem)
en hij had ze achtergelaten
בידה
(beyadah)
in haar hand
וינס
(vayanos)
en vluchtte
ותפחד
(vatifchad)
en zij werd bang
לנפשה
(lenafshah)
voor haar leven
מאוד
(me'od)
zeer
פן
(pen)
opdat niet
ישמע
(yishma)
gehoord zou worden
עליה
(aleha)
over haar
הדבר
(haddavar)
de zaak
ותקם
(vataqom)
en zij stond op
ותעש
(vata'as)
en zij maakte
בערמה
(be'ormah)
met list
ותסר
(vatasar)
en zij deed uit
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הבגדים
(habbegadim)
de kleren
אשר
(asher)
die
לבשה
(lavshah)
bekleedde
אותם
(otam)
hen
ותלבש
(vatilbash)
en zij trok aan
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בגדיה
(bigdeha)
haar kleren
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
56Zij nam de kleren van Jozef en legde ze naast zich, ging naar de plaats van haar ziekte en ging daar zitten, waar zij gezeten had voordat de mensen van haar huis naar de Nijl uitgingen. Zij riep een kleine jongen die in huis was en droeg hem op de mensen van haar huis te roepen, en de mensen van het huis kwamen bij haar.
ותיקח
(vatiqqach)
en zij nam
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בגדי
(bigdey)
de kleren van
יוסף
(Yosef)
Jozef
ותנח
(vatanach)
en zij legde
אצלה
(etslah)
naast zich
ותלך
(vattelekh)
en zij ging
ותשב
(vatashav)
en zij ging zitten
במקום
(bamaqom)
op de plaats
חוליה
(choleha)
haar ziekte
אשר
(asher)
die
ישבה
(yashvah)
zij had gezeten
שם
(shem)
daar
טרם
(terem)
voordat
צאת
(tset)
het uitgaan van
אנשי
(anshei)
mensen van
ביתה
(baytah)
van haar huis
אל
(el)
tot
היאור
(hayeor)
de Nijl
ותקרא
(vattiqra)
en zij riep
את
(et)
(lijdend voorwerp)
נער
(na'ar)
jongen
אחד
(echad)
één
קטן
(qatan)
klein
אשר
(asher)
die
היה
(hayah)
hij was
בבית
(babbayit)
in huis
ותצוהו
(vatetsavvehu)
en gaf hem opdrachten
לקרוא
(liqro)
om te roepen
אל
(el)
tot
אנשי
(anshei)
mensen van
ביתה
(baytah)
van haar huis
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
אנשי
(anshei)
mensen van
הבית
(habbayit)
het huis
אליה
(eleha)
haar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Nijl: De Nijl stroomt van het zuiden naar het noorden door Egypte en mondt met een delta uit in de Middellandse Zee.

Haar verhaal

57Toen zij hen zag, zei zij tegen hen met luide stem en geschreeuw: „Zie wat voor een Hebreeuwse man jullie heer bij mij in huis heeft gebracht, want hij is vandaag bij mij gekomen om met mij te liggen.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כראותה
(kir'otah)
toen zij zag
אותם
(otam)
hen
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
בקול
(bekol)
met een stem
גדול
(gadol)
grote
ובצעקה
(uvetse'aqa)
en met geschreeuw
ראו
(ra'u)
zie
אשר
(asher)
die
הביא
(hevi)
bracht
אליי
(elai)
tot mij
אדוניכם
(adonekhem)
jullie heer
איש
(ish)
een man
עברי
(ivri)
Hebreeuwse
אל
(el)
tot
הבית
(habbayit)
het huis
כי
(ki)
want
בא
(ba)
kwam
היום
(hayyom)
vandaag
לשכב
(lishkav)
om te liggen
עמי
(immi)
met mij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 39:14–15 (haar verhaal aan de mensen van haar huis).

58Toen jullie uitgegaan waren, kwam hij in huis, en toen hij zag dat er niemand in huis was, kwam hij naar mij toe en greep mij vast om met mij te liggen.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בצאתכם
(betse'tekhem)
toen jullie uitgingen
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
הביתה
(habbaytah)
naar huis
וירא
(vayyera)
en hij zag
כי
(ki)
want
אין
(ein)
er is niet
אחד
(echad)
één
בבית
(babbayit)
in huis
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
אליי
(elai)
tot mij
ויחזק
(vayechazzeq)
en hij greep
בי
(bi)
mij
לשכב
(lishkav)
om te liggen
עמי
(immi)
met mij
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
59Ik greep zijn kleren en scheurde ze, en riep met luide stem tegen hem; en toen ik mijn stem verhief, werd hij bang voor zijn leven, liet zijn kleed bij mij achter en vluchtte naar buiten.”
ואחזיק
(va'achaziq)
en ik greep
בבגדיו
(bivgadav)
zijn kleren
ואקרעם
(va'eqra'em)
en scheurde ze
ואקרא
(va'eqra)
en riep
אליו
(elav)
tegen hem
בקול
(bekol)
met een stem
גדול
(gadol)
grote
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כהרימי
(kaharimi)
toen ik verhief
קולי
(qoli)
mijn stem
ויירא
(vayira)
en hij vreesde
לנפשו
(lenafsho)
voor zijn leven
ויעזוב
(vaya'azov)
en hij verliet
בגדו
(bigdo)
zijn kleed
לפניי
(lefanai)
voor mij
ויצא
(vayetse)
en hij ging weg
וינס
(vayanos)
en vluchtte
החוצה
(hachutsa)
naar buiten
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
60De mensen van haar huis zeiden niets, maar hun toorn ontbrandde zeer tegen Jozef, en zij gingen naar zijn heer en spraken tot hem de woorden van zijn vrouw.
ולא
(velo)
en niet
דיברו
(dibberu)
spraken
אנשי
(anshei)
mensen van
ביתה
(baytah)
haar huis
מאומה
(me'umah)
iets
אך
(akh)
maar
חרה
(charah)
ontbrandde
אפם
(appam)
hun toorn
מאוד
(me'od)
zeer
ביוסף
(beyosef)
Jozef
וילכו
(vayelkhu)
en zij gingen
אל
(el)
tot
אדוניו
(adonav)
zijn heer
וידברו
(vayedabberu)
en zij spraken
לו
(lo)
voor hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
אישתו
(ishto)
zijn vrouw
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
61Potifar kwam in vuur van toorn naar huis, en zijn vrouw riep tegen hem: „Wat is dit voor een daad die je mij hebt aangedaan, dat je een Hebreeuwse slaaf in mijn huis hebt gebracht? Hij is vandaag bij mij gekomen om met mij te spotten; zus en zo heeft hij mij vandaag behandeld.”
ויבוא
(vayavo)
en hij kwam
פוטיפר
(potifar)
Potifar
אל
(el)
tot
ביתו
(beito)
zijn huis
בחרון
(bacharon)
in vuur van
אף
(af)
toorn
ותצעק
(vatits'aq)
en riep
עליו
(alav)
tot hem
אישתו
(ishto)
zijn vrouw
לאמור
(lemor)
zeggende
מה
(mah)
wat
הדבר
(haddavar)
de zaak
אשר
(asher)
die
עשית
(asita)
je hebt gedaan
לי
(li)
voor mij
להביא
(lehavi)
te brengen
אל
(el)
tot
ביתי
(beiti)
mijn huis
עבד
(eved)
slaaf
עברי
(ivri)
Hebreeuwse
כי
(ki)
want
בא
(ba)
kwam
אליי
(elai)
tot mij
היום
(hayyom)
vandaag
לצחק
(letsachaq)
om te spotten
בי
(bi)
met mij
וכזאת
(vekhazzot)
en zo
וכזאת
(vekhazzot)
en zo
עשה
(asah)
heeft gedaan
לי
(li)
voor mij
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 39:17–18 (haar verhaal aan haar man).

62Potifar hoorde de woorden van zijn vrouw en gaf bevel Jozef met hevige slagen te slaan, en zij deden hem zo.
וישמע
(vayishma)
en hoorde
פוטיפר
(potifar)
Potifar
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
אישתו
(ishto)
zijn vrouw
ויצו
(vayetsav)
en hij gaf bevel
להכות
(lehakkot)
te slaan
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
במכות
(bemakkot)
met slagen
נמרצות
(nimratsot)
hevige
ויעשו
(vaya'asu)
en zij deden
לו
(lo)
voor hem
כן
(ken)
zo
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 39:19
63Terwijl zij hem sloegen, schreeuwde Jozef met luide stem, sloeg zijn ogen op naar de hemel en zei: „Yahweh Elohim, U weet dat ik onschuldig ben aan al deze dingen. Waarom zou ik vandaag sterven om een leugen, door de hand van deze goddeloze onbesnedenen die ik niet ken?”
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
בהכותם
(behakotam)
terwijl zij sloegen
אותו
(oto)
hem
ויצעק
(vayits'aq)
en hij riep
יוסף
(Yosef)
Jozef
בקול
(bekol)
met een stem
גדול
(gadol)
grote
וישא
(vayissa)
en hij hief op
עיניו
(einav)
zijn ogen
אל
(el)
naar
השמים
(hashamayim)
de hemel
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
אלוקים
(Elohim)
Elohim
אתה
(attah)
U
ידעת
(yada'ta)
weet
כי
(ki)
dat
אני
(ani)
ik
נקי
(naqi)
onschuldig
מכל
(mikkol)
van al
הדברים
(haddevarim)
de dingen
האלה
(ha'elleh)
deze
ולמה
(velamah)
en waarom
אמות
(amut)
ik zou sterven
היום
(hayyom)
vandaag
על
(al)
om
שקר
(sheqer)
leugen
ביד
(beyad)
in de hand van
הערלים
(ha'arelim)
de onbesnedenen
הרשעים
(harresha'im)
de goddelozen
האלה
(ha'elleh)
deze
אשר
(asher)
die
לא
(lo)
niet
ידעתי
(yada'ti)
ik weet
אותם
(otam)
hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Het kind spreekt

64Terwijl de mannen van Potifar Jozef sloegen, bleef hij schreeuwen en wenen. Er was daar een dienaar, een van de dienaren van Potifar, een kind van elf maanden oud, en Yahweh opende de mond van het kind, en het sprak voor de mannen van Potifar die Jozef sloegen, deze woorden:
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
מדי
(Madai)
terwijl
הכות
(hakkot)
het slaan door
אנשי
(anshei)
mensen van
פוטיפר
(potifar)
Potifar
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויצעק
(vayits'aq)
en hij riep
ויבכה
(vayevke)
en hij huilde
עוד
(od)
nog
ויהי
(vayehi)
en er was
שם
(shem)
daar
עבד
(eved)
een dienaar
אחד
(echad)
één
מעבדי
(me'avdei)
van de dienaren van
פוטיפר
(potifar)
Potifar
בן
(ben)
zoon van
עשתי
(ashte)
elf
עשר
(esar)
—
חודש
(chodesh)
maanden
ויפתח
(vayiftach)
en Hij opende
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
את
(et)
(lijdend voorwerp)
פי
(pi)
de mond van
הילד
(hayeled)
het kind
וידבר
(vayedabber)
en hij sprak
לפני
(lifnei)
voor
אנשי
(anshei)
mensen van
פוטיפר
(potifar)
Potifar
המכים
(hamakkim)
die sloegen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
כדברים
(kadevarim)
zoals de woorden
האלה
(ha'elleh)
deze
לאמור
(lemor)
zeggende
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Uitleg

עבד אחד מעבדי פוטיפר (‘een dienaar van Potifars dienaren’): hij heet verderop ‘het kind’ (הילד), zegt ‘mijn moeder’ (v. 65) en wordt in v. 68 ‘zijn zoon’ van Potifar genoemd.

De Engelse vertaling heeft ‘a child’.

65„Wat hebben jullie met deze man, en waarom doen jullie hem dit kwaad aan? Mijn moeder spreekt leugen en bedrog, en zij zegt: zus en zo was het.”
מה
(mah)
wat
לכם
(lakhem)
aan jullie
באיש
(ba'ish)
de man
הזה
(hazzeh)
deze
ועל
(ve'al)
en waarom
מה
(mah)
—
תעשו
(ta'asu)
jullie zullen doen
לו
(lo)
voor hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הרעה
(hara'ah)
het kwaad
הזאת
(hazzo't)
deze
שקר
(sheqer)
leugen
אמי
(immi)
mijn moeder
דוברת
(doveret)
spreekt
וכזב
(vekhazav)
en leugen
ותאמר
(vatomer)
en zei
כזה
(kazeh)
zo
וכזה
(vekhazeh)
en zo
היה
(hayah)
was
הדבר
(haddavar)
de zaak
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
66Het kind vertelde hun nauwkeurig alle dingen, en alle woorden die Zelicha dag na dag tot Jozef gesproken had, deed het hun weten.
ויגד
(vayyaged)
en hij vertelde
אליהם
(aleihem)
tot hen
הילד
(hayeled)
het kind
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הדברים
(haddevarim)
de dingen
על
(al)
op
נכון
(nakhon)
juist
ואת
(ve'et)
en (lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
דברי
(divrei)
woorden van
זליכה
(zelikha)
Zelicha
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
הגיד
(higgid)
liet weten
אליהם
(aleihem)
tot hen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
67Alle mannen hoorden de woorden van het kind en verbaasden zich zeer over al de woorden van het kind; het kind hield op met spreken en werd stil.
וישמעו
(vayishme'u)
en zij hoorden
כל
(kol)
alle
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
הילד
(hayeled)
het kind
ויתמהו
(vayitmehu)
en zij verbaasden zich
מאוד
(me'od)
zeer
מכל
(mikkol)
van elke
דברי
(divrei)
woorden van
הילד
(hayeled)
het kind
ויכל
(vayekhal)
en hij hield op
לדבר
(laddavar)
om te spreken
הילד
(hayeled)
het kind
וידום
(vayidom)
en hij werd stil
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
68Potifar schaamde zich zeer over de woorden van zijn zoon, en hij gebood zijn mannen Jozef niet meer te doden, en de mannen hielden op Jozef te slaan.
ופוטיפר
(ufotifar)
en Potifar
נכלם
(nikhlam)
schaamde zich
מאוד
(me'od)
zeer
מדברי
(middivrei)
over de woorden van
בנו
(beno)
zijn zoon
ויצו
(vayetsav)
en hij gaf bevel
את
(et)
(lijdend voorwerp)
אנשיו
(anashav)
zijn mensen
לבלתי
(levilti)
om niet
המית
(hemit)
te doden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
עוד
(od)
opnieuw
ויחדלו
(vayachdelu)
en zij hielden op
האנשים
(ha'anashim)
de mannen
מהכות
(mehakkot)
van het slaan van
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

Voor de priesters

69Potifar nam Jozef en zei dat men hem moest brengen voor het gericht, voor de priesters, de rechters van de koning, om hem over deze zaak te oordelen.
ויקח
(vayikkach)
en hij nam
פוטיפר
(potifar)
Potifar
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
להביאו
(lehavi'o)
om hem te brengen
במשפט
(bamishpat)
in het gericht
לפני
(lifnei)
voor
הכוהנים
(hakohanim)
de priesters
השופטים
(hashoftim)
de rechters
אשר
(asher)
die
למלך
(lammelekh)
bij de koning
לשפטו
(lishpato)
om hem te oordelen
על
(al)
op
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
70Potifar en Jozef kwamen voor de priesters, de rechters van de koning, en hij zei tegen hen: „Oordeel toch welk recht er is voor deze slaaf, want zus en zo heeft hij gedaan.”
ויבואו
(vayavo'u)
en zij kwamen
פוטיפר
(potifar)
Potifar
ויוסף
(vayosef)
en Jozef
לפני
(lifnei)
voor
הכוהנים
(hakohanim)
de priesters
שופטי
(shoftei)
rechters van
המלך
(hammelekh)
de koning
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
אליהם
(aleihem)
tot hen
שפטו
(shiftu)
oordeel
נא
(na)
toch
מה
(mah)
wat
משפט
(mishpat)
recht
יש
(yesh)
is er
לעבד
(le'eved)
voor de slaaf
הזה
(hazzeh)
deze
כי
(ki)
want
כזה
(kazeh)
zo
וכזה
(vekhazeh)
en zo
עשה
(asah)
heeft gedaan
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
71De priesters zeiden tegen Jozef: „Waarom doe je dit aan je heer?” Jozef antwoordde hun: „Nee, mijn heer, want zus en zo is het gegaan.” Potifar zei tegen Jozef: „Heb ik niet alles wat ik had in je hand gelegd en je niets onthouden, behalve mijn vrouw? Hoe kun je mij dit kwaad aandoen?”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
הכוהנים
(hakohanim)
de priesters
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
למה
(lammah)
waarom
תעשה
(ta'aseh)
je doet
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הדבר
(haddavar)
de zaak
הזה
(hazzeh)
deze
לאדוניך
(le'adonekha)
tegen je heer
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
אותם
(otam)
hen
יוסף
(Yosef)
Jozef
לאמור
(lemor)
zeggende
לא
(lo)
niet
אדוני
(adoni)
mijn heer
כי
(ki)
want
כזה
(kazeh)
zo
וכזה
(vekhazeh)
en zo
היה
(hayah)
hij was
הדבר
(haddavar)
de zaak
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
פוטיפר
(potifar)
Potifar
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
הלא
(halo)
immers
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
לי
(li)
voor mij
שמתי
(samti)
heb ik gelegd
בידך
(beyadekha)
in je hand
ולא
(velo)
en niet
חשכתי
(chasakhti)
heb ik onthouden
ממך
(mimmekha)
van jou
דבר
(davar)
iets
כי
(ki)
behalve
אם
(em)
—
אשתי
(ishti)
mijn vrouw
ואיך
(ve'ekh)
en hoe
תעשה
(ta'aseh)
je doet
לי
(li)
voor mij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הרעה
(hara'ah)
het kwaad
הזאת
(hazzo't)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
72Jozef antwoordde en zei: „Nee, mijn heer; zo waar Yahweh leeft en zo waar je ziel leeft, mijn heer: het is niet waar wat je van je vrouw hebt gehoord, want zus en zo is het vandaag gegaan.
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
לא
(lo)
niet
אדוני
(adoni)
mijn heer
חי
(chai)
zo waar leeft
יהוה
(Yahweh)
Yahweh
וחי
(vechay)
en zo waar leeft
נפשך
(nafshekha)
je ziel
אדוני
(adoni)
mijn heer
אם
(em)
zeker niet
אמת
(emet)
waar
הדבר
(haddavar)
de zaak
אשר
(asher)
die
שמעת
(shamata)
je hebt gehoord
מאישתך
(me'ishtekha)
van je vrouw
כי
(ki)
want
כזה
(kazeh)
zo
וכזה
(vekhazeh)
en zo
היה
(hayah)
hij was
הדבר
(haddavar)
de zaak
היום
(hayyom)
vandaag
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
73Het is nu een vol jaar dat ik in je huis ben. Heb je onrecht gezien, of iets dat mijn hoofd bij jou schuldig maakt?”
זה
(ze)
het is
לי
(li)
voor mij
שנה
(shanah)
jaar
תמימה
(temimah)
een volle
היום
(hayyom)
vandaag
בביתך
(bevetekha)
in je huis
הראית
(hare'ita)
heb je gezien
כי
(ki)
dat
עולה
(oleh)
onrecht
או
(o)
of
דבר
(davar)
iets
אשר
(asher)
die
יחייב
(yechayev)
schuldig maakt
את
(et)
(lijdend voorwerp)
ראשי
(roshi)
mijn hoofd
אליך
(elekha)
jegens je
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
74De priesters zeiden tegen Potifar: „Zend toch, en laat het gescheurde kleed van Jozef voor ons brengen, dan zullen wij de scheur erin zien. En als de scheur vóór aan het kleed is, tegenover zijn gezicht, dan heeft zij hem vastgegrepen om bij haar te komen, en dan heeft je vrouw met list alles gedaan wat zij gesproken heeft.”
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
הכוהנים
(hakohanim)
de priesters
אל
(el)
tot
פוטיפר
(potifar)
Potifar
שלח
(Shelach)
zend
נא
(na)
toch
ויביאו
(vayavi'u)
dat zij brengen
בגד
(beged)
het kleed van
יוסף
(Yosef)
Jozef
הקרוע
(haqaru'a)
het gescheurde
לפנינו
(lefanenu)
vóór ons
ונראה
(venire'eh)
en laten we zien
בו
(bo)
in hem
את
(et)
(lijdend voorwerp)
הקרע
(haqera)
de scheur
והיה
(vehayah)
en het zal zijn
אם
(em)
als
מלפני
(millifnei)
vóór
הבגד
(habeged)
het kleed
יהיה
(yihyeh)
zal zijn
הקרע
(haqera)
de scheur
ממול
(mimul)
tegenover
פניו
(panav)
zijn aangezicht
היא
(hi)
zij
החזיקתהו
(hechziqatehu)
heeft hem vastgegrepen
לבוא
(lavo)
om te komen
אליה
(eleha)
haar
ובערמה
(uve'arma)
en met list
עשתה
(asetah)
deed zij
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
אשר
(asher)
die
תדבר
(tedabber)
zij spreekt
אישתך
(ishtekha)
je vrouw
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
75Zij brachten het kleed van Jozef voor de priesters, de rechters, en zij zagen, en zie, de scheur was tegenover het gezicht van Jozef. Alle priesters, de rechters, wisten dat zij hem bedrongen had, en zij zeiden: „Voor deze slaaf is er geen doodvonnis, want hij heeft niets gedaan; maar zijn vonnis is dat hij in de gevangenis wordt gezet, vanwege het gerucht dat door hem over je vrouw is uitgegaan.”
ויביאו
(vayavi'u)
en zij brachten
את
(et)
(lijdend voorwerp)
בגד
(beged)
het kleed van
יוסף
(Yosef)
Jozef
לפני
(lifnei)
voor
הכוהנים
(hakohanim)
de priesters
השופטים
(hashoftim)
de rechters
ויראו
(vayiru)
en zij zagen
והנה
(vehinneh)
en zie
הקרע
(haqera)
de scheur
ממול
(mimul)
tegenover
פני
(pnei)
aangezicht van
יוסף
(Yosef)
Jozef
וידעו
(vayede'u)
en zij wisten
כל
(kol)
alle
הכוהנים
(hakohanim)
de priesters
השופטים
(hashoftim)
de rechters
אשר
(asher)
die
היא
(hi)
zij
הציקתהו
(hetsiqathu)
heeft hem bedrongen
ויאמרו
(vayomeru)
en zij zeiden
אין
(ein)
er is niet
לעבד
(le'eved)
voor de slaaf
הזה
(hazzeh)
deze
משפט
(mishpat)
recht
מות
(mot)
sterven
כי
(ki)
want
לא
(lo)
niet
עשה
(asah)
heeft gedaan
מאומה
(me'umah)
iets
אך
(akh)
maar
משפטו
(mishpato)
zijn vonnis
אשר
(asher)
dat
יותן
(yuttan)
wordt gezet
בבית
(babbayit)
in het huis van
הסוהר
(hassohar)
de gevangenis
בעבור
(ba'avur)
vanwege
השמועה
(hashemu'a)
het gerucht
אשר
(asher)
die
יצאה
(yatse'a)
zij ging uit
על
(al)
op
אישתך
(ishtekha)
je vrouw
מאיתו
(me'ito)
van hem
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)

De gevangenis

76Potifar hoorde hun woorden, nam Jozef en zette hem in de gevangenis, de plaats waar de gevangenen van de koning gebonden zijn, en Jozef bleef twaalf jaar in de gevangenis.
וישמע
(vayishma)
en hoorde
פוטיפר
(potifar)
Potifar
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דבריהם
(divreihem)
hun woorden
ויקח
(vayikkach)
en hij nam
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
ויתנהו
(vayittenehu)
en hij zette hem
אל
(el)
tot
בית
(bet)
het huis van
הסוהר
(hassohar)
de gevangenis
מקום
(maqom)
plek
אשר
(asher)
die
אסירי
(asirei)
gevangenen van
המלך
(hammelekh)
de koning
אסורים
(asurim)
gebondenen
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
יוסף
(Yosef)
Jozef
בבית
(babbayit)
in het huis van
הסוהר
(hassohar)
de gevangenis
שתים
(shetayim)
twee
עשרה
(esreh)
tien
שנה
(shanah)
jaar
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Gen. 39:20 (Potifar zette Jozef in de gevangenis waar de gevangenen van de koning vastzaten).

Twaalf jaar is de duur die Jasher noemt; zie ook Gen. 41:1.

77Maar de vrouw van zijn heer wendde zich toch niet van hem af en hield niet op dag na dag tot Jozef te spreken om naar haar te luisteren. Na verloop van drie maanden ging Zelicha voort en ging zij dag na dag naar Jozef in de gevangenis en zette hem aan naar haar te luisteren. Zelicha zei tegen Jozef: „Hoe lang blijf je nog in dit huis? Luister toch naar mijn stem, dan breng ik je uit dit huis.”
ובכל
(uvkhol)
en ondanks
זאת
(zot)
dit
לא
(lo)
niet
שבה
(shavah)
keerde terug
אשת
(eshet)
vrouw van
אדוניו
(adonav)
zijn heer
מעליו
(me'alav)
van hem weg
ולא
(velo)
en niet
חדלה
(chadla)
hield op
מדבר
(medabber)
sprekend
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
לשמוע
(lishmo'a)
te luisteren
אליה
(eleha)
haar
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
מקץ
(miqqets)
na verloop van
שלושה
(shelosha)
drie
חודשים
(chodashim)
maanden
ותוסף
(vattosef)
en zij ging voort
זליכה
(zelikha)
Zelicha
ותלך
(vattelekh)
en zij ging
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
אל
(el)
tot
בית
(bet)
het huis van
הסוהר
(hassohar)
de gevangenis
יום
(yom)
dag
יום
(yom)
na dag
ותסיתהו
(vatesiteh u)
en zij zette hem aan
לשמוע
(lishmo'a)
te luisteren
אליה
(eleha)
haar
ותאמר
(vatomer)
en zei
זליכה
(zelikha)
Zelicha
אל
(el)
tot
יוסף
(Yosef)
Jozef
עד
(ad)
tot
מתי
(matai)
wanneer
תעמוד
(ta'amod)
blijf je staan
בבית
(babbayit)
in huis
הזה
(hazzeh)
deze
אך
(akh)
maar
שמע
(shema)
luister
נא
(na)
toch
בקולי
(beqoli)
naar mijn stem
ואוציאך
(ve'otsi'ekha)
en ik zal je uitbrengen
מן
(min)
uit
הבית
(habbayit)
het huis
הזה
(hazzeh)
deze
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Zie ookGen 39:20
78Jozef antwoordde haar: „Het is beter dat ik in dit huis blijf dan dat ik naar je woorden luister en tegen Elohim zondig.” Zij zei tegen hem: „Als je niet doet wat ik zeg, zal ik je ogen uitsteken, koperen boeien aan je voeten voegen en je overleveren in de hand van wie je tevoren niet kende.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
אותה
(otah)
haar
לאמור
(lemor)
zeggende
טוב
(tov)
goed
שבתי
(shevti)
mijn blijven
בבית
(babbayit)
in huis
הזה
(hazzeh)
deze
מלשמוע
(milishmo'a)
dan te luisteren
אל
(el)
naar
דבריך
(devarekha)
je woorden
לפשוע
(lifsho'a)
te zondigen
באלוקים
(be'Elohim)
tegen Elohim
ותאמר
(vatomer)
en zei
אליו
(elav)
tegen hem
אם
(em)
als
לא
(lo)
niet
תעשה
(ta'aseh)
je doet
את
(et)
(lijdend voorwerp)
דברי
(divrei)
woorden van
אנקר
(anaqer)
zal ik uitsteken
את
(et)
(lijdend voorwerp)
עיניך
(eneykha)
je ogen
ואוסיף
(ve'osif)
en ik zal toevoegen
נחושתיים
(nechushtayim)
koperen boeien
ברגליך
(beraglekha)
aan je voeten
ואמסרך
(ve'emsorkha)
en ik lever je over
ביד
(beyad)
in de hand van
אשר
(asher)
die
לא
(lo)
niet
ידעת
(yada'ta)
weet je
תמול
(tmol)
gisteren
שלשום
(shilshom)
eergisteren
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
79Jozef antwoordde haar en zei: „Zie, de Elohim van heel de aarde kan mij redden van alles wat je mij aandoet, want Hij opent de ogen van blinden, maakt gebondenen los en bewaakt alle vreemdelingen die in een land zijn dat zij niet kennen.”
ויען
(vaya'an)
en antwoordde
יוסף
(Yosef)
Jozef
אותה
(otah)
haar
ויאמר
(vayomer)
en hij zei
הנה
(hinneh)
zie
אלוקי
(elohei)
Elohim van
כל
(kol)
alle
הארץ
(ha'arets)
de aarde
יוכל
(yukhal)
kan
להצילני
(lehatsileni)
mij te redden
מכל
(mikkol)
van elke
אשר
(asher)
die
תעשי
(ta'asi)
doet
לי
(li)
voor mij
כי
(ki)
want
הוא
(hu)
Hij
פוקח
(poqe'ach)
opent
עוורים
(ivrim)
blinden
ומתיר
(umatir)
en maakt los
אסורים
(asurim)
gebondenen
ושומר
(veshomer)
en bewaart
את
(et)
(lijdend voorwerp)
כל
(kol)
alle
הגרים
(hagerim)
de vreemdelingen
אשר
(asher)
die
הם
(hem)
zij
בארץ
(ba'arets)
in het land
לא
(lo)
niet
ידעו
(yade'u)
zij wisten
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
80Toen Zelicha Jozef niet kon verleiden om naar haar te luisteren, hield zij op naar hem toe te gaan om hem aan te zetten, en Jozef bleef gebonden in de gevangenis. En Jakob, de vader van Jozef, en al zijn broers die in het land Kanaän waren, rouwden en weenden in die dagen nog om Jozef, want Jakob weigerde zich te laten troosten over zijn zoon Jozef; Jakob schreeuwde, weende en rouwde al die dagen.
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
כאשר
(ka'asher)
toen
לא
(lo)
niet
יכלה
(yakhelah)
kon
זליכה
(zelikha)
Zelicha
לפתות
(lefatot)
te verleiden
את
(et)
(lijdend voorwerp)
יוסף
(Yosef)
Jozef
לשמוע
(lishmo'a)
te luisteren
אליה
(eleha)
haar
ותחדל
(vetechdal)
zij hield op
ללכת
(lalekhet)
te gaan
אליו
(elav)
naar hem
להסיתו
(lehasito)
om hem aan te zetten
ויוסף
(vayosef)
en Jozef
עודנו
(odenu)
nog
אסור
(asur)
gebonden
בבית
(babbayit)
in huis
הסוהר
(hassohar)
de gevangenis
ויעקב
(veya'aqov)
en Jakob
אבי
(avi)
vader van
יוסף
(Yosef)
Jozef
וכל
(vekhol)
en alle
אחיו
(achiv)
zijn broers
אשר
(asher)
die
בארץ
(ba'arets)
in het land
כנען
(Kena'an)
Kanaän
עודם
(odam)
nog
מתאבלים
(mit'abelim)
rouwend
ובוכים
(uvokhim)
en huilend
על
(al)
op
יוסף
(Yosef)
Jozef
בימים
(bayyamim)
in de dagen
ההם
(hahem)
die
כי
(ki)
want
מאן
(me'en)
weigerde
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
להתנחם
(lehitnachem)
zich te laten troosten
על
(al)
op
יוסף
(Yosef)
Jozef
בנו
(beno)
zijn zoon
ויהי
(vayehi)
en het gebeurde
יעקב
(Ya'aqov)
Jakob
צועק
(tso'eq)
schreeuwend
ובוכה
(uvokheh)
en wenend
ומתאבל
(umit'abel)
en rouwend
על
(al)
op
יוסף
(Yosef)
Jozef
כל
(kol)
alle
הימים
(hayyamim)
de dagen
Bron: Sefer haYashar (Livorno 1870)
Plaats

Zie Kanaän: Kanaän is het land aan de oostkust van de Middellandse Zee, ongeveer het gebied van het huidige Israël, de Palestijnse gebieden en Libanon.