Elohim Bijbel

Hooglied 6

12345678

Waar is mijn geliefde heen?

Eigen Nederlandse vertaling uit de grondtekst. Rode tekst = woorden van Yahweh, Elohim of Yeshua zelf. Cursieve tekst = woorden van Melchisedek en de engel van Yahweh (hun identiteit wordt verschillend uitgelegd; zie de voetnoot). Kleine cursieve tekst = woorden van Satan, demonen of de draak. Gele markering in de brontekst = woord uit een andere bron dan de hoofdbron (zie Bron).

Het koor van de dochters van Jeruzalem

1Waarheen is je geliefde gegaan, mooiste onder de vrouwen? Waarheen heeft je geliefde zich gewend? Dan zoeken wij hem met je.
אָ֚נָה
(ana)
waarheen
הָלַ֣ךְ
(halakh)
is gegaan
דּוֹדֵ֔ךְ
(dodekh)
je geliefde
הַיָּפָ֖ה
(hayafa)
mooiste
בַּנָּשִׁ֑ים
(banashim)
onder de vrouwen
אָ֚נָה
(ana)
waarheen
פָּנָ֣ה
(pana)
heeft zich gewend
דוֹדֵ֔ךְ
(dodekh)
je geliefde
וּנְבַקְשֶׁ֖נּוּ
(unevaqshenu)
en wij zullen hem zoeken
עִמָּֽךְ
(imakh)
met je
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De spreker is niet in de tekst aangegeven; de koppen volgen het grammaticale geslacht en zijn een leeshulp.

Hier spreken de vrouwen die in 5:8 en 5:16 worden aangesproken.

דּוֹדֵךְ (dodekh), ‘je geliefde’: het woord dodi, ‘mijn geliefde’, staat in de volgende verzen.

De bruid

2Mijn geliefde is afgedaald naar zijn tuin, naar de bedden van specerijen, om te weiden in de tuinen en lelies te plukken.
דּוֹדִי֙
(dodi)
mijn geliefde
יָרַ֣ד
(yarad)
is afgedaald
לְגַנּ֔וֹ
(legano)
naar zijn tuin
לַעֲרוּג֖וֹת
(laarugot)
naar de bedden van
הַבֹּ֑שֶׂם
(habosem)
de specerijen
לִרְעוֹת֙
(lirot)
om te weiden
בַּגַּנִּ֔ים
(baganim)
in de tuinen
וְלִלְקֹ֖ט
(velilqot)
en om te plukken
שֽׁוֹשַׁנִּֽים
(shoshanim)
lelies
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

בֹּשֶׂם (bosem), ‘specerij’: geurige kruiden of balsem.

שׁוֹשַׁנִּים (shoshannim), ‘lelies’: de bloem is niet met zekerheid vast te stellen; ook ‘lotus’ is mogelijk. Zie ook Hoogl. 2:1.

הָרֹעֶה (ha-ro’eh), ‘die weidt’: het beeld van een herder die zijn kudde laat grazen. Hetzelfde beeld staat in Hoogl. 2:16.

3Ik ben van mijn geliefde en mijn geliefde is van mij, die weidt tussen de lelies.
אֲנִ֤י
(ani)
ik
לְדוֹדִי֙
(ledodi)
ben van mijn geliefde
וְדוֹדִ֣י
(vedodi)
en mijn geliefde
לִ֔י
(li)
is van mij
הָרֹעֶ֖ה
(haroe)
die weidt
בַּשׁוֹשַׁנִּֽים
(bashoshanim)
tussen de lelies
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)

De bruidegom

4Je bent mooi, mijn vriendin, als Tirza, bevallig als Jeruzalem, ontzagwekkend als de met vaandels getooiden.
יָפָ֨ה
(yafa)
mooi
אַ֤תְּ
(at)
jij
רַעְיָתִי֙
(rayati)
mijn vriendin
כְּתִרְצָ֔ה
(ketirtsa)
als Tirza
נָאוָ֖ה
(nava)
bevallig
כִּירוּשָׁלִָ֑ם
(kirushaliam)
als Jeruzalem
אֲיֻמָּ֖ה
(ayuma)
ontzagwekkend
כַּנִּדְגָּלֽוֹת
(kanidgalot)
als de met vaandels getooiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Tirza lag in het noorden van het land, ten noordoosten van Sichem.

Het was een mooie stad en later kort de hoofdstad van het noordelijke rijk (1 Kon. 14:17).

De ligging is waarschijnlijk (Tell el-Farah, Westoever).

Zie Jeruzalem: Jeruzalem ligt op het bergland van Juda.

Salem wordt gelezen als Jeruzalem, en Moria en Sion worden van oudsher bij Jeruzalem gezocht.

Uitleg

כַּנִּדְגָּלוֹת (kanidgalot), ‘als de met vaandels getooiden’: een vrouwelijke meervoudsvorm van een werkwoord voor ‘een vaandel dragen’.

Er staat niet wie bedoeld wordt; meestal wordt gedacht aan legerscharen met vaandels.

Wij laten het open.

Zo ook vers 10.

אֲיֻמָּה (ayummah), ‘ontzagwekkend’: ook ‘vreeswekkend’.

5Wend je ogen van mij af, want zij overweldigen mij. Je haar is als een kudde geiten die van Gilead afstromen.
הָסֵ֤בִּי
(hasebi)
wend af
עֵינַ֨יִךְ֙
(einayikh)
je ogen
מִנֶּגְדִּ֔י
(minegdi)
van tegenover mij
שֶׁ֥הֵ֖ם
(shehem)
want zij
הִרְהִיבֻ֑נִי
(hirhivuni)
overweldigen mij
שַׂעְרֵךְ֙
(sarekh)
je haar
כְּעֵ֣דֶר
(keeder)
als een kudde
הָֽעִזִּ֔ים
(haizim)
de geiten
שֶׁגָּלְשׁ֖וּ
(shegaleshu)
die afstromen
מִן
(min)
van
הַגִּלְעָֽד
(hagilad)
Gilead
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Plaats

Zie Gilead: Gilead is het bergland ten oosten van de Jordaan, tussen de Jarmoek en de Dode Zee.

Uitleg

הִרְהִיבֻנִי (hirhivuni), ‘zij overweldigen mij’: het woord betekent ‘onstuimig maken, overweldigen’.

Zo ook Ps. 138:3.

שֶׁגָּלְשׁוּ (shegalshu), ‘die afstromen’: hetzelfde werkwoord als in Hoogl. 4:1; de betekenis ‘neerstromen’ of ‘golven’ is onzeker.

6Je tanden zijn als een kudde ooien die uit de wasplaats opkomen. Allemaal dragen zij tweelingen, en geen enkele onder hen is kinderloos.
שִׁנַּ֨יִךְ֙
(shinayikh)
je tanden
כְּעֵ֣דֶר
(keeder)
als een kudde
הָֽרְחֵלִ֔ים
(harechelim)
de ooien
שֶׁעָל֖וּ
(shealu)
die opkomen
מִן
(min)
van
הָרַחְצָ֑ה
(harachtsa)
de wasplaats
שֶׁכֻּלָּם֙
(shekulam)
van wie allemaal
מַתְאִימ֔וֹת
(matimot)
tweelingen dragen
וְשַׁכֻּלָ֖ה
(veshakula)
en kinderloze
אֵ֥ין
(ein)
niet
בָּהֶֽם
(bahem)
onder hen
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

מַתְאִימוֹת (mat’imot), ‘zij dragen tweelingen’: de vorm betekent ‘paarsgewijs, in paren’.

Het beeld is dat de tanden in twee rijen passen en geen enkele ontbreekt.

וְשַׁכֻּלָה (veshakkulah), ‘kinderloos’: een moeder die haar jongen kwijt is. Dit vers komt overeen met Hoogl. 4:2; daar staat ‘geschoren schapen’ (haqtsuvot), hier ‘ooien’ (rechelim).

7Je slapen zijn als een stuk granaatappel achter je sluier.
כְּפֶ֤לַח
(kefelach)
als een stuk van
הָרִמּוֹן֙
(harimon)
de granaatappel
רַקָּתֵ֔ךְ
(raqatekh)
je slapen
מִבַּ֖עַד
(mibaad)
achter
לְצַמָּתֵֽךְ
(letsamatekh)
je sluier
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

רַקָּה (raqqah), ‘slapen’: in het Hebreeuws enkelvoud, de zijkant van het hoofd; ook ‘wang’ is mogelijk.

צַמָּה (tsammah), ‘sluier’: ook ‘vlecht’ of ‘haarlok’. Dit vers komt overeen met Hoogl. 4:3.

Zie ookHoogl 4:3
8Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijvrouwen, en jonge vrouwen zonder getal.
שִׁשִּׁ֥ים
(shishim)
zestig
הֵ֨מָּה֙
(hema)
zij
מְּלָכ֔וֹת
(melakhot)
koninginnen
וּשְׁמֹנִ֖ים
(ushemonim)
en tachtig
פִּֽילַגְשִׁ֑ים
(pilagshim)
bijvrouwen
וַעֲלָמ֖וֹת
(vaalamot)
en jonge vrouwen
אֵ֥ין
(ein)
niet
מִסְפָּֽר
(mispar)
getal
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

פִּילֶגֶשׁ (pilegesh), ‘bijvrouw’: een vrouw met een vaste plaats in het huis van de man, maar lager dan de echtgenote.

Zie ook 1 Kon. 11:3.

9Eén is zij, mijn duif, mijn onberispelijke. Eén is zij voor haar moeder; zuiver is zij voor haar die haar baarde. Dochters zagen haar en noemden haar gelukkig; koninginnen en bijvrouwen, en zij prezen haar.
אַחַ֥ת
(achat)
één
הִיא֙
(hi)
zij
יוֹנָתִ֣י
(yonati)
mijn duif
תַמָּתִ֔י
(tamati)
mijn onberispelijke
אַחַ֥ת
(achat)
één
הִיא֙
(hi)
zij
לְאִמָּ֔הּ
(leimah)
voor haar moeder
בָּרָ֥ה
(bara)
zuiver
הִ֖יא
(hi)
zij
לְיֽוֹלַדְתָּ֑הּ
(leyoladtah)
voor haar die haar baarde
רָא֤וּהָ
(rauha)
zagen haar
בָנוֹת֙
(banot)
dochters
וַֽיְאַשְּׁר֔וּהָ
(vayasheruha)
en noemden haar gelukkig
מְלָכ֥וֹת
(melakhot)
koninginnen
וּפִֽילַגְשִׁ֖ים
(ufilagshim)
en bijvrouwen
וַֽיְהַלְלֽוּהָ
(vayhalluha)
en zij prezen haar
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

תַּמָּתִי (tammati), ‘mijn onberispelijke’: van het woord tam, ‘onberispelijk’.

Zo ook Hoogl. 5:2.

בָּרָה (barah), ‘zuiver’: ook ‘helder’ of ‘uitverkoren’. Zo ook in vers 10.

10Wie is zij die uitkijkt als de dageraad, mooi als de maan, zuiver als de zon, ontzagwekkend als de met vaandels getooiden?
מִי
(mi)
wie
זֹ֥את
(zot)
is zij
הַנִּשְׁקָפָ֖ה
(hanishqafa)
die uitkijkt
כְּמוֹ
(kemo)
als
שָׁ֑חַר
(shachar)
de dageraad
יָפָ֣ה
(yafa)
mooi
כַלְּבָנָ֗ה
(kalevana)
als de maan
בָּרָה֙
(bara)
zuiver
כַּֽחַמָּ֔ה
(kachama)
als de zon
אֲיֻמָּ֖ה
(ayuma)
ontzagwekkend
כַּנִּדְגָּלֽוֹת
(kanidgalot)
als de met vaandels getooiden
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

שָׁחַר (shachar), ‘dageraad’; לְבָנָה (levanah), ‘maan’, letterlijk ‘de witte’; חַמָּה (chammah), ‘zon’, letterlijk ‘de gloeiende’.

Het zijn drie hemellichten die opkomen en schijnen.

Het is onduidelijk of dit een woord van de bruidegom of een citaat van de vrouwen uit vers 9 is. Wij laten het bij de bruidegom.

In de notentuin

11Ik ben afgedaald naar de notentuin, om de groene scheuten van het beekdal te zien. Om te zien of de wijnstok bloeide en de granaatappels in bloei stonden.
אֶל
(el)
naar
גִּנַּ֤ת
(ginat)
de tuin van
אֱגוֹז֙
(egoz)
noot
יָרַ֔דְתִּי
(yaradti)
ik ben afgedaald
לִרְא֖וֹת
(lirot)
om te zien
בְּאִבֵּ֣י
(beibei)
de groene scheuten van
הַנָּ֑חַל
(hanachal)
het beekdal
לִרְאוֹת֙
(lirot)
om te zien
הֲפָֽרְחָ֣ה
(hafarecha)
of had gebloeid
הַגֶּ֔פֶן
(hagefen)
de wijnstok
הֵנֵ֖צוּ
(henetsu)
stonden in bloei
הָרִמֹּנִֽים
(harimonim)
de granaatappels
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

De spreker is niet met zekerheid vast te stellen.

Het ‘ik’ kan de bruidegom zijn, die naar zijn tuin gaat (zie vers 2), maar ook de bruid.

Wij geven daarom een neutrale kop.

גִּנַּת אֱגוֹז (ginnat egoz), ‘notentuin’: een tuin met notenbomen.

אִבֵּי (ibbei), ‘groene scheuten’: het woord komt alleen hier voor; de betekenis volgt uit het verband.

נַחַל (nachal), ‘beekdal’: een wadi, die alleen in het regenseizoen water voert.

הֵנֵצוּ (henetsu), ‘in bloei stonden’: letterlijk ‘zijn uitgebot, hebben gebloeid’. Zie ook Hoogl. 7:13.

12Ik wist het niet. Mijn ziel zette mij op de wagens van Amminadib.
לֹ֣א
(lo)
niet
יָדַ֔עְתִּי
(yadati)
ik wist
נַפְשִׁ֣י
(nafshi)
mijn ziel
שָׂמַ֔תְנִי
(samatni)
zette mij
מַרְכְּב֖וֹת
(markevot)
op de wagens van
עַמִּי
(ami)
mijn volk
נָדִֽיב
(nadiv)
edel
Bron: Masoretische tekst (Westminster Leningrad Codex, OSHB)
Uitleg

Dit vers is een van de moeilijkste van het boek.

Wij vertalen de woorden zoals ze er staan.

נַפְשִׁי (nafshi), ‘mijn ziel’: mijn leven, mijn hele wezen; ook ‘mijn verlangen’.

עַמִּי נָדִיב (ammi nadiv) kan een eigennaam zijn: ‘Amminadib’. Het kan ook betekenen ‘mijn edele volk’ of ‘mijn bereidwillig volk’; dan staat er ‘de wagens van mijn edele volk’. Ook wordt wel gelezen dat mijn ziel ‘mij gezet heeft, wagens van mijn volk, bereidwillig’. Wij houden de eigennaam aan; de betekenis is onzeker.

In de Hebreeuwse telling is dit het laatste vers van hoofdstuk 6. Nederlandse bijbels tellen het volgende vers (Hebr. 7:1) nog als 6:13. Hebr. 7:2–14 is dus Nederlands 7:1–13. De app zet de kruisverwijzingen zelf om.