Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).
Het koor van de dochters van Jeruzalem
1Waarheen is je geliefde gegaan, mooiste onder de vrouwen? Waarheen heeft je geliefde zich gewend? Dan zoeken wij hem met je.
אָ֚נָה
(ana)
waarheen
הָלַ֣ךְ
(halakh)
is gegaan
דּוֹדֵ֔ךְ
(dodekh)
je geliefde
הַיָּפָ֖ה
(hayafa)
mooiste
בַּנָּשִׁ֑ים
(banashim)
onder de vrouwen
אָ֚נָה
(ana)
waarheen
פָּנָ֣ה
(pana)
heeft zich gewend
דוֹדֵ֔ךְ
(dodekh)
je geliefde
וּנְבַקְשֶׁ֖נּוּ
(unevaqshenu)
en wij zullen hem zoeken
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De spreker is niet in de tekst aangegeven; de koppen volgen het grammaticale geslacht en zijn een leeshulp.
Hier spreken de vrouwen die in 5:8 en 5:16 worden aangesproken.
דּוֹדֵךְ (dodekh), ‘je geliefde’: het woord dodi, ‘mijn geliefde’, staat in de volgende verzen.
6Je tanden zijn als een kudde ooien die uit de wasplaats opkomen. Allemaal dragen zij tweelingen, en geen enkele onder hen is kinderloos.
שִׁנַּ֨יִךְ֙
(shinayikh)
je tanden
כְּעֵ֣דֶר
(keeder)
als een kudde
הָֽרְחֵלִ֔ים
(harechelim)
de ooien
שֶׁעָל֖וּ
(shealu)
die opkomen
מִן
(min)
van
הָרַחְצָ֑ה
(harachtsa)
de wasplaats
שֶׁכֻּלָּם֙
(shekulam)
van wie allemaal
מַתְאִימ֔וֹת
(matimot)
tweelingen dragen
וְשַׁכֻּלָ֖ה
(veshakula)
en kinderloze
אֵ֥ין
(ein)
niet
בָּהֶֽם
(bahem)
onder hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
מַתְאִימוֹת (mat’imot), ‘zij dragen tweelingen’: de vorm betekent ‘paarsgewijs, in paren’.
Het beeld is dat de tanden in twee rijen passen en geen enkele ontbreekt.
וְשַׁכֻּלָה (veshakkulah), ‘kinderloos’: een moeder die haar jongen kwijt is. Dit vers komt overeen met Hoogl. 4:2; daar staat ‘geschoren schapen’ (haqtsuvot), hier ‘ooien’ (rechelim).
9Eén is zij, mijn duif, mijn onberispelijke. Eén is zij voor haar moeder; zuiver is zij voor haar die haar baarde. Dochters zagen haar en noemden haar gelukkig; koninginnen en bijvrouwen, en zij prezen haar.
אַחַ֥ת
(achat)
één
הִיא֙
(hi)
zij
יוֹנָתִ֣י
(yonati)
mijn duif
תַמָּתִ֔י
(tamati)
mijn onberispelijke
אַחַ֥ת
(achat)
één
הִיא֙
(hi)
zij
לְאִמָּ֔הּ
(leimah)
voor haar moeder
בָּרָ֥ה
(bara)
zuiver
הִ֖יא
(hi)
zij
לְיֽוֹלַדְתָּ֑הּ
(leyoladtah)
voor haar die haar baarde
רָא֤וּהָ
(rauha)
zagen haar
בָנוֹת֙
(banot)
dochters
וַֽיְאַשְּׁר֔וּהָ
(vayasheruha)
en noemden haar gelukkig
מְלָכ֥וֹת
(melakhot)
koninginnen
וּפִֽילַגְשִׁ֖ים
(ufilagshim)
en bijvrouwen
וַֽיְהַלְלֽוּהָ
(vayhalluha)
en zij prezen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
תַּמָּתִי (tammati), ‘mijn onberispelijke’: van het woord tam, ‘onberispelijk’.
Zo ook Hoogl. 5:2.
בָּרָה (barah), ‘zuiver’: ook ‘helder’ of ‘uitverkoren’. Zo ook in vers 10.
11Ik ben afgedaald naar de notentuin, om de groene scheuten van het beekdal te zien. Om te zien of de wijnstok bloeide en de granaatappels in bloei stonden.
אֶל
(el)
naar
גִּנַּ֤ת
(ginat)
de tuin van
אֱגוֹז֙
(egoz)
noot
יָרַ֔דְתִּי
(yaradti)
ik ben afgedaald
לִרְא֖וֹת
(lirot)
om te zien
בְּאִבֵּ֣י
(beibei)
de groene scheuten van
הַנָּ֑חַל
(hanachal)
het beekdal
לִרְאוֹת֙
(lirot)
om te zien
הֲפָֽרְחָ֣ה
(hafarecha)
of had gebloeid
הַגֶּ֔פֶן
(hagefen)
de wijnstok
הֵנֵ֖צוּ
(henetsu)
stonden in bloei
הָרִמֹּנִֽים
(harimonim)
de granaatappels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
De spreker is niet met zekerheid vast te stellen.
Het ‘ik’ kan de bruidegom zijn, die naar zijn tuin gaat (zie vers 2), maar ook de bruid.
Wij geven daarom een neutrale kop.
גִּנַּת אֱגוֹז (ginnat egoz), ‘notentuin’: een tuin met notenbomen.
אִבֵּי (ibbei), ‘groene scheuten’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis volgt uit het verband.
נַחַל (nachal), ‘beekdal’: een wadi, die alleen in het regenseizoen water voert.
הֵנֵצוּ (henetsu), ‘in bloei stonden’: letterlijk ‘zijn uitgebot, hebben gebloeid’. Zie ook Hoogl. 7:13.
12Ik wist het niet. Mijn ziel zette mij op de wagens van Amminadib.
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik wist
נַפְשִׁ֣י
(nafshi)
mijn ziel
שָׂמַ֔תְנִי
(samatni)
zette mij
מַרְכְּב֖וֹת
(markevot)
op de wagens van
עַמִּי
(ami)
mijn volk
נָדִֽיב
(nadiv)
edel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg
Dit vers is een van de moeilijkste van het boek.
Wij vertalen de woorden zoals ze er staan.
נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: mijn leven, mijn hele wezen; ook ‘mijn verlangen’.
עַמִּי נָדִיב (ammi nadiv) kan een eigennaam zijn: ‘Amminadib’. Het kan ook betekenen ‘mijn edele volk’ of ‘mijn bereidwillig volk’; dan staat er ‘de wagens van mijn edele volk’. Ook wordt wel gelezen dat mijn ziel ‘mij gezet heeft, wagens van mijn volk, bereidwillig’. Wij houden de eigennaam aan; de betekenis is onzeker.
In de Hebreeuwse telling is dit het laatste vers van hoofdstuk 6. Nederlandse bijbels tellen het volgende vers (Hebr. 7:1) nog als 6:13. Hebr. 7:2–14 is dus Nederlands 7:1–13. De app zet de kruisverwijzingen zelf om.